De dood van een schrijver

 

Ik was die avond even na tienen thuis gekomen van mijn werk. Ik voelde me brak en vuil. Ik had honger. Na een snelle verfrissende douche en daarna een dubbele boterham met zes vette plakken Gelderse worst, rijkelijk besmeurd met scherpe Franse mosterd, voelde ik me als herboren. Ik was klaar om datgene te doen wat ik me zo had voorgenomen te doen, waar ik heel mijn hart en ziel en zaligheid in kwijt kon: verder schrijven aan mijn roman. Mijn eerste roman, waar ik vier maanden geleden aan was begonnen. Ik had al ruim zeventien bladzijden van mijn grote schrijfblok vol geschreven. Tot nu toe was ik zeer tevreden over wat er op papier stond.

Zeventien bladzijden in vier maanden tijd lijken niet zo veel. Je moet echter wel bedenken dat ik een erg drukke baan heb. Druk is eigenlijk niet het goede woord. Ik bedoel dat ik erg veel tijd kwijt ben met het vervullen van mijn functie van assistent-beheerder van de oostelijke fietsenstalling van het Centraal Station van Amsterdam.

Fietsen moeten worden gestald en soms gerepareerd. Verder hebben we daar ook nog de verhuur van fietsen. Maar vaak genoeg is er niet veel te doen. Ik loop vaak dubbele diensten. Dagen van zestien uur werken zijn voor mij geen uitzondering. Dat doe ik niet omdat ik een geldwolf ben, zo zit dat niet. Ik werk zo veel om de schulden af te lossen die ik vorig jaar gemaakt heb om met mijn vriendin twee maanden op vakantie te gaan naar Indonesië. En dan verklap ik gelijk de tweede reden waarom ik zo weinig tijd heb om te schrijven. Mijn vriendin.

Mijn vriendin wil me heel graag en heel vaak zien. Niet dat we dan veel bijzonders doen. We hebben een totaal verschillende opvatting over het vreugdevol besteden van vrije tijd.

Zij houdt veel van televisie kijken, vooral soapseries. Ik hou niet van televisie kijken, ik lees liever een goed boek. Mijn vriendin gaat graag naar de bioscoop. Ik word claustrofobisch als ik op commando in het duister voor minimaal anderhalf uur in een krappe zetel moet zitten staren naar iets waar ik geen invloed op heb, hoogstens onderbroken door het op commando likken aan een ‘magnum’ waar ik ook niet van houd.  Zij houdt van snoepen, ik niet, geef mij maar kaas of worst. Zij houdt van knuffelen op de bank. Ik krijg daar een verrekte nek of pijn in mijn rug van. Zij vindt het leuk om een eindeloze stoet van zogenaamde vrienden en kennissen bij haar te laten komen eten, dag in, dag uit. Die vrienden en kennissen zijn allemaal ‘erg goede vrienden’ van haar waar ze ‘heel goed mee kan praten’. En die vrienden moet ik, als zijnde haar vriend, natuurlijk allemaal ontmoeten en serieus nemen. Ik vind het vreselijk. Ik vind een handvol vrienden, die je af en toe ziet omdat je dat echt wilt, genoeg. Ik moet er niet aan denken om elke dag iemand over de vloer te hebben die praat over zijn of haar baan in de automatisering, het open jeugdwerk, of op de universiteit. Het interesseert me eenvoudig niet. Ik heb er geen energie voor. Ik besteed een aanzienlijk deel van mijn vrije tijd liever met het schrijven aan mijn eerste roman. Als ik niet schrijf dan vind ik het prettig om in een café te kletsen met mijn vrienden terwijl we doorzakken en groots en meeslepend praten. Gezellig met een sigaretje erbij Belgische biertjes drinken tot onze hoofden gaan tollen en draaien. Als het zover is wil ik naar huis.

Mijn vriendin rookt niet. Ze drinkt niet. Ze houdt niet van literatuur. Ze leest niet. Ze heeft nog nooit een verhaal van mij gelezen. Dat interesseert haar niet.

Ondanks dat er weinig dingen zijn die we samen kunnen delen hou ik erg veel van mijn vriendin. Ze is erg lief en attent. Vorige week heb ik alweer een mooi overhemd van haar cadeau gekregen. Een grof katoenen overhemd met een Inca-achtig motief. Pasteltinten in horizontale banen afgewisseld met wit.

Omdat we weinig gemeenschappelijke interesses hebben is het wat mij betreft goed genoeg als we elkaar twee keer in de week zien en bij elkaar slapen. Dan hebben we tenminste genoeg tijd om samen de dingen te doen die we allebei leuk vinden.

Mijn vriendin denkt daar anders over. Daarom belt ze me ook zo vaak. Iedere dag. En dat terwijl ze elke dag een andere eetafspraak heeft. Bellen is haar passie. Ze belt me na, desnoods tijdens zo’n etentje om te vertellen wat haar goede vriend of vriendin zoal aan het doen is. Ze vermeldt goede tips over het zoeken van een baan die bij mijn niveau past. Ik ben immers afgestudeerd. Tips over netwerken. Eén grote gezellige club van bruisende academici met uiterst zinvolle bezigheden. Ik wil dat ze me met rust laat. Ik wil schrijven.

Ik had me voorgenomen die avond te schrijven. Ik legde het open geslagen schrijfblok klaar op de schoon geruimde eikenhouten tafel in mijn woonkamer. De zware pen vol gitzwarte inkt op het schrijfblok. Rechts van het schrijfblok de prachtige grote ronde zwarte bakelieten asbak uit de jaren vijftig, die ik van mijn moeder gekregen heb voor mijn achttiende verjaardag. Daarvoor mijn pakje Camel Filters Turkish & American Blend. Daarnaast de benzine-aansteker die een vriend voor me uit Viëtnam meegenomen heeft. Het is een gebutste koperkleurige Zippo die ooit het eigendom geweest is van een G.I. Joe met daarop het stoere opschrift ‘You never really lived until you’ve nearly died’. Links naast het schrijfblok een zojuist geopende literfles Albert Heijn Huiswijn (rood) en een hoog en slank limonadeglas. Ik was er klaar voor.

Mijn antwoordapparaat stond twee meter van me vandaan op het stereomeubel. Ik had het bandje nog niet afgeluisterd. Het rode lampje flikkerde steeds drie keer. Drie boodschappen. Moeder?, vriend?, vriendin?, mijn vriendin? Voor ik met schrijven wilde beginnen luisterde ik het bandje af. Twee keer een in gesprektoon, de derde boodschap was van mijn vriendin.

‘Hallo schatje, met mij. Ik zit met Remco en Inez in ‘De Duvel’. Kom je ook? Het is nu tien uur, dus ik snap niet waarom je nog niet thuis bent. Ben je weer naar de avondwinkel geweest om een fles wijn te halen? Grapje. O.k., tot zo.’

Mijn vriendin had dus vlak voor het moment dat ik thuis gekomen was gebeld. Ze wil altijd precies weten tot hoe laat ik moet werken. Dan kan ze uitrekenen hoe laat ik thuiskom. Ik woon immers exact acht minuten fietsen van mijn werk vandaan. Zo weet ze precies wanneer ze me kan bellen. En dat doet ze dan ook. Ik drukte op ‘erase’ om het bandje blank te spoelen. Ik liet het antwoordapparaat aanstaan.

Ik had voor de volgende avond met mijn vriendin afgesproken om naar een film met Tom Hanks te gaan. Ze wist dat ik die avond wilde schrijven. Ik voelde me niet geroepen om op mijn fiets te stappen en naar ‘De Duvel’ te gaan. Niet dat ik geen zin had om te drinken. De fles stond klaar op tafel. Ik had geen zin om te praten met mensen die me niet interesseerden. Ik moest schrijven. Anders zou mijn roman nooit afkomen. Bovendien waren Remco en Inez weer typisch van die kennisjes van haar. Ik had ze wel eens ontmoet. Sympathiek, maar een beetje saai, dertien in een dozijn mensen. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht die kant op te gaan.

Ik keek naar het schrijfblok. Niets kon me deze avond van schrijven weerhouden. Deze avond was van mij. Ik schonk mezelf een limonadeglas rode wijn in en stak een sigaret op.

Ik staarde voor me uit. Rook kringelde van mijn sigaret en dreef in de vorm van een toeter uit mijn mond. Ik nam een grote slok wijn, het glas was half leeg. De pen danste besluiteloos in mijn hand, tikkend op het papier.

Ik dacht aan mijn vriendin. Mijn vriendin in de kroeg. Dat mocht wel in de krant. Ze zou wel weer aan de thee zitten. Net als de keren dat ze met mij een café bezoekt. En ongetwijfeld had ze als gewoonlijk bij het bestellen van haar kopje thee de serveerster op het hart gedrukt het theezakje absoluut niet, ik herhaal, absoluut niet!, in het hete water te hangen. Want van te sterke thee krijgt ze last van haar darmen. Hoe vaak heeft ze me al niet verweten te sterke thee te zetten. De pot moet dan weer leeg, nieuw water opgezet. Ik weet er alles van. Van te sterke thee. Van haar spastische dikke darm.

Ik begon te schrijven. Ik had er zin in. Ik wist wat ik ging doen. Ik had een concept. Die dag zou ik een hoofdstuk beginnen waarin de totale liefde en loyaliteit tegenover de enige echte ware liefde in een mensenleven tot uitdrukking moesten komen. Als uitgangspunt voor dit hoofdstuk gebruikte ik de eerste liefde van mijn leven, van ruim tien jaar geleden, Karin.

Toen ik de tweede regel van mijn schrijfblok bekladde ging de telefoon. Ik wendde geïrriteerd mijn hoofd naar de stoorzender. Na de vierde keer overgaan zou het antwoordapparaat automatisch de boodschap opnemen. Als het dringend was zou ik de boodschap horen en direct kunnen reageren. De telefoon ging een tweede keer over. Ik keek op mijn horloge, het was half elf. Wie kon er zo laat nog bellen? Was er iets ergs gebeurd? Had er iemand plotseling een hartaanval gehad? Was er brand misschien? Iets met mijn familie? Een derde keer. Misschien een dronken lor die mijn nummer nog had en in een sentimentele bui wilde weten hoe het met me ging? Ik besloot het antwoordapparaat gewoon aan te laten staan. Wat kon er immers gebeurd zijn? Als het iets ergs was kon ik er toch niets meer aan doen. Misschien belde mijn vriendin een tweede keer. Om te vragen of ik naar ‘De Duvel’ zou komen. Maar ik moest schrijven en ik had toch duidelijke afspraken met mijn vriendin over de volgende dag? Niet reageren, dit was geen fatsoenlijk moment meer om iemand op te bellen. Veel mensen sliepen al. Gewoon aan laten staan. De telefoon ging een vierde keer over.

‘Rot op,’ mompelde ik en nam een slok wijn. Mijn glas was leeg en ik schonk het glas opnieuw vol terwijl ik mijn boodschap luid hoorde schallen door mijn woonkamer.

‘U luistert naar het antwoordapparaat van Peter Mabelus. Na de pieptoon kunt u een boodschap inspreken.’

Het antwoordapparaat gaf enige flipperkastgeluiden ten beste, daarna hoorde ik geroezemoes. Toen de stem van mijn vriendin.

‘Hoi, Peter. Met mij.’ Ze aarzelde even.

Ze had Peter gezegd, niet liefje. Was ik opeens niet lief meer? Ja, Peter was stout, heel stout. Omdat ik nog steeds niet in ‘De Duvel’ was verschenen. Om gezellig met haar goede vrienden te kletsen.

‘Nou ja, ik snap er niks van,’ vervolgde ze, ‘je bent toch thuis? Als je thuis bent, wil je dan opnemen?’

Ik twijfelde. Ik was toch een volwassen man? Ik had toch niets te verbergen voor mijn eigen vriendin? De afspraken waren toch duidelijk gemaakt? Ik had toch een legitieme reden om niet naar ‘De Duvel’ te gaan?

Toen ik de telefoon opnam gierde even een schelle fluittoon door mijn telefoon en appartement, als van een overstuurde gitaarversterker.

‘Hallo?,’ zei ik. De toon van mijn stem klonk me schijnheilig en laf in de oren.

‘Waar was je nou?,’ vroeg mijn vriendin.

‘Ik ben net thuis en ik zit te schrijven,’ zei ik.

‘Ik zit hier heel gezellig met Remco en Inez in ‘De Duvel’,’ zei mijn vriendin. ‘Kom je ook?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Je weet toch dat ik vanavond wilde schrijven?’

‘Doe nou niet zo saai.’

‘Hoezo saai? Ik wil nu schrijven. Morgen moet ik weer vroeg op. Dus is het sowieso niet verstandig om naar de kroeg te gaan.’

‘We zitten alle drie aan de thee hoor. Dus je kunt morgen heus wel fris weer opstaan.’

Het angstzweet brak me uit bij het idee om met drie thee drinkende mensen een kroeg in te duiken terwijl het mijn nachtrust zou gaan kosten.

‘We hebben toch voor morgen afgesproken?,’ zei ik. ‘Morgen gaan we naar die film met Tom Hanks. Laat me nu gewoon schrijven.’ Ik nam schielijk een enorme slok wijn.

‘Lekker spontaan ben jij hoor,’ zei mijn vriendin. ‘Ik doe nog eens moeite om jou bij mijn vrienden te betrekken.’

‘Liefje, ik ga nu schrijven en ik zie je morgen.’

‘Nee, dat vind ik niet leuk. Ik wil je nu zien. Ik verlang naar je.’

‘Liefje, je hebt het nu toch leuk met Remco en Inez? Ga nu lekker naar hun terug. Je kunt niet alles tegelijk doen. Vanavond breng je met hen door, morgen met mij, o.k.? Ik zie je morgen.’

‘Je bent een a-sociale eikel. Je denkt alleen maar aan jezelf.’

‘We hadden toch een afspraak over vandaag. Ik zou toch een beetje schrijven, schatje? Morgen zie ik je toch weer, liefje?, in de bioscoop? Tom Hanks?’

‘Egocentrische eikel!,’ zei mijn vriendin en hing op.

Ik staarde naar de hoorn in mijn hand, legde hem na een paar seconden terug op de haak. Daarna keek ik naar de klok. Over zeven uur moest ik alweer paraat zijn in de oostelijke fietsenstalling van het Centraal Station van Amsterdam. Ik keek naar de wijnfles waar nog ruim vier grote limonadeglazen uit gingen. Ik dronk mijn glas leeg. Daarna schonk ik een nieuw glas wijn in. Ik keek weer naar de fles. Nu nog drie grote limonadeglazen wijn. Ik stak een nieuwe sigaret op en keek naar mijn schrijfblok en pen. Ik bleef kijken en roken. Ik schreef niet. Ik dronk. Ik was moe en dacht aan de volgende dag. Ik dronk mijn glas leeg en schonk het glas opnieuw vol. Ik staarde naar het nauwelijks beschreven papier en vloekte. Nu nog twee limonadeglazen wijn.

De telefoon rinkelde.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s