Swami Bami Tsunami

 

Ik ga jullie een verhaal vertellen over een schele ontaarde Indiase monnik met een heel erg slecht karakter en de hindoeïstische God Ganesh (ja, daar in India hebben ze niet één God, maar zijn er dozijnen Goden. Dat is veel relaxter, dan heb je meer keus in tijden van nood). Ganesh is de God met de mensenbenen in een quasi ontspannen verwrongen lotushouding en de olifantenkop met altijd de slurf naar links, vanaf Ganesh gezien dan, en blauwe ogen recht op je innerlijk gericht. Ganesh is in het hindoeïsme behalve de God van kennis en wijsheid ook de beschermheilige van reizigers.

Ganesh kwam in de vorm van een klein schaapachtig goddelijk wolkje.

Er was eens een monnik, Swami Bami Tsunami heette hij, die had een slecht karakter dat het een aard had. Hij vloekte de hele dag de ergste godslas­terlijke verwen­sin­gen, sloeg kleine kinderen zomaar om de oren met zijn swamikralenkrans, roste kleine poesjes op de maat van zijn lievelingsliedje, “kurio ko uddah le jana”, met hun lieve katten­hoofdjes over een wasbord (ja, jongens en meisjes, vroeger, in het India van lang geleden, had je nog geen wasmachines, anders had stoute Swami Bami Tsunami ze vast daarin gestopt).

Ook kakte hij wel eens op een oude krant, frommelde die dan ineen en gooide die vervolgens bij oude ipaatjes (ipa is oma in het Hindi, de taal van de mensen in India) door het venster naar binnen. En leuk dat hij dat vond als dan die poepbom op de schoot van het in een schommel­stoel bij het raam zittende oude vrouwtje uiteenspatte en ze helemaal onder Swami Bami Tsunami zijn vieze poepstront zat! Soms ging de oude vrouw bijna dood van de schrik. Het oude broze hart, begrijp je wel? Gelukkig gooide hij vaak mis, omdat hij scheel was.

Oh, had ik dat al verteld, dat stoute Swami Bami Tsunami scheel was? Ja, Swami Bami Tsunami was zo scheel dat je bijna alleen nog maar zijn oogwit zag. Eigenlijk was het ooggeel, want hij zoop zich blind aan goedkoop bedorven zelf gestookt bananenbier, een populaire alcoholische illegale drank in het India van die tijd.

Vroeger beston­den er nog geen psychologen, maar ik weet haast zeker dat de scheelheid van Swami Bami Tsunami de reden was voor zijn slechtheid. Hij kon niet verwerken dat hij zo’n stomme kop had (om over zijn lange bochelachtige lijf met x-benen nog maar niet te spreken). Daarom hadden boze geesten bezit van hem genomen en ge­loofde Swami Bami Tsunami nergens in. Tegen de tempel (manadir in het Hindi) ging hij staan piesen en het heilige boek van de Hindoes, de Bhagavad Gītā (dat letterlijk “Lied van de Heer” betekent) gebruikte hij om zijn stinksigaretjes van te rollen.

Gelukkig werd hij eindelijk eens met zijn slechtheid geconfronteerd door de God Ganesh, in de vorm van een heel klein goddelijk wolkje. En daar gaat dit verhaal eigenlijk over.

Het ging zo. Swami Bami Tsunami was te lui en te dom om een echt vak te leren en daarom deed hij allerlei kleine klusjes voor lage mensen op hoge plaatsen. Zo riep de corrupte burgemeester van het dorp Swami Bami Tsunami een keer bij zich en zei:

‘Swami Bami Tsunami, je moet voor mij een pakje wegbrengen, helemaal door de woestijn naar Calcutta.’

Swami Bami Tsunami slikte even, met zijn adamsappel zo groot als een struisvogelei, omdat hij wist hoe zwaar de rit zou zijn. Weinig mensen kwamen levend terug uit de woestijn op weg naar Calcutta. Hij wist hoe heet en droog de woestijn altijd was (en hij had al nadorst van de dag ervoor!). Maar Swami Bami Tsunami had geld nodig en dus nam hij de opdracht aan.

Hij ging op weg met een geleende oude kameel zonder uiers die hinkte en voortdurend zure scheten liet. Swami Bami Tsunami moest van het westen naar het oosten en de wind was westelijk (het was slechts een klein briesje, maar toch), dus zat hij voortdurend in de stank van die oude manke en geleende oude kameel zonder uiers die hinkte en voortdurend zure scheten liet.

In de woestijn verdwaalde Swami Bami Tsunami al snel. Hij viel bijna flauw van de hitte en de dorst. Hij dacht dat hij rondjes reed, want de zon bleef boven zijn lelijke schele kop hangen. Al zijn water was al op en er waren zelfs geen cactussen om door midden te hakken en leeg te zuigen. Toen Swami Bami Tsunami ten einde raad was en bijna stierf van de dorst, zag hij aan de horizon een klein wolkje dat zijn richting op kwam.

Het wolkje zweefde zo’n twintig meter boven de grond en stopte precies boven Swami Bami Tsunami zijn schele bakkes. Swami Bami Tsunami wist niet dat Ganesh in dat kleine wolkje zat.

‘Hé, schele!,’ riep Ganesh vanuit het wolkje.

Swami Bami Tsunami keek op en vond het na zijn zestiende fata morgana niet eens raar dat er een God met mensenbenen in een verwrongen lotushouding en een olifantenkop met slurf naar links, in een klein pratend goddelijk wolkje, dat op twintig meter boven zijn hoofd zweefde, het woord tot hem richtte.

‘Wat mot je?!,’ balkte Swami Bami Tsunami laf.

Ganesh in het wolkje nam geen aan­stoot aan de beledigende toon van die schele duivel en zei: ‘Ik kom je redden van de dood in deze hete woestijn als je berouw toont voor al je slechte daden.’

‘Ik slecht? Hoezo?,’ mompelde Swami Bami Tsunami brutaal.

‘Je piest tegen mijn huis, draait sigaretjes van mijn veel gelezen boek en gooit je kak bij mijn bejaarde dienaressen door het raam. Vind je dat dan gewoon?’

Swami Bami Tsunami dacht even na en begon opeens in te zien hoe slecht of dat hij altijd geweest was.

‘Ik heb best wel spijt,’ zei hij.

‘Als je echt spijt hebt gooi ik regen op je schele kop, wijs ik je de goede weg, geef je genoeg water in je veldfles mee voor de rest van de reis en maak ik ook even gratis weer even je schele ogen recht.’

Swami Bami Tsunami hoefde niet meer na te denken. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij dacht aan alle schanddaden die hij in zijn leven tegen zoveel onschuldige mensen en dieren begaan had.

‘Ja, ik heb berouw!,’ schreeuwde hij bijna tegen het goddelijke wolkje.

En het goddelijke wolkje regelde een plensbui, wees Swami Bami Tsunami de goede weg, gaf hem een paar veldfles­sen water en zette ook nog even gratis zijn schele ogen recht.

Zo zien jullie maar weer, jongens en meisjes, dat als je maar oprecht spijt hebt van iets wat je verkeerd hebt gedaan, alles, door Gods genade, weer goed kan komen.

Swami Bami Tsunami ging, nadat hij zijn missie volbracht had, het klooster in en werd daar tot zijn dood op 104-jarige leeftijd de meest toegewijde klooster­ling van allen.

En Ganesh, in de vorm van het goddelijke wolkje, zweeft nog steeds over de aarde om mensen te vergeven en op het goede pad te sturen.

Misschien komen jullie hem ook wel een keer tegen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s