John West en de gestolen Picasso (een feuilleton) Deel 1

 

John West hoorde de galm van zijn voetstappen weerklin­ken tegen de natte muren van de vochtige gebouwen in de tochtige straten van de grote grauwe havenstad Amsterdam. Het was elf uur in de ochtend van een maandag in januari 20**. Hij was op weg naar het kantoor van zijn detectivebureau dat zich midden in de hoerenbuurt bevond. Hoewel kantoor een groot woord was voor het klamme en gehorige souter­rain dat hij voor een veel te hoge prijs huurde van een onsympa­thie­ke huisjesmelker van mediterrane afkomst.

Als hij alleen was had John West de gewoonte om al mompelend zijn leven voor zichzelf te beschrijven. Als het commentaar bij een documentaire over een bijzonder iemand. Deze gewoonte kwam wellicht voort uit zijn liefde voor de literatuur. Alleen als het leven gebeeldhouwd werd in taal kreeg het waarde.

Eigenlijk had John West schrijver willen zijn. Dat vond hij zo ongeveer het chiqueste beroep dat er bestond. Geen vaste werktijden. Geen gelul aan je kop van elke dag dezelfde mensen, die je niet zelf had uitgekozen. Nooit in de file staan, of in propvolle treinen klem staan tussen scholieren die gilden met consumptie, terwijl de beats uit hun oortjes je hartkloppingen bezorgden.

Wat lulde hij eigenlijk slap, dacht John West. Alle voordelen van het schrijver zijn had hij nu als kleine zelfstandige ook. Hij moest zijn brein dat getraind was om logisch na te denken wel bij de les houden. Voor je het wist werd je dement en had je steunzolen nodig in deze drukke wereld waar een tsunami aan gebakken lucht elke dag over je heen werd gestort als je niet heel goed uitkeek.

Maar nog even over dat schrijven. Elke keer als hij plaatsnam achter zijn bureau om iets op te schrijven stokte hem de adem in de keel en draaide hij al snel ongedurig op zijn stoel, of begon neurotisch met zijn nagels op het tafelblad te tikken en sigaretten te roken, waarvan hij pas doorhad dat hij ze had opgestoken als hij ze in de grote glazen asbak uitdrukte. Het lege scherm van zijn laptop verlamde hem. Dan las hij toch liever een goed boek. Je ging toch ook niet uitgebreid boodschappen doen en koken voor jezelf als een fatsoenlijke maaltijd maar een klik van een muis van je verwijderd was? Hij vroeg zich af of dit wel een goede vergelijking was. Soms probeerde hij nog wel eens wat op papier te krijgen. Steeds stelde hij zijn debuut uit. Van uitstel hoefde volgens hem geen afstel te komen.

John West had een kater als een koningstijger. De veertien tabletten paracetamol, die hij vanmorgen na het opstaan naar binnen had gewerkt met de inhoud van een literpak karnemelk van de Aldi begonnen langzaam hun werk te doen.

Gelukkig zag hij er met zijn dertig jaren nog altijd jong en atletisch uit. Volle kop met zwart haar, geen greintje vet aan zijn lijf. Een popster uit de jaren zeventig, zoals Rod Stewart of Keith Richards. Zijn lange benen altijd gestoken in kekke boots.

Gisterenmiddag had de voetbalclub van de stad weer eens gewonnen. Samen met zijn vriend Maarten Sanders had hij dit heuglijke feit tot in de kleine uurtjes uitgebreid gevierd in een kroeg in de nabijheid van het voetbalstadi­on. Niet dat het zo bijzonder was dat hun club gewonnen had. Want hun club won bijna altijd en werd praktisch elk jaar kampioen van de nationale competitie. Zelfs in het Europese voetbal speelde de club een niet geringe rol. Omdat de club niet zo kapitaalkrachtig was als de grote clubs uit Spanje en Italië, die de beste wereldspelers opkochten, moest op Europees niveau voorlopig echter genoegen worden genomen met de status van subtopper.

Maarten Sanders was een journalist, die werkte voor een van de weinige kwaliteitskranten van Nederland. John West en Maarten Sanders kenden elkaar al vanaf de basisschool. Omdat zij zoveel op elkaar leken dachten de mensen altijd dat ze broers, of zelfs tweelingbroers waren. Sinds de opening van de Amsterdam Arena in de zomer van 1996 zaten ze bij elke wedstrijd naast elkaar in de skybox van de vader van Maarten Sanders, die zijn geld verdiende als vastgoedmagnaat. De perstribune liet Maarten Sanders bewust links liggen, omdat hij dat beter vond passen bij de objectieve blik van de journalist. Of werd hij aangetrokken door de luxe en het comfort, die de skybox van zijn vader hem verschaften?

John West ademde zwaar. Misschien moest hij toch maar eens stoppen met roken. Maar aan de andere kant, alleen het idee vervulde hem al met afgrijzen. Hoe zou hij moeten nadenken zonder sigaret? Hoe zou hij kunnen drinken zonder sigaret? Hoe zou hij kunnen leven zonder sigaret? Zijn dagrantsoen terugbrengen van tachtig naar vijftig sigaretten leek hem een goed begin op weg naar een rookvrij bestaan. Onder het lopen stak hij met zijn benzine-aansteker een nieuwe sigaret op. Het was pas zijn zesde sigaret van de dag. Hij was al een uur op.

Zijn rookverslaving was een obsessie voor John West. Hij was doodsbang om aan longkanker te sterven. Voortdurend probeerde hij redenen te vinden om maar niet te hoeven stoppen met roken. Dan hield hij zich voor dat het leven weinig voorstelde, omdat het vergankelijk was. Dat had hij wel geleerd na het lezen van veel geleerde boeken. Had de Russische schrijver Nabokov het leven niet “een licht­flits tussen twee eeuwigheden duisternis” genoemd?

Nabokov had trouwens zelf twee pakjes sigaretten per dag gerookt en was toch nog bijna tachtig geworden. Sartre, Freud en Dostojevski hadden als zware rokers ook bijna deze respectabele leeftijd gehaald. Maar vraag niet hoe? Blind, verkankerd, depressief en vercrackt. Dat dan weer wel.

Hoeveel energie kostte het al niet om de dagelijk­se beslommeringen mèt sigaretten te door­staan? Laat staan dat je dat zonder zou moeten doen. Als de sigaret hem dichter bij de dood bracht, wat dan nog? Dat moest dan maar. Alles ging voorbij. En wat miste je nou helemaal als je op je zestigste stierf? Alsof het zo leuk was om op je oude dag 24/7 op je rug te liggen rochelen in een versleten bed dat maar niet vervangen of gerepareerd werd vanwege de voortdurende sadistische Haagse obsessie met bezuinigen op onder andere de ouderenzorg, zodat de rijken rijker konden worden en de armen armer, de sterken sterker en de zwakken zwakker. Mensen met macht hadden volgens John West de neiging om beter voor zichzelf te zorgen dan voor degenen waar ze macht over hadden. Het paradoxale was dat de mensen die te lijden hadden onder de politiek van hun leiders, die leiders vaak zelf hadden gekozen bij verkiezingen, of hun lijden anderszins over zichzelf hadden afgeroepen door op racistische partijen te stemmen die hun hele verkiezingsprogramma op één A4’tje kwijt konden, of juist door bij verkiezingen thuis te blijven, omdat ze geen enkele illusie hadden over de schijnheilige beloften van de tientallen politieke partijen die allemaal zeiden wat de kiezer wilde horen en deden waar ze zin in hadden als ze eenmaal aan de macht waren.

Aan het eind van de levensrit lag je met slangetjes in je armen, neus en keel in een slecht onderhouden verzor­gings­tehuis, gelegen op een troosteloos industrieterrein aan de rand van de stad, langs een achtbaans snelweg die niet omheind was met geluidsmuren, omdat oude mensen toch doof zijn. Die slangetjes in je lijf moest je ook nog eens van je eigen risico betalen, omdat je zelf schuldig zou zijn aan je lichamelijk verval door een leven lang weigeren te sporten, zwermen plofkippen te eten en goedkope shag te roken als een zwart geblakerde schoorsteen, waarbij je waarschijnlijk ook nog twee flessen euroshopper sherry van drie euro per fles had gedronken, waarvan je minimaal één fles euroshopper sherry was vergeten af te rekenen bij de kassa, omdat je die per ongeluk in een binnenzak van je jas had gepropt op een moment dat je jezelf onbespied waande door niet al te snuggere beveiligingsbeambten, die nog slechter betaald werden dan een jongetje van twaalf dat slecht betaald werd voor het rondbrengen van stapels folders, die ongevraagd in de brievenbussen van het volk werden gedeponeerd, alsof papierverspilling iets was om trots op te zijn, omdat al die inboorlingen in apenlanden beter af waren als hun regenwouden gekapt werden door grote Chinese staatsbedrijven en de grond vervolgens geschikt werd gemaakt voor het verbouwen van mais om vele miljarden plofkippen vet te mesten, zodat die binnen drie weken na hun geboorte in stukken gehakt in grote kartonnen emmers van de Kentucky Fried Chicken konden belanden, waar die emmers vol stukken kip door onderbetaalde allochtone kinderen in ruil voor een paar euro werden overhandigd aan hardwerkende mensen, die geen tijd wilden vrijmaken om zelf hun avondmaaltijd te bereiden, omdat ze het leuk vonden om vijf uur lang de televisie uit te schelden voordat ze naar bed gingen.

Verzorgingstehuizen waar je als een debiel werd aangesproken door brutale meisjes, die zes jaar over het vmbo hadden gedaan, als je een keer in je bed had geplast en gescheten en ze, nadat je uren in je vuil had liggen wachten op verzorging en aandacht, slordig, snel en zonder enig vertoon van respect je kwamen verschonen, terwijl je opzwepende geluiden van vet coole muziek uit hun oortjes kon horen sissen, want praten met oude mensen was niet “chill.” Je lul werd als een versleten pollepel binnen drie seconden schoon geschrobd. Je aars verschoond als een woest gestreken versleten overhemd. Dit was tenminste de mening van John West. Maar wat wist hij er eigenlijk van?

Twintig jaar later stierven dan al je vrienden. Alleen omdat je zo nodig niet moest roken. Bloedje eenzaam in een uithoek van ons koninkrijk afscheid nemen van dit aardse bestaan. Nee, dan liever het volle leven, praatte John West zichzelf moed in. Rokend en drinkend ten onder gaan. Dat was zijn motto. Maar het schuldgevoel bleef altijd op de achtergrond knagen aan zijn geweten.

Vaak vond hij zichzelf een slappeling en zag hij zichzelf in gedachten al op zijn veertigste als terminale patiënt in het ziekenhuis liggen. Allerlei slangetjes in en uit zijn neus en overal pijn. Gelukkig kon hij altijd nog zelfmoord plegen. En goed ook, want hij had een pistool, dus hoefde hij zich niet op te hangen aan een deurkruk of te stikken in zijn eigen braaksel als hij een overdosis Pisang Ambon met Fentanyl als afscheidscocktail naar binnen had gewerkt.

John West wachtte op een nieuwe zaak. Als privé-detective maakte je wat mee. Dan weer een verkrachting, een driedubbele aanranding in het kwadraat of een viervoudige moord. En maar keihard zwoegen. Maar niet heus. Meestal betroffen de opdrachten onderzoeken met betrekking tot al of niet vermeend overspel. Stom vervelend. Laat de mensen toch.

Een tijdje geleden was hij benaderd door een jonge student, aan zijn kleding te zien een rijkeluis­zoontje, die sinds een maand in de stad studeerde. Of de heer West zijn gestolen fietsje op kon sporen. Lachend had John West hem toegeschreeuwd dat hij zijn moeder moest bellen om te vragen of zij misschien nog in het bezit was van een reservesleuteltje en had vervolgens de deur in het gezicht van de verbouwereerde student in het slot gegooid. John West wist zelfs de naam van dat studentje nog: Floris Jan van Henegouwen.

Het duurde vaak vrij lang voordat hij weer een opdracht kreeg. Al leken de criminaliteit en de ontucht welig te tieren in de hoofdstad, opdrachten regende het niet.

‘Enkel de koude en klamme regen, gestuurd door de laffe noordoostenwind hamerde op zijn ramen en gemoedsrust,’ mompelde John en betrad op deze regenachtige winterdag afwezig zijn kantoor­tje in de Bloedstraat. Tot zijn verbazing zag John West op het display van zijn smartphone dat hij een voicemailbericht had. Dat moest serieus zijn, want iedereen appte tegenwoordig. Wie kon er gebeld hebben? Niet Maarten, want die appte altijd.

Gisteren had Maarten Sanders, die gewoonlijk nooit geld aan hem leende, John West honderd euro geleend, omdat John West al een maand lang geen nieuwe opdracht had gekregen. Van armoede had John West de laatste dagen zelfs zijn lege statiegeldflessen verzameld en naar de super­markt om de hoek gesleept. Die actie had hem vierendertig euro opgeleverd, die waren opgegaan aan sigaretten en een fles goedkope whisky.

Misschien had het zijn lieve oude moeder van zeventig, die zich te pletter verveelde sinds ze twintig jaar geleden weduwe was geworden en hem dagelijks bestookte met bespiegelingen over haar kwalen en het nieuws van de dag een voicemailbericht ingesproken?

John West luisterde het voicemailbericht af en hoorde een aarzelende jonge vrouwenstem. ‘Goedemorgen, dit is Suzan Vanderbergh. Ik wil graag een afspraak met u maken. Zou u mij terug kunnen bellen? Liefst vanavond na een uur of tien. Dag.’

Nieuwe hoofdstukken van dit feuilleton verschijnen elke zondag als eerste op thrillerlezers.nl.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s