Tijdens mijn verhuizing van Alkmaar naar Deventer kwam ik een souvenir tegen van mijn roadtrip in Oekraïne 2008, met 2 matties for life, een wereldse vakantie: Kiev, Odessa, rondje Krim.
Op een warme zomeravond, in het hart van augustus 2008 en de prachtige stad Kiev, liepen we langs een kiosk in de buurt van de majestueus, meanderende rivier de Dnjepr. Over een kleine 2 uur zou de wereldberoemde voetbalploeg Dinamo Kiev, een waar vlaggenschip van het bijna perfecte voetbal, uitgevonden door 1 van de beste trainers ever, Michels, Cruijff, van Gaal daargelaten, Valerij Lobanovskyj, spelen op tien minuten lopen afstand. Zes ogen begrepen elkaar.
We kochten kaarten en sjaaltjes, Dinamo Kiev won met 2-0, daarna feesten tot diep in de nacht in “the city that never sleeps”, Kiev. Of moet je tegenwoordig zeggen “slept”?
Iedereen verafschuwt oorlog. Nu heerst er een oorlog op alle prachtige plaatsen waar ik in 2008 geweest ben.
2 van de uiteindelijk 3 posters, die een plaats zullen krijgen aan de westelijke muur van mijn nieuwe huis in Deventer, staan klaar om hun plek te krijgen boven de boekenkast. De poster van held nummer 3 is nog onderweg. Enig idee wie held nummer 3 is?
Honderden namen passeerden op Facebook de revue over wie er op poster nummer 3 zou staan. Niemand kwam met het goede antwoord: John Lennon, 1966.
‘U bent wonderbaarlijk intelligent voor uw leeftijd,’ mompelde de professor in de filosofie.
‘U heeft mij zojuist verteld dat u niet in objectiviteit gelooft,’ hierbij stak de professor zijn linker wijsvinger hoog in de lucht, ‘noch in betrouwbare intersubjectief overdraagbare kennis,’ de professor stak zijn rechterwijsvinger hoog in de lucht. ‘Daaruit concludeerde u dat men net zo goed niets kan denken, of menen, omdat werkelijk alles subjectief is en daardoor onbetrouwbaar en fundamenteel niet waar. Misschien zelfs niet bestaand.’
De professor wreef zich over zijn door een volle grijze baard bedekte puntige kin en ijsbeerde op zijn dunne beentjes door zijn studeerkamer. Van zijn mahoniehouten bureau naar de deur van zijn studeerkamer, richting raam en weer terug en zo verder. Al lopend bleef hij zijn baard kneden en naar het jongetje kijken door zijn pince-nez.
Aan een wand van zijn studeerkamer hing een portret van de 18e-eeuwse Schotse filosoof David Hume. Hume droeg op dat portret een Mozartpruikje, zodat het net leek of hij niet kaal was op zijn oude dag. Wat in de ene eeuw tot een chique garderobe behoort, is in een andere eeuw onderdeel van een carnavalskostuum.
Onder het portret van Hume lag een goedkope plastic voetbal op de grond.
Met bungelende beentjes en zuigend op een hem zojuist door de professor overhandigde lolly (die de professor toevallig in de onderste lade van zijn bureau had liggen, omdat hij de lolly, tot zijn grote verrassing, een aantal jaren geleden in zijn postvak gevonden had, als verjaardagspresentje van zijn toen vierjarige kleinkind en daarom niet weg had willen gooien en bewaard had in de onderste lade van zijn bureau als herinnering aan dat ontroerende moment, ondanks dat hij zelf gruwelde van snoep), zat een jongetje op de sofa in de studeerkamer en las een hem door de professor overhandigd stripblad (dat de professor toevallig in de onderste lade van zijn bureau had liggen, omdat hij het stripblad, tot zijn grote verrassing, een aantal jaren geleden in zijn postvak gevonden had, als verjaardagspresentje van zijn toen vierjarige kleinkind en daarom niet weg had willen gooien en bewaard had in de onderste lade van zijn bureau als herinnering aan dat ontroerende moment, ondanks dat hij zelf gruwelde van stripbladen).
Het jongetje was per ongeluk in de studeerkamer van de professor terechtgekomen. Er was geen sprake van opzet geweest.
Hij was met zijn vriendjes aan het voetballen op het naast het universiteitsgebouw gelegen sportveld. De bal was door het openstaande raam van de professor gevlogen. Het jongetje was de bal gaan halen. Zijn speelkameraadjes hadden zich, in afwachting van zijn terugkomst, gelaten, loom achterover laten vallen in het warme vochtige gras en tapten moppen over meisjes en onzin.
De professor had de naar binnen vliegende bal niet opgemerkt. Hij was totaal opgegaan in het corrigeren van een dissertatie over scepticisme van een van zijn studenten. Toen de professor eenmaal doorhad dat er zich een jongetje in zijn studeerkamer bevond, had hij hem aangesproken op zijn visie over zekere kennis van de werkelijkheid. Het jongetje had zijn mening gegeven.
‘Meneer,’ sprak de professor tot het jongetje, ‘kunt u uw stripblad wegleggen en de essentie, volgens u, weergeven van het sceptische Verlichtingsdenken?’
Het jongetje antwoordde niet. Hij sloeg rustig en aandachtig nog een bladzijde om van het stripblad dat hij aan het lezen was.
‘Meneer,’ sprak de professor nu iets gebiedender, ‘kunt u uw stripblad wegleggen en de essentie, volgens u, weergeven van het sceptische Verlichtingsdenken?’
` Toen het jongetje nog niet antwoordde pakte de professor het jongetje stevig bij de schouders en schudde hem heen en weer. De ogen van de professor priemden zich in de angstige ogen van het jongetje. Hard en onbeheerst. Maar we hebben het hier over ogen, dus er was geen sprake van zichtbare blijvende schade, of het tevoorschijn komen van bloed. Meer een soort metaforische blikseminslag in het gelaat, als het ware. De lolly van het jongetje viel uit zijn mond en zijn wijd opengesperde mondje zette het op een krijsen, ongehoord, oorverdovend.
Het jongetje was overstuur. De professor schrok van het kinderleed dat hij aangericht had en haastte zich naar een wastafel in een hoek van zijn studeerkamer om een glas water te vullen en dit aan het jongetje te overhandigen, zodat hij zou kalmeren. Snikkend nam het jongetje met trillende handen het glas aan en begon te nippen van het water. Na enige horten en stoten kwam hij eindelijk tot een zekere rust.
De professor vervolgde: ‘Mijn verontschuldigingen voor het door mij aan u aangebrachte leed, maar kunt u de essentie, volgens u, weergeven van het sceptische Verlichtingsdenken?’
Op een aandoenlijke manier zei het jongetje: ‘Ja, professor, dat zal ik doen.’
Met een trillend stemmetje en onderhand nog een traantje wegpinkend begon hij zijn betoog.
‘Nou, gewoon, als alles subjectief is …’
‘Doe die lolly uit uw mond!’ brieste de professor. ‘Ik versta u niet.’
Het jongetje haalde de lolly uit zijn mond en vervolgde zijn betoog.
‘Solly, ik bedoel sorry. Nou, gewoon, als alles subjectief is, is dus niks objectief en bestaat objectiviteit niet. Een individu kan nooit objectief zijn. Elke mening die hij of zij verkondigt is in wezen niets meer waard dan de mening van een willekeurig ander iemand. Men kan meepraten met iedereen. Men kan daar tevreden mee zijn, of men kan zijn mond houden en zich afkeren van de discussie. Men kan ook een boek schrijven, met daarin zijn eigen mening. Want als je een boek schrijft, kun je zwelgen in je eigen mening en hoef je van iemand anders niets aan te trekken.’
‘Maar, pardon, dat ik u onderbreek,’ sprak de professor, ‘denkt u niet dat de som van alle subjectieve meningen een waarheid of de objectiviteit zelf is? Dat u te veel neigt naar relativisme?’
‘Nee,’ zei het jongetje, terwijl hij verlangend naar zijn stripblad keek. ‘Want stel dat je zes meningen hebt die samen de objectiviteit zouden vormen, dan wordt die objectiviteit samengesteld of vastgesteld door iemand die die meningen verzamelt, vervolgens daar een conclusie uit trekt en dus onvermijdelijk ook subjectief te werk gaat, aangezien zijn conclusie over een algemeen geldende objectiviteit anders zal zijn dan die van iemand anders. Of het zal een aftreksel zijn van zes subjectieve meningen. Objectiviteit bestaat echt niet. De waarheid en werkelijkheid zijn complexer dan dat. En dan hebben we het over nog maar zes subjectieve meningen. Wat als er nog eens zes subjectieve meningen bijkomen? Dan verandert die eventuele consensus over objectiviteit alweer en moet je opnieuw beginnen! Objectiviteit bestaat echt niet en daarom heb ik geen vertrouwen in het feit dat de ratio ooit tot echt zekere kennis kan komen.’
‘Van wie heeft u deze kennis?’ vroeg de professor.
Het jongetje haalde zijn schouders op.
‘Hoe oud bent u eigenlijk?’
‘Zeven, meneer,’ zei het jongetje en stak zeven vingers op. Even was het stil en toen vroeg het jongetje aan de professor: ‘Mag ik nu weer gaan voetballen, meneer?’
De professor, die in diep gepeins verzonken was, hoorde de vraag van het jongetje niet. Hij had niet eens in de gaten dat het jongetje zijn kamer uit rende en zich door de grote hal van het universiteitsgebouw naar de uitgang met de wijd geopende kolossale deuren spoedde. Aan een van de deuren hing een aankondiging van een symposium over “Levenslicht.”
De professor zag niet hoe het jongetje, met de bal onder zijn arm, het door de zon verlichte sportveld oprende om zich daar vol overgave te midden van zijn speelkameraadjes te begeven. Opgeschrikt door de terugkomst van hun maatje en de bal staakten zij het tappen van hun lome moppen in het warme vochtige gras over meisjes en onzin.
De professor verdiepte zich in een dissertatie over scepticisme van een van zijn studenten.
Op het moment dat het jongetje de bal hoog de lucht in schoot steeg er luid gejuich op uit jongenskelen.
In de zomer van 2001 kreeg ik als relatiegeschenk een origineel, keramisch en genummerd werk (nummer 32 van 999), een schaal (diameter: 32,5 centimeter) van de grote kunstenaar Karel Appel (1921-2006) cadeau, ‘Dancing Girl’. Vergezeld met een certificaat van echtheid van ‘Reflex Modern Art Gallery’, Weteringschans 79A, Amsterdam. In een chique, van plexiglas vervaardigde verpakking.
In de jaren na 2001 ging het mij soms financieel slecht en overwoog ik de schaal van Appel te verkopen. De schaal bleek ongeveer 15 jaar geleden een kleine 200 euro waard te zijn. Ik besloot steeds de schaal van Appel niet te verkopen, omdat met name beeldende kunst met de jaren snel in waarde stijgt.
Tijdens mijn recente verhuizing van Alkmaar naar Deventer kwam ik de schaal van Appel weer tegen. Via Google leerde ik snel dat de schaal inmiddels ruim 650 euro waard is. Ik ga de schaal absoluut niet verkopen, maar vond het ontroerend om te zien dat kunst met de tijd meer waard wordt. Respect.
Enfin, de schaal ga ik, gezien de huidige waarde, niet gebruiken als fruitschaal. Wel ga ik het kunstwerk een mooi plekje in mijn nieuwe appartement in het hart van Deventer geven.
Opmerking voor de geldwolven in de wereld: ook als de schaal 2 miljoen euro waard zal worden doe ik geen afstand van dit kunstwerk. Zoveel heb ik geleerd van Gauguin en Van Gogh.
Lezers van mijn laatste boek, de reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’ – waarin 30 ontmoetingen met Groten der Aarde zijn opgenomen – weten dat ik tijdens mijn studententijd als medewerker in de passagiersbeveiliging op Schiphol werkte. In die hoedanigheid heb ik veel beroemde mensen vliegtuigen in en uit zien gaan. Ontmoetingen op Schiphol met Hollywood acteur Dennis Hopper (1936-2010) en kardinaal Simonis (1931-2020) zijn in ‘Van Kluun tot Clinton’ opgenomen.
Op een zomerse dag in 1990 stond ik bij de afhandeling van een vlucht naar Londen. Van tevoren waren wij op de hoogte gesteld dat Salman Rushdie, inclusief twee gewapende bodyguards, zich vlak voor vertrek van de vlucht aan de gate zou melden. Zij mochten zonder de gebruikelijke controle het vliegtuig betreden.
Sinds de publicatie van zijn boek ‘De Duivelsverzen’ (1988) was Salman Rushdie wereldnieuws. Door veel literaire critici werd zijn boek beschouwd als een gedurfd en goed geschreven meesterwerk. Door sommige moslimfundamentalisten, en de leiders van de theocratie Iran, werd het boek als blasfemisch beschouwd. Waarschijnlijk zijn ‘De Duivelsverzen’ noch door moslimfundamentalisten, noch door Khomeini, leider van het toenmalige, dictatoriale, Iraanse regime, gelezen.
Op 14 januari 1989 sprak Khomeini over ‘De Duivelsverzen’ op Radio Teheran een fatwa uit (een fatwa is een juridisch advies in de islam, dat door een godsdienstige wetspecialist wordt uitgevaardigd met betrekking tot een specifieke kwestie), waardoor islamieten wereldwijd de opdracht kregen Rushdie te doden. De moordenaar van Rushdie werd een vermogen in het vooruitzicht gesteld. Dit alles leidde internationaal tot grote ophef. Het was de eerste keer dat zo’n fatwa werd uitgesproken over een westerse publieke figuur.
Op 3 augustus 1989 mislukte een bomaanslag in Londen op het leven van Rushdie, doordat de bom voortijdig ontplofte, de aanvaller kwam hierbij om het leven.
Rushdie moest eerst tien jaar onderduiken en stond ook daarna onder constante Britse politiebescherming.
De Japanse vertaler Hitoshi Igarashi (1947-1991) van ‘De Duivelsverzen’ werd op 12 juli 1991 doodgestoken aangetroffen in zijn kantoor aan de universiteit van Tsukuba. De moordenaar werd nooit gevonden en men neemt aan dat de geheime dienst van Iran verantwoordelijk moet worden geacht voor de moord.
Op die zomerse dag in 1990 meldde Rushdie zich inderdaad enkele minuten voor vertrek bij de gate. Ik zal nooit vergeten dat een Britse vrouw, bij het waarnemen van Rushdie inclusief bodyguards, weigerde het vliegtuig te delen met een man bij wie voortdurend de dreiging van een aanslag boven het hoofd hing. Misschien zou zich een bom in de laadruimte van het vliegtuig bevinden. Zonder gedoe werd zij op een latere vlucht naar Londen geboekt.
Op 12 augustus 2022 was het raak. Rushdie werd in Chautauqua in de staat New York neergestoken. Terwijl hij werd voorgesteld aan het publiek, voordat hij met een lezing zou beginnen, stormde een man het podium op en viel de schrijver aan.
Rushdie raakte zwaargewond door messteken in nek en buik. Hij onderging een spoedoperatie in een ziekenhuis. Hij zal een oog verliezen.
Voor een schrijver zijn ogen belangrijker dan voor mensen die uit zijn op haat en geweld. De dader, een 24-jarige man, werd gearresteerd en mag van mij voor de rest van zijn leven staren naar de muren die op hem afkomen, tot zijn dood.
Iraanse media uitten volop steun aan de dader, die volgens hen de “afvallige en kwaadaardige Salman Rushdie aanviel”.
Door welke God worden deze haatzaaiers geleid? Als God bestaat kan hun God nooit mijn God zijn. Als God bestaat is God liefde en een concept dat alle mensen verbindt.
In 2016 maakte ik een roadtrip door Iran. Alleen in parken durfden met name jonge Iraniërs hun walging over het Iraanse regime te uiten. De geestelijke leiders van het land woonden in de meest chique buurt van Teheran. Italiaanse sportwagens sierden de parkeerplaatsen van hun luxe verblijven. Schijnheiligheid lijkt geen grenzen te kennen.
Ik wens Salman Rushdie een gezond, gelukkig en creatief leven toe.
De geestelijke en politieke leiders van Iran ontvangen mensen als Erdogan (dictator van Turkije) en Poetin (dictator van Rusland) met open armen, vanwege olie, geld en macht. Schaamteloosheid lijkt geen grenzen te kennen.
Het concept God wordt door sommigen misbruikt, niet andersom.
Sinds ik in het centrum van Deventer woon (2 augustus) loop ik elke dag, in de ochtend, mijn rondje “bruggen over de IJssel”. Binnen 5 minuten loop ik via de spoorbrug naar de prachtige, onbebouwde uiterwaarden aan de overkant van de rivier. Terug via de brug waar auto’s over mogen rijden, een kilometertje verderop, richting het zuiden. Vervolgens terug naar huis via de talloze steegjes en straatjes die het karakter van het centrum van deze voormalige Hanzestad kenmerken. Zo leer ik de prachtige cultuurstad Deventer elke dag beter kennen. Dat het goed is voor de gezondheid speelt eigenlijk geen rol. Ik geniet en ben gelukkig.
Een veranderende wereld is niet per definitie een slechtere wereld
Vanmorgen las ik een opmerkelijk bericht op NOS Teletekst, ‘Steeds meer mensen weg uit Randstad’:
“Steeds meer mensen verhuizen uit de Randstad naar andere regio’s. Vorig jaar vertrokken er volgens het CBS 75.000 mensen uit de Randstad, tegenover 53.000 mensen die van elders naar de Randstad verhuisden. Het aantal vertrekkers uit de Randstad stijgt al sinds 2014.
Veel mensen blijven in de Randstad werken, maar gaan er net buiten wonen, bijvoorbeeld op de Veluwe, in de kop van Noord-Holland of op Schouwen-Duiveland. Jongeren verhuizen nog altijd vaker richting de Randstad.
De totale bevolking van de Randstad blijft nog wel groeien, onder meer door het geboorteoverschot en immigratie.”
Als ik dit bericht kritisch lees en nog wat bronnen bestudeer, van onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), constateer ik een aantal feiten:
Het verschijnsel dat veel mensen uit de Randstad vertrekken is een trend die al 8 jaar gaande is.
Een deel van de jongeren die naar de Randstad verhuizen zal tegen de tijd dat zij kinderen krijgen hoogstwaarschijnlijk ook uit de Randstad vertrekken.
Dat de totale bevolking van de Randstad nog wel blijft groeien, onder meer door het geboorteoverschot, komt vooral door het feit dat niet-westerse immigranten (voornamelijk moslims) gemiddeld meer kinderen krijgen dan autochtonen en westerse immigranten.
De helft van alle immigranten is aanhanger van de islam.
Bovengenoemde trends zijn in alle westerse samenlevingen aantoonbaar.
Op bijgevoegde kaart van Nederland van het CBS is te zien hoeveel mensen met een niet-westerse achtergrond waar in Nederland wonen. Het aantal inwoners van Amsterdam met een niet-westerse achtergrond is op dit moment 36,1 procent, voor Rotterdam 38,9 procent en Den Haag 36,3 procent.
De trend is dat het aantal bewoners met een niet-westerse achtergrond in de Randstad de komende decennia alleen maar toe zal nemen. Het moment is niet ver weg dat de meerderheid van de drie grote steden uit bewoners met een niet-westerse achtergrond zal bestaan. Tegelijkertijd zal het aantal autochtonen dat de Randstad verlaat blijven toenemen.
Begrijp me goed; ik spreek geen oordeel uit over de bovengenoemde demografische ontwikkelingen. Mijn hart klopt links en dat wil ik graag zo houden. Ik beschouw elke medemens als individu en niet als representant van een bepaalde etnische groep of godsdienst. Ik walg van xenofobe, politieke partijen als de PVV van Wilders, of het Forum voor Democratie van Baudet.
Ik citeer uit het programma van het Forum, een partij die de dagelijkse werkelijkheid in Nederland voorstelt als een land dat in hoog tempo ten onder gaat en zich in een grote existentiële crisis bevindt zolang er met name niet-westerse immigranten blijven komen:
“Nederland kende de afgelopen decennia een stelselmatig veel te hoge instroom van kansarme immigranten en asielzoekers uit niet-Westerse landen. Dat heeft enorme impact op onze samenleving. Het zet onze welvaart onder druk, holt onze verzorgingsstaat uit, leidt tot verloedering van ons onderwijs, tot onveiligheid op straat en het ondermijnt onze culturele identiteit. Voortzetting van dit beleid zou ertoe leiden dat in 2050 tot 40% procent van de Nederlandse bevolking allochtoon is. De kosten van dit beleid zijn astronomisch: over 1995-2019 gemiddeld ca. € 19 miljard per jaar. Totaal € 469 miljard. Immigratie uit niet-westerse regio’s (Afrika, Midden-Oosten) kost Nederland gemiddeld € 400.000 tot € 600.000 per immigrant. Dit is niet houdbaar en moet stoppen.”
Ik distantieer mij volmondig van de karikaturale voorstelling van zaken van mensen als Baudet. Hij zou zich moeten schamen om alle niet-westerse immigranten als een bende profiteurs en verwoesters van de Nederlandse cultuur af te schilderen. De meeste immigranten van niet-westerse afkomst vinden uiteindelijk een baan, vaak met een laag salaris.
Verandering is de enige constante. De Verenigde Staten zijn gebouwd door immigranten, waarbij de autochtone bevolking werd verdreven en afgeslacht.
De Gouden Eeuw, een eeuw waarop mensen als Wilders en Baudet zo enorm trots zijn, zou nooit plaats hebben kunnen vinden zonder de komst en deelname van talloze immigranten.
Dat alles beter was, is en zal zijn als er slechts autochtone bewoners in een land zijn is een gevaarlijke en “romantische” voorstelling van zaken. Iedereen weet waar een obsessief beeld over de “heilige” bescherming van eigen volk en vaderland toe kan leiden. Bovendien zullen immigranten binnen zeer korte tijd broodnodig zijn om onze snel groeiende en sterk vergrijzende bevolking helpen te verzorgen.
In mijn laatste boek ‘Van Kluun tot Clinton’ staan 30 reportages van mijn ontmoetingen met Groten der Aarde.
1 daarvan gaat over Henny Vrienten, die vanzelfsprekend nog leefde toen ik hem ontmoette.
Omdat zijn overlijden tegelijk viel met de publicatie van mijn laatste boek voelde ik schroom om mijn ontmoeting met hem en plein public te maken, voor publiciteit te gebruiken.
Op dit moment zijn we een aantal maanden verder.
Eerst het verslag van mijn ontmoeting met Henny Vrienten. Daarna ‘Is dit alles?’, live!:
‘Ik herinner het mij als de dag van gisteren, maar het spannende verhaal dat ik jullie ga vertellen vond plaats aan het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw, op de kruising van het Rokin en de Langebrugsteeg in Amsterdam, vlakbij het Ruiterstandbeeld Koningin Wilhelmina.
Ik stond te wachten op het moment dat ik het Rokin over kon steken, met mijn fiets aan de hand, toen Henny Vrienten, voorman van de in Nederland wereldberoemde band Doe Maar, naast mij tot stilstand kwam om hetzelfde te doen.
Op het moment dat wij dachten dat we konden oversteken werden we afgesneden door een enorme vrachtwagen van de Aldi die naar rechts afsloeg. Henny Vrienten maakte verontwaardigd oogcontact met mij en zei: ‘Nou, nou.’
Hoe vaak in mijn leven heb ik niet geleden onder barbaarse hitte in mijn woning, omdat mijn appartement zich altijd op een plek bevond waar de zon, bijna de hele dag, vanuit het zuiden naar binnen scheen? Te vaak. Altijd.
Als de hitte toesloeg en ik op zoek ging naar een fatsoenlijke ventilator waren tijdens elke hittegolf alle ventilators overal uitverkocht en droop ik van het zweet, ernstig teleurgesteld, af naar mijn oververhitte leefplek.
Dit jaar ben ik wijs geweest, zie foto.
Nu alleen nog even in elkaar zetten. Geen probleem aangezien ik elke dag bezig ben mijn nieuwe thuis in Deventer vorm te geven.
Brigitte Bardot (1934) in haar memoires ‘Initiales B.B.’ (1996) over haar tijd als filmster en sekssymbool:
“Je kunt best een film maken zonder het publiek op te zadelen met de gênante beproeving van voyeuristische scenes. Ik ben blij dat ik de filmwereld vaarwel heb gezegd. Acteurstalent werd afgemeten aan de manier waarop de actrices hun blote benen spreidden en hun hoofd en de rest onder het medeplichtige oog van de camera lieten wiebelen.
Ik mag dan een sekssymbool geweest zijn, binnen in mij huist eigenlijk een schaamte die niet is te verenigen met dit soort stijloefeningen. Ik word misselijk van al die uitstallingen van menselijk vlees.
Volgens mij blijft de suggestie het bewijs dat de verbeelding stimulerender is dan de aanblik zelf.”