Onbekend's avatar

Nieuw verhaal op hoemannendenken.nl: ‘Vuurwerk!’

De explosie kwam uit het niets. Het laatste dat ik zag, op het moment dat ik door de drukgolf van de explosie met een enorme kracht naar achteren werd geblazen en een split second later het bewustzijn verloor toen ik tegen een hard obstakel in onze vuurwerkloods tot stilstand werd gekwakt, waren de opengesperde, uitdrukkingsloze ogen van mijn eeneiige tweelingbroer Theo. Hij kwam in vliegende vaart op mij toegevlogen. De blik van een dode vis. Een horizontale vrije val.

Ik heb geen idee hoe lang ik buiten bewustzijn ben geweest. Niet lang. Ik werd wakker van het geluid van onheilspellend geknetter van vlammen die aan mijn ontplofte nering likten. Geluid dat bijna voortdurend overstemd werd door de luide knallen van ontploffend vuurwerk.

Ik hoorde geen sirenes van hulpdiensten. Er waren geen opgewonden stemmen van omwonenden of ramptoeristen te horen. Onze vuurwerkloods was een hel van rook en vuur geworden.

Theo lag een paar meter verderop in een plas bloed op zijn buik. Ik richtte me met handen en voeten op. Ik voelde me als een man van middelbare leeftijd die wakker word na drie dagen ruig carnaval vieren in Brabant, maar leek niets gebroken te hebben. Ik bloedde hier en daar uit schaafwonden. Verder leek ik redelijk ongeschonden uit deze ramp te zijn gekomen.

Ik kroop naar Theo toe. Ik hoorde hem zachtjes kreunen. Ik draaide hem op zijn rug. Hij zag er slecht uit. Ik ben geen arts, dus ik kon met geen mogelijkheid inschatten hoe slecht hij eraan toe was.

Ik keek nog eens door de vlammen en de rook om mij heen. Er was nog steeds niemand te zien of te horen.

Mijn broer en ik hadden de vuurwerkloods voor de opslag van goedkoop Chinees vuurwerk twee jaar geleden overgenomen van onze vader, Ad van Laarhoven. Onze vader stierf volkomen onverwacht na een zware hersenbloeding. Hij werd nog geen veertig jaren oud.

Zijn dood kwam als een donderslag bij heldere hemel. Hij had dagelijks aan sport gedaan. Hij had in zijn leven nog nooit een sigaret gerookt of alcohol gedronken. Elke dag had hij een stralend humeur. En dan opeens zo’n vuurpijl binnenin je schedel, die alles aan stukken scheurt en vernietigt. Een Blitzkrieg, waar niemand zich op voorbereiden kan.

Onze vader had de vuurwerkloods, die gelegen was op een industrieterrein in de buitenwijken van Almelo, op zijn dertigste geërfd van zijn tweede vrouw. Zij was per ongeluk onder een Duitse vrachtwagen terechtgekomen, omdat de Poolse chauffeur van de Duitse vrachtwagen op het moment van het ongeluk aan het appen was met zijn puberende nichtje van veertien uit Slowakije, waar hij sinds kort de voogdij over had.

De eerste echtgenote van onze vader was onze echte moeder. Zij was een vrome katholieke vrouw, die zich in een vlaag van wanhoop verhing aan een balk in de schuur van ons ouderlijk huis nadat mijn vader met zijn nieuwe vrouw aan was komen zetten en mijn moeder af had gedankt als een kapotte gieter.

Op het moment dat we het bedrijf van onze vader erfden waren mijn tweelingbroer en ik twintig jaren oud. We waren niet voorbereid op het zakenleven. We waren wereldvreemd en liepen meestal met ons hoofd in de wolken.

Aanvankelijk ging het werk in de vuurwerkloods ten koste van ons beider opleidingen. Mijn broer studeerde archeologie in de IJsselstad Deventer. Ik deed een studie in Wageningen aan de Nederrrijn, waar ik mij nu nog voor schaam om die bij naam te noemen. We zagen nauwelijks een mogelijkheid om studie en het werk in de vuurwerkloods te combineren. We leefden niet alleen een ruig studentenleven, we probeerden ook af en toe een tentamen te halen en te sporten met onze vrienden en studiegenoten. Van hoe een bedrijf te leiden hadden we geen enkel idee.

Mijn vader had ervoor gezorgd dat hij op zakelijk gebied alles juridisch en administratief perfect op orde had gehad. De eerste de beste nitwit had zijn zakenimperium zonder enig probleem over kunnen nemen. Nadat de advocaat van onze vader ons uitgebreid had geïnstrueerd hoe we de vuurwerkloods dienden te managen en ons overtuigend uitgelegd had dat we een spreekwoordelijke goudmijn geërfd hadden was de interesse van mijn broer en ik voor het runnen van de vuurwerkloods snel gewekt.

Al snel vonden we de hele vuurwerkbusiness een lachertje. In de zomer gingen we naar de Chinese stad Chengdu, in het zuiden van China, waar de grootste opslagloods voor vuurwerk ter wereld stond. We kochten tonnen vuurwerk voor weinig geld. Een deel van het vuurwerk werd keurig volgens de regels gekocht, maar het grootste deel werd zwart betaald, zodat verkoper en koper allebei gelukkiger werden.

Onze zakenreizen combineerden we vaak met wat toeristisch uitstapjes overal in China, die door onze handelspartners werden gefinancierd. We zagen reuzenpanda’s in het wild en bezochten dagelijks massagesalons. Reuzenpanda’s gedragen zich overigens in het wild net zo sloom als in gevangenschap. De Chinese massagesalons eindigden vrijwel altijd met een “happy end”, zoals de Chinese masseuses het zo vrolijk in hun gebroken Engels verwoordden.

Het vuurwerk werd per schip in drie weken van Hong Kong naar Rotterdam vervoerd. Vanaf Rotterdam brachten vrachtwagens het vuurwerk naar onze vuurwerkloods in Almelo, waar Oost-Europese uitzendkrachten voor een karig loon de dozen vol vuurwerk volgens een geavanceerd systeem sorteerden en in enorme stalen opbergrekken stalden. Begin november werd er opnieuw een goedkoop leger uitzendkrachten ingehuurd om allerlei prachtig uitziende vuurwerkpakketten te fabriceren, die scherp varieerden in grootte en prijs.

De winstmarges die mijn broer Theo en ik met de handel in vuurwerk opstreken waren om je dood voor te schamen, maar min of meer eerlijk verdiend. In een wereld waar de  meeste zakenlieden op dezelfde manier hun geld verdienden zoals wij nu deden, was er eigenlijk geen goede reden voor schaamte. Wellicht deed de invloed van de laatste restjes fatsoen en moraal, die onze vrome katholieke moeder ons in onze jeugd meegegeven had, zich gelden.

Theo en ik stopten met onze studies. Niet dat we er geen tijd meer voor hadden. Maar waarom zou je studeren als de miljoenen zonder al te veel moeite binnenrollen? Van lezen hadden we allebei nooit gehouden. Kennis is geen macht. Geld is macht.

We konden opeens de mooiste vrouwen krijgen. Ik kan beter zeggen: mijn broer kon de mooiste vrouwen krijgen. Ik moest ervoor betalen.

Ik heb nooit begrepen waarom mijn broer altijd populair geweest is bij de vrouwen en ik niet. We zijn immers een eeneiige tweeling? We lijken zoveel op elkaar dat we al ons hele leven voor elkaar worden aangezien. We weten niet beter.

Als kleine jongen voelde ik me vaak nog beledigd als een oom of tante mij met “Theo” aansprak, maar op een gegeven moment interesseerde het me niets meer. Integendeel, ik ging er mijn voordeel mee doen. ‘Alsjeblieft, Theo, een heel dure boekenbon van tien euro, voor jou,’ zei bijvoorbeeld onze tante Rie tegen mij op een verjaardag, in de veronderstelling Theo blij te maken. Ik nam dan de boekenbon van Theo uiterst beleefd in ontvangst en zorgde ervoor dat ik enige momenten later als Theo’s broer Willy opdook om ook de andere hele dure boekenbon van tien euro van tante Rie in ontvangst te nemen.

Zelden werd mijn bedrog opgemerkt. Als dat wel het geval was maakte ik een grap van het voorval en gaf Theo alsnog het cadeau of ik loog met een stalen gezicht dat ik van niets wist. In het laatste geval kreeg Theo vaak de schuld van mijn bedrog en verdween hij na een flink pak slaag te hebben gekregen naar zijn kamer op de eerste verdieping van onze woning.

Zoals gezegd hielden Theo en ik niet van lezen. De boekenbonnen die ik van tante Rie of andere familieleden en kennissen gekregen had verkocht ik voor de helft van de waarde door aan klasgenoten die wel van lezen hielden.

Op het moment dat we rijk waren geworden leefde mijn broer als een Casanova. Hij had de ene affaire na de andere. Al zijn vriendinnen leken hartstochtelijk van hem te houden. Zij stonden in vuur en vlam voor hem. Ik moest het hebben van betaalde liefde, die vaak geserveerd werd in kamers ter grootte van een bezemkast, achter het gordijn van felrood verlichte etalages die gelegen waren in schaars verlichte stegen van achterbuurten.

Uiteindelijk werd mijn tweelingbroer smoorverliefd op het mooiste meisje van de Gelderse vallei. Ze was stoer, knap, populair, goed opgeleid en maagd. Haar naam was Tamara. Voor haar was mijn broer de ware. Binnen enkele maanden vond de huwelijksvoltrekking plaats.

Mijn tweelingbroer hield zielsveel van zijn Tamara. Voor hem was het ondenkbaar om zijn leven met een andere vrouw te delen.

Voor mij was Tamara ook de enige vrouw waarmee ik mijn leven zou willen delen, maar dat heb ik nooit verteld aan Theo of Tamara. Om voor mij onverklaarbare redenen moest Tamara niks van mij hebben. Ze zag mij altijd liever gaan dan komen. Ik heb nooit de indruk gehad dat Theo Tamara met mij zou willen delen.

De jaloezie op de andere helft van mijn oerei verteerde mij. Theo had alles en ik had niks. Dan heb ik het over de liefde vanzelfsprekend. Geld had ik zat. Maar alleen Theo mocht Tamara strelen, voelen en met haar praten. Waarom bestaan er eeneiige tweelingen en worden ze vervolgens zo verschillend beloond?

‘Gaat het Theo?’ vroeg ik. Het enige wat Theo deed was bloeden en kreunen.

Ik handelde sneller dan ik kon denken. Ik keek nog een keer om mij heen om er zeker van te zijn dat niemand mij kon zien. Ik pakte een groot stuk steen van een weggeblazen muur van onze vuurwerkloods van de grond. Ik sloeg mijn broer de hersens in met drie goed gemikte slagen op zijn rechterslaap. Ik hoorde zijn schedel eerst kraken en daarna splijten. Als soep die overkookt kwamen zijn hersenen uit zijn schedel naar buiten zetten. Ik kon een giechel niet onderdrukken.

Het kwam niet bij me op om zijn pols te voelen. Zonder enige twijfel was Theo dood.

Ik stond op van het levenloze lichaam van Theo. Nog steeds was er niemand te horen of te zien in de nabijheid van de vuurwerkloods. Ik stapte over een hoop stenen die ooit de achterwand van de vuurwerkloods hadden gevormd en stond buiten. Ik gooide het stuk steen waarmee ik Theo’s schedel ingeslagen had in een slootje achter de vuurwerkloods. Daarna waste ik mijn bebloede handen schoon in hetzelfde water.

Nu hoorde ik het naderende geluid van sirenes. Geroep van omstanders dat steeds dichterbij kwam. Door het vuur en de rook was er nog steeds niemand te zien.

Ik liep terug naar het roerloze lichaam van Theo en verwisselde snel onze portemonnees, sleutelbossen en telefoons. Ik schoof Theo’s trouwring aan mijn linker ringvinger. Omdat Theo en ik dezelfde werkkleding en schoenen droegen hoefde ik mij over andere zaken om te verwisselen geen zorgen te maken. Ook droegen we altijd dezelfde onderkleding en sokken als we in de vuurwerkloods aan het werk waren. Onze burgerkleren hingen in lockers naast het administratiekantoortje, maar ik vroeg me af of daar nog iets van over was, na de enorme explosie die onze vuurwerkloods getroffen had.

Ik stond snel op. Ik keek nog een laatste keer neer op het lijk van Theo. Ik voelde geen scrupules toen ik hem in zijn gezicht spoog en “arrivederci, klootzak” als afscheidsgroet toebeet.

Het werd te heet onder mijn voeten. Het was tijd om te gaan. De eerste vlammen likten al aan de voeten van Theo.

Terwijl ik de eerste brandweerauto met piepende remmen naast onze verwoeste vuurwerkloods tot stilstand hoorde komen strompelde ik uit de cocktail van rook en vlammen naar buiten.

Twee brandweermannen in vol ornaat grepen me bij de schouders.

‘Ben je gewond? Gaat het?’ vroeg een van de twee en probeerde me diep in de ogen te kijken om te kunnen zien hoe het met mij ging.

‘Ik weet het niet,’ zei ik. Ik probeerde extra tijd te winnen door mij warrig te gedragen in de hoop dat de vlammen bezit aan het nemen waren van het lichaam van Theo. Het leek me dat mijn persoonsverwisseling meer kans van slagen had als het lichaam van Theo in rook op zou gaan.

‘Kun je lopen?’ vroeg de brandweerman die tot nu toe gezwegen had.

‘Ik begrijp je niet,’ zei ik. Ik schudde mijn hoofd en kneep mijn ogen tot spleetjes. ‘Ik kan je niet goed horen.’ Ik liet mijn beide wijsvingers rondjes draaien ter hoogte van mijn oren. ‘Door de explosie, denk ik.’

‘Volgens mij gaat het wel met deze, Dirk,’ zei de brandweerman, die als eerste het woord tot mij gericht had tegen zijn collega. ‘Hij is doof. Dat is logisch na zo’n klap. Breng jij hem naar de ambulance. Dan kunnen ze hem daar onderzoeken.’ Daarna legde hij zijn hand op mijn schouder en wees in de richting van de vlammenzee. ‘Zijn er nog anderen binnen!?’ Hij schreeuwde zo hard in mijn linkeroor dat ik ineenkromp van de pijn aan mijn trommelvlies. Hij moest denken dat ik stokdoof was.

Ik deed weer of ik hem niet begreep.

Opnieuw wees de ene brandweerman in de richting van de vlammenzee. ‘Zijn er nog anderen binnen!’ schreeuwde hij opnieuw. Instinctief liet ik mijn lichaam nu iets naar achter overhellen.

‘Willy!’ schreeuwde ik nu terug. ‘Mijn broer Willy is nog binnen!’

‘Willy! Nog meer mensen? Behalve Willy!?’ gilde de brandweerman midden in mijn gezicht. Mijn gloeiende wangen en voorhoofd werden geblust met zijn speeksel.

‘Wat!?’ vroeg ik en boog me voorover in zijn richting alsof ik hem weer niet kon verstaan. Ik zorgde dat ik mijn lichaam op tijd terugtrok voordat mijn linkeroor opnieuw werd bestormd door het geloei van de brandweerman of mijn gezicht werd besproeid met zijn mondvocht.

‘Nog andere mensen? Behalve Willy!?’ brulde de brandweerman met scheef gehouden hoofd. Ik zag de vlammen achter mij weerkaatsen in zijn glanzende helm.

‘Ja! Nee! Ja! Nu kan ik u verstaan!’ Het leek me dat ik genoeg tijd had gewonnen om de crematie van het lichaam van Theo over een paar dagen af te laten blazen. ‘Wij waren met zijn tweeën!’

‘Heb je hem gezien na de explosie!?’ schreeuwde de brandweerman en knikte in de richting van de vuurzee achter mij.

‘Wat!?’

‘Heb je hem nog gezien na de explosie!?’ De brandweerman schreeuwde harder en knikte heviger. Nu wees hij ook met zijn rechterhand naar wat zich achter mij bevond.

‘Wat? Nee! Niet meer gezien!’ Ik schudde heftig nee om de brandweerman de indruk te geven dat ik een zeer behulpzaam mens was.

‘Kom nu maar mee naar de ambulance om je te laten onderzoeken!’ riep de andere brandweerman en leidde mij weg van de vuurzee.

Een verslaggever van AAFM, het lokale radiostation van Almelo en de dorpen Aadorp en Bornerbroek stortte zich op mij.

‘Wat is er gebeurd!?’ riep de verslaggever gestresst. In zijn rechterhand hield hij een microfoon geklemd met daarop het logo van AAFM.

‘Opsodemieteren,’ zei de brandweerman, die mij in de richting van een ambulance begeleidde, en duwde de microfoon uit mijn gezicht.

Meer brandweerwagens, politieauto’s en ambulances arriveerden bij onze ontplofte vuurwerkloods. Paniekerig rende het personeel van de diverse hulpdiensten langs elkaar heen en tegen elkaar op, terwijl ze in mobilofoons, telefoons en portofoons met luide stemmen overlegden met collega’s en leidinggevenden.

‘Wat ging er door u heen toen de opslagloods voor vuurwerk ontplofte!?’ probeerde de verslaggever van AFFM het nog eens.

De brandweerman die mij begeleidde duwde de opdringerige verslaggever van AAFM hard achteruit. De verslaggever verloor zijn evenwicht en kwam op zijn achterste in struikgewas terecht.

‘Wat is uw naam!?’ was de laatste vraag van de verslaggever die ik achter mij vanuit het struikgewas hoorde.

‘Theo!’ riep ik over mijn rechter schouder voor ik een ambulance ingeleid werd. ‘Theo!’

Ik werd met lichte dwang op een brancard geduwd en werd zorgzaam onderzocht door twee sympathieke broeders van mijn eigen leeftijd.

‘Ga maar even ontspannen op je rug liggen. Wat is je naam?’ vroeg een van de broeders.

‘Theo. Mijn naam is Theo.’

Binnen een paar minuten kwamen ze tot de conclusie dat ik nauwelijks iets mankeerde. Mijn schaafwonden werden verbonden en ik kreeg een gratis flesje water.

Een politieman stapte de ambulance binnen. ‘Hoe is het met de gewonde?’ vroeg hij aan geen van de broeders in het bijzonder.

‘Het lijkt allemaal reuze mee te vallen met deze meneer. Wat schaafwonden. Meer niet,’ zei de meest spraakzame van de twee broeders met een brede glimlach voor de politieman.

‘Dat is mooi. Uw naam is Theo van Laarhoven?’ vroeg de agent aan mij.

‘Klopt.’

‘Kunt u zich legitimeren?’

Ik overhandigde de politieman mijn portemonnee, waarbij ik deed alsof ik veel meer pijn had dan het geval was.

‘In orde,’ zei de politieman nadat hij de gegevens op het rijbewijs van Theo had gecontroleerd. ‘Ik heb begrepen dat uw broer Willy van Laarhoven ook in de opslagplaats voor vuurwerk aanwezig was?’

‘Inderdaad. Ik hoop dat hij het ook overleefd heeft,’ zei ik en probeerde in snikken uit te barsten, wat maar half lukte. ‘Denkt u dat hij een kans maakt?’

‘Iedereen doet zijn best, meneer van Laarhoven. Is er iemand die ik voor u kan bellen?’

‘Ja,’ zei ik en liet na een snik een korte stilte vallen. ‘Mijn vrouw Tamara.’ Ik pakte steunend en kreunend het mobieltje van Theo uit mijn rechter broekzak.

De politieman pakte het mobieltje van Theo uit mijn hand en begon met zijn duimen het toestel te bedienen. ‘Staat ze gewoon onder de letter “T” bij uw contacten?’

‘Ja,’ zei ik tegen de politieman. Waar moest Tamara anders staan in de contacten van Theo?

De politieagent scrolde door de lijst van contacten in de telefoon van Theo. Daarna hield hij de telefoon even stil in zijn handen, keek mij even vragend aan en begon opnieuw met zijn duimen het mobieltje van Theo te bewerken.

‘Ik kan hier geen Tamara vinden,’ zei de politieman. Hij keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan. Daarna boog hij zich weer over het scherm van Theo’s mobieltje. ‘Wacht even, kan het zijn dat ze onder de naam “Schatje” in uw contactenlijst staat?’ Hij keek me verwachtingsvol aan. De schat. De speurder. Je bent een politieman of je bent het niet.

‘Natuurlijk. Schatje!’ riep ik opgelucht terwijl het zweet mij uitbrak.

‘Zal wel van de klap en de schrik komen, meneer van Laarhoven. Dat u dat even vergeten was,’ zei de politieman ter verduidelijking en keek me zelfgenoegzaam en trots aan.

‘Ja,’ zei ik en probeerde weer in snikken uit te barsten

Even later had ik Tamara aan de lijn.

‘Wat erg!’ hoorde ik de stem van Tamara in mijn oor, nadat ik haar verteld had wat er gebeurd was in onze vuurwerkloods.

‘En Willy?’ vroeg ze even later.

‘Geen idee, schatje. Ze zijn nog aan het spuiten, maar het ziet er beroerd uit.’

‘Wat erg voor je!’ zei Tamara. Haar stem klonk neutraal.

Binnen een half uur was Tamara ter plaatse. Tamara en ik vertrokken al snel naar “huis” waar ik kon bijkomen van de doorstane gebeurtenissen. Ook kon ik mij douchen en schone kleren van Theo aantrekken.

Later op de dag bleek dat er van onze vuurwerkloods niets over was. Een uur nadat de brandweer het sein “brand meester” gegeven had, werden de verkoolde resten van “Willy” in de puinhopen van onze vuurwerkloods gevonden. Zijn identiteit kon worden vastgesteld aan de hand van zijn sleutelbos en het feit dat hij geen trouwring droeg. Mijn telefoon en portemonnee moesten verkoold zijn.

Die avond had Tamara geen zin om met mij te vrijen. Ik ging ervan uit dat de dood van “Willy” en het verlies van ons bedrijf – ook al waren we heel goed verzekerd – daar debet aan waren en sloeg mijn ogen toe.

De volgende ochtend werd ik wakker van Tamara, die ritmisch op mijn stijve geslacht aan het deinen was.

‘Heb je nu wel zin om te vrijen?’ vroeg ik licht verbaasd en verlegen aan Tamara.

‘Elke ochtend toch, liefje?’ Een kort ogenblik meende ik een onderzoekende blik in haar ogen te zien.

‘Dat is waar,’ zei ik en zorgde ervoor dat ik geen oogcontact meer maakte. Ik streelde haar borsten en stak mijn tong in haar mond.

Toen we even later tegelijk een orgasme beleefden zag ik in een flits het beteuterde gezicht van Theo voor me en schoot in de lach.

De ogen van Tamara werden groot van schrik en afgrijzen. De lach van Willy herkende ze uit duizenden.

‘Vuurwerk!’ stond op 13 juli 2022 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Onbekend's avatar

‘Van Kluun tot Clinton’ boek van de week op ‘Leuk lezen’, Facebook

BOEK VAN DE WEEK!

Vandaag kies ik eens voor iets totaal “anders” 😉

Deze week ga ik voor: “Van Kluun tot Clinton” door Peter Mabelus

Hilarisch in de absurditeit! (Ontmoeting met Dylan? Serieus? Aan de bar?)

Peter Mabelus weet zijn lezers als geen ander te entertainen!

Ik zit af en toe nog na te denken over wat :”echt” was en wat hij gewoon uit zijn duim heeft gezogen! 😅

Onbekend's avatar

Te lief voor woorden?

Van de meeste lezers van je werk krijg je geen enkele reactie.

Soms word ik op straat herkend en dat is niet altijd even welkom of prettig.

Een enkele keer kan een toevallige ontmoeting met een lezer, zoals de Fransen het noemen “une rencontre sur le trottoir”, tot geweldige ontmoetingen leiden, inclusief onvoorspelbare en regelmatig onvoorstelbare afterparty.

Echter, elke lezer van mijn werk die de moeite neemt om zijn of haar bewondering naar mij toe te uiten maakt mij gelukkig.

Vandaag stuurde een lezeres van mijn tweede boek, de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019), haar leeservaring mij per mail toe. Zo Lief!:

Leeservaring ‘Hoe ik liefde vergat te geven’: “Geniaal!”

Cover: gewoon zalig! Weer Mabelus zelf op de voorkant. Eigenwaan of zelfspot? Van Mabelus mag je dat zelf bepalen. Het lijkt wel alsof zijn beeltenis alle covers van zijn boeken siert. In ‘John West en de gestolen Picasso’ is zijn beeltenis op de Berlijnse Muur te zien, op de voorkant van zijn laatste boek ‘Van Kluun tot Clinton’ keert zijn beeltenis maar liefst keer vier keer terug, in een pastiche op de beroemde zeefdrukken van de beroemde Amerikaanse kunstenaar Andy Warhol uit de jaren zestig. Op de voorkant van de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ poseert hij op Picadilly Circus in Londen.

De verhalen: twintig korte verhalen, stijl Mabelus. Wanneer je iets begint te lezen van Peter Mabelus, dan weet je op voorhand dat je een avontuurlijke reis tegemoet gaat! Ook met deze bundel stelde Peter mij niet teleur. Integendeel! Soms ging het er zover over dat het subliem werd. Bij bepaalde verhalen ga je glimlachen, bij anderen lig je gewoon in een deuk! De humor is er altijd, af en toe zo zwart als roet, maar wel boenk erop! Er zijn momenten dat je je hoofd schudt en denkt: getver, Peter!

Over het “interview” ‘Een gesprek met Peter Mabelus’, … wat een vondst! Het interview maakt van de bundel een geheel. Het interview is in drie delen opgeknipt; die delen vormen het eerste, het middelste en laatste verhaal van de bundel en zetten je – zoals zo vaak bij Mabelus – totaal op het verkeerde been.

Gelukkig kende ik al eerder werk van Peter Mabelus, anders zou ik niet weten wat ik had moeten denken… nu ging ik gewoon strike! Hoe geweldig dat je dat kan over jezelf! Ge-ni-aal!

Dus lezers die beginnen aan deze bundel: Peter Mabelus neemt niets, maar dan ook niets ernstig! Ook zichzelf niet! Hij is een rotzakje die je steevast op het verkeerde been zet! (Rotzakje is niet slecht bedoeld en ik weet dat hij dit wel kan appreciëren en er breed om zal glimlachen)

Besluit: Ik snap dat het twee kanten kan opgaan met deze bundel… of je bent fan, of je moet er niet van weten! Ik… ik ben fan!

Onbekend's avatar

‘Remco Campert is een oude held’ (Schrijfles: Hoe schrijf ik een goede recensie? Schrijver: Remco Campert. Boek: ‘Te vroeg in het seizoen. Autobiografische schetsen’)

In de tijd dat ik als docent werkzaam was aan de Schrijversvakschool aan de Herengracht 274 te Amsterdam had ik bij mijn volwassen leerlingen het gevoel dat ik een fietsenmaker was die mensen zonder handen moest leren een band te plakken.

Mijn leerlingen konden geen van allen goed schrijven. Ze konden niet schrijven. Een voortdurende constatering die mij na twee jaar deed besluiten dat ik iets anders moest gaan doen om aan geld te komen. Ik werd drugsdealer. Dan kregen de mensen tenminste waar voor hun geld.

In het tweede semester van mijn eerste jaar als docent aan de Schrijversvakschool was het de bedoeling mijn cursisten te leren een goede recensie te schrijven. Iedereen mocht zelf een boek uitkiezen om te recenseren.

Ik zal nooit de recensie van ene Barbara Ripken vergeten, sterker nog, ik heb de recensie altijd bewaard. Haar recensie ging over de bundel ‘Te vroeg in het seizoen. Autobiografische schetsen’ van Remco Campert, die in februari 2014 gepubliceerd werd. Oordeel zelf:

REMCO CAMPERT IS EEN OUDE HELD

De nieuwe verzameling korte verhalen en columns van Remco Campert ‘Te vroeg in het seizoen. Autobiografische schetsen’, is een feest om te lezen. Zelf heb ik dat nauwelijks gedaan. Die stukjes lezen.

Jezus, wat lijken die stukjes al een eeuwigheid op elkaar. Maar ja, Remco Campert is het hoogbejaarde troeteldier van de grachtengordel en de laatste Nederlandse schrijver die nog bewust heeft “meegemaakt” hoe je vader, in dit geval Jan Campert, stierf aan borstvliesontsteking in Neuengamme, een concentratiekamp van de Duitsers in Noord-Duitsland. Jan Campert werd dus niet gefusilleerd, zoals veelal wordt aangenomen. Doodsoorzaak was lichamelijke zwakte.

Remco Campert kan bij niemand kwaad doen. Of hij nu over zijn poes schrijft of over zijn fluitketel.

Je ne sais pas met Campert. Altijd dat gekoketteer met Parijs. Zogenaamd nooit geld, altijd dronken en al gepijpt worden voordat het in Nederland uitgevonden was. En tussen de bedrijven door maar dichten. Echt een zwaar leven, als beroepsdichter bedoel ik dan. Veel zwaarder dan acht uur op kantoor rondhangen voor je weer naar bed kunt gaan.

Remco Campert is altijd maar doorgegaan, een echte bikkel, ook nadat hij zijn AOW kreeg van de Volkskrant. Driedubbele espresso en valium bij de hand. Paracetamol, Ibuprofen, antihistamine en allerlei soorten blauw- en paarskleurige puffers daargelaten. En maar roken, roken, roken, alsof hij er voor betaald krijgt.

Als Campert praat, als je zijn stemgeluid hoort op radio of televisie of op de laptop, klinkt hij altijd bibberig en buiten adem. Onzeker, nerveus en verneukt.

Altijd gaan de verhalen en gedichten van Remco Campert in een stotterig ritme over de ledigheid en verveling van zijn eindeloze stoet suffe alter ego’s.

De moeder van Remco Campert was de middelmatige actrice Joekie Broedelet. Zij speelde jarenlang de oma in Sesamstraat. Tot op hoge leeftijd. Zij werd bijna honderd, maar is nu alweer jaren dood. Maar wel een van de vele vrouwen van de doodgevroren verzetsheld Jan Campert uit de Tweede Wereldoorlog. Het leven kent vele lagen.

Joekie Broedelet was slechts een van de vele scharrels van de verzetsheld Jan Campert. Zo was ook de schrijfster Willy Corsari (de broer van de koning van de Jordanese operette Willy Alberti) een van zijn minnaressen. Willy Corsari is overigens echt honderd geworden en heeft dus, net als haar collegaatje in de kunst Joekie Broedelet, zestig jaar lang kunnen mijmeren over een onstuimige nacht met Jan Campert.

Jan Campert is “bekend” vanwege zijn vergeten gedicht ‘Achttien doden’. Hij had net zo goed een gedicht kunnen schrijven met de titel ‘Veertig scharrels’.

Op naar de winkel om dit nieuwe boek van Remco Campert te kopen en dan te lezen.

Onbekend's avatar

Een ontmoeting met Remco Campert (1929-2022), 14 maart 1985

We studeerden fulltime Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Dat betekende in de praktijk dat we per week maximaal twaalf uur naar college dienden te gaan. De volle twaalf uur college haalden we zelden.

Hoe brachten we onze tijd door? We sportten veel, voetbal en hardlopen langs de Amstel of in het Amsterdamse Bos, lazen een boek of twee per week en gingen veel uit; meestal eerst naar de bioscoop, daarna het café in, op zoek naar dronkenschap en onenightstands.

‘We’ waren Bram Schaarman – of heette hij Schareman? – , Harry Somsen, Andre Krijger en ik. Na het beëindigen van mijn studie verloor ik hen al snel uit het oog. Niet zo vreemd, als je nagaat dat de liefde mij in de jaren negentig naar Bulgarije bracht. Jaren later kon ik twee van mijn oude studievrienden op Facebook vinden. Twee van hen bleken dik, oud, kaal en lelijk geworden en werkten respectievelijk als systeembeheerder bij een woningbouwvereniging in Meppel en als assistent-projectmanager voor de gemeente Beverwijk. Mijn derde studievriend, Andre, was onvindbaar. Was hij ergens in de tijd gestorven? Geen idee. De dood kan de beste overkomen.

In een advertentie in de Volkskrant las ik dat de schrijver en dichter Remco Campert 14 maart 1985 in De Bijenkorf te Amsterdam geïnterviewd zou worden op de boekenafdeling van het warenhuis en dat er daarna gelegenheid zou zijn om een boek te laten signeren door de schrijver.

Onder veel studenten in de jaren tachtig had Campert, dankzij romans als ‘Het gangstermeisje’ en ‘Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland’ de status van cultschrijver en bohemien. Om Campert in het echt te mogen zien en vervolgens het pand te verlaten met een boek van de meester, inclusief handtekening en opdracht, was een happening die wij niet wilden overslaan. Bram en ik besloten naar de signeersessie van Campert in De Bijenkorf te gaan. Geen idee waarom Harry en Andre niet meegingen. De tijd verwoest veel herinneringen.

Remco Campert toonde zich tijdens het goed bezochte interview in De Bijenkorf nerveus en tobberig. Hij rookte als een ketter en dronk schielijk bier, glas na glas, waarbij zijn handen en vingers hevig trilden. Zijn lippen en voorhoofd waren nat, zijn blik was gejaagd, zijn gezicht kleurde roze. Het leek me sterk dat deze man de zestig zou halen.

Op het moment dat ik een klein half uur later aan de beurt was om de verzamelbundel ‘Campert Compleet’ door Remco Campert te laten signeren vroeg hij ‘of ik er iets in wilde’. Ik haalde verlegen mijn schouders op en zei niets. Oog in oog met de groten der aarde verval ik nog steeds vaak in de rol van stotterende bakvis. Campert voorzag de Franse pagina van het boek van handtekening, plaats en datum, overhandigde mij het boek en ging door naar de volgende persoon in de rij, Bram Schaarman (of Schareman). ‘Wil je er iets in?’ vroeg Remco Campert nu ook aan Bram. ‘Ja, dat is goed,’ zei Bram en Remco Campert sloeg ‘Campert Compleet’ ergens aan het begin van het boek open. ‘Alle dagen feest’ stond er op de pagina (de titel van een verhalenbundel van Campert uit 1955). Remco Campert schreef schijnbaar zonder nadenken of pauze in zijn handelingen onder ‘Alle dagen feest’: ‘Indien mogelijk in het leven’. Daaronder schreef Remco Campert zijn naam, de datum en de locatie in Brams exemplaar van ‘Campert Compleet’.

Ik was jaloers op Bram. Hij wel een opdracht en ik niet. Alsof Bram of Remco Campert daar schuldig aan waren. De schuldige was ik. Remco Campert. Hij leefde nog lang en gelukkig.

Een iets andere versie van ‘Een ontmoeting met Remco Campert, 14 maart 1985’ verscheen in mijn fictieve reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022).

Onbekend's avatar

Deventer Op Stelten

‘Deventer Op Stelten’ is een – sinds 1997 – jaarlijks terugkerend straattheaterfestival in de culturele hoofdstad van Nederland Deventer. Gedurende het festival treden drie dagen lang theatergezelschappen uit binnen- en buitenland op in straten en op pleinen in en om de binnenstad. Jaarlijks bezoeken ruim 100.000 mensen het festival en elk jaar trekt het festival meer bezoekers.

Ik laat dit festival nooit aan mij voorbijgaan. Kunst en liefde zijn immers de mooiste ingrediënten van ons aardse bestaan.

Vanmiddag liep ik door de Lange Bisschopstraat langs Boekhandel Broekhuis en kon het niet nalaten om even naar binnen te gaan om te kijken of mijn boeken daar verkrijgbaar zijn.

Tot mijn vreugde stonden er drie exemplaren van mijn laatste boek, de fictieve reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’ in de schappen. Op mijn voorstel bij het aanwezige winkelpersoneel om de drie boeken van datum, plaats en handtekening te voorzien werd met enthousiasme gereageerd.

Na het signeren werd elk exemplaar voorzien van een goudkleurige sticker met daarop de tekst: “Gesigneerd door de auteur” en kreeg het stapeltje exemplaren van mijn laatste boek een speciaal plekje in de winkel.

Onbekend's avatar

‘Go away son of a bitch!’ Brigitte Bardot ontmoet Marlon Brando (1952)

Afgelopen week kwam ik een onvergetelijke anekdote tegen tijdens het lezen van de Nederlandse vertaling (Uitgeverij Vassallucci, Amsterdam, 1996, p.75-76) van de in 1996 gepubliceerde autobiografie van de Franse filmster Brigitte Bardot (1934) ‘Initialen B.B.’. Het betreft haar enige ontmoeting met een van de grootse Hollywoodsterren van de laatste honderd jaar, de Amerikaanse acteur Marlon Brando (1924-2004).

De volgende gebeurtenis vond plaats in de zomer van 1952. Brigitte Bardot was nog geen achttien en had tot dan toe slechts enkele onbetekenende rolletjes gespeeld in B-films. Marlon Brando was het jaar daarvoor genomineerd voor een Oscar voor zijn rol als Stanley Kowalski in de met een Oscar voor beste film bekroonde Hollywoodklassieker ‘A streetcar named desire’:

“Roger Vadim (noot van de auteur: de Franse filmregisseur Roger Vadim (1928-2000) geldt als de ontdekker van actrice Brigitte Bardot en was van 1952 tot en met 1957 met haar getrouwd) bewoonde met Christian M. de dienstbodenkamers van een luxueuze flat op de Quai d’Orléans, op het Île Saint-Louis in Parijs. Evelyne V., de eigenares, zat behoorlijk aan de grond en verhuurde haar bediendenkamers aan haar vroegere minnaars en haar eigen slaapkamer aan haar toekomstige.

Zo was er een ongewone opwinding in de flat, toen ik daar een keer kwam. Vadim was druk in de keuken doende om een Amerikaans ontbijt klaar te maken met gekookte eieren, jus d’orange, enzovoorts… De kamer van Evelyn was door Marlon Brando gehuurd, die om twee uur ’s middags nog lag te slapen. Omdat ik hem heel graag van dichtbij wilde zien, stelde ik Vadim voor dat ik hem het ontbijt zou brengen. Ik ging dus naar binnen, na eerst op de deur te hebben geklopt, in de intimiteit van de ‘star’ die Brando was.

Het stonk er muf naar tabaksrook en mannenzweet. Om dat ik geen hand voor ogen zag, deed ik het licht aan en zei dat ik het ontbijt bracht. Ik zag een opgeblazen gezicht met rechtopstaande haren dat onder het laken uitkwam. Ik hoorde iemand met dikke tong iets liefs zeggen in de trant van ‘go away son of a bitch!’ Ik zette zo goed en kwaad als het ging het dienblad op het bed. Dat viel onmiddellijk om, toen hij zich omdraaide om verder te slapen. Aangezien ik niet vlug genoeg ophoepelde, pakte hij de eieren, smeet ze tegen de muur en sliep in, badend in de jus d’orange, melk, koffie, kapotte eieren en zijn beroemdheid.

Ik heb hem nooit meer gezien en bewaar aan hem dus een heel bijzondere herinnering, die niets te maken heeft met zijn beroemde imago. Zoals iemand ergens heeft gezegd: ‘Voor zijn kamerdienaar bestaat er geen groot man.’”

Onbekend's avatar

Gaykrant, 27 juni 2022: ‘Slaaf van het ritme. Een nacht met Grace Jones’

Nadat ik in de zomer van 1985 mijn propedeuse Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam had gehaald besloot ik een tussenjaar te nemen met bestemming Manhattan, New York.

In de middag van dinsdag 23 juli 1985 arriveerde ik in ‘the city that never sleeps’ en betrok een kamer in het HI New York City Hostel aan 891 Amsterdam Avenue, ter hoogte van West 103rd Street, op een steenworp afstand van Central Park.

In mijn handbagage bevond zich een grijsgedraaid exemplaar van Nightclubbing, het succesvolle album uit 1981 van het door mij mateloos bewonderde topmodel, zangeres en actrice Grace Jones.

Ik had mijn verblijf in Manhattan grondig voorbereid. Onder het motto dat brutalen in het bezit zijn van de halve wereld stuurde ik twee maanden voor mijn vertrek naar Amerika een brief naar de wereldberoemde kunstenaar Andy Warhol. Zijn immense studio The Factory bevond zich in die tijd aan 22 East 33rd Street, letterlijk in de schaduw van het Empire State Building.

Ik was al jaren op de hoogte van het feit dat Grace Jones en Andy Warhol een zeer intieme vriendschap onderhielden. Eerlijk gezegd was het vooruitzicht van een ontmoeting met mijn grootste idool de belangrijkste reden geweest om Andy Warhol mijn diensten aan te bieden.

In mijn sollicitatiebrief had ik Warhol afgeschilderd als ‘de grootste kunstenaar aller tijden’, en vermeld dat ik het een grote eer zou vinden om een tijd als vrijwilliger in zijn Factory te mogen werken. Binnen twee weken ontving ik een brief van Andy Warhol zelf waarin stond dat ik van harte welkom was.

Op woensdagochtend 24 juli 1985 ging ik voor het eerst naar mijn werk. Toevallig kwamen Andy Warhol en ik tegelijkertijd aan bij The Factory. Nadat ik mijzelf aan Warhol had voorgesteld omhelsde hij mij en zei: ‘Oh Peter, it’s so great that you’re here. We have so much work to do.’

Die eerste dag gaf Andy Warhol mij een rondleiding door het hele gebouw. Daarna liet hij mij vrij door alle vertrekken dwalen, ‘to breathe the art,’ zoals hij het treffend verwoordde.

Tijdens de lunch op de eerste dag van mijn nieuwe baan zat ik, behalve met Andy Warhol, aan tafel met de jonge, wereldberoemde beeldende kunstenaars Keith Haring en Jean-Michel Basquiat. Tot mijn grote vreugde bevond ook Grace Jones zich in ons gezelschap. Haar charismatische, androgyne, beeldschone, ebbenhouten aanwezigheid was net zo overdonderend als haar sensuele, lage stemgeluid.

Achteraf gezien is het verbijsterend om te beseffen dat in de paar jaren na mijn verblijf in The Factory achtereenvolgens Andy Warhol (22 februari 1987), Jean-Michel Basquiat (12 augustus 1988) en Keith Haring (16 februari 1990) het leven lieten.

Grace Jones bleek tijdens mijn eerste lunch in The Factory bijzonder gecharmeerd te zijn van mijn jeugdige persoonlijkheid. Ik was smoorverliefd op een vrouw die ruim zeventien jaar ouder was dan ik.

Grace Jones vertelde mij dat ze de volgende dag weer in The Factory zou verschijnen. Bij die gelegenheid liet ik mijn exemplaar van Nightclubbing door haar signeren.

Op zaterdag 14 september 1985 zou er in de Tony Shafrazi Gallery, destijds gelegen aan 544 West 26th Street in de kunstenaarswijk Chelsea, een gezamenlijke tentoonstelling Paintings worden geopend van Andy Warhol en wonderkind Jean-Michel Basquiat. Veel kunstwerken die op de tentoonstelling te zien zouden zijn moesten nog worden gemaakt en mij werd in de periode in aanloop naar de tentoonstelling geleerd hoe ik verf moest mengen, doeken moest spannen en zelfs met een verfroller de ondergrond van veel schilderijen in mocht kleuren.

Op de dag dat de tentoonstelling Paintings opende vond er in de avond een zeer onstuimige afterparty plaats in een aparte zaal van de beroemde nachtclub Studio 54. Er waren drugs in alle kleuren van de regenboog voorradig en oogverblindende, zeer schaars geklede paaldansers en danseressen zorgden voor een hitsige en opgewonden sfeer.

Rond een uur of vier in de ochtend stond ik op de dansvloer te tongzoenen met Grace Jones. Een half uurtje later werden wij door een limousine afgezet bij het Plaza Hotel. Dat ik het bed zou gaan delen met mijn grootste idool maakte mij haast krankzinnig van geluk.

Binnen een paar minuten lagen we in ons 50.000 dollar kostende Monarch Vi-Spring Bed op de 17e verdieping van het Plaza Hotel. Als we onze ogen van elkaar af hadden kunnen houden zouden we uit het raam een in diepe duisternis gehuld Central Park kunnen bewonderen.

Nadat wij ons beiden hadden uitgekleed en ons gretig op elkaar stortten kwam ik erachter dat Grace Jones in het bezit was van een enorm mannelijk geslachtsdeel. Ik schrok mij rot. Vervolgens barstte ik in hysterisch lachen uit.

Hoe had ik zo naïef kunnen zijn! Grace Jones was immers de tweelingzus van Christian Jones. Ik had echter nooit geweten dat Grace en Christian Jones werkelijk als twee druppels champagne op elkaar leken. Ook was het mij tijdens de afterparty in Studio 54 niet opgevallen dat naast Grace Jones ook Christian Jones aanwezig was.

Nadat ik een beetje tot mijzelf was gekomen maakten Christian en ik er een wilde nacht van.

Schrijver Peter Mabelus wordt door zijn vrienden nogal eens gekscherend ‘De Forrest Gump van de Lage Landen’ genoemd, naar de gelijknamige hoofdpersoon – gespeeld door Tom Hanks – van de met maar liefst zes Oscars bekroonde verfilming van het gelijknamige boek van Winston Groom uit 1985.

Net als Forrest Gump lijkt Peter Mabelus toevallig, maar soms ook op eigen initiatief, telkens in contact te komen met personen die een cruciale rol hebben gespeeld, of spelen, in de (inter)nationale wereld van politiek, literatuur, film, muziek, georganiseerde misdaad en kunst.

Van Jan Wolkers tot Prins Bernhard Junior, van Donald Trump tot Hollywoodsterren als Donald Sutherland en Dennis Hopper en rocksterren als Bob Dylan en Billy Preston, de stoet van beroemdheden, waar Peter Mabelus vaak ook nog een innige vriendschap mee opbouwt, lijkt eindeloos.

In zijn vierde boek, de bundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022) zijn tientallen reportages opgenomen waarin Peter Mabelus op zijn bekende, hilarische wijze verslag doet van zijn “ontmoetingen” met een aantal Groten der Aarde.

Peter Mabelus publiceerde eerder de literaire thriller ‘Kathmandu Hipsters’ (2018), de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) en de schelmenroman ‘John West en de gestolen Picasso’ (2021).

De boeken van Peter Mabelus zijn overal verkrijgbaar. Koop zijn boeken bij de lokale boekhandel en niet bij een moloch als je weet wel. Voor een gesigneerd exemplaar met opdracht kun je een mail sturen naar de auteur: petermabelus@gmail.com.

Onbekend's avatar

Het Wiel van Dharma

De boeddhistische westerling had zich nog zo voorgenomen om op weg naar zijn nieuwe vriendin met zijn racefiets op het “Het Achtvoudige Pad” naar de verlichting te blijven. Zijn “Wielen van Dharma” symboliseerden de door Boeddha verkondigde leer over het pad naar verlichting en telden elk acht spaken.

Hij was van baan veranderd. Hij was gestopt met drinken en roken. Zijn vrouw en kinderen, die hem niet meer konden begrijpen, had hij verlaten. Zijn nieuwe vriendin, die jonger was dan zijn oudste dochter, begreep hem wel.

De vogel kwam van links. Door de botsing met de vogel maakte de boeddhistische westerling een slingerbeweging met zijn racefiets, waardoor hij onder de voortrazende wielen van een zojuist passerende truck werd vermorzeld. Karma.

Onbekend's avatar

De geschiedenis herhaalt zich niet, de geschiedenis rijmt

In de ochtend van 22 juni 2022 moest ik voor een zakelijke afspraak in Rhenen zijn, in de provincie Utrecht. Ik besloot dat de afspraak in Rhenen een aangewezen gelegenheid was om eindelijk eens een bezoek aan de Grebbeberg te brengen.

De Grebbeberg is een 52 meter hoge heuvel die de zuidoostelijke punt vormt van de Utrechtse Heuvelrug. Dat de Grebbeberg, ondanks haar geringe hoogte, meer weg heeft van een berg dan van een heuvel is vooral goed te zien aan de zuidkant, waar de helling steil afloopt richting rivier de Nederrijn (zie foto 1).

De Grebbeberg is vooral bekend geworden om de heroïsche strijd die daar op 11, 12 en 13 mei 1940 door 2.500 Nederlandse soldaten gevoerd werd tegen een overmacht van maar liefst 23.000 Duitse militairen (17.000 man bij de infanteriedivisie en de rest bij het SS-regiment). Het mag een wonder heten dat de Nederlandse militairen, die bovendien veel slechter getraind en bewapend waren dan hun Duitse tegenstanders, drie hele dagen en nachten stand hebben kunnen houden.

Bij de strijd om de Grebbeberg vonden naast 450 Nederlandse militairen ook 250 burgers de dood. Aan Duitse kant zouden 200 slachtoffers te betreuren zijn geweest. Volgens sommige bronnen is dit laatste aantal geflatteerd en zouden er in werkelijkheid veel meer Duitse soldaten zijn gesneuveld bij de Slag om de Grebbeberg. Het relatief lage aantal Duitse slachtoffers zou destijds door de Duitse legerleiding gehanteerd zijn om het gezichtsverlies van het onverslaanbare geachte Duitse leger te beperken. Was het immers geen blamage te noemen dat de tot de tanden toe gewapende Duitse oorlogsmachine er met de meest moderne en destructieve wapens drie volle dagen over had moeten doen om de materieel slecht uitgeruste Nederlandse te verslaan? En dat met een Duitse overmacht van tien tegen één?

Boven op de Grebbeberg, direct aan de zuidkant van de Grebbeweg (de N225) staat het Nationaal Legermonument. Het is een open aula met een gedenkzuil en klokkentoren. Op de gedenkzuil staat een gedicht van J.C. Bloem met de tekst:

VIJF DAGEN – EN DE VRIJHEID GING VERLOREN
VIJF JAREN – EN EERST TOEN WERD ZIJ HERBOREN
ZO MOEIZAAM TRIOMFEERT GERECHTIGHEID
AAN DIT BESEF ZIJ DEZE GROND GEWIJD

Aan de overkant van de Grebbeweg bevindt zich Militair Ereveld Grebbeberg, waar de 450 lichamen van de bij de slag gesneuvelde Nederlandse militairen begraven liggen (foto 2). Een app die gratis te downloaden is bij de bekende appstores, ‘Digitale begraafplaats’, geeft je informatie over de begraafplaats en een GPS-rondleiding.

Op weg naar het informatiecentrum, dat zich aan de rand van het bos aan de noordzijde van de Grebbeberg bevindt, passeer je het Digitaal Monument Vrijwillige Landstorm. Door het scannen van de QR code op het monument (foto 3) krijgen de vrijwilligers van de Landstorm, zij die vrijwillig meehielpen aan de verdediging van de Grebbeberglinie, een gezicht.

Als je achter het informatiecentrum het bos betreedt vind je na een paar honderd meter aan je rechterkant één van de originele “kazematten” die door de Nederlandse militairen werden gebruikt om het aanstormende Duitse leger te bestoken met mitrailleurs en kanonnen (foto 4). Deze kazematten waren moeilijk door de vijand te treffen vanwege hun beschutte locatie. Een kazemat is het best te omschrijven als een betonnen bunker van waaruit de vijand met artilleriegeschut bestookt wordt.

Als je vanaf de kazemat het pad door de bossen enkele honderden meters in westelijke richting afloopt kom je bij de loopgraven aan de rand van een akker (foto 5). Dit is de plaats waar de allerlaatste Nederlandse militairen zich in de allerlaatste uren van de Slag om de Grebbeberg verdedigd hebben. Op de laatste dag van de slag bleek de Duitse overmacht te groot en was de Grebbeberg aan alle kanten door Duitse militairen omsingeld. Overgave was de enige en laatste optie.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de stoffelijke resten van de Duitse militairen overgebracht en herbegraven op de begraafplaats in Ysselsteyn, Limburg.

We mogen vooral niet vergeten dat we net zo hard moeten treuren om de Nederlandse als de Duitse dienstplichtigen die het leven lieten bij de Slag om de Grebbeberg. Ook de Duitse dienstplichtigen moesten onder dwang van hun politieke leiders hun leven geven voor een gewapend conflict dat nooit hun eigen keuze was.

Elke oorlog kent slechts verliezers. Het zijn de aanstichters van oorlogen, politici, die oorlogen vaak overleven en miljoenen militairen en burgers de dood injagen.

Het feit dat zich op dit moment, al vier maanden lang, een soortgelijk conflict als de Slag om de Grebbeberg voordoet in Oekraïne stemt treurig. Zeer treurig. De geschiedenis herhaalt zich niet, de geschiedenis rijmt.