De vergeetachtigheid die mijn grootmoeder de laatste jaren zo onzeker in het sociale verkeer gemaakt had ging geleidelijk over in pedante zelfverzekerdheid.
We stonden laatst samen in mijn keuken om een glas melk voor haar op te warmen in de magnetron.
‘Dat je nog zo’n oud ding hebt,’ zei mijn grootmoeder verbaasd. ‘Toen de Duitsers in de oorlog de magnetron van je grootvader en mij weghaalden, hebben we nooit meer een nieuwe gekocht.’
Daarna werd het snel gekker.
‘Ik was de enige hippie met een mobieltje.’
‘Feyenoord is kampioen.’
Voor mijn verjaardag vroeg ik een telescoop. Toen ik op de heugelijke dag een stethoscoop in mijn handen hield, zei mijn grootmoeder: ‘Zo, nu kun jij matroos op een onderzeeër worden.’
Dit verhaal speelt zich af in de tijd dat mensen elkaar nog discrimineerden. Vandaag de dag kan men zich dat nog maar moeilijk voorstellen, maar als we er een kloek geschiedenisboek op naslaan, ik denk bijvoorbeeld aan de beroemde naslagwerken ‘Zwart op wit, over rassenschande en andere gedateerde fenomenen’ van de Zwitserse hoogleraar Schöngraber, of ‘Discriminatie, theorie en praktijk’ van de Rotterdamse socioloog van Randwijk, kunnen we het inderdaad zwart op wit zien staan: vroeger vonden mensen andere mensen vaak meerwaardig, maar meestal minderwaardig, omdat ze een andere huidskleur hadden.
Men sprak in de sociologie van die dagen ook wel over de zogenaamde ‘rassenladder’. De rassenladdertheorie, die voor het eerst geformuleerd werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw door de Oegandese antropoloog Soeaseusoembo, behelsde dat het blanke ras de eerste plaats op deze ladder bezette, de gelen (ook vaak het gele ras genoemd) bezetten de tweede plaats, de zwarten (ook vaak negers genoemd) vormden de hekkensluiters van deze trap, of eigenlijk moet ik dan zeggen trappensluiters, maar dat is geloof ik geen Nederlands woord.
Nu was het zo dat die tweede en derde plaats van de rassenladder discutabel waren. Sommige sociologen vonden dat de zwarten de tweede en de gelen de derde plaats op de rassenladder hoorden te bezetten. Argumenten daarvoor waren vrij zwak. Zo voerden diegenen die vonden dat de zwarten de tweede sport van de rassenladder dienden te bezetten aan dat de zwarten succesvoller waren dan de gelen in het uitoefenen van bepaalde takken van sport. Denk daarbij aan, bijvoorbeeld, de honderd meter sprint bij atletiek en basketball. Of het beoefenen van bepaalde populaire dansmuziek. Ik noem de ‘hip hop’, de ‘disco’ en de ‘rap’. Zij beweerden dat de gelen weinig kaas hadden gegeten van deze twee terreinen en enkel tot grote prestaties konden komen op het gebied van de laffe handel en dat nog onder dwang van de overheid ook. In deze school werden de gelen ook wel ‘De joden van de rijzende zon’ genoemd. Onterecht, lijkt mij, want appels moet je niet met peren vergelijken. Chinezen zijn geen Japanners.
Zij die vonden dat de zwarten op de derde plaats van de rassenladder hoorden te staan meenden dat de gebieden waarin de zwarten excelleerden zó primitief waren dat die ‘prestaties’ onmogelijk een tweede plaats op de rassenladder rechtvaardigden.
Sommige sociologen pleitten er zelfs voor de zwarten als mensengroep van de rassenladder te verwijderen en bij de biologische groep van de mensapen geclassificeerd dienden te worden, maar dergelijke sociologen werden slechts gevonden in het diepe Zuiden van de Verenigde Staten van Amerika en onder de racistische boeren van Zuid-Afrika, waar tientallen jaren apartheid de breinen van menige blanke voor altijd had misvormd.
Overigens vonden sommige zwarte sociologen dat de zwarten de eerste plaats op de rassenladder dienden te bezetten. Waren de oudste menselijke resten immers niet in Afrika gevonden? Deze argumentatie werd weggehoond door het sociologische etablissement dat er op wees dat er ‘nog nooit een fatsoenlijke uitvinding door een zwarte gedaan was die de mensheid vooruit had geholpen.’
Enfin, ik dwaal af. Ik wil de lezer enkel inwijden in de rassenproblematiek van die tijd. Een historisch fenomeen dat de laatste generaties vreemd is. De jongeren van nu hebben misschien wel eens oude avonturenfilms gezien waarin zwarten door joelende blanke en gele menigten met bulderende vlammenwerpers achterna worden gezeten omdat zwarten de toen nog ongeneeslijke ziekte aids zouden verspreiden. Ik refereer aan de kassuccessen van die dagen ‘Sero Positive Warriors’, ‘The Black Plague’ en ‘The Black Dick Inside Me’. Inmiddels weet iedereen dat aids niet een seksueel overdraagbare ziekte is maar veroorzaakt wordt door het slordig poetsen van de tanden en het te lang laten koken van aardappelen en rijst.
De tijd waarin dit verhaal speelt was de tijd waarin er een kentering was in het denken over de rassenladder. Discriminatie raakte uit de mode, net als het denken over mensen in gekleurde groepen. Men ging de mens steeds meer als individu beschouwen en niet meer in de eerste plaats als een representant van zijn ras of volk. Mensen die nog hevig discrimineerden werden steeds vaker de deur gewezen. Hun ruitjes werden ingetikt door mensen met het hart op de juiste plaats, in het parlement werden racisten dood gezwegen en genegeerd door zij die beter wisten. Het parlement nam zelfs een wet aan die het discrimineren op grond van geloof, ras, huidskleur of seksuele geaardheid strafbaar stelde. De artikelen die de vrijheid van de seksuele voorkeur betroffen werden al snel weer ingetrokken, omdat de algehele perversie, verloedering en decadentie die daar het gevolg van waren dusdanige vormen aannamen dat de economie, de eer en goede naam van het land eraan ten onder dreigden te gaan. Maar daar hebben we het nu niet over. We hadden het over de alsmaar afnemende tolerantie tegenover racisten en fascisten en de manier waarop de overheid tegen de mensen, die halsstarrig bleven discrimineren, optrad.
Geen middel werd de overheid vreemd in de strijd tegen discriminatie. Zo kon men, als je dacht dat iemand discrimineerde, een ‘anti-discriminatielijn’ bellen en anoniem iemand aangeven. Bij controles door de politie langs de openbare weg werd gesommeerd kofferbakken te openen om te kijken of er geen racistische stickers of lectuur in verstopt lagen. Bij de minste of geringste aanleiding vaardigden officiers van justitie huiszoekingsbevelen uit. Als je de radio luid aan had staan en er klonk een vrolijke schlager over het ‘Schwarze Wald’ kon je serieuze problemen krijgen, omdat je van nazisympathieën werd verdacht. Het was de tijd waarin jodenkoeken en negerzoenen uit de handel werden genomen. Zigeunerschnitzels en moorkoppen stonden op een zwarte lijst. Die zwarte lijst werd overigens ‘de lijst van ongewenste producten’ genoemd omdat ‘zwart’ negatieve associaties opriep met zwarthemden en de term ‘zwarten’ voor mensen met een bruine kleur.
Ik ga u een verhaal vertellen over discriminatie. Het is een verhaal over een man die de personificatie was van de hypocrisie. Naar buiten toe was het een keurige mijnheer, er viel niets op hem aan te merken, maar in feite was het een laaghartige discriminerende schurk van het zuiverste water. Dames en heren, mag ik uw aandacht voor het verhaal van de val van een schoft, mag ik uw aandacht voor de held van dit verhaal: ‘De papegaai van de heer X.’
De heer X was advocaat bij een bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen. Hij werd gerespecteerd door zijn collega’s en cliënten. Dat hij een overtuigd socialist was mocht een publiek geheim genoemd worden, al zei hij wel eens ‘iemands politieke voorkeur is privé, daar heeft niemand wat mee te maken.’ En hoe waar bleek die uitspraak later te zijn! Wat een stiekemerd bleek de heer X uiteindelijk!
Het balletje van dit verhaal ging rollen op een vroege zonnige ochtend in de lente van het jaar 20**. Op het bureau voor de rechtshulp aan armen en ongelukkigen was het door de jaren heen een traditie geworden om de eerste lentedag te vieren met een groots zuipfestijn in de bruine kroeg op de hoek (en hoe bruin de heer X ze bakte zou snel genoeg blijken!). Ook dat jaar werd er weer vreselijk gezopen. De volgende ochtend kwam iedereen met een bleek gezicht, zwetend en duizelig van de katers, het kantoor binnen druppelen. Zo ook de heer X. Hij had het zwaar.
‘Ik ga even schijten, misschien gaat het dan wat beter,’ zei hij tegen niemand in het bijzonder en vertrok naar één van de drie toiletten die zich in de hal van het bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen bevonden. Toevallig begaf hij zich naar het meest rechts gelegen toilet, waarvan het slot al een paar dagen kapot was.
De heer X. had zich net goed en wel op de pot genesteld en daar kwam de bittere alcoholsmurrie al naar buiten spuiten. Op hetzelfde moment voelde hij echter een golf zure gal op komen zetten en, in de onjuiste veronderstelling dat hij zijn schijterij beëindigd had, draaide hij zich van de pot, liet zich op zijn knieën zakken en begon onbedaarlijk te kotsen.
Nu wist een studente, die stage liep bij het bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen, Anita Lammers, en die pips een half uur te laat op kantoor verscheen met een katertje, niet dat de heer X op dat meest rechtse toilet met dat kapotte slot aan het schijten en kotsen was. Dus opende ze onwetend van het pandemonium dat zich daar binnen afspeelde de deur van het meest rechtse toilet. Wat ze zag tartte elke beschrijving en haar voorstellingsvermogen. Niet alleen zag ze het wild schokkende lichaam van de zo gerespecteerde heer X. Niet alleen rook ze de misselijk makende stank van de zure pap van gal, diaree en urine die zich in en op de pot en over de vloer van het toilet aan het verspreiden was. Ze zag niet alleen zijn morsige lid heen en weer zwaaien tussen zijn twee spastische bleke bollen vol haren. Ze zag ook vol afschuw het hakenkruis dat op de linkerbil van de heer X getatoeëerd stond. Een swastika!
Geschokt smeet ze de deur van het toilet dicht en begaf zich op trillende benen naar haar bureau in het kantoor. Enige minuten bleef ze verdwaasd voor zich uitstaren. Had ze echt gezien wat ze dacht dat ze gezien had? Was ze gek geworden? Hallucineerde ze soms door al die glaasjes zoete likeur die ze gisterenavond achterover geklokt had? Had iemand in de bruine kroeg misschien drugs in haar drankje gedaan?
Na enige minuten kwam de heer X geheel gefatsoeneerd het kantoor binnen wandelen. Zijn bloeddoorlopen ogen waren het enige bewijs van wat zich in het meest rechtse toilet in de hal, dat met het kapotte slot, had afgespeeld. Vrolijk neuriënd gaf hij zich over aan het werk dat op zijn bureau lag te wachten. Terwijl hij naar Anita knipoogde lachte hij als de spreekwoordelijke boer met kiespijn.
De dag verliep verder als gewoonlijk op het bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen. Af en toe was wel het tinkelen van aspirientjes in glazen, of in de verte het gekokhals van een van de medewerkers van het bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen te horen, verder was het een dag als alle andere.
’s Avonds kon Anita thuis in haar eikenhouten twijfelaartje de slaap niet vatten. Ze lag maar te woelen en te draaien en kon niet besluiten wat te doen. Had ze echt een swastika op de linkerbil van de heer X gezien? Ja, dat had ze. Was de heer X, de zo sociaal bewogen socialistische advocaat misschien een nationaal-socialistische advocaat?
Om een uur of vier ’s nachts besloot ze de anti-discriminatielijn te bellen (4,50 euro per minuut). Stotterend vertelde Anita wat ze die dag op het toilet gezien had. Ze vertelde de medewerker van de anti-discriminatielijn ook dat ze zich zo moeilijk voor kon stellen dat de heer X. ook maar iets uit te staan kon hebben met nazi’s, fascisten of racisten, maar dat ze toch echt gezien had wat ze had gezien. Toen ze de hoorn weer op de haak gelegd had was ze een zware last en 22,50 euro lichter. Nog steeds in de war viel Anita Lammers eindelijk in slaap.
Intussen waren de raderen van de anti-discriminatie industrie op gang gekomen. De medewerker van de anti-discriminatielijn had gelijk de AIVD en de politie gebeld. Even later werd een huiszoekingsbevel uitgevaardigd door de dienstdoende officier van justitie. Nog geen uur nadat Anita haar telefoontje gepleegd had reden twee busjes met zwaailichten op het dak de straat binnen waarin de heer X een keurig appartement bewoonde.
Het leek wel of de heer X achter de deur op het aanbellen door de anti-discriminatie rechercheur had staan wachten, want de goede man had zijn vinger nog niet van de bel gehaald of de deur van het appartement zwaaide open. En wat zag de heer X er uit! Hij was slechts gekleed in een open geknoopte blouse, om zijn middel waren enorme bundels verbandgaas gewikkeld.
‘Anti-discriminatie politie. We hebben een melding gekregen. We komen even kijken en praten,’ zei de rechercheur en een stoet van veertien politiemensen, vier in burger, de rest in uniform, trok het appartement binnen. Bedremmeld bleef de heer X bij de deur staan. Zijn trillende handen bevingerden een smoezelig whiskyglas. Wat was de heer X nerveus!
‘Komt u maar even op uw buik hier op de bank liggen,’ baste de rechercheur die ook had aangebeld. Zijn naam was Coen Schenk.
‘Op mijn buik op de bank liggen?’ stotterde de heer X geschokt. Wat ging er nu gebeuren? Ze zouden toch niet met zijn allen… Nee toch?
Nadat de heer X bang om zich heen kijkend buikelings op de bank plaats had genomen doemde vanuit de keuken een agent met een schaar in zijn rechterhand op. In een hoek van de woonkamer zat een papegaai op zijn stok in een gouden kooi te slapen.
‘We hebben een melding binnen gekregen dat u een verboden teken op uw linkerbil getatoeëerd heeft staan. We komen daarom even een onderzoekje verrichten,’ zei Schenk, die blijkbaar de leiding had van deze nachtelijke operatie.
‘Verboden teken?’ vroeg de heer X laf. ‘Wat dan?’
‘Een hakenkruis mijnheer. Als u het zo graag weten wilt of nog niet wist. Er zou een swastika op uw linkerbil staan. Een swastika goddomme!’ sprak de rechercheur met nauwelijks ingehouden woede.
‘Swastiwat?’ vroeg de heer X schijnheilig.
‘Agent!’ commandeerde Coen Schenk de agent die met de schaar in zijn hand klaar stond en wees naar het verband dat strak om het kruis van de heer X gewikkeld zat. In twee grote halen lag het achterste van de heer X te kijk voor veertien paar nieuwsgierige ogen. Maar er was geen hakenkruis te zien! Wel bevond zich op de plaats waar het hakenkruis gestaan zou hebben een grote, nog bloedende, gapende wond.
‘Wat is dat?’ vroeg de rechercheur de heer X om een verklaring. ‘Heeft u het verboden teken weggesneden?’
‘Weggesneden?’ Zweet stroomde over het gezicht van de heer X. ‘Nee, gat verbrand,’ piepte hij.
‘Hoe dan?,’ vroeg Schenk geërgerd.
‘Aan de kachelrand,’ stamelde de heer X. In zijn ogen stond laf afgrijzen te lezen.
Rechercheur Schenk keek de heer X ongelovig aan en sommeerde de agenten het hele appartement te doorzoeken op belastend materiaal. In elke kast werd gezocht, laden werden open getrokken, boeken doorgebladerd, gordijnen gingen van de roe, zelfs de planten werden uit hun potten gehaald. Er werd echter niets gevonden wat ook maar enigszins op discriminatie duiden kon. En ook geen bloed op de kachelrand. Verbaasd en teleurgesteld togen de manschappen naar de twee busjes waarvan de zwaailichten werden uitgezet.
De rechercheur snapte er niets van. Alles wees erop dat de heer X loog over de toedracht van de gapende wond op zijn linkerbil. Dat hij wel degelijk een swastika op zijn linkerbil getatoeëerd had gehad. Blijkbaar had de heer X die ochtend doorgehad dat Anita Lammers hem gezien had op dat meest rechtse toilet in de hal, dat met het kapotte slot, en thuis met veel geweld snel de swastika verwijderd. Nu was er echter geen enkel bewijs. Hoe nu verder?
Peinzend liet Schenk zijn blik door het appartement van de heer X dwalen. Opeens viel zijn oog op de papegaai, die al die tijd op zijn stok in de gouden kooi had zitten slapen. Hij pakte de schaar op die de agent, die het verband los geknipt had, op de tafel had laten liggen en wendde zich tot de heer X.
‘Hoe heet uw papegaai?’ vroeg Schenk op beleefde toon aan de heer X.
‘Adolf, nou goed!?’ zei de heer X en barstte van opluchting in lachen uit, omdat hij zeker wist dat de politie hem niks maken kon. Wat was hij weer zelfverzekerd nu de autoriteiten niets tegen hem in bleken te kunnen brengen. Alleen bleef hij er even verrot uitzien als zojuist.
Rechercheur Schenk liep naar de gouden kooi en ratelde met de schaar langs de tralies. De papegaai werd wakker van het rinkelende geluid en begon gelijk het Horst Wessel lied te kraaien:
‘Die Fahne hoch die Reihen fest geschlossen S. A. marschiert mit ruhig festem Schritt Kam’raden die Rotfront und Reaktion erschossen Marschier’n im Geist in unsern Reihen mit
Die Strasse frei den braunen Batallionen Die Strasse frei dem Sturmabteilungsmann Es schau’n auf’s Hackenkreuz voll Hoffung schon Millionen Der Tag fur Freiheit und fur Brot bricht an
Zum letzen Mal wird nun Appell geblasen Zum Kampfe steh’n wir alle schon bereit Bald flattern Hitler-fahnen Uber allen Strassen Die Knechtschaft dauert nur mehr kurze Zeit
Die Fahne hoch die Reihen fest geschlossen S. A. marschiert mit ruhig festem Schritt Kam’raden die Rotfront und Reaktion erschossen Marschier’n im Geist in unsern Reihen mit’
Op zich was dat tot daar aan toe, maar nadat het lied uit was riep hij met krakende stem ‘Heil Hitler!’ Coen Schenk draaide zich bruusk en met fonkelende ogen om naar de heer X. De papegaai riep luid, ‘Wollt ihr den totalen Krieg!?’
‘Wat betekent dit?!’ vroeg Schenk sissend van woede.
De heer X voelde zich plotseling niet meer zo zeker van zijn zaak. ‘Die heb ik op een vogelmarkt in Frankfurt gekocht!’ riep hij blozend. Wat begon de heer X weer te zweten!
Rechercheur Schenk riep naar buiten dat zijn mannen de heer X mee naar het politiebureau moesten nemen voor een uitgebreid verhoor. Hij zou zorgen dat de zaak tot de bodem uitgezocht zou worden. De waarheid moest boven komen!
Na een uitgebreid onderzoek en dagenlange verhoren kwam aan het licht dat de heer X de papegaai al jaren in zijn bezit had en dat er in Frankfurt helemaal geen vogelmarkt is. Niet in Frankfurt am Main en niet in Frankfurt an der Oder. Ook werd er een geheim zolderkamertje ontdekt aan de andere kant van de stad, dat de heer X stiekem huurde en nog stiekemer regelmatig s’nachts bezocht. Daar trof men nazistische lectuur aan, films, stickers, een stuk gelezen exemplaar van ‘Mein Kampf’ en zelfs twee uniformen van officiers van de SS. Ook gaf de heer X uiteindelijk toe dat hij inderdaad een swastika op zijn linkerbil getatoeëerd had gehad en dat hij die, na zichzelf verdoofd te hebben met alcohol en slaappillen, met een mes verwijderd had op de avond van de dag dat hij door Anita Lammers betrapt werd, toen hij aan het kotsen en schijten was geweest op dat meest rechtse toilet in de hal, dat met het kapotte slot, van het bureau voor rechtshulp aan armen en ongelukkigen.
Na een korte rechtszaak werd de heer X op het grote plein in de hoofdstad onder grote publieke belangstelling en goedkeuring onthoofd. Zo ziet u maar weer.
Dit was het verhaal van één van de laatste mensen die stiekem nog discrimineerden. Gelukkig komt dat nu, nu we allemaal min of meer dezelfde poepkleur hebben, niet meer voor.
‘Papegaai’ stond op 22 juni 2022 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.
Om mij in alle rust te kunnen wijden aan het schrijven van een reeks artikelen en columns heb ik mij teruggetrokken in een zeer afgelegen schrijfretraite in de provincie Limburg, die mij is aangeboden door een geheime weldoener.
Met name mijn alsmaar groeiende kolonie groupies mag daarom niet weten dat ik verblijf aan de Luijtenweg 34 te Schin op Geul.
Alleen als je niet ouder bent dan 25 jaar en minder dan 60 kilo weegt doe ik open als je drie keer hard en drie keer zacht op de voordeur klopt. Voldoe je aan bovengenoemde eisen dan mag je ook achterom. Dat doe ik in dit soort gevallen zelf ook het liefst.
Is jouw vader net zo’n stoere huisman als Peter Mabelus?
Rijdt hij zijn elektrische bolide net als Peter Mabelus elke week door de chicste wasstraat van de stad?
Geeft hij jullie zwart betaalde werkster – zonder verblijfsvergunning – elke week 20 eurocent fooi, nadat zij het hele huis voor een tieneurobiljet in drie uur tijd spik en span heeft gemaakt, zodat de nieuwste vriendin van jouw vader de hele dag met haar smartphone op haar driezitsbank van slechts 11.658,00 euro kan blijven spelen?
Rent hij de marathon onder de drie uur met een pak peuken bij de hand?
Dan is het nieuwste boek van Peter Mabelus, ‘Van Kluun tot Clinton’, het perfecte cadeau voor Vaderdag!
De pers over ‘Van Kluun tot Clinton’:
“Als geen ander is Mabelus in staat om zijn ontmoetingen met de Groten der Aarde te verwoorden in korte en vlot geschreven anekdotes.”, Peter Marks, Must reads or not
“Hyperorigineel!”, Pieter Waterdrinker, Twitter
“Zo humoristisch, dat we niet eens meer willen weten of het echt is. Het had zó gebeurd kunnen zijn; dat is genoeg.”, De Telegraaf
“Ik kan alleen maar zeggen: je moet het hebben gelezen! Van Kluun tot Clinton’ is volgens mijn bescheiden mening enig in zijn genre, als het al in een genre past… Het Mabelus genre? Geniaal!”, Patsi Desiree, Hebban
Geheel onverwacht kreeg ik op woensdag 15 juni 2022 een gesigneerd exemplaar met opdracht van het laatste boek, ‘Door de jaren heen, Over boeken en schrijvers’, van 1 van de grootste kenners van de Nederlandse literatuur van de laatste 75 jaar, Jaap Goedegebuure, in de bus (ik houd van korte zinnen). Wat een eer! Overduidelijk een vette knipoog naar mijn laatste boek ‘Van Kluun tot Clinton’.
Mijn naam is Jeroen S., gewone tomatenkweker van beroep. Ik vermeld met name “gewoon”, vanwege de zo machtige biologische maffia, die samenwerkt met het politieke etablissement, in Den Haag en in Brussel, om alles wat niet juridisch “biologisch” gekweekt is, systematisch te demoniseren en uit te roeien. Ik voel me godverdomme een doodgewone jood in de jaren dertig van de twintigste eeuw in Duitsland. Lastig gevallen om niets.
Ik zit sinds een week in de gevangenis. Ik ben tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege het produceren van chemische wapens. Ik heb niks gedaan! Ja, eerlijk gewerkt, van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat in mijn tomatenkwekerij. Ik houd meer van tomaten dan van mijn eigen vrouw. Tomaten die u waarschijnlijk dagelijks eet: in uw zelfgemaakte salade, op uw hamburger bij de hamburgertycoon, uit het handje, of op brood. Al dan niet met een plak kaas, biologisch of niet geproduceerd, of ham = varken, eronder of erboven. De tomaat is één van uw beste vrienden. Misschien wel uw meest onopvallende en trouwste vriend.
Het enige wat ik heb gedaan is ouderwets proberen te boeren, net zoals mijn voorouders dat ook hebben gedaan. Ik bewerk mijn tomaten met doodgewone bestrijdingsmiddelen tegen schadelijke insecten, zoals naaktslakken, witte vliegen en de bladluis, om de mooiste tomaten voor de laagste prijs voor u op tafel te krijgen. Verder gebruik ik insectparasitaire nematoden en verschillende soorten speciaal gekweekte roofmijten om het ongedierte te bestrijden.
Ik ben er ingeluisd door een samenzwering van de AIVD uit Den Haag, de milieupolitie uit Brussel en de Westlandse biologische tomatenmaffia. Misschien zijn er andere overheden bij betrokken, uit Amerika en Rusland. De vertakkingen in de wereld van de biologische terreurpolitie zijn inmiddels groot en wellicht allesomvattend. Het globale dorp is werkelijkheid geworden. Heksenjacht en sociale controle vieren hoogtij.
Kan mij verweten worden dat ik bestrijdingsmiddelen gebruik om mijn tomaten vers, gezond en goedkoop aan u te kunnen leveren? Wat willen de mensen dan? Tomaten met gaten erin? Of tomaten met rare bobbels en met onbestemde bruine onbespoten eeltvlakken erop? Tomaten van acht euro per stuk? Ja, ja, als het maar zogenaamd biologisch is. De meeste zogenaamde biologische tomaten zijn ook gewoon bespoten, maar dat mag, omdat de AIVD bij de keuring van die tomaten smeergeld opgestreken heeft. In de grijze schemerwereld tussen legale, schijnbaar legale en illegale biologische tomaten wordt in vakjargon tomatensmeergeld ook wel tomatenpuree-pecunia genoemd.
Het mag dan al weer tientallen jaren geleden zijn dat ‘De Muur’ viel, ik voel me nog steeds communist in hart en nieren. Het communisme gaat nooit verloren, omdat de waarheid nooit verloren kan gaan. De laatste secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie en president van het grootste land ter wereld, twaalf tijdzones!, Michail Sergevitsj Gorbatsjov, mag ons dan per ongeluk verraden hebben, het communisme als alternatief voor deze wereld van markt en strijd en imago en gebrek aan empathie, naar de tering hebben geholpen in Europa, ik blijf in de droom van een arbeidersparadijs voor allen die uitgebuit worden geloven. Door allerlei minne streken en laster mogen de communisten uit de Tweede Kamer gelazerd zijn, ik heb er schijt aan dat onze waarden door het slijk gehaald zijn. Het doet me niets dat de kapitalisten denken dat we op de vuilnishoop van de geschiedenis zijn beland. Want de rode zon van het communisme zal weer aan de kim verschijnen! (en dan bedoel ik niet de grote onsterfelijke leider van onze Koreaanse broeders in de enige ware leer Kim Il Sung en zijn opvolgers Kim Jong Il en Kim Jong-un).
Het verhaal dat ik u ga vertellen, speelde zich af toen onze krant De Waarheid, een fatsoenlijk communistisch dagblad, al bijna failliet was. Ik kan nog janken als ik aan de glorietijd van onze krant terugdenk. Ik zie de laatste dag waarop De Waarheid verscheen dan ook als de zwartste dag in de grote rode geschiedenis van onze zo vooruitstrevende communistische partij van Nederland die niet meer bestaat. Maar laat ik ter zake komen.
Op een prachtige zomerse dag liep ik op de wallen in Amsterdam met De Waarheid te leuren. Omdat het communisme altijd zwart is gemaakt in de kapitalistische imperialistische Nederlandse pers werd ik nou niet bepaald als de Messias onthaald. Dan weer keek iemand mij schamper aan, een fluim kwam pal voor mijn voeten terecht, een middelvinger werd agressief naar me omhoog gestoken, of een fietser gaf me een schop voor mijn hol. Maar het deerde me niet. Was immers de grote godfather van het strijdbare communisme, de Russische Vladimir Iljitsj Oeljanov, artiestennaam Lenin, zelf ooit ook niet weggehoond door vertegenwoordigers van de reactionaire bourgeoisie in zijn eigen land? Verbannen naar Siberië en gevlucht naar Zwitserland? Daarom.
‘De Waarheid!!, De Waarheid!!’ liet ik mijn stem over de ontuchtige grachten galmen. Maar verkopen deed ik niets.
‘Ontwaakt!!, Ontwaakt!!’ klonk het uit de keel van een heilsoldate van het Leger des Heils aan de overkant van de gracht.
‘Dwaas,’ siste ik tussen mijn tanden. ‘Ken je klassieken. Godsdienst is opium van het volk.’ Ik citeerde Karl Marx, van wie ‘Het Communistisch Manifest’ uit 1848 het startschot vormde voor de geest van revolutie die het kapitalistische bastion aan het wankelen had doen lijken te brengen, zo lang geleden. Opium. Niet voor het volk, zoals men graag Marx fout wil citeren, maar van het volk: ze willen het zelf! Genaaid worden door de kerk, die een verlengstuk vormt van de kapitalistische macht.
‘De Waarheid!!, De Waarheid!!,’ brulde ik nu nog harder. ‘Niets, dan De Waarheid!!’
Zo liep ik nog een tijdje door.
Een beetje mismoedig geworden door het feit dat ik maar niets verkocht besloot ik een kroketje bij de Febo (afkorting voor: frites en broodjes onderneming, zo kapitalistisch als wat) te gaan halen. Ik bestelde het kroketje bij de meneer achter de toonbank. Dan is het kroketje veel verser en smakelijker dan een kroketje dat je uit de muur trekt. Dat kroketje kan er immers al dagen liggen. Maar ja, handel is nu eenmaal handel in het kapitalistische Westen. Het gaat om geld, geld en nog eens geld. De gezondheid van de medemens interesseert hen geen bamischijf. Die minachting voor de gezondheid van de medemens zou bij de Febo in Havanna, Cuba, waar volksheld Fidel Castro, door middel van zijn broertje Raul, nog steeds de scepter zwaait, nooit getolereerd worden!
De man achter de balie van de Febo overhandigde mij, vals glimlachend, het verse kroketje. Ik legde mijn kranten neer op de straat en ging er op zitten. God, wat rook dat kroketje lekker. Ik nam een hap van het verse kroketje en brandde lelijk mijn mond. Toen ik kwaad en beschaamd achterom keek naar de man achter de toog zag ik nog net hoe hij gniffelend wegdook. ‘Leuke eikel,’ dacht ik en blies op het verse kroketje. Toen dat verse kroketje eindelijk een beetje afgekoeld was nam ik voorzichtig een nieuwe hap van het verse kroketje. Zo, dat ging al veel beter.
Terwijl ik lekker zat te smikkelen van mijn verse kroketje zag ik de soldate van het Leger des Heils mijn richting opkomen.
‘De Strijdkreet!!, De Strijdkreet!!’ riep ze. Haar stem klonk als die van een mekkerende geit.
‘De Strijdkreet,’ mompelde ik schamper.
Ik liep als enige te leuren met de échte waarheid. Die psychotische bedriegers van de Jehova’s en die mislukte soldaten van het sukkelachtige Leger des Heils wilden de mislukkelingen en ongelukkigen van deze aarde hoop geven op een beter leven na de dood. Laat me niet lachen! Het moet nu gebeuren! Op de barricades! Laat wapperen dat rode vaandel! Proletariërs aller landen verenigt u!
Ik zag een paar mannen lachend een bordeel uitkomen en dacht onwillekeurig: Proletariërs aller landen bevredigt u. Ik voelde me schuldig over deze flauwe woordspeling. Snel vergeten maar. Marx en Lenin zouden er toch niks van te weten krijgen. Die waren al lang dood.
De heilsoldate liep ook de Febo binnen en trok een frikadel uit de muur. Nu kon ik haar wat beter bekijken. Een jaartje of dertig schatte ik haar. Dan ben je toch nog niet dement? Toen ze de frikadel in haar mond stak vroeg de leuke eikel achter de toog breed lachend aan de soldate ‘of ie smaakte.’ De heilsoldate knikte beleefd van ja en kwam naast me staan.
Ik had net het kontje van mijn verse kroketje doorgeslikt en wilde weer opstaan om verder te gaan met het slijten van De Waarheid toen de heilsoldate plotseling smakkend het woord tot me richtte.
‘Ik ben vroeger ook hoertje geweest,’ zei ze en knikte naar de overkant waar Ghanese en Bengaalse hoeren zonder paspoort met hun kont stonden te draaien in rood neonlicht tot ze bevrijd zouden worden.
‘Dat is niet zo fraai,’ zei ik om maar wat te zeggen.
‘Dat is wel fraai,’ sprak de heilsoldate met consumptie. Een fijn gekauwd stukje frikadel kwam op mijn linkerwang terecht.
‘Fraai? Om de hele dag genaaid te worden door Jan en alleman? U liever dan ik.’ Ik streek het kleffe kwakje van mijn wang.
‘Nee, ik bedoel fraai dat ik hoer gewéést ben. En nu heilsoldate. Dat ik nu voor de lieve Heer werk in plaats van voor een pooier.’
‘Oh, bedoelt u dat.’ Wat een maf wijf, dacht ik.
‘Ja, het was geen pretje om hoer te zijn,’ zei de vrouw en staarde voor zich uit.
Toen ze het laatste stukje van haar frikadel verzwolgen had veegde ze haar handen aan haar rok af. ‘Lekker typetje, die heilsoldate,’ dacht ik.
‘Nee, vast niet,’ zei ik en moest gapen.
‘En wat die klanten allemaal niet van je willen. Wat ze niet allemaal met je doen. Ongelooflijk.’ Ze zuchtte diep.
‘Het is toch wat,’ zei ik.
‘Zo was er een keer een klant…’ Ze tetterde maar door. Ik luisterde niet en knikte af en toe. ‘…dat nou niet gek?’ Ze keek me vragend aan.
‘Nou en of,’ zei ik en schoof ongemakkelijk op mijn stapel kranten.
‘Er was ook een keer een klant die … Ik dacht dat ik moest overgeven.’
‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei ik volkomen ongeïnteresseerd.
Ik schoof wat opzij op mijn stapel kranten en nodigde de heilsoldate uit om naast mij te komen zitten. Misschien hield ze dan haar mond.
‘Dank u wel, meneer. Ik heet trouwens Anja.’ Ze schudde me de hand.
‘Jeroen.’
Het was een minuut stil.
‘Vertel nog eens zo’n verhaaltje over vroeger, Anja’, zei ik uit verveling.
Ze keek me even van opzij aan. ‘Oké… Op een keer… elkaar met grote ogen aan!’
Ik luisterde niet. ‘Niet te geloven,’ antwoordde ik. ‘U heeft nogal wat meegemaakt, Anja,’ zei ik en keek naar haar benen. Wat had zich daar tussen allemaal niet afgespeeld!
‘Nou, ik ga maar weer eens,’ zei Anja en wilde opstaan.
‘Anja, blijf nog even, ik…’ stotterde ik en hield haar vast aan een mouw. Ze keek me verbaasd aan.
‘Ik wil wel zo’n… Strijdkreet kopen,’ zei ik om mezelf maar een houding te geven. ‘Hoeveel kost dat?’
‘Hoeveel u kunt missen,’ zei Anja en keek me achterdochtig aan.
Ik greep naar mijn kontzak en pakte mijn portemonnee. Ik besefte opeens wat ik deed. Ik wilde godverdomme bijna geld gaan geven aan een ex-hoer die opium aan het volk verkocht. Ik duwde haar van mij af.
‘Nee!,’ riep Anja. Toen ze zich los wilde trekken stootte ze met haar elleboog in mijn gezicht.
‘Godver,’ riep ik en greep haar bij de keel. Haar hoedje viel op straat. Ze riep maar van: ‘nee!, nee!’
De man van de Febo keek geamuseerd toe. In zijn hand hield hij een mobiele telefoon waarin hij praatte.
Anja krabde in mijn gezicht. Op dat moment gebeurde het. Ik nam Anja in de houdgreep om haar geweld op een afstand te houden. We waren de rand van de gracht tijdens ons gestoei al eng dicht genaderd. Anja kronkelde maar door met haar lijf, om los van mij te komen. Ik verloor mijn evenwicht en we vielen samen in het smoezelige grachtwater. Plons!!
Nou, ik was gelijk ontnuchterd. Toen ik weer boven water kwam zag ik hoe Anja huilend in de richting van het IJ zwom. Met huilende sirene kwam een politieauto voor de Febo tot stilstand. Twee agenten sprongen uit de auto. Eén van hen hielp me uit het water en klonk me in de boeien. Hij duwde me ruw op de achterbank. De ander raapte het hoedje van Anja op en rende over de gracht achter de alsmaar door zwemmende Anja aan.
‘Mijn kranten liggen nog bij de Febo,’ zei ik tegen de agent, die in het spiegeltje aan de achterkant van het zonneschermpje keek en vermoeid met zijn rechterhand door zijn sluike blonde haar woelde.
‘Je neemt maar een abonnement op de Playboy in de lik, smeerlap,’ zei hij en draaide zich woest om, keek me met haat in zijn ogen aan.
Aan de overkant van de gracht stond een groepje keurige hoerenlopers in driedelig pak me uit te lachen. Wat hadden ze een lol. De beste stuurlui staan op de wallen, dacht ik en keek spijtig naar mijn stapeltje kranten waar een hond tegenaan stond te pissen.
‘Dat is De Waarheid en niets dan De Waarheid,’ mompelde ik
‘Wat zeg je?’ vroeg de agent obligaat.
Hand op zijn knuppel.
Ik zei niets meer.
‘Strijdkreet’ stond op 14 juni 2022 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.
‘Van Kluun tot Clinton’, geschreven door Peter Mabelus, met de klemtoon op de ‘e’, is een verhalenbundel opgedragen aan zijn allerliefste moeder Julia Mabelus.
Dat schrijver Peter Mabelus niet stil zit blijkt uit de vele ontmoetingen die hij heeft gehad met bekende personen. Behalve de op de cover vermelde schrijver Kluun en voormalig president van de Verenigde Staten Bill Clinton zijn dat er meer, veel meer: Bob Dylan, Prins Bernhard Jr., Arnon Grunberg, Martin Bril, Kardinaal Simonis, Henny Vrienten, Willem Holleeder en Hans van Mierlo, om er slechts een handvol te noemen.
Als geen ander is Mabelus in staat om die ontmoetingen te verwoorden in korte en vlot geschreven anekdotes. De ontmoetingen verlopen niet altijd vlekkeloos. Kennelijk inspireert dat de schrijver om juist daarover iets te publiceren. Een kenmerk van de schrijver is zijn humoristische en met enig cynisme, niet gespeend van enige zelfspot, doorspekte schrijfstijl. Zijn mening over sommige mensen steekt hij niet onder stoelen of banken. Ik kan mij voorstellen dat dit niet bij iedereen in goede aarde valt. Maar dat mag de pret van de verhalen, die al dan niet met een vette knipoog zijn geschreven, niet drukken. Ik heb ze in ieder geval met veel genoegen mogen lezen.
De auteur zag in Uitgeest op 28 november 1965, als Peter Nicolaas Visser, het levenslicht. Hij ontpopte zich als columnist, journalist, dichter en schrijver. Mabelus gebruikt de achternaam van zijn moeder als schrijversnaam.
In een interview met Chris Den Daas, dat te zien is op YouTube (‘Boekenbal 2021 XVI – Een literair genie, een interview met Peter Mabelus’), vertelt de schrijver dat hij een taalkunstenaar is met een cynische schrijfstijl, een satiricus met veel humor en spot. Door zijn vele reizen en studies heeft hij veel kennis over tal van onderwerpen vergaard. In zijn werk hecht hij veel waarde aan het aan het zo minutieus mogelijk beschrijven van plaats en handeling.
Het boek is voorzien van een opvallende cover. We zien Mabelus vier keer terug in een pastiche op de beroemde zeefdrukken die Andy Warhol in de jaren zestig maakte.
Zaterdag 11 juni 2022 vierde Leesclub Drenthe haar 50-jarig jubileum in Theater De Tamboer in Hoogeveen.
Onder de aanwezige schrijvers bevonden zich Hannah Bervoets, Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Ellen Deckwitz, Joost Oomen en (shit, ik ben zijn naam even kwijt, nu weet ik het weer!) Peter Mabelus!
Mathieu, New York City, New York, vrijdag 23 juli 1993.
Vandaag is het vijf jaar geleden dat mijn beste vriend en soulmate Mathieu Ruijter overleed. Ik mis hem nog elke dag.
LIVE FOREVER
Maybe I don’t really wanna know How your garden grows cos I just want to fly Lately, did you ever feel the pain? In the morning rain as it soaks you to the bone
Maybe I just want to fly I want to live I don’t want to die Maybe I just want to breathe maybe I just don’t believe Maybe you’re the same as me we see things they’ll never see You and I we’re gonna live forever
I said maybe I don’t really wanna know How your garden grows cos I just want to fly Lately, did you ever feel the pain? In the morning rain as it soaks you to the bone
Maybe I will never be all the things that I want to be But now is not the time to cry now’s the time to find out why I think you’re the same as me we see things they’ll never see You and I we’re gonna live forever
Maybe I don’t really wanna know How your garden grows cos I just want to fly Lately, did you ever feel the pain? In the morning rain as it soaks you to the bone
Maybe I just want to fly I want to live I don’t want to die Maybe I just want to breathe maybe I just don’t believe Maybe you’re the same as me we see things they’ll never see You and I are gonna live forever We’re gonna live forever
Gonna live forever Gonna live forever Gonna live forever Gonna live forever Gonna live forever
Donderdag 2 juni 2022, 18.05 uur, verscheen de hieronderstaande recensie van ‘Van Kluun tot Clinton’ door de Vlaamse schrijfster Patsi Desiree op de website van Hebban, voor lezers, door lezers:
“Op een ochtend, ik zat aan mijn eerste kop koffie, kreeg ik een bericht van Peter Mabelus met de vraag hoe het kwam dat wij nog geen Facebook vrienden waren… Een spontane glimlach deed mijn lippen krullen en ik vertelde Peter dat ik hem wel kende. Ik heb zijn ‘Kathmandu Hipsters’ gelezen. En goed bevonden.
‘O, dat wist ik niet,’ zei hij.
Ik ging om een tweede kopje koffie en beloofde hem om ook ‘Van Kluun tot Clinton’ te lezen.
Ondertussen las ik met veel plezier ‘Van Kluun tot Clinton’. Het ging van glimlach tot schaterlach naar schuddebollend grinnikend en af en toe een zucht van: ‘waar háált hij het vandaan?’ Mabelus weet als geen ander iemand op het verkeerde been te zetten! Dylan? Serieus Peter? Ik kwam niet meer bij! Fan hier!
Ik weet niet hoe ik dit boek moet recenseren! Ik kan alleen maar zeggen: je moet het hebben gelezen! Het is wat ik noem een “nachtkastjesboek”. Je kan het opnemen voor het slapengaan, of op ieder willekeurig moment een aantal verhalen lezen en weer even wegleggen.
Sarcasme is Mabelus niet vreemd. Wat ik gewoon zalig vind!
‘Van Kluun tot Clinton’ is volgens mijn bescheiden mening enig in zijn genre, als het al in een genre past… Het Mabelus genre?
Ik kende niet veel schrijvers die Peter opnoemt in zijn belevenissen. Ook is het geschreven op z’n echt Hollands! Normaal zou ik dan zeggen: probeer het ook voor Vlamingen leesbaar te maken, maar in dit geval zou dat afbreuk doen aan het geheel. Het voelt alsof je in een café zit met een pint bier, terwijl je luistert naar de zin en onzin van je gesprekspartner. Ik vond het zalig!
Besluit: Hilarisch, soms zo over de top dat het geweldig is! Wat er écht is en wat niet… ik zou het verdorie niet weten! Sommigen denk ik te kunnen raden, maar zeker ben ik niet.
Ik heb mij te pletter geamuseerd met het lezen van deze Meesterlijke Mabelus!