Onbekend's avatar

Wereldberoemd in Bulgarije

UK Bulgaria Road Freight 2020 | 20/40f Container to Sofia

In de jaren negentig was ik wereldberoemd in Bulgarije, als schrijver en als wielrenner. Tijdens het afronden van mijn studie Russisch aan de Universiteit van Amsterdam aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd ik in Amsterdam verliefd op een prachtige studente kunstgeschiedenis uit Bulgarije, die hier niet met naam en toenaam genoemd wil worden omdat ze inmiddels een hoge functie in de Bulgaarse regering bekleedt. We werden smoorverliefd op elkaar en besloten samen een nieuw leven te beginnen in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. Mijn vriendin werd conservator in het grootse en meest prestigieuze museum van Sofia, het Nationaal Historisch Museum, ‘Национален исторически музей’ in het Bulgaars. Ik besloot mij bezig te gaan houden met mijn uit de hand gelopen hobby: schrijven.

Elke ochtend stonden mijn vriendin en ik om zes uur op. Na ons gezamenlijke ontbijt vertrok mijn vriendin naar het Nationaal Historisch Museum en toog ik aan het schrijven. Als ik na een paar uurtjes geen zin of inspiratie had om verder te schrijven sprong ik op mijn racefiets om lange tochten te maken door de heuvelachtige omgeving van Sofia. Al snel werd ik tijdens mijn fietstochten opgemerkt door de ploegleider van een professionele Bulgaarse wielerformatie. Tegen een riant salaris werd ik achtereenvolgens gepromoveerd van waterdrager tot eerste luitenant en ten slotte tot kopman van het team dat jaarlijks de winnaar van De Ronde van Bulgarije leverde. Ik werd een nationale bekendheid in Bulgarije en dit feit opende vanzelfsprekend diverse deuren voor mij.

Op een mooie winterdag aan het begin van 1996 werd ik benaderd door de legendarische flamboyante Bulgaarse uitgever Pjotr Beredin, de baas van de prestigieuze uitgeverij Bagri Publishing House, die in het oude centrum van de hoofdstad Sofia gevestigd was. Hem was ter ore gekomen dat ik niet onverdienstelijk kon schrijven. Had ik geen manuscript liggen dat zo ongeveer af was? Zou het geen idee zijn om dit manuscript in het Bulgaars te laten vertalen en op de Bulgaarse markt te brengen. Mijn naamsbekendheid als sympathieke wielrenner was in Bulgarije inmiddels zo groot dat literair succes verzekerd zou zijn.

Ik legde in die tijd de laatste hand aan mijn eerste roman ‘De Straf van Veger’, een boek dat ik meer als een grap dan als een serieus bedoeld literair werk beschouwde. Na voltooiing van het manuscript stuurde ik het resultaat naar Pjotr Beredin. Hij liet het door een team van vier zeer getalenteerde jonge vertaalsters binnen een maand in het Bulgaars vertalen en was na lezing zeer enthousiast. Hij noemde het boek “een meesterwerk van internationale allure dat zonder twijfel alle Bulgaarse verkooprecords zal gaan verbreken”. Zelf was ik voorzichtiger: ik vond het vooral een eer om een boek van mijn hand in de boekwinkel te hebben liggen, ook al was het op dat moment slechts een Bulgaarse boekwinkel.

Mijn vriendin las de Bulgaarse vertaling van ‘De Straf van Veger’ en distantieerde zich van het boek omdat het haar inziens “te misogyn van karakter is”. Haar afkeuring van mijn literaire debuut zou het begin zijn van het tragische en snelle einde van onze relatie. Een relatie die ik tot dan toe als ronduit sprookjesachtig had beschouwd.

Mijn Bulgaarse debuutroman ‘Наказанието на Вегер’, (in het Nederlands ‘De Straf van Veger’) verscheen op 20 juni 1996 en werd een enorm verkoopsucces. Ik werd uitgenodigd in tal van talkshows en de lezingen die ik door het land hield om mijn boek te promoten werden druk bezocht. In de Bulgaarse pers werd gesproken van “Mabelusmania”, omdat net als destijds bij The Beatles hysterische fans van mijn boek en persoon tijdens de lezingen het podium bestormden, lokken van mijn haar afknipten en hun weg vonden naar het bed van mijn altijd luxe hotelkamer.

In totaal zijn er in de bijna vijfentwintig jaar die verstreken zijn sinds het verschijnen van mijn Bulgaarse debuut in 1996 ruim een miljoen exemplaren van het boek gedrukt. In een land met zeven miljoen inwoners betekent dit dat één op de zeven Bulgaren in het bezit is van ‘De Straf van Veger’, oftewel veertien procent van de totale Bulgaarse bevolking, zuigelingen en dementen meegerekend. Een percentage waar geen enkele Nederlandse schrijver in Nederland, laat staan daarbuiten, aan kan tippen.

Vergeleken met de verkoopcijfers van mijn eersteling in Bulgarije kan zelfs een boek als ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun, met een oplage van 1,3 miljoen verkochte exemplaren in Nederland, een land met ruim zeventien miljoen inwoners, als een matig verkoopsucces gekwalificeerd worden.

Na het grote succes van mijn in Nederland verschenen boeken, de literaire thriller ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) verschijnt in november dit jaar mijn tweede literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’. Mijn uitgever, die haar kassa graag luid laat rinkelen, heeft het idee opgevat om volgend jaar, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van ‘De Straf van Veger’, mijn Bulgaarse roman eindelijk in het Nederlands uit te geven.

Nu ik al enkele jaren van de publicatie van mijn boeken kan leven spreek ik de hoop uit dat de Nederlandse vertaling van ‘Наказанието на Вегер’, ‘De Straf van Veger’ ook in Nederland en wellicht daarbuiten een succes wordt. Dat daarbij de Bulgaarse toestanden die mij en het boek in Bulgarije hebben vergezeld niet geëvenaard zullen worden lijkt me evident en wenselijk.

Onbekend's avatar

Oudste foto uit de geschiedenis blijkt al van 1642 te dateren!

Algemeen werd aangenomen dat Joseph Nicéphine Niépce als de eerste fotograaf in de geschiedenis beschouwd kan worden (1826), ondanks het feit dat zijn opnamen de blootstelling aan belichting buiten zijn camera obscura niet overleefden. Vanwege dit laatste feit schoven andere historici liever Louis Daguerre naar voren als de echte eerste fotograaf, omdat zijn foto’s wel het daglicht konden verdragen (1838).

Mijn verbazing was groot toen ik afgelopen week werd benaderd door een fervent lezer van mijn boeken, die als conservator werkzaam is in het Rijksmuseum te Amsterdam. In een van de talloze archieven van het museum had hij een foto ontdekt, die gemaakt zou zijn in de lente van 1642, waarop volgens hem een voorouder van mij moet staan in het gezelschap van niemand minder dan Rembrandt van Rijn.

In eerste instantie weigerde ik de conservator te geloven. Een voorouder die als twee druppels water op mij lijkt in het gezelschap van de grootste schilder aller tijden. Dit leek mij toch al te zot. Maar de conservator zei dat hij het kon bewijzen, omdat hij bij de foto ook een briefje had aangetroffen dat waarschijnlijk door de ons onbekende fotograaf geschreven moet zijn. De tekst van het briefje luidde:

“Op dezus footus sij tea zyn hoea den berooeamdus dykhtear Peatrus Nykoolaaeszoon Maebelus den skhyldear Reambraendt van Righn advyas gheaft ovear den koompoositiea van Reambraendt’s skhildery ‘Dea koompaghnie vaen kapyteyn Fraens Baennynkck Kookq ende luyteanant Wyllem vaen Ruyteanburgh maeackt zikh geread om uyt te maerkhearean’, oock wel beackend aels ‘Dea Naekhtwaekht’.”

De vertaling van de Oud-Nederlandse tekst luidt: “Op deze foto is te zien hoe de beroemde dichter Petrus Nicolaaszoon Mabelus de schilder Rembrandt van Rijn advies geeft over de compositie van Rembrandt’s schilderij ‘De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’, ook wel bekend als ‘De Nachtwacht’.”

Na het zien van zo veel overtuigend historisch bewijs moest ik de conservator wel toegeven dat we hier zonder twijfel te maken hebben met de oudst bekende foto ter wereld. Stom toevallig is er een van mijn vele voorouders op te zien. Dat had iedereen kunnen gebeuren.

Onbekend's avatar

Hoe ik er ooit voor zorgde dat kardinaal Simonis bijna in de boeien werd geslagen

Eerlijk gezegd was ik een beetje verbaasd toen ik afgelopen woensdag hoorde dat kardinaal Simonis op 88-jarige leeftijd was overleden. Ik dacht dat hij al lang dood was. Ik hoop dat hij in zijn laatste levensjaren van een prettige oude dag heeft mogen genieten.

Ik heb kardinaal Simonis één keer in mijn leven mogen ontmoeten. Dat was niet in een kerk, zoals je wellicht zult denken, maar op onze internationale luchthaven Schiphol, waar ik rond 1990 als student een bijbaantje had in de passagiersbeveiliging.

Bij de ene vlucht had ik de taak om de bagage van passagiers aan te nemen, om die vervolgens op de bagageband van de x-ray machine te zetten. Bij een andere vlucht mocht ik plaatsnemen op de stoel achter het scherm van de x-ray machine om te kijken of een passagier geen wapens of andere verboden zaken in zijn bagage gestopt had. Omdat je bij deze laatste activiteit als enige van de vijfkoppige beveiligingsploeg ongeveer een uur lang op een stoel met vering kon zitten was dat klusje bij iedereen het meest populair.

Om op aanwijzing van degene die ‘x-ray keek’ de bagage van een passagier te moeten onderzoeken vond ik vaak beschamend of oninteressant.

Het vierde en laatste klusje bij de passagiersbeveiliging was voor mij het fouilleren van mannelijke passagiers, nadat het detectiepoortje af was gegaan ten teken dat een passagier te veel metalen voorwerpen bij zich droeg. Meestal ging het daarbij om sleutels, een portemonnee vol muntgeld of een brillenkoker. Feit blijft dat je de bewuste passagier van top tot teen moest fouilleren om erachter te komen waarom het detectiepoortje was afgegaan.

Veel passagiers vonden het gênant om en plein public over hun hele lichaam betast te worden door een laag opgeleide medeburger. Dat ik student was en binnen een paar jaar als hoogopgeleide de maatschappij zou betreden kon niemand zien, omdat ik net als alle andere beveiligingsbeambten een uniform droeg.

Om een lang verhaal kort te maken: op de dag dat ik kardinaal Simonis zou ontmoeten stond ik te fouilleren bij een vlucht op gate D9 waar, hoe kan het ook anders in het geval van een hoge katholieke geestelijke als kardinaal Simonis, aan de aviobrug een vliegtuig klaarstond met als bestemming het grootste internationale vliegveld van Rome en van Italië, de luchthaven Aeroporto di Roma Fiumicino, ook bekend als luchthaven Rome Leonardo da Vinci.

Ik had kardinaal Simonis al van een afstandje in de wachtrij voor de vlucht naar Rome zien staan. Ik sprak in gedachte de hoop uit dat het detectiepoortje in zijn geval niet af zou gaan. Kardinaal Simonis keek nors en arrogant en ik begreep dat hij zo ongeveer de laatste persoon was die de intentie had zich tijdens deze vlucht naar Rome als kaper te ontpoppen. Maar wat moet dat moet.

Ik zag aan de uitdrukking op het gezicht van mijn collega’s dat zij geen idee hadden wie de man was die in het volle ornaat van een katholieke kardinaal, een zwarte soutane met rode knopen en rode zoom, rode sjerp en rode solideo (een klein zijden hoofddeksel in de vorm van een bolkap), op het detectiepoortje af kwam geschuifeld.

Kardinaal Simonis liep door het detectiepoortje en het poortje maakte een hoog piepend geluid ten teken dat de kardinaal te veel metaal bij zich droeg. Ik stapte op kardinaal Simonis af en vroeg of ik hem mocht fouilleren. Van ergernis kwam er bij wijze van spreken stoom uit de oren van de beledigde kardinaal. Ik zag hem vol minachting naar mij kijken. Wie dacht dit knappe jonge ventje wel dat hij was, dat hij het in zijn hoofd haalde om hem, zo’n beetje de hooggeplaatste geestelijke van heel Nederland, te willen fouilleren of hij de eerste de beste terrorist was.

‘U denkt zeker dat ik een pistool bij me heb,’ zei kardinaal Simonis tegen mij, nog voordat ik hem met een vinger had aangeraakt.

Nu wil het feit dat er van geen enkele passagier werd getolereerd als hij een ‘grapje’ maakte over het in bezit hebben van een pistool, bom of ander middel om een vliegtuig mee te kapen. Met zo’n grapje kon je immers het luchthavenpersoneel en de medepassagiers de stuipen op het lijf jagen en dat werd van geen enkele passagier getolereerd.

Ik zal je krijgen, dacht ik en zonder kardinaal Simonis nog een blik waardig te keuren greep ik naar de portofoon die op de x-ray machine stond. Met de portofoon kon de bijstand van de marechaussee worden ingeroepen, die in het geval van een serieuze dreiging meestal binnen enkele tientallen seconden ter plaatse was.

‘D9 voor marechaussee!’ riep ik in de portofoon.

‘Marechaussee voor D9. Zeg het maar,’ klonk het krakend uit de in zwart leer gestoken Motorola DP 1400.

‘Er staat hier een man in een jurk, die zegt dat hij een pistool bij zich heeft!’ meldde ik de beambte van de marechaussee met gespeelde lichte paniek in mijn stem.

Stoom bleef maar uit de oren van kardinaal Simonis komen en inmiddels had zijn gezicht de kleur van zijn solideo aangenomen.

Binnen vijftien seconden waren er twee medewerkers van de marechaussee ter plaatse. Eén van hen kon een enorme glimlach niet onderdrukken.

‘Maar dat is kardinaal Simonis!’ riep de glimlachende beambte van de marechaussee mij toe.

‘O, dat wist ik niet,’ zei ik schijnheilig tegen hem.

‘Fouilleer hem toch maar,’ zei de beambte van de marechaussee tegen mij. ‘Regels zijn regels.’

Kardinaal Simonis had het niet meer van schaamte en ergernis en verplaatste het gewicht van zijn lichaam nerveus van de ene naar de andere voet.

Nadat ik kardinaal Simonis grondig gefouilleerd had, het detectiepoortje moest afgegaan zijn vanwege het enorme metalen kruis dat hij aan een ketting om zijn nek droeg, verder kon ik niets vinden, beende kardinaal Simonis met enorm grote stappen in de richting van de aviobrug.

Het zou mij niets verbazen als hij nog dezelfde avond in de krochten van het Vaticaan zijn beklag heeft gedaan bij de Poolse paus Johannes Paules de Tweede.

Onbekend's avatar

Was Jezus de eerste socialist?

Jezus in profetie | bijbelenzo

Volgens sommige christelijke socialisten was Jezus Christus de eerste socialist. Sommige lezers zullen verbaasd zijn over het feit dat christelijke socialisten überhaupt bestaan. Dit lijkt namelijk in tegenstelling te zijn met de uitspraak van Karl Marx dat “godsdienst de opium van het volk” is; het lijdzaam wachten op een beter leven na de dood in de hemel zou de mens afhouden van deelname aan de klassenstrijd, die uiteindelijk tot de socialistische revolutie zou moeten leiden.

Christelijke socialisten baseren hun mening op diverse passages uit het meest verkochte en gelezen boek aller tijden, de Bijbel. We schrijven Bijbel nog altijd met een hoofdletter als we het over de heilige tekst van de christenen hebben. Als je het boek uit een lade van het nachtkastje in je hotelkamer pakt om een vlieg mee dood te slaan schrijf je bijbel met een kleine letter. Het gebruik van het woord ‘heilig’ lijkt sowieso uit de tijd in ons tijdperk waarin de leugen lijkt te regeren en alternatieve feiten worden afgewisseld met tirades om vermeende tegenstanders te demoniseren.

Passages uit de Bijbel die christelijke socialisten inspireren zijn onder andere te vinden in het Bijbelboek Handelingen uit het Nieuwe Testament:

  • Allen die geloofden, vormden een gemeenschap en deelden alles samen. Ze verkochten hun have en goed en het geld werd uitgedeeld; iedereen kreeg zoveel als hij nodig had.(Handelingen II 42: 47)
  • Niemand eiste iets van wat hij bezat voor zichzelf op, integendeel: alles was gemeenschappelijk bezit. (…) Want wie landerijen of huizen bezaten, verkochten die. Het geld van de verkoop brachten ze naar de apostelen en ze legden het aan hun voeten neer. En iedereen kreeg zoveel toebedeeld als hij nodig had.(Handelingen IV 32: 35)

In passages als deze zien de christelijke socialisten de roep om een samenleving zonder armoede, minder sociale ongelijkheid en hulp aan mensen die het moeilijk hebben. Andere passages waar christensocialisten waarde aan hechten zijn:

  • Het tweede gebod komt op hetzelfde neer: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf.”(Mattheüs 22:39)
  • Want God helpt de armen en verlost hen van hun onderdrukkers.(Psalmen 109:31)
  • Verkoop je bezittingen en geef de opbrengst aan wie te kort hebben. (Lucas 12:33)

Christensocialisme in Nederland

Als we kijken naar de grondleggers van het christensocialisme in Nederland schiet de lezer waarschijnlijk de naam van de predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis te binnen. In 1870 werd hij benoemd tot predikant in Harlingen. Nadat drie van de vier vouwen waar hij mee trouwde in het kraambed waren gestorven en hij zich ging verdiepen in de schrijnende sociale problemen van zijn gemeenteleden verloor hij zijn geloof en beschouwde hij zichzelf als atheïst. In 1879 werd hij verkozen tot leider van de Sociaal-Democratische Bond. Vlak daarna was hij de eerste socialist die plaats mocht nemen in de Tweede Kamer. Omdat Domela Nieuwenhuis van zijn geloof viel is hij vanzelfsprekend geen echte christensocialist te noemen.

De christensocialistische beweging was in Nederland vooral actief rond de Eerste Wereldoorlog. De allang vergeten Christelijk-Sociale Partij, opgericht in 1912, valt onder de noemer sociaaldemocratische en socialistische christenen te scharen.

Momenteel zijn christensocialisten vooral te vinden binnen de huidige christelijk-sociale ChristenUnie en binnen de socialistische SP.

Als het christendom mensen inspireert om de samenleving te veranderen in een samenleving waarin medemenselijkheid, solidariteit en naastenliefde voorop staan en niet lijdzaam blijven toekijken als het aardse bestaan een poel des verderfs lijkt waarin de rijken rijker worden en de armen armer kun je Jezus met een gerust hart de eerste socialist noemen.

 

 

 

Onbekend's avatar

De betovering van een goed boek/Een ode aan Marieke Lucas Rijneveld

Intense puber – De Groene Amsterdammer

Ik moet in mijn leven duizenden boeken hebben gelezen. Het ene boek maakt nu eenmaal meer indruk dan het andere boek. Met wat kunst en vliegwerk zou ik een vrijblijvende top 100 van favoriete boeken kunnen samenstellen. De grote meeslepende psychologische romans uit de negentiende eeuw van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski zouden in die top 100 niet ontbreken. Ook relatief kleine romans zoals ‘The great Gatsby’ (1925) van F. Scott Fitzgerald en ‘L’ étranger’ (1942) van Albert Camus zouden in de lijst staan; twee tijdloze boeken over de menselijke conditie, waarin werkelijk elke zin, ja, ik zou haast zeggen elk woord, op de juiste plaats lijkt te staan.  Adembenemend goed geschreven. Het oordeel ‘geniaal’ is dan niet ver weg.

Uit het Nederlandse taalgebied schieten mij twee boeken te binnen, die ik zo mooi, poëtisch en technisch goed geschreven vind dat ik tijdens het lezen van die boeken de voor mij nieuwe sensatie meemaakte dat ik niet in mijn gewoonlijke strakke tempo door kon lezen, maar zo ongeveer elke zin een tweede keer moest lezen om de ware schoonheid van die zin te bevatten. Ik heb het over de romans ‘Godenslaap’ (2008) van de Vlaamse auteur en dichter Erwin Mortier en ‘De avond is ongemak’ (2018) van Marieke Lucas Rijneveld, die, het kan geen toeval zijn, naast schrijver ook een zeer getalenteerde dichter is.

In een vaak haast plastische stijl die soms doet denken aan die van de door haar zo bewonderde Jan Wolkers in zijn roman ‘Terug naar Oegstgeest’ (1965) vertelt Marieke Lucas Rijneveld het semi-autobiografische verhaal over haar beklemmende jeugd in een zwaar gereformeerd gezin, dat na de dood van haar oudere broer desintegreert.

Een fragment uit ‘De avond is ongemak’:

“De veearts trok het opstapkrukje onder de wasbak vandaan en ging erop zitten. Het kraakte onder zijn gewicht.
‘Boer Evertsen heeft hem uit het meer gevist.’ Even wachtte hij, keek van Obbe naar mij en vervolgde toen: ‘Jullie broer is dood.’ Ik keek van hem weg naar de handdoeken die stijf van de vrieskou aan het haakje naast de wasbak hingen, ik wilde dat de veearts opstond en dat hij zou zeggen dat dit alles een vergissing was. Dat koeien niet veel verschilden van zonen, zij trokken ook op een dag de wijde wereld in, maar keerden voor zonsondergang en voor voedertijd weer terug in de stallen.
‘Hij is schaatsen,’ zei moeder, ‘en komt zo terug.’ Ze kneep het washandje boven het badwater tot een prop, de druppels maakten kringen, ze stootte tegen mijn opgetrokken knieën aan. Om mezelf een houding te geven, liet ik een legobootje te water op de golven die mijn zusje Hanna maakte. Ze had niet begrepen wat er zojuist was gezegd, en ik bedacht dat ik ook kon doen alsof mijn oren in de knoop zaten, een knoop die je er niet meer uit kreeg. Het badwater begon lauw te worden en voor ik er erg in had liet ik mijn plas lopen. Ik keek naar mijn pis die okergeel was en uiteenwolkte en zich vermengde met het water. Hanna merkte het niet, anders was ze meteen met een gilletje opgesprongen en had ze ‘viespeuk’ geroepen. In haar hand hield ze een barbie boven het wateroppervlak. ‘Anders verdrinkt ze,’ zei ze. De pop droeg een gestreept badpak, ik had er een keer mijn vinger onder gestoken om de plastic tietjes te voelen, niemand had het gezien. Ze voelde stugger aan dan het vetbultje op vaders kin. Ik keek naar het blote lichaam van Hanna, dat hetzelfde was als het mijne. Alleen dat van Obbe was anders. Hij stond naast het bad, nog met zijn kleren aan, hij had net verteld over een computerspelletje waarin hij op mensen moest schieten die als vleestomaten uit elkaar spatten, en zou na ons in hetzelfde badwater gaan. Aan de onderkant, zo wist ik, had hij een kraantje zitten waardoor hij kon plassen, met daaronder een lelletje als bij een kalkoen. Soms maakte ik me er zorgen om dat hij daar iets had hangen waar niemand over praatte. Misschien was hij wel doodziek. Moeder noemde het een plassertje, maar misschien heette het eigenlijk kanker en wilde ze ons niet bang maken omdat oma van de lichte kant aan kanker overleden was. Die had net voordat ze stierf een advocaatje klaargezet, waarover vader zei dat de slagroom zuur was geworden toen ze haar vonden, dat alles zuur werd als iemand doodging, onverwacht of gepland, en nog wekenlang had ik niet kunnen slapen omdat ik steeds in het donker oma’s gezicht in de kist voor me zag waar op den duur uit haar halfgeopende mond, oogkassen en poriën advocaat zo dun als eigeel droop.”

Het is bijzonder dat Marieke Lucas Rijneveld met de door Michele Hutchison gemaakte Engelse vertaling van haar prachtige prozadebuut ‘The Discomfort of Evening’ als eerste Nederlandse schrijver in de geschiedenis de prestigieuze International Booker Prize 2020 heeft gewonnen. A star is born.

Onbekend's avatar

Verslaafd aan ‘24’

Sinds 24 juni van dit jaar zijn alle seizoenen van de beroemde en vele malen bekroonde Amerikaanse televisieserie ‘24’ op Netflix te zien. De serie werd voor het eerst uitgezonden in 2001 en telt negen seizoenen van elk 24 afleveringen. Elk seizoen beslaat slechts 1 dag (24 uur) en daarom volg je het verhaal in real time.

Sinds ik eind juni ben begonnen met het kijken naar de serie lees ik nog nauwelijks een  boek, schrijf alleen de noodzakelijke columns waartoe ik verplicht ben, redigeer samen met mijn fantastische redacteur Mili van Veegh mijn nieuwe literaire en vooral satirische thriller ‘John West en de gestolen Picasso’  en weet ik inmiddels zo ongeveer alles van de vele acteurs die aan de stuk of negen seizoenen mee hebben gedaan.

Sommige acteurs zijn inmiddels overleden, soms jong, andere acteurs bleken er volkomen onverwacht een carrière als stand-upcomedian of yogaleraar op na te houden. De serie heeft ook meerdere succesvolle huwelijken opgeleverd tussen verschillende acteurs van ‘24’.

Sommige acteurs verdwenen na de serie in de vergetelheid, anderen floreerden op toneel, in film, muziek, of in een andere serie.

Inmiddels heb ik zo’n 160 afleveringen gezien in twee maanden. Ik schaam mij daar niet voor. Vergeet niet dat ik schrijver ben en een vrij beroep heb (tijd zat). Ik leer veel van de compositie en opbouw van de serie als schrijver: hoe maak je een meeslepend verhaal?

Als ik klaar ben met kijken naar de serie zal ik weer tot de orde van de dag overgaan. Maar binnen korte tijd is toch echt het laatste seizoen voor mij afgelopen. Val ik dan in een gat?

Ik kwam erachter dat er naar aanleiding van de populaire serie maar liefst elf boeken zijn verschenen die een dependance zijn van de serie; de verhalen spelen zich af voordat serie 1 begint. Al die boeken heb ik nu in huis. Ze waren via boekwinkeltjes.nl en andere sites te koop voor een euro of twee per stuk, dus…. Afkicken moet je opbouwen.

Geloof het of niet, mijn nieuwe literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’ is bijna net zo spannend als de serie ’24’. Bovendien speelt de roman speelt zich afwisselend af in twee keer 24 uur. De eerste 24 uur in het hart van de toenmalige Koude Oorlog, Berlijn, ten tijde van de kerst van 1987. De tweede 24 uur spelen zich een kleine dertig jaar later af, in het verloederde Amsterdam van januari 2015.

Wat hebben deze twee keer 24 uur met elkaar te maken? Lees het boek als het uitkomt en op de laatste bladzijde van het boek wordt alles duidelijk.

‘John West en de gestolen Picasso’ is zo spannend geworden dat ik het bijna niet kan herlezen en redigeren van de spanning. Ik schep niet graag over mezelf op, maar dit boek … ‘John West en de gestolen Picasso’; niet vergeten die titel!

Onbekend's avatar

Nicolas Cage neemt optie op filmrechten literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’ van Peter Mabelus

ANP – Het gerucht dat er sterke Amerikaanse belangstelling bestond voor het kopen van de filmrechten van de Nederlandse literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’, geschreven door de populaire Nederlandse cultschrijver Peter Mabelus, gonsde al wat langer rond.
Gisteren echter bevestigde de manager van Hollywood-acteur Nicolas Cage dat Cage een optie heeft genomen op de filmrechten van ‘John West en de gestolen Picasso’. Het is niet bekend welk bedrag Cage aan Peter Mabelus gaat betalen.
Het feit dat Cage een optie heeft genomen op ‘John West en de gestolen Picasso’ is des te opmerkelijker, omdat het boek van Peter Mabelus nog niet eens in de winkel ligt. ‘John West en de gestolen Picasso’ zal worden waarschijnlijk in november worden uitgegeven door Uitgeverij Ambilicious.
Voorpublicaties van diverse hoofdstukken op internet hebben op de internationale literaire gemeenschap en filmwereld zo’n indruk gemaakt dat er een felle strijd op gang kwam om de filmrechten van ‘John West en de gestolen Picasso’ te bemachtigen.
Peter Mabelus was niet voor commentaar bereikbaar. Volgens een woordvoerder van Peter Mabelus “voelt Mabelus zich zeer vereerd en heeft hij zich op een geheime locatie teruggetrokken om het manuscript van ‘John West en de gestolen Picasso’ af te ronden”.
Het is een unicum in de Nederlandse literatuur dat zich een dergelijke felle strijd om de filmrechten van een nog niet uitgegeven boek heeft afgespeeld.

Onbekend's avatar

Harry Mulisch, de grootste salonsocialist aller tijden

Mulisch nu ook in het Chinees | Foto | bndestem.nl

Ik mag mij graag ietwat schertsend als columnist voor de SP Alkmaar “Salonsocialist” noemen, maar de grootste salonsocialist die Nederland ooit gekend heeft was ongetwijfeld de man die naast Willem Frederik Hermans en Gerard Reve tot één van de drie grootste Nederlandse schrijvers van de vorige eeuw wordt gerekend: Harry Mulisch.

Harry Mulisch, de schrijver met het zelf aangemeten imago van de pedante intellectuele dandy, die in zijn olijfgroene Triumph cabriolet van en naar zijn woning op de grachtengordel in Amsterdam raasde. Openlijk beleed hij in de jaren zestig zijn liefde voor het communistische bewind van Fidel Castro op Cuba.

Mulisch bezocht Cuba eind jaren zestig tweemaal en schreef daar twee uiterst lovende boeken over: ‘Het woord bij de daad’ (1968) en ‘Over de affaire Padilla’ (1971).

We schrijven 1968: het werd duidelijk dat de tot dan toe oppermachtige Verenigde Staten in hun rol als beschermers van vrijheid en democratie de Vietnamoorlog zouden gaan verliezen; een oorlog die steeds meer het karakter had gekregen van een nietsontziende genocide op de Vietnamese bevolking en vooral onder jongeren en studenten in het Westen enorm impopulair was. Het is daarom niet zo vreemd dat juist die jongeren als tegenreactie op het Amerikaanse optreden in Vietnam hun ideologische heil gingen zoeken bij het linkse gedachtegoed van Cuba en in sommige gevallen zelfs bij dat van het communistische China of de Sovjetunie.

Mulisch in: ‘Het woord bij de daad’: ‘Cuba heeft mijn leven gebeterd, van Fidel Castro heb ik geleerd wat tegen het slechte in de mens gedaan kan worden.’

Mulisch’ Cuba-boek, inclusief ‘Over de affaire Padilla’ (1971), dat als een nawoord bij ‘Het woord bij de daad’ gezien kan worden, heb ik met verbazing gelezen. Het is een essay waaruit een betrokkenheid spreekt die tegenwoordig zeldzaam is. Wie durft er nu nog over “solidariteit” te schrijven zonder de hoon van neo-liberalen over zich af te roepen? We leven in een tijd waarin “solidariteit” nog slechts lijkt te betekenen dat iedereen zich aan de anderhalve meter afstand maatregel moet houden. Welke Nederlandse schrijver zou in onze tijd een bewonderend boek durven schrijven over links elan en daadkracht in Venezuela (Hugo Chávez), Ecuador (Rafael Correa), Bolivia (Evo Morales) of Paraguay (Fernando Lugo)? Links leeft in Latijns-Amerika, ook dankzij Fidel Castro.

In ‘Het woord bij de daad’ schaart Mulisch zich zonder enige reserve achter Fidel Castro, die hij niet zag als een dictator maar als de spreekbuis van een onstuimige volksbeweging. De boeren kregen grond, de kinderen gratis onderwijs en de zieken gratis zorg. Tegelijkertijd vocht Cuba voor zijn bestaansrecht tegen de invasie- en infiltratiepogingen van de CIA en tegen de uithongeringspolitiek van de VS. Cuba was in oorlog met het land dat nog steeds meent overal in de wereld als politieagent te mogen en moeten optreden.

Tot op de dag van vandaag wordt het Mulisch nagedragen dat hij zich onvoorwaardelijk achter het Cuba van Castro schaarde en daarmee in feite een dictatuur steunde, die absoluut geen rechtsstaat genoemd kon worden.

Wat mij betreft is die kritiek volkomen terecht, vooral gezien het feit dat Mulisch als schrijver in het Cuba van Castro hetzelfde lot had kunnen treffen als bijvoorbeeld de Cubaanse dichter Heberto Padilla. Padilla werd pas na een gevangenschap van ruim een maand vrijgelaten nadat hij onder dwang publiekelijk schuld had moeten bekennen voor zijn surrealistische poëzie, die door de Cubaanse overheid als contrarevolutionair werd beschouwd. Daarbij moest hij niet alleen collega schrijvers, maar zelfs zijn eigen vrouw, die ook poëzie schreef, aan de schandpaal nagelen.

Een revolutie die zijn eigen kinderen verslindt mag nooit geprezen worden.

Onbekend's avatar

ANP – “Verloren gewaand schilderij ‘De Schrijver’ van Andy Warhol ontdekt”

Afbeelding kan het volgende bevatten: tekst
Het verloren gewaande schilderij ‘De Schrijver’ van Andy Warhol (1928-1987) is deze week opgedoken op een veiling in Birmingham, Alabama, in het Zuiden van de Verenigde Staten.
Dat meldt het televisieprogramma Nieuwsuur. Het televisieprogramma laat in de uitzending van woensdagavond beelden van het schilderij zien.
“Er is geen twijfel mogelijk. Het schilderij kan met honderd procent zekerheid worden toegeschreven aan Warhol,” zegt Warholkenner Rick Rutgers tegen Nieuwsuur.
Volgens Nieuwsuur gaat het om een doek van 2 bij 2 meter dat de schilder maakte toen hij zesenvijftig of zevenenvijftig jaar oud was.
AW
Aan het monogram ‘AW’, een van Warhols laatste handtekeningen, is te zien dat het gaat om een Warhol. AW staat voor Andy Warhol.
Serie
‘De Schrijver’ is onderdeel van een serie van vijf schilderijen die de woordkunstenaar verbeelden. De andere schilderijen heten ‘De Dichter’, ‘De Scenarist’, ‘De Journalist’ en ‘De Columnist’. De laatste vier schilderijen zijn overigens nooit teruggevonden.
Het is overigens niet zeker welke schrijver model heeft gestaan voor het schilderij ‘De Schrijver’, al denken verschillende experts dat de schrijver niemand anders kan zijn dan de Nederlandse bestsellerauteur Peter Mabelus (‘Kathmandu Hipsters’, ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ en ‘John West en de gestolen Picasso’), die in de jaren tachtig vaak in New York verbleef en onder andere bevriend was met Lou Reed (1942-2013).
Onbekend's avatar

Nog maar 120 woorden schrijftegoed

‘Lieve schat, ik kan je maar heel even schrijven. Mijn Beltegoed is bijna op. Ik heb nog maar 101 woorden over. Of, wat zeg ik? Beltegoed? Ik bedoel Schrijftegoed. 101 woorden? Daar zijn er inmiddels nog maar een stuk of 90 van over. Zo zie je maar wat er kan gebeuren als je die 120 woorden niet goed benut, te slordig en te snel schrijft. Nou ja, wat in 120 woorden gezegd kan worden, kan ook in 60 woorden gezegd worden, als het moet, maar het moet niet. Oeps, weer niet to the point. Nog maar 27 woorden over. Dat zou weleens krap kunnen worden voor wat ik wilde zeggen. O ja, ik weet het weer: ik heb geen schrijftegoed meer.’

‘Nog maar 120 woorden schrijftegoed’ verscheen als eerste op 25 juli 2020 op 120w.nl. Weekwoord: “beltegoed”.