Op 19 februari 2015 schreef ik het volgende stukje voor de website 120w.nl. Voor de duidelijkheid: Donald Trump werd pas op 8 november 2016 verkozen tot de nieuwe president van de VS:
LEIDERSCHAP
‘Iemand die alleen aan muren bouwen denkt en niet aan het bouwen van bruggen, is geen christen,’ zei de fameuze bejaarde Argentijnse backpacker Jorge Mario Bergoglio over vastgoedmagnaat Trump. Hij refereerde aan de wens van Trump de VS hermetisch van Mexico af te sluiten met een hek om een verdere invasie van illegale Latino’s te voorkomen.
Trump toonde zich diep gekwetst: ‘Als het Vaticaan wordt aangevallen door IS, wat zoals iedereen weet voor IS de ultieme trofee zou zijn, kan ik je beloven dat de paus zou willen en bidden dat Trump president zou zijn geweest. Dan zou dat niet zijn gebeurd.’
‘Elk volk krijgt de leider die het verdient,’ schijnt de Surinaamse filosoof Desi Bouterse ooit gezegd te hebben.
Nu Paus Franciscus is overleden krijgen we een conclaaf als een soapserie (of andersom, het is maar hoe je het bekijkt). Hoogste tijd voor de eerste zwarte paus. Mooi statement in een tijdperk waarin discriminatie en haat hoogtij vieren onder veel te veel lagen van de westerse samenlevingen! Een non-binaire of transgender paus is ook welkom. Lang leve de diversiteit!
Op zondag 7 juni 2015 bezocht ik met mijn destijds 12-jarige zoon Noah het eerste van de twee concerten die ex-Beatle Paul McCartney op twee achtereenvolgende avonden in de Ziggo Dome in Amsterdam zou geven.
Ongeveer halverwege het concert, het uitzinnige publiek zong massaal mee met het oorspronkelijk in 1968 door The Beatles uitgebrachte niemendalletje ‘All together now’, besloot ik op verzoek van mijn zoon op zoek te gaan naar het dichtstbijzijnde toilet.
Tot dan toe had niemand van het 17,000 duizend hoofden tellende publiek naar mij geknikt, of iets tegen mij gezegd. Op mijn horloge zag ik dat het 22.11 uur was. Op weg naar de uitgang van de concertzaal, die zich direct links naast het podium bevond, liep ik langs de zich daarnaast bevindende bar,
‘Ga, je nu al weg?’ hoorde ik een mannenstem in het voorbijgaan van de bar tegen mij zeggen. Bij het derde woord van de zin keek ik in de richting van waar het geluid kwam en herkende ogenblikkelijk Raymond van de Klundert, de echte naam van de schrijver Kluun.
De meeste lezers van deze woorden zullen weten dat Kluun de auteur is van het in 2003 verschenen ‘Komt een vrouw bij de dokter’, het best verkochte debuut uit de vaderlandse geschiedenis. Kluuns boek ging tot op heden ruim 1,3 miljoen keer over de toonbank. Het boek maakte van de toch al niet onbemiddelde Raymond van de Klundert, enkele jaren voor het verschijnen van zijn debuut verkocht hij zijn succesvolle marketingbureau ‘DDB’, een puissant rijke man.
Kluun keek me minzaam aan, zocht hij herkenning, erkenning, aandacht, of wilde hij mij fokken? Hij hing ontspannen met zijn rug tegen de bar, in zijn rechterhand hield hij een tot de helft gevuld glas schuimend bier. Aan zijn houding en troebele blik kon ik zien dat hij flink aangeschoten was. Naast hem stond een blonde stoot van een jaar of 28. Ik keek de volksschrijver een moment met een verbaasde blik aan en stond op het punt om met mijn zoon aan de hand onze weg in de richting van een toilet te vervolgen.
‘Gaan we bij de hand doen, Mabelus?’ vervolgde Kluun. Ik had slechts één verdere stap in de richting van de uitgang van de zaal kunnen zetten. ‘Ga jij jouw meest succesvolle collega uit de vaderlandse literaire geschiedenis negeren?’
Ik draaide mij verbaasd om. ‘Hoe weet jij wie ik ben, Kluun? Ik heb niet bepaald het gevoel dat ik een bekende schrijver ben.’ Ik keek mijn zoon Noah vluchtig aan en zag dat hij geen idee had wie deze “rare” meneer was. Ik schrijf “raar” omdat ik inmiddels doorhad dat Kluun niet aangeschoten, maar flink dronken was en aan de blik van mijn zoon kon ik zien dat hij vermoedde met “een verwarde persoon” te maken te hebben.
‘Nee, Peet, ik mag toch wel Peet zeggen, Mabelus, als collega’s onder elkaar?’
‘Geen probleem, Kluun.’
‘Zo bekend als schrijver als ik ben je inderdaad niet bepaald te noemen, Peet. Geen enkele levende of dode schrijver in Nederland trouwens. Ja, ik kan met een gerust hart zeggen dat ik de allergrootste schrijver uit de Nederlandse geschiedenis ben. Zelfs Tweede van der Helst kan niet aan mijn roem tippen.’
Kluun moest hard om zichzelf lachen. De blonde stoot van een jaar of 28 lachte hard mee.
‘Waar ken jij mij dan van, Kluun?’ vroeg ik oprecht verbaasd. Het was 2015. Het zou nog drie jaar duren voor mijn eersteling ‘Kathmandu Hipsters’ uit zou komen. Ik had slechts enkele verhalen in obscure tijdschriftjes en op zeer slecht bezochte literaire websites gepubliceerd. Ondanks het feit dat redelijk succesvolle auteurs als Pieter Waterdrinker en Arthur van Amerongen mij op diverse social media al hadden getipt als “een groot aanstormend talent” en ik hier en daar zelfs als een “writer’s writer” werd getypeerd had ik niet het idee dat ik als schrijver nog ook maar enigszins serieus genomen kon worden. Dat Kluun mijn werk kende achtte ik hoogst onwaarschijnlijk.
‘Heb je geen door jou gesigneerd boek voor mij bij je?’ vervolgde Kluun.
Ik keek mijn zoon vluchtig aan. ‘Kun je het nog even ophouden, lieverd? Ik moet heel even met deze meneer praten. Ik ben zo klaar.’ Noah knikte weifelend ten teken hij zijn behoefte nog wel even kon inhouden.
‘Kluun, of mag ik Raymond zeggen? (Kluun knikte bevestigend) Ik heb nog nauwelijks iets op papier gepubliceerd, laat staan dat ik een gesigneerd tijdschriftje of iets dergelijks mee zou nemen naar een concert van Paul McCartney.’
‘Ik heb altijd een rugzakje bij me, met daarin een stuk of tien gesigneerde boeken van mijn hand. Je komt uit de marketing of niet, begrijp je?’
Ik keek Kluun niet begrijpend aan en kreeg nu ook het gevoel met een verwarde persoon te maken te hebben.
‘Wil je een gesigneerd exemplaar van ‘Klunen 2’ hebben?’ vroeg Kluun en bukte zich voorover om een tussen zijn benen geplaatste Eastpak van de grond te pakken. Bij het oppakken van het rugzakje werd zijn wankele lichaam ondersteund door de giechelende blonde stoot van een jaar of 28 die Kluun vergezelde.
Kluun richtte zich waggelend op en ritste vervolgens de Eastpak open om er een boek met een fel blauw gekleurde kaft uit te halen. ‘Klunen’ stond er in grote oranjerode letters op de voorkant van het boek.
‘Dit is ‘Klunen 2’. Als publiciteitsstunt is het boek in tien verschillende kleuren uitgegeven. Je komt uit de marketing of niet, begrijp je? Kijk, het cijfer twee staat alleen op de rug van het boek. Van de eerste ‘Klunen’ zijn meer dan honderdduizend exemplaren verkocht, vrij weinig voor mijn doen.’
‘Weet jij wat “klunen” betekent? vroeg Kluun aan mijn zoon. Noah schudde aarzelend zijn hoofd en keek mij daarna met een angstige blik aan.
‘Laat maar,’ zei ik. ‘Mijn zoon moet echt ontzettend nodig naar de wc.’
‘Kijk, Peet, op de achterkant sta ik heel stoer met een kekke zonnebril op. De ene helft van de zonnebril is wit, de andere helft zwart. Stoer toch?’ ratelde Kluun door, alsof hij mijn opmerking niet had gehoord. Onder de “stoere” foto van Kluun op de achterflap stond: “Korte verhalen, columns en andere onweerstaanbare onzin van Kluun.”
Kluun drukte mij het boek in de hand.
‘Mijn handtekening staat er al in. Hier, voor jou, Peet. Dat boek is later goud waard.’
‘Nu moeten wij toch echt gaan hoor, Raymond. Mijn zoon houdt het niet meer.’
Met de gesigneerde ‘Klunen 2’ in mijn rechterhand spoedde ik mij snel met Noah naar de uitgang die zich direct links naast het podium bevond. Achter mij hoorde ik iemand over zijn nek gaan. Geen idee of het Kluun of iemand anders was. Waarschijnlijk Kluun: “Je komt uit de marketing of niet, begrijp je?”
Naschrift: Omdat ik als één van de twee motto’s bij mijn derde boek, de satirische literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’, een citaat uit de in ‘Klunen 2’ opgenomen column ‘Vijf seconden’ (pagina 147-148) had gebruikt (“Het hele leven is één grote bijna-doodervaring”) stuurde ik Kluun een persoonlijk bericht via Facebook waarin ik hem vroeg naar welk adres ik hem een presentexemplaar van mijn boek kon sturen.
In mijn persoonlijke bericht refereerde ik aan onze ontmoeting tijdens het concert van Paul McCartney op 7 juni 2015 in de Ziggo Dome: “Jij hing aan de bar met een mooie vrouw en zei tegen mij: “He, ga je nu al weg?” met een grote grijns op je gezicht. Enfin, de lach is nooit ver weg bij jou. Hartelijke groet, Peter Mabelus.” Kluun reageerde vrijwel direct: “Wat grappig! Die mooie vrouw was waarschijnlijk mijn oudste dochter! Je kunt het boek sturen naar Raymond van de Klundert, Amsteldijk **, 1074**, Amsterdam.”
Een snelle rekensom leerde mij dat de “mooie vrouw aan de bar” een blonde stoot van een jaar of 28 was geweest en Kluuns oudste dochter destijds niet ouder dan een jaar of 16 kon zijn geweest.
Ik liet het er maar bij. Het maakte mij duidelijk dat een familieopstelling niet aan Kluun besteed zou zijn.
Sinds enige tijd loopt op de zondagmorgen door mijn straat een man die accordeon speelt. Hij speelt een weemoedig lied, hoewel hij er niet bij zingt. Als ik de vitrage openschuif, zie ik een armoedig geklede figuur, vermoedelijk afkomstig uit een Oost-Europees land. Ik heb de neiging hem achterna te rennen en een tientje (of nog liever een goudstuk) in de hand te drukken, maar ik ben nog niet aangekleed en hij is al bijna de straat weer uit. Ik neem me voor het klaar te leggen voor de volgende keer.
De man doet me denken aan de orgelman uit mijn jeugd. Die ging op zondagmorgen langs de deuren met een koperen centenbak, terwijl zijn compagnon beneden in de straat aan het orgel draaide. Mijn ouders hadden het dubbeltje bij de deur klaargelegd. Zo heb ik geleerd dat je altijd wat aan de orgelman moet geven, maar daar is later toch de klad in gekomen. Opeens werden veel orgels voorzien van een motortje, zodat de orgeldraaiers niet meer hoefden te draaien en konden volstaan met het rinkelen met de centenbak. In mijn hart moet ik gevonden hebben dat ik geen value for money meer kreeg en steeds vaker ben ik doorgelopen zonder af te rekenen. Ik vrees ook het moment dat de orgeldraaier een pinapparaat voor mijn neus zal houden.
Het draaiorgel werd het pierement genoemd. Het was een uiting van volksmuziek, maar vreemd genoeg is dat voorbijgegaan toen ook Gerard Joling in het repertoire werd opgenomen. Op een gegeven moment had ik het gevoel dat de Amsterdamse orgeldraaiers Bulgaren waren, net als veel glazenwassers.
Van mijn leven heb ik 75 jaar in Amsterdam gewoond. Ik ken bijna alle uithoeken van de stad – behalve dan die nieuwbouwwijken in Noord – en er is meer veranderd dan de orgeldraaiers. Amsterdam is een gevaarlijke stad geworden en dat komt niet alleen door de toegenomen criminaliteit, die met 1½ moord gemiddeld per maand nog meevalt.
Ik denk vooral aan het verkeer. Amsterdam is van een fietsstad in een racestad veranderd. Zorgeloos trappen op een gewone fiets is er niet meer bij. Scooters, elektrische fietsen, fatbikes, enzovoort scheuren je gemotoriseerd voorbij op het fietspad, waarbij ze met bellen en claxons luid kenbaar maken dat ze jou op de vierkante centimeter willen passeren. Het Amsterdamse fietspad is beslist geen value for money en op mijn ouwe dag mag ik van geluk spreken als ik heelhuids thuiskom. En dan heb ik het nog niet over al die fietsers die met hun telefoon in de hand drukke kruispunten oversteken en tegen je beginnen te schelden als je niet snel genoeg opzijgaat. Ik heb nog nooit gezien dat zo’n wegpiraat werd aangehouden en bekeurd, terwijl de gemeente daarvan pas echt rijk zou worden.
Mag ik nog even doorrazen? In Het Parool wijst Sylvia Witteman op het weerzinwekkende geklaag van veel Amsterdamse restaurants dat hun klanten niet genoeg uitgeven. Voorgerechtjes worden gedeeld, aan een tafel van vijf personen wordt voor vier besteld omdat opa erbij is en ‘die eet niet zoveel’, verliefde paartjes blijven te lang zitten op één consumptie en soms moet je zelfs een supplement van 5 euro betalen als je een voorgerecht als hoofdgerecht bestelt.
Dit alles is een gotspe, ik ben dat helemaal met Sylvia Witteman eens. Als nou ergens het no value for money welig tiert, dan is het wel in de Amsterdamse horeca. De weinige goede zaken daargelaten is uit eten gaan veel te duur en doorgaans van matige kwaliteit, en dan hoef je het nog niet eens te vergelijken met Parijs of Rome. Daarbij word je in Amsterdam regelmatig geholpen door studentenpersoneel dat van toeten noch blazen weet. Je mag al blij zijn als ze weten wat de op de eigen kaart aangekondigde boudin noir betekent, en als je vraagt hoe die is klaargemaakt, krijg je als antwoord: ‘Het is warm.’ Toen ik bij een andere gelegenheid klaagde over wat mij was voorgezet, werd mij via de kok verongelijkt meegedeeld: ‘Tarbot is nu eenmaal een taaie vis.’ Echt gebeurd.
Momenteel speelt in Amsterdam een toneelstuk over de befaamde Amsterdamse kookjournalist Johannes van Dam. Daar zit hij aan een tafeltje met zijn eigen mes en zijn eigen thermometer. Johannes is altijd paarlen voor de zwijnen geweest, als je het mij vraagt. Of ik het stuk ga zien weet ik nog niet, want hoe kundig en terecht ook, Johannes was bovenal een mistroostige figuur, een gekweld man met suikerziekte, voor wie gold dat dikke mensen langer aan tafel zitten, maar wel korter leven, ongeveer zoals die inspecteur van de Michelingids met een maagzweer.
U wilt het misschien niet geloven, maar ik overweeg weleens te verhuizen.”
En dan heeft Max Pam het nog niet eens over het feit dat deze in wietdampen gehulde stad het centrum is van vrouwenhandel, extreme inkomensongelijkheid, absurd hoge huurprijzen en …. vul de rest zelf in naar keuze.