Corona gunt mij voorlopig geen boekpublicatie of boekpresentatie

Mijn derde boek in drie jaar ‘John West en de gestolen Picasso’ is af. Na de spannende roman ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en de verhalenbundel met als thema liefde in al zijn facetten ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) moest mijn nieuwe roman mijn boek van 2020 worden.

Mijn ambitie is en was om elk jaar een nieuw boek te produceren. Die ambitie is zo ver doorgeschoten dat een roman voor 2021 ‘De Straf van Veger’ en een verhalenbundel ‘Wraak en vergeving’ voor 2022 al af zijn.

Beter te vroeg dan te laat, moet ik al die tijd gedacht hebben. En dat terwijl ik weet dat elke goede schrijver er geen enkele moeite mee heeft om een nieuw boek soms jaren op zich te laten wachten. Maar ik ben ik en zij zijn zij. Ik ben nu nog een relatief anonieme schrijver met een enorme eerzucht en geldingsdrang. Ik heb haast en ambitie.

 De boekpresentaties van mijn eerste twee boeken waren een echt feestje met muziek, interview, signeersessie en een berg borrels achteraf. Iedereen ging vrolijk en tevreden met mijn nieuwe boek onder de arm naar huis (voor wie het leuk vindt: mijn boekpresentaties zijn in hun geheel te bekijken via mijn website petermabelus.com en YouTube).

Sommige vrienden, fans en kennissen  hebben mij verteld dat ze nog steeds geen tijd hebben gehad om ‘Kathmandu Hipsters’ te lezen. Andere kopers van mijn boek hebben het boek na het lezen uitgeleend aan hun kinderen of de buurvrouw en de oom van de nicht van de buurman en die sturen mij na het lezen soms ontroerende mailtjes, appjes, praten mij plotseling aan op straat over het boek, etc.

Nu heb ik geen enkel idee wanneer en waar ik ‘John West en de gestolen Picasso’ kan laten lanceren en ben ik door omstandigheden gedwongen om de publicatiedatum van mijn nieuwe roman waarschijnlijk te verschuiven naar 2021.

Ik mis nu het vooruitzicht van de boekpresentatie van ‘John West en de gestolen Picasso’. Ik mis jullie, die daar zeker bij zouden zijn. Ik mis mijn lezers. Ik mis de mensen die van mij houden.

Voorproefje van een proeflezer?:

Leesverslag ‘John West en de gestolen Picasso’

John West is een kettingrokende detective die liever schrijver had willen zijn. Hij houdt van beeldhouwen met taal.

In een tijd waarin korte, leesbare zinnen hoogtij vieren, is het een verademing om zinnen te lezen, waarin je weer eens je tanden kunt zetten. Zinnen die je af en toe snel herleest om te checken of je alles eruit hebt gehaald wat er stond.

Door de herhaling bij elk nieuw hoofdstuk van de slotsituatie van het vorige wekt het boek de indruk dat het een soort feuilleton is. Zelf vind ik dat niet storend en het doet niets af aan het verhaal.

Nu wil ik niet de indruk wekken dat het alleen maar lange zinnen souperen is. In het boek zit genoeg humor verwerkt die je hardop laat gniffelen. Zoals het googelen naar zijn naam en dan alleen maar zalmadvertenties vinden. Ook het stuk bij de bunker van Hitler waarin twee personen een dialoog moeten faken en dan maar de tafels van 6 en 7 gaan opzeggen. Of de bovenbuurjongen die met zijn gameverslaving, zonder koptelefoon op volle sterkte mitrailleurgeluiden de straat laat inrollen. En bij de begeleiding met tamboerijn en sambaballen bij für Elise zag ik dat in gedachten al voor me en de scene op Schiphol is ronduit hilarisch, om er maar een paar te noemen.

De stijl van de schrijver is anders dan wat je gewend bent – en dat bedoel ik als een compliment. Je moet in het begin even erachter komen wie de hoofdpersonen zijn, maar dat lukt snel genoeg. Ik heb van het begin tot het einde zeer genoten van dit hoogst originele verhaal. Vanwege de reclame voor het boek Kathmandu Hipsters kreeg ik overigens wel door welke schrijver het betreft.

Natuurlijk is het over the top, maar wel lekker over the top. Wat mij betreft zit er voldoende spanning in, het verhaal racet in volle vaart van de ene naar de andere gebeurtenis. Je krijgt amper de tijd om adem te halen. Persoonlijk houd ik daarvan, maar dat is subjectief.

De karakters komen wat mij betreft tot leven en het verhaal is ondanks af en toe een zij-uitstapje goed te volgen.

Hoe ik oog in oog kwam te staan met Hollywood acteur Dennis Hopper

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, close-up

In een eerder stukje op mijn website petermabelus.com schreef ik laatst over hoe ik ongeveer dertig jaar geleden in de hoedanigheid van mijn bijbaan als beveiligingsbeambte in de passagiersbeveiliging op Schiphol een heftige en hilarische ontmoeting had met de ons zo kortgeleden ontvallen kardinaal Simonis.

Het zou vreemd zijn als ik in mijn jaren als beveiligingsbeambte niet meer ‘ontmoetingen’ met bekende mensen op onze internationale luchthaven zou hebben gehad. Ik kan u dan ook verzekeren dat het aantal beroemde en minder beroemde mensen dat ik in die tijd door mijn handen heb moet laten gaan groot is. Deze keer wil ik het hebben over mijn ontmoeting met de beroemde Amerikaanse filmster, regisseur en beeldend kunstenaar Dennis Hopper (1936-2010).

Mijn ontmoeting met Dennis Hopper vond om een uur of vijf in de middag van 7 november 1997 plaats tijdens de ‘security check’ van een KLM vlucht naar Los Angeles. De reden dat ik de precieze datum weet van de ontmoeting is het feit dat Dennis Hopper een dag eerder in Rotterdam Ahoy de ‘Free Your Mind Award’ mocht overhandigen aan zanger Bono Vox van U2 voordat zijn band het nummer ‘Mofo’ ten gehore ging brengen. Ik keek in die jaren al zeer sporadisch naar de televisie, maar had de avond tevoren toevallig thuis naar de live-uitzending van de 1997 MTV Europe Music Awards op de televisie gekeken.

Je moet niet denken dat ik het geheugen van een olifant heb. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden en heb slechts een beperkt fotografisch geheugen; de feitjes in de derde alinea zijn gemakkelijk te vinden op het internet.

De zevende november 1997 stonden er meer beroemdheden in de rij voor de vlucht naar Los Angeles. Zo herinner ik mij dat de op dat moment wereldberoemde jongensband Hanson, beroemd van de wereldhit ‘MMMBop’ zich onder de passagiers bevond. Op het moment dat de destijds 11-jarige, en door zijn lange blonde meisjeshaar en jonge leeftijd androgyn ogende drummer en zanger van de band, Zac Hanson, zonder te piepen door het poortje kwam huppelen, fluisterde een collega mij schertsend in het oor: “moet je kijken, wat een lekker wijf”. Maar ik dwaal af, ik zou het over mijn ontmoeting met Hollywood acteur Dennis Hopper hebben.

Van welke films kende ik de acteur Dennis Hopper? Van de vele films waarin ik hem heb mogen zien spelen denk ik als eerste aan het viertal ‘Rebel Without a Cause’ (1955), ‘Easy Rider’ (1969), ‘Apocalypse Now’ (1979) en ‘Blue Velvet’ (1986).

Omdat ik geen idee meer heb welke van de films met Dennis Hopper ik ooit als eerste heb gezien wil ik het over twee films hebben, die mij elk om hun eigen karakter altijd zijn blijven fascineren:  ‘Rebel Without a Cause’ (1955) en ‘Easy Rider’ (1969).

‘Rebel Without a Cause’, is een van de slechts drie speelfilms waarin de op 24-jarige leeftijd verongelukte James Dean te zien is en waarschijnlijk ook de meest bekende en populairste van de drie. James Dean overleed overigens een maand voor de première van ‘Rebel Without a Cause’, maar waar het mij bij deze film vooral om gaat is het feit dat de toen 19-jarige Dennis Hopper, dankzij zijn vriend en mentor James Dean, mocht debuteren als filmacteur in een klein bijrolletje. Hij speelt het personage ‘Goon’ en kreeg in de film maar een paar regels tekst. Ik moet zeggen dat ik de film al een paar keer had gezien voordat ik hoorde dat het kleine magere blonde ventje dat ‘Goon’ speelt de enige echte Dennis Hopper is.

In mijn wilde tienerjaren, die zich afspeelden aan het begin van de jaren tachtig, had ik net als veel leeftijdsgenoten een mateloze fascinatie voor de jaren zestig, die vlak achter ons lagen, maar waar we in ‘real time’ geen bal van hadden meegemaakt. De jaren zestig leken ons heel wat swingender, spannender en vrolijker dan de sombere sfeer die rond 1980 in de lucht hing.

Eén van de films die in mijn ogen de sfeer van het einde van de jaren zestig perfect verbeeldde was ‘Easy Rider’ uit 1969, een road movie in de meest zuivere zin van het woord. Twee motorrijders, gespeeld door Dennis Hopper en Peter Fonda (1940-2019) rijden van de Rocky Mountains naar New Orleans om ‘Mardi Gras’, het carnaval van New Oreans, te vieren. Onderweg pikken ze een passagier op, de tot dan toe nog onbekende Jack Nicholson, die in de film de rol van de alcoholische advocaat George Hanson speelt (Hanson? Waar heb ik die naam eerder gehoord?). ‘Easy Rider’ zou de doorbraak van Jack Nicholson betekenen en leverde hem zijn eerste Oscar nominatie op; in dit geval voor ‘beste mannelijke bijrol’.

‘Easy Rider’ is om meer dan één reden legendarisch te noemen. Dennis Hopper had zichzelf door zijn destijds in Hollywood beruchte wangedrag, veroorzaakt door het epische gebruik van drank en drugs in alle kleuren van de regenboog, onmogelijk gemaakt, niemand wilde nog met hem werken, en besloot daarom zelf een film te maken met het ook voor die tijd belachelijk lage budget van 400.000 dollar. Het script van de film (21 pagina’s tekst, de acteurs zouden de rest van de tekst tijdens de opnamen van de film al improviserend produceren) schreef hij samen met vriend en co-acteur en een ander enfant terrible van Hollywood Peter Fonda. Dennis Hopper regisseerde de film.

De film werd een enorm succes. Naast de Oscar nominatie voor Jack Nicholson ontving Dennis Hopper de ‘Prix de la première œuvre’ tijdens het Filmfestival van Cannes van 1969. De film bracht uiteindelijk meer dan 60 miljoen dollar op.

Op 7 november 1997, het was een uur of vijf in de middag, was ik gefascineerd door het feit de Hollywoodster Dennis Hopper van zo dichtbij, ‘in het echt’, te mogen zien. Ik was helemaal niet bezig met het idee of ik hem wel of niet zou moeten fouilleren. Al speelt Dennis Hopper in menige film de grote boef, of soms zelfs de verpersoonlijking van het kwaad, ik begreep vanzelfsprekend dat acteur en personage niet een en dezelfde zijn en hoefde daarom niet bang te zijn dat Dennis Hopper de vlucht naar Los Angeles zou gaan kapen. Alhoewel?

Op het moment dat Dennis Hopper een meter van het detectiepoortje verwijderd was, keek hij mij recht in de ogen aan, zei: “Just a moment”, stak zijn linkerhand in de rechterbinnenzak van zijn colbert (ik schrok niet) en toverde triomfantelijk een zwarte metalen brillenkoker tevoorschijn, legde die op het metalen plankje naast het detectiepoortje en stapte zonder een piepend geluid te produceren door het poortje. Aangezien ik wilde laten zien dat ik mijn werk professioneel en zonder aanziens des persoons uitvoerde nam ik de brillenkoker van het plankje en opende die om te kijken of er geen wapen in verstopt zat. Je begrijpt dat ik niet verbaasd was in de brillenkoker van Dennis Hopper een leesbril aan te treffen.

Ik klapte de brillenkoker teder dicht en overhandigde die onder het uitspreken van de woorden “There you go” aan de man die in zijn leven onder vele andere handen de handen van James Dean, Jack Nicholson en mijn allergrootse held van het witte doek aller tijden Marlon Brando had mogen schudden.

Heel kinderachtig zorgde ik ervoor dat de vingers van mijn rechterhand de hand van Dennis Hopper vluchtig aanraakten. Dichter bij mijn held Marlon Brando heb ik in mijn leven niet kunnen komen. “Thanks, man,” zei Dennis Hopper tegen mij, vlak voordat hij voor altijd uit mijn leven zou verdwijnen en in de richting van de aviobrug liep. Ik bleef Dennis Hopper nakijken totdat hij in de aviobrug verdwenen was en besefte dat Dennis Hopper niet mij, maar ik Dennis Hopper had moeten bedanken. Ik had echter geen tijd om verder te mijmeren. Ik hoorde het detectiepoortje achter mij piepen en op het moment dat ik mij omdraaide stond ik oog in oog met Michael Jackson.

Wereldberoemd in Bulgarije

UK Bulgaria Road Freight 2020 | 20/40f Container to Sofia

In de jaren negentig was ik wereldberoemd in Bulgarije, als schrijver en als wielrenner. Tijdens het afronden van mijn studie Russisch aan de Universiteit van Amsterdam aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd ik in Amsterdam verliefd op een prachtige studente kunstgeschiedenis uit Bulgarije, die hier niet met naam en toenaam genoemd wil worden omdat ze inmiddels een hoge functie in de Bulgaarse regering bekleedt. We werden smoorverliefd op elkaar en besloten samen een nieuw leven te beginnen in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. Mijn vriendin werd conservator in het grootse en meest prestigieuze museum van Sofia, het Nationaal Historisch Museum, ‘Национален исторически музей’ in het Bulgaars. Ik besloot mij bezig te gaan houden met mijn uit de hand gelopen hobby: schrijven.

Elke ochtend stonden mijn vriendin en ik om zes uur op. Na ons gezamenlijke ontbijt vertrok mijn vriendin naar het Nationaal Historisch Museum en toog ik aan het schrijven. Als ik na een paar uurtjes geen zin of inspiratie had om verder te schrijven sprong ik op mijn racefiets om lange tochten te maken door de heuvelachtige omgeving van Sofia. Al snel werd ik tijdens mijn fietstochten opgemerkt door de ploegleider van een professionele Bulgaarse wielerformatie. Tegen een riant salaris werd ik achtereenvolgens gepromoveerd van waterdrager tot eerste luitenant en ten slotte tot kopman van het team dat jaarlijks de winnaar van De Ronde van Bulgarije leverde. Ik werd een nationale bekendheid in Bulgarije en dit feit opende vanzelfsprekend diverse deuren voor mij.

Op een mooie winterdag aan het begin van 1996 werd ik benaderd door de legendarische flamboyante Bulgaarse uitgever Pjotr Beredin, de baas van de prestigieuze uitgeverij Bagri Publishing House, die in het oude centrum van de hoofdstad Sofia gevestigd was. Hem was ter ore gekomen dat ik niet onverdienstelijk kon schrijven. Had ik geen manuscript liggen dat zo ongeveer af was? Zou het geen idee zijn om dit manuscript in het Bulgaars te laten vertalen en op de Bulgaarse markt te brengen. Mijn naamsbekendheid als sympathieke wielrenner was in Bulgarije inmiddels zo groot dat literair succes verzekerd zou zijn.

Ik legde in die tijd de laatste hand aan mijn eerste roman ‘De Straf van Veger’, een boek dat ik meer als een grap dan als een serieus bedoeld literair werk beschouwde. Na voltooiing van het manuscript stuurde ik het resultaat naar Pjotr Beredin. Hij liet het door een team van vier zeer getalenteerde jonge vertaalsters binnen een maand in het Bulgaars vertalen en was na lezing zeer enthousiast. Hij noemde het boek “een meesterwerk van internationale allure dat zonder twijfel alle Bulgaarse verkooprecords zal gaan verbreken”. Zelf was ik voorzichtiger: ik vond het vooral een eer om een boek van mijn hand in de boekwinkel te hebben liggen, ook al was het op dat moment slechts een Bulgaarse boekwinkel.

Mijn vriendin las de Bulgaarse vertaling van ‘De Straf van Veger’ en distantieerde zich van het boek omdat het haar inziens “te misogyn van karakter is”. Haar afkeuring van mijn literaire debuut zou het begin zijn van het tragische en snelle einde van onze relatie. Een relatie die ik tot dan toe als ronduit sprookjesachtig had beschouwd.

Mijn Bulgaarse debuutroman ‘Наказанието на Вегер’, (in het Nederlands ‘De Straf van Veger’) verscheen op 20 juni 1996 en werd een enorm verkoopsucces. Ik werd uitgenodigd in tal van talkshows en de lezingen die ik door het land hield om mijn boek te promoten werden druk bezocht. In de Bulgaarse pers werd gesproken van “Mabelusmania”, omdat net als destijds bij The Beatles hysterische fans van mijn boek en persoon tijdens de lezingen het podium bestormden, lokken van mijn haar afknipten en hun weg vonden naar het bed van mijn altijd luxe hotelkamer.

In totaal zijn er in de bijna vijfentwintig jaar die verstreken zijn sinds het verschijnen van mijn Bulgaarse debuut in 1996 ruim een miljoen exemplaren van het boek gedrukt. In een land met zeven miljoen inwoners betekent dit dat één op de zeven Bulgaren in het bezit is van ‘De Straf van Veger’, oftewel veertien procent van de totale Bulgaarse bevolking, zuigelingen en dementen meegerekend. Een percentage waar geen enkele Nederlandse schrijver in Nederland, laat staan daarbuiten, aan kan tippen.

Vergeleken met de verkoopcijfers van mijn eersteling in Bulgarije kan zelfs een boek als ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun, met een oplage van 1,3 miljoen verkochte exemplaren in Nederland, een land met ruim zeventien miljoen inwoners, als een matig verkoopsucces gekwalificeerd worden.

Na het grote succes van mijn in Nederland verschenen boeken, de literaire thriller ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) verschijnt in november dit jaar mijn tweede literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’. Mijn uitgever, die haar kassa graag luid laat rinkelen, heeft het idee opgevat om volgend jaar, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van ‘De Straf van Veger’, mijn Bulgaarse roman eindelijk in het Nederlands uit te geven.

Nu ik al enkele jaren van de publicatie van mijn boeken kan leven spreek ik de hoop uit dat de Nederlandse vertaling van ‘Наказанието на Вегер’, ‘De Straf van Veger’ ook in Nederland en wellicht daarbuiten een succes wordt. Dat daarbij de Bulgaarse toestanden die mij en het boek in Bulgarije hebben vergezeld niet geëvenaard zullen worden lijkt me evident en wenselijk.

Oudste foto uit de geschiedenis blijkt al van 1642 te dateren!

Algemeen werd aangenomen dat Joseph Nicéphine Niépce als de eerste fotograaf in de geschiedenis beschouwd kan worden (1826), ondanks het feit dat zijn opnamen de blootstelling aan belichting buiten zijn camera obscura niet overleefden. Vanwege dit laatste feit schoven andere historici liever Louis Daguerre naar voren als de echte eerste fotograaf, omdat zijn foto’s wel het daglicht konden verdragen (1838).

Mijn verbazing was groot toen ik afgelopen week werd benaderd door een fervent lezer van mijn boeken, die als conservator werkzaam is in het Rijksmuseum te Amsterdam. In een van de talloze archieven van het museum had hij een foto ontdekt, die gemaakt zou zijn in de lente van 1642, waarop volgens hem een voorouder van mij moet staan in het gezelschap van niemand minder dan Rembrandt van Rijn.

In eerste instantie weigerde ik de conservator te geloven. Een voorouder die als twee druppels water op mij lijkt in het gezelschap van de grootste schilder aller tijden. Dit leek mij toch al te zot. Maar de conservator zei dat hij het kon bewijzen, omdat hij bij de foto ook een briefje had aangetroffen dat waarschijnlijk door de ons onbekende fotograaf geschreven moet zijn. De tekst van het briefje luidde:

“Op dezus footus sij tea zyn hoea den berooeamdus dykhtear Peatrus Nykoolaaeszoon Maebelus den skhyldear Reambraendt van Righn advyas gheaft ovear den koompoositiea van Reambraendt’s skhildery ‘Dea koompaghnie vaen kapyteyn Fraens Baennynkck Kookq ende luyteanant Wyllem vaen Ruyteanburgh maeackt zikh geread om uyt te maerkhearean’, oock wel beackend aels ‘Dea Naekhtwaekht’.”

De vertaling van de Oud-Nederlandse tekst luidt: “Op deze foto is te zien hoe de beroemde dichter Petrus Nicolaaszoon Mabelus de schilder Rembrandt van Rijn advies geeft over de compositie van Rembrandt’s schilderij ‘De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh maakt zich gereed om uit te marcheren’, ook wel bekend als ‘De Nachtwacht’.”

Na het zien van zo veel overtuigend historisch bewijs moest ik de conservator wel toegeven dat we hier zonder twijfel te maken hebben met de oudst bekende foto ter wereld. Stom toevallig is er een van mijn vele voorouders op te zien. Dat had iedereen kunnen gebeuren.

Hoe ik er ooit voor zorgde dat kardinaal Simonis bijna in de boeien werd geslagen

Eerlijk gezegd was ik een beetje verbaasd toen ik afgelopen woensdag hoorde dat kardinaal Simonis op 88-jarige leeftijd was overleden. Ik dacht dat hij al lang dood was. Ik hoop dat hij in zijn laatste levensjaren van een prettige oude dag heeft mogen genieten.

Ik heb kardinaal Simonis één keer in mijn leven mogen ontmoeten. Dat was niet in een kerk, zoals je wellicht zult denken, maar op onze internationale luchthaven Schiphol, waar ik rond 1990 als student een bijbaantje had in de passagiersbeveiliging.

Bij de ene vlucht had ik de taak om de bagage van passagiers aan te nemen, om die vervolgens op de bagageband van de x-ray machine te zetten. Bij een andere vlucht mocht ik plaatsnemen op de stoel achter het scherm van de x-ray machine om te kijken of een passagier geen wapens of andere verboden zaken in zijn bagage gestopt had. Omdat je bij deze laatste activiteit als enige van de vijfkoppige beveiligingsploeg ongeveer een uur lang op een stoel met vering kon zitten was dat klusje bij iedereen het meest populair.

Om op aanwijzing van degene die ‘x-ray keek’ de bagage van een passagier te moeten onderzoeken vond ik vaak beschamend of oninteressant.

Het vierde en laatste klusje bij de passagiersbeveiliging was voor mij het fouilleren van mannelijke passagiers, nadat het detectiepoortje af was gegaan ten teken dat een passagier te veel metalen voorwerpen bij zich droeg. Meestal ging het daarbij om sleutels, een portemonnee vol muntgeld of een brillenkoker. Feit blijft dat je de bewuste passagier van top tot teen moest fouilleren om erachter te komen waarom het detectiepoortje was afgegaan.

Veel passagiers vonden het gênant om en plein public over hun hele lichaam betast te worden door een laag opgeleide medeburger. Dat ik student was en binnen een paar jaar als hoogopgeleide de maatschappij zou betreden kon niemand zien, omdat ik net als alle andere beveiligingsbeambten een uniform droeg.

Om een lang verhaal kort te maken: op de dag dat ik kardinaal Simonis zou ontmoeten stond ik te fouilleren bij een vlucht op gate D9 waar, hoe kan het ook anders in het geval van een hoge katholieke geestelijke als kardinaal Simonis, aan de aviobrug een vliegtuig klaarstond met als bestemming het grootste internationale vliegveld van Rome en van Italië, de luchthaven Aeroporto di Roma Fiumicino, ook bekend als luchthaven Rome Leonardo da Vinci.

Ik had kardinaal Simonis al van een afstandje in de wachtrij voor de vlucht naar Rome zien staan. Ik sprak in gedachte de hoop uit dat het detectiepoortje in zijn geval niet af zou gaan. Kardinaal Simonis keek nors en arrogant en ik begreep dat hij zo ongeveer de laatste persoon was die de intentie had zich tijdens deze vlucht naar Rome als kaper te ontpoppen. Maar wat moet dat moet.

Ik zag aan de uitdrukking op het gezicht van mijn collega’s dat zij geen idee hadden wie de man was die in het volle ornaat van een katholieke kardinaal, een zwarte soutane met rode knopen en rode zoom, rode sjerp en rode solideo (een klein zijden hoofddeksel in de vorm van een bolkap), op het detectiepoortje af kwam geschuifeld.

Kardinaal Simonis liep door het detectiepoortje en het poortje maakte een hoog piepend geluid ten teken dat de kardinaal te veel metaal bij zich droeg. Ik stapte op kardinaal Simonis af en vroeg of ik hem mocht fouilleren. Van ergernis kwam er bij wijze van spreken stoom uit de oren van de beledigde kardinaal. Ik zag hem vol minachting naar mij kijken. Wie dacht dit knappe jonge ventje wel dat hij was, dat hij het in zijn hoofd haalde om hem, zo’n beetje de hooggeplaatste geestelijke van heel Nederland, te willen fouilleren of hij de eerste de beste terrorist was.

‘U denkt zeker dat ik een pistool bij me heb,’ zei kardinaal Simonis tegen mij, nog voordat ik hem met een vinger had aangeraakt.

Nu wil het feit dat er van geen enkele passagier werd getolereerd als hij een ‘grapje’ maakte over het in bezit hebben van een pistool, bom of ander middel om een vliegtuig mee te kapen. Met zo’n grapje kon je immers het luchthavenpersoneel en de medepassagiers de stuipen op het lijf jagen en dat werd van geen enkele passagier getolereerd.

Ik zal je krijgen, dacht ik en zonder kardinaal Simonis nog een blik waardig te keuren greep ik naar de portofoon die op de x-ray machine stond. Met de portofoon kon de bijstand van de marechaussee worden ingeroepen, die in het geval van een serieuze dreiging meestal binnen enkele tientallen seconden ter plaatse was.

‘D9 voor marechaussee!’ riep ik in de portofoon.

‘Marechaussee voor D9. Zeg het maar,’ klonk het krakend uit de in zwart leer gestoken Motorola DP 1400.

‘Er staat hier een man in een jurk, die zegt dat hij een pistool bij zich heeft!’ meldde ik de beambte van de marechaussee met gespeelde lichte paniek in mijn stem.

Stoom bleef maar uit de oren van kardinaal Simonis komen en inmiddels had zijn gezicht de kleur van zijn solideo aangenomen.

Binnen vijftien seconden waren er twee medewerkers van de marechaussee ter plaatse. Eén van hen kon een enorme glimlach niet onderdrukken.

‘Maar dat is kardinaal Simonis!’ riep de glimlachende beambte van de marechaussee mij toe.

‘O, dat wist ik niet,’ zei ik schijnheilig tegen hem.

‘Fouilleer hem toch maar,’ zei de beambte van de marechaussee tegen mij. ‘Regels zijn regels.’

Kardinaal Simonis had het niet meer van schaamte en ergernis en verplaatste het gewicht van zijn lichaam nerveus van de ene naar de andere voet.

Nadat ik kardinaal Simonis grondig gefouilleerd had, het detectiepoortje moest afgegaan zijn vanwege het enorme metalen kruis dat hij aan een ketting om zijn nek droeg, verder kon ik niets vinden, beende kardinaal Simonis met enorm grote stappen in de richting van de aviobrug.

Het zou mij niets verbazen als hij nog dezelfde avond in de krochten van het Vaticaan zijn beklag heeft gedaan bij de Poolse paus Johannes Paules de Tweede.

Was Jezus de eerste socialist?

Jezus in profetie | bijbelenzo

Volgens sommige christelijke socialisten was Jezus Christus de eerste socialist. Sommige lezers zullen verbaasd zijn over het feit dat christelijke socialisten überhaupt bestaan. Dit lijkt namelijk in tegenstelling te zijn met de uitspraak van Karl Marx dat “godsdienst de opium van het volk” is; het lijdzaam wachten op een beter leven na de dood in de hemel zou de mens afhouden van deelname aan de klassenstrijd, die uiteindelijk tot de socialistische revolutie zou moeten leiden.

Christelijke socialisten baseren hun mening op diverse passages uit het meest verkochte en gelezen boek aller tijden, de Bijbel. We schrijven Bijbel nog altijd met een hoofdletter als we het over de heilige tekst van de christenen hebben. Als je het boek uit een lade van het nachtkastje in je hotelkamer pakt om een vlieg mee dood te slaan schrijf je bijbel met een kleine letter. Het gebruik van het woord ‘heilig’ lijkt sowieso uit de tijd in ons tijdperk waarin de leugen lijkt te regeren en alternatieve feiten worden afgewisseld met tirades om vermeende tegenstanders te demoniseren.

Passages uit de Bijbel die christelijke socialisten inspireren zijn onder andere te vinden in het Bijbelboek Handelingen uit het Nieuwe Testament:

  • Allen die geloofden, vormden een gemeenschap en deelden alles samen. Ze verkochten hun have en goed en het geld werd uitgedeeld; iedereen kreeg zoveel als hij nodig had.(Handelingen II 42: 47)
  • Niemand eiste iets van wat hij bezat voor zichzelf op, integendeel: alles was gemeenschappelijk bezit. (…) Want wie landerijen of huizen bezaten, verkochten die. Het geld van de verkoop brachten ze naar de apostelen en ze legden het aan hun voeten neer. En iedereen kreeg zoveel toebedeeld als hij nodig had.(Handelingen IV 32: 35)

In passages als deze zien de christelijke socialisten de roep om een samenleving zonder armoede, minder sociale ongelijkheid en hulp aan mensen die het moeilijk hebben. Andere passages waar christensocialisten waarde aan hechten zijn:

  • Het tweede gebod komt op hetzelfde neer: “Heb uw naaste net zo lief als uzelf.”(Mattheüs 22:39)
  • Want God helpt de armen en verlost hen van hun onderdrukkers.(Psalmen 109:31)
  • Verkoop je bezittingen en geef de opbrengst aan wie te kort hebben. (Lucas 12:33)

Christensocialisme in Nederland

Als we kijken naar de grondleggers van het christensocialisme in Nederland schiet de lezer waarschijnlijk de naam van de predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis te binnen. In 1870 werd hij benoemd tot predikant in Harlingen. Nadat drie van de vier vouwen waar hij mee trouwde in het kraambed waren gestorven en hij zich ging verdiepen in de schrijnende sociale problemen van zijn gemeenteleden verloor hij zijn geloof en beschouwde hij zichzelf als atheïst. In 1879 werd hij verkozen tot leider van de Sociaal-Democratische Bond. Vlak daarna was hij de eerste socialist die plaats mocht nemen in de Tweede Kamer. Omdat Domela Nieuwenhuis van zijn geloof viel is hij vanzelfsprekend geen echte christensocialist te noemen.

De christensocialistische beweging was in Nederland vooral actief rond de Eerste Wereldoorlog. De allang vergeten Christelijk-Sociale Partij, opgericht in 1912, valt onder de noemer sociaaldemocratische en socialistische christenen te scharen.

Momenteel zijn christensocialisten vooral te vinden binnen de huidige christelijk-sociale ChristenUnie en binnen de socialistische SP.

Als het christendom mensen inspireert om de samenleving te veranderen in een samenleving waarin medemenselijkheid, solidariteit en naastenliefde voorop staan en niet lijdzaam blijven toekijken als het aardse bestaan een poel des verderfs lijkt waarin de rijken rijker worden en de armen armer kun je Jezus met een gerust hart de eerste socialist noemen.

 

 

 

De betovering van een goed boek/Een ode aan Marieke Lucas Rijneveld

Intense puber – De Groene Amsterdammer

Ik moet in mijn leven duizenden boeken hebben gelezen. Het ene boek maakt nu eenmaal meer indruk dan het andere boek. Met wat kunst en vliegwerk zou ik een vrijblijvende top 100 van favoriete boeken kunnen samenstellen. De grote meeslepende psychologische romans uit de negentiende eeuw van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski zouden in die top 100 niet ontbreken. Ook relatief kleine romans zoals ‘The great Gatsby’ (1925) van F. Scott Fitzgerald en ‘L’ étranger’ (1942) van Albert Camus zouden in de lijst staan; twee tijdloze boeken over de menselijke conditie, waarin werkelijk elke zin, ja, ik zou haast zeggen elk woord, op de juiste plaats lijkt te staan.  Adembenemend goed geschreven. Het oordeel ‘geniaal’ is dan niet ver weg.

Uit het Nederlandse taalgebied schieten mij twee boeken te binnen, die ik zo mooi, poëtisch en technisch goed geschreven vind dat ik tijdens het lezen van die boeken de voor mij nieuwe sensatie meemaakte dat ik niet in mijn gewoonlijke strakke tempo door kon lezen, maar zo ongeveer elke zin een tweede keer moest lezen om de ware schoonheid van die zin te bevatten. Ik heb het over de romans ‘Godenslaap’ (2008) van de Vlaamse auteur en dichter Erwin Mortier en ‘De avond is ongemak’ (2018) van Marieke Lucas Rijneveld, die, het kan geen toeval zijn, naast schrijver ook een zeer getalenteerde dichter is.

In een vaak haast plastische stijl die soms doet denken aan die van de door haar zo bewonderde Jan Wolkers in zijn roman ‘Terug naar Oegstgeest’ (1965) vertelt Marieke Lucas Rijneveld het semi-autobiografische verhaal over haar beklemmende jeugd in een zwaar gereformeerd gezin, dat na de dood van haar oudere broer desintegreert.

Een fragment uit ‘De avond is ongemak’:

“De veearts trok het opstapkrukje onder de wasbak vandaan en ging erop zitten. Het kraakte onder zijn gewicht.
‘Boer Evertsen heeft hem uit het meer gevist.’ Even wachtte hij, keek van Obbe naar mij en vervolgde toen: ‘Jullie broer is dood.’ Ik keek van hem weg naar de handdoeken die stijf van de vrieskou aan het haakje naast de wasbak hingen, ik wilde dat de veearts opstond en dat hij zou zeggen dat dit alles een vergissing was. Dat koeien niet veel verschilden van zonen, zij trokken ook op een dag de wijde wereld in, maar keerden voor zonsondergang en voor voedertijd weer terug in de stallen.
‘Hij is schaatsen,’ zei moeder, ‘en komt zo terug.’ Ze kneep het washandje boven het badwater tot een prop, de druppels maakten kringen, ze stootte tegen mijn opgetrokken knieën aan. Om mezelf een houding te geven, liet ik een legobootje te water op de golven die mijn zusje Hanna maakte. Ze had niet begrepen wat er zojuist was gezegd, en ik bedacht dat ik ook kon doen alsof mijn oren in de knoop zaten, een knoop die je er niet meer uit kreeg. Het badwater begon lauw te worden en voor ik er erg in had liet ik mijn plas lopen. Ik keek naar mijn pis die okergeel was en uiteenwolkte en zich vermengde met het water. Hanna merkte het niet, anders was ze meteen met een gilletje opgesprongen en had ze ‘viespeuk’ geroepen. In haar hand hield ze een barbie boven het wateroppervlak. ‘Anders verdrinkt ze,’ zei ze. De pop droeg een gestreept badpak, ik had er een keer mijn vinger onder gestoken om de plastic tietjes te voelen, niemand had het gezien. Ze voelde stugger aan dan het vetbultje op vaders kin. Ik keek naar het blote lichaam van Hanna, dat hetzelfde was als het mijne. Alleen dat van Obbe was anders. Hij stond naast het bad, nog met zijn kleren aan, hij had net verteld over een computerspelletje waarin hij op mensen moest schieten die als vleestomaten uit elkaar spatten, en zou na ons in hetzelfde badwater gaan. Aan de onderkant, zo wist ik, had hij een kraantje zitten waardoor hij kon plassen, met daaronder een lelletje als bij een kalkoen. Soms maakte ik me er zorgen om dat hij daar iets had hangen waar niemand over praatte. Misschien was hij wel doodziek. Moeder noemde het een plassertje, maar misschien heette het eigenlijk kanker en wilde ze ons niet bang maken omdat oma van de lichte kant aan kanker overleden was. Die had net voordat ze stierf een advocaatje klaargezet, waarover vader zei dat de slagroom zuur was geworden toen ze haar vonden, dat alles zuur werd als iemand doodging, onverwacht of gepland, en nog wekenlang had ik niet kunnen slapen omdat ik steeds in het donker oma’s gezicht in de kist voor me zag waar op den duur uit haar halfgeopende mond, oogkassen en poriën advocaat zo dun als eigeel droop.”

Het is bijzonder dat Marieke Lucas Rijneveld met de door Michele Hutchison gemaakte Engelse vertaling van haar prachtige prozadebuut ‘The Discomfort of Evening’ als eerste Nederlandse schrijver in de geschiedenis de prestigieuze International Booker Prize 2020 heeft gewonnen. A star is born.

Verslaafd aan ‘24’

Sinds 24 juni van dit jaar zijn alle seizoenen van de beroemde en vele malen bekroonde Amerikaanse televisieserie ‘24’ op Netflix te zien. De serie werd voor het eerst uitgezonden in 2001 en telt negen seizoenen van elk 24 afleveringen. Elk seizoen beslaat slechts 1 dag (24 uur) en daarom volg je het verhaal in real time.

Sinds ik eind juni ben begonnen met het kijken naar de serie lees ik nog nauwelijks een  boek, schrijf alleen de noodzakelijke columns waartoe ik verplicht ben, redigeer samen met mijn fantastische redacteur Mili van Veegh mijn nieuwe literaire en vooral satirische thriller ‘John West en de gestolen Picasso’  en weet ik inmiddels zo ongeveer alles van de vele acteurs die aan de stuk of negen seizoenen mee hebben gedaan.

Sommige acteurs zijn inmiddels overleden, soms jong, andere acteurs bleken er volkomen onverwacht een carrière als stand-upcomedian of yogaleraar op na te houden. De serie heeft ook meerdere succesvolle huwelijken opgeleverd tussen verschillende acteurs van ‘24’.

Sommige acteurs verdwenen na de serie in de vergetelheid, anderen floreerden op toneel, in film, muziek, of in een andere serie.

Inmiddels heb ik zo’n 160 afleveringen gezien in twee maanden. Ik schaam mij daar niet voor. Vergeet niet dat ik schrijver ben en een vrij beroep heb (tijd zat). Ik leer veel van de compositie en opbouw van de serie als schrijver: hoe maak je een meeslepend verhaal?

Als ik klaar ben met kijken naar de serie zal ik weer tot de orde van de dag overgaan. Maar binnen korte tijd is toch echt het laatste seizoen voor mij afgelopen. Val ik dan in een gat?

Ik kwam erachter dat er naar aanleiding van de populaire serie maar liefst elf boeken zijn verschenen die een dependance zijn van de serie; de verhalen spelen zich af voordat serie 1 begint. Al die boeken heb ik nu in huis. Ze waren via boekwinkeltjes.nl en andere sites te koop voor een euro of twee per stuk, dus…. Afkicken moet je opbouwen.

Geloof het of niet, mijn nieuwe literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’ is bijna net zo spannend als de serie ’24’. Bovendien speelt de roman speelt zich afwisselend af in twee keer 24 uur. De eerste 24 uur in het hart van de toenmalige Koude Oorlog, Berlijn, ten tijde van de kerst van 1987. De tweede 24 uur spelen zich een kleine dertig jaar later af, in het verloederde Amsterdam van januari 2015.

Wat hebben deze twee keer 24 uur met elkaar te maken? Lees het boek als het uitkomt en op de laatste bladzijde van het boek wordt alles duidelijk.

‘John West en de gestolen Picasso’ is zo spannend geworden dat ik het bijna niet kan herlezen en redigeren van de spanning. Ik schep niet graag over mezelf op, maar dit boek … ‘John West en de gestolen Picasso’; niet vergeten die titel!

Nicolas Cage neemt optie op filmrechten literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’ van Peter Mabelus

ANP – Het gerucht dat er sterke Amerikaanse belangstelling bestond voor het kopen van de filmrechten van de Nederlandse literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’, geschreven door de populaire Nederlandse cultschrijver Peter Mabelus, gonsde al wat langer rond.
Gisteren echter bevestigde de manager van Hollywood-acteur Nicolas Cage dat Cage een optie heeft genomen op de filmrechten van ‘John West en de gestolen Picasso’. Het is niet bekend welk bedrag Cage aan Peter Mabelus gaat betalen.
Het feit dat Cage een optie heeft genomen op ‘John West en de gestolen Picasso’ is des te opmerkelijker, omdat het boek van Peter Mabelus nog niet eens in de winkel ligt. ‘John West en de gestolen Picasso’ zal worden waarschijnlijk in november worden uitgegeven door Uitgeverij Ambilicious.
Voorpublicaties van diverse hoofdstukken op internet hebben op de internationale literaire gemeenschap en filmwereld zo’n indruk gemaakt dat er een felle strijd op gang kwam om de filmrechten van ‘John West en de gestolen Picasso’ te bemachtigen.
Peter Mabelus was niet voor commentaar bereikbaar. Volgens een woordvoerder van Peter Mabelus “voelt Mabelus zich zeer vereerd en heeft hij zich op een geheime locatie teruggetrokken om het manuscript van ‘John West en de gestolen Picasso’ af te ronden”.
Het is een unicum in de Nederlandse literatuur dat zich een dergelijke felle strijd om de filmrechten van een nog niet uitgegeven boek heeft afgespeeld.

Harry Mulisch, de grootste salonsocialist aller tijden

Mulisch nu ook in het Chinees | Foto | bndestem.nl

Ik mag mij graag ietwat schertsend als columnist voor de SP Alkmaar “Salonsocialist” noemen, maar de grootste salonsocialist die Nederland ooit gekend heeft was ongetwijfeld de man die naast Willem Frederik Hermans en Gerard Reve tot één van de drie grootste Nederlandse schrijvers van de vorige eeuw wordt gerekend: Harry Mulisch.

Harry Mulisch, de schrijver met het zelf aangemeten imago van de pedante intellectuele dandy, die in zijn olijfgroene Triumph cabriolet van en naar zijn woning op de grachtengordel in Amsterdam raasde. Openlijk beleed hij in de jaren zestig zijn liefde voor het communistische bewind van Fidel Castro op Cuba.

Mulisch bezocht Cuba eind jaren zestig tweemaal en schreef daar twee uiterst lovende boeken over: ‘Het woord bij de daad’ (1968) en ‘Over de affaire Padilla’ (1971).

We schrijven 1968: het werd duidelijk dat de tot dan toe oppermachtige Verenigde Staten in hun rol als beschermers van vrijheid en democratie de Vietnamoorlog zouden gaan verliezen; een oorlog die steeds meer het karakter had gekregen van een nietsontziende genocide op de Vietnamese bevolking en vooral onder jongeren en studenten in het Westen enorm impopulair was. Het is daarom niet zo vreemd dat juist die jongeren als tegenreactie op het Amerikaanse optreden in Vietnam hun ideologische heil gingen zoeken bij het linkse gedachtegoed van Cuba en in sommige gevallen zelfs bij dat van het communistische China of de Sovjetunie.

Mulisch in: ‘Het woord bij de daad’: ‘Cuba heeft mijn leven gebeterd, van Fidel Castro heb ik geleerd wat tegen het slechte in de mens gedaan kan worden.’

Mulisch’ Cuba-boek, inclusief ‘Over de affaire Padilla’ (1971), dat als een nawoord bij ‘Het woord bij de daad’ gezien kan worden, heb ik met verbazing gelezen. Het is een essay waaruit een betrokkenheid spreekt die tegenwoordig zeldzaam is. Wie durft er nu nog over “solidariteit” te schrijven zonder de hoon van neo-liberalen over zich af te roepen? We leven in een tijd waarin “solidariteit” nog slechts lijkt te betekenen dat iedereen zich aan de anderhalve meter afstand maatregel moet houden. Welke Nederlandse schrijver zou in onze tijd een bewonderend boek durven schrijven over links elan en daadkracht in Venezuela (Hugo Chávez), Ecuador (Rafael Correa), Bolivia (Evo Morales) of Paraguay (Fernando Lugo)? Links leeft in Latijns-Amerika, ook dankzij Fidel Castro.

In ‘Het woord bij de daad’ schaart Mulisch zich zonder enige reserve achter Fidel Castro, die hij niet zag als een dictator maar als de spreekbuis van een onstuimige volksbeweging. De boeren kregen grond, de kinderen gratis onderwijs en de zieken gratis zorg. Tegelijkertijd vocht Cuba voor zijn bestaansrecht tegen de invasie- en infiltratiepogingen van de CIA en tegen de uithongeringspolitiek van de VS. Cuba was in oorlog met het land dat nog steeds meent overal in de wereld als politieagent te mogen en moeten optreden.

Tot op de dag van vandaag wordt het Mulisch nagedragen dat hij zich onvoorwaardelijk achter het Cuba van Castro schaarde en daarmee in feite een dictatuur steunde, die absoluut geen rechtsstaat genoemd kon worden.

Wat mij betreft is die kritiek volkomen terecht, vooral gezien het feit dat Mulisch als schrijver in het Cuba van Castro hetzelfde lot had kunnen treffen als bijvoorbeeld de Cubaanse dichter Heberto Padilla. Padilla werd pas na een gevangenschap van ruim een maand vrijgelaten nadat hij onder dwang publiekelijk schuld had moeten bekennen voor zijn surrealistische poëzie, die door de Cubaanse overheid als contrarevolutionair werd beschouwd. Daarbij moest hij niet alleen collega schrijvers, maar zelfs zijn eigen vrouw, die ook poëzie schreef, aan de schandpaal nagelen.

Een revolutie die zijn eigen kinderen verslindt mag nooit geprezen worden.