Het sprookje van de slechte schele cowboy en het goddelijke wolkje

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, mensen die paardrijden, paard, buiten en natuur

Ik ga jullie nu eens een verhaal vertellen over een schele cowboy met een heel erg slecht karakter en het goddelijke wolkje.

Er was er eens een cowboy, Hanky heette hij, en die had een slecht karakter dat het een aard had. Hij vloekte de hele dag de ergste godslas­terlijke verwen­sin­gen, sloeg kleine kinderen zomaar om de oren, roste kleine poesjes op de maat van zijn lievelingsliedje met hun lieve katte­hoofdjes over een wasbord (ja, jongens en meisjes, vroeger, in het wilde westen, had je nog geen wasmachines, anders had stoute Hanky ze vast daarin gestopt). Ook kakte hij weleens op een oude krant, frommelde die dan ineen en gooide die vervolgens bij oude omaatjes door het raam naar binnen. En leuk dat hij dat vond als dan die poepbom op de schoot van het in een schommel­stoel bij het raam zittende oude vrouwtje uiteenspatte en ze helemaal onder Hanky zijn vieze poepstront zat! Gelukkig gooide hij vaak mis, omdat hij scheel was.

Oh, had ik dat al verteld, dat stoute Hanky scheel was? Ja, Hanky was zo scheel dat je bijna alleen nog maar z’n oogwit zag (eigenlijk was het ooggeel, want hij zoop zich scheel, oh nee blind, want scheel was hij al). Vroeger beston­den er nog geen spiegologen, maar ik weet welhaast zeker dat Hanky’s scheelheid de reden was voor zijn slechtheid. Hij kon het gewoon niet verkroppen dat hij zo’n stomme kop had (om over z’n lange bochelachti­ge lijf met x-benen nog maar niet te spreken). Daarom had de duivel bezit van hem genomen en ge­loofde Hanky nergens in. Tegen de kerk ging hij staan piesen en de bijbel gebruikte hij om z’n stinksigaretjes van te rollen.

Gelukkig werd hij eindelijk eens met z’n slechtheid geconfronteerd door God, via een heel klein goddelijk wolkje. En daar gaat dit verhaal eigenlijk over.

Het ging zo. Hanky was te lui en te dom om een echt vak te leren en daarom deed hij allerlei kleine klusjes voor lage mensen op hoge plaatsen. Zo riep de corrupte burgemeester van het dorp Hanky een keer bij zich en zei:

‘Hanky, je moet voor mij een pakje wegbrengen, helemaal door de woestijn naar Armpit Town.’

Hanky slikte even met z’n adamsappel als een struisvogelei omdat hij wist hoe zwaar de rit was. Weinig mensen kwamen levend terug uit de woestijn. Hij wist hoe heet en droog de woestijn altijd was (en hij had al nadorst van de dag ervoor!). Maar Hanky had geld nodig en dus nam hij de opdracht aan.

Hij ging op weg met een geleende schimmel die hinkte en voortdurend zure scheten liet. Hanky moest van het oosten naar het westen en de wind was oostelijk (het was slechts een klein briesje, maar toch), dus zat hij voortdurend in de stank van die oude manke schimmel.

In de woestijn verdwaalde Hanky al snel. Hij viel bijna flauw van de hitte en de dorst. Hij dacht dat hij rondjes reed, want de zon bleef boven z’n lelijke schele kop hangen. Al z’n water was al op en er waren zelfs geen cactussen om door midden te hakken en leeg te zuigen. Toen Hanky ten einde raad was en bijna stierf van de dorst, zag hij aan de horizon een klein wolkje dat zijn richting op kwam.

Het wolkje zweefde zo’n twintig meter boven de grond en stopte precies boven Hanky z’n schele bakkes. Hanky wist niet dat God in dat kleine wolkje zat.

‘Hé, schele!’ riep God vanuit het wolkje.

Hanky keek op en vond het na z’n zestiende fata morgana niet eens raar dat er een klein pratend wolkje, dat op twintig meter boven z’n hoofd zweefde, het woord tot hem richtte.

‘Wat mot je?!’ balkte Hanky laf.

God in het wolkje nam geen aan­stoot aan de beledigende toon van die schele duivel en zei: ‘Ik kom je redden van de dood in deze hete woestijn als je berouw toont voor al je slechte daden.’

‘Ik slecht? Hoezo?, mompelde Hanky brutaal.

‘Je piest tegen mijn huis, draait sigaretjes van mijn veel gelezen boek en gooit je kak bij mijn bejaarde dienaressen door het raam. Vind je dat dan gewoon?’

Hanky dacht even na en begon opeens in te zien hoe slecht of dat hij altijd geweest was.

‘Ik heb best wel spijt,’ zei hij.’ Als je echt spijt hebt gooi ik regen op je schele kop, wijs ik je de goede weg, geef je genoeg water in je veldfles mee voor de rest van de reis en maak ik ook even gratis weer even je schele ogen recht.’

Hanky hoefde niet meer na te denken. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij dacht aan alle schanddaden die hij in zijn leven tegen zoveel onschuldige mensen en dieren begaan had.

‘Ja, ik heb berouw!’ schreeuwde hij bijna tegen het goddelijke wolkje.

En het goddelijke wolkje regelde een plensbui, wees Hanky de goede weg, gaf hem een paar veldfles­sen water en zette ook nog even gratis z’n schele ogen recht.

Zo zien jullie maar weer, jongens en meisjes, dat als je maar oprecht spijt hebt van iets wat je verkeerd hebt gedaan, alles, door Gods genade, weer goed kan komen.

Hanky ging, nadat hij zijn missie volbracht had, het klooster in en werd daar tot z’n dood op 104-jarige leeftijd de meest toegewijde klooster­ling van allen.

En het goddelijke wolkje zweeft nog steeds over de aarde om mensen te vergeven en op het goede pad te sturen. Misschien komen jullie hem ook wel een keer tegen!

Dit verhaal werd geschreven in de middag van 1 augustus 1993 op het terras van ‘O’ Sullivan’s’ in Beale Street, Memphis, Tennessee.

Slachtoffers & Beul

120w.nl, Weekwoord week 1: degeneratie

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Mijn grootmoeder overleed eind april in totale eenzaamheid aan de gevolgen van de verwoestingen die het coronavirus in haar broze lichaam had aangericht.

Twee maanden later bleek een 49-jarige astmatische Facebookvriend van mij binnen een dag voor altijd van het scherm verdwenen.

Dichterbij is het vermeende monster niet in mijn leven verschenen.

In plaats van het virus kwam de angst en de angst veroorzaakte nog meer slachtoffers .

Mijn tienerdochter was voor het eerst van haar leven smoorverliefd geworden op een klasgenoot waar ze nog nooit mee had gesproken. Ze heeft hem sinds mei vorig jaar eigenlijk niet meer gezien. Misschien zal ze door de coronacrisis haar ware liefde in dit leven niet tegenkomen.

Deze tijden betekenen een degeneratie van emoties.

Mijn inzending voor de Sybren Poletprijs 2021: Switbonki daagt Satsuma in het Aprium

Afbeelding kan het volgende bevatten: fruit en eten

Kiwie is de jakhalsbes die is begonia met de fruitoorlog? Paul Citroen gaf Karel Appel zonder enige banaanleiding een oorvijg met zijn schroefpalm, die hij van achter zijn ambarella tevoorschijn toverde. Van schrik liet de grote kunstenaar onder de apenbroodboom zijn bergzuurzak vallen, die als een granaatappel het oude blauwe besje Conny Braam in haar abrikoos trof. Zij besloot dadelijk met haar zwarte moerbei haar avocado meester Druif te bellen, met het dringende verzoek de lulo Citroen aan te klagen wegens meikers. De kweepeer veroordeelde Citroen tot een meloenschot op het tjampedak van de cassabanana in de aardbeiguave. Bloedsinaasappelsap stroomde uit zijn slijmappels als aardbeien langs de helling van een bergamot. Geen clementine voor de calamondin aan de gistende blimbing.

Samen en alleen met Serge Gainsbourg in de zomer van 1984

BBC Radio 6 Music - La Chanson de Serge: The Serge Gainsbourg Story, Part 1

Je doet Serge Gainsbourg (1928-1991) tekort als je zijn naam slechts verbindt met de wereldwijde monsterhit ‘Je t’aime… mois non plus’ uit 1969. In veel landen werd het nummer verboden of gecensureerd, zo ook in Gainsbourg’s eigen Frankrijk, waar de meest expliciete versie verboden werd. Als een nummer internationaal voor zo veel ophef zorgt is de kans groot dat het nummer in veel landen de nummer 1 positie behaalt. In Nederland was ‘Je t’aime… mois non plus’ de best verkochte single van 1969, al bleef het in de hitlijsten drie weken lang steken op nummer 2 en werd de eerste positie niet gehaald. Soit. In het Verenigd Koninkrijk en veel andere landen stond het nummer wel weken op nummer 1.

Omdat het liedje, dat 4.22 minuten telt, de opname lijkt te zijn van een vrijpartij tussen Serge Gainsbourg en zijn toenmalige vrouw de Britse actrice Jane Birkin (1946) kleurden de oortjes van het jonge singletjes kopende publiek vuurrood als het lied uit de speaker van hun radiootje klonk. In die zin was ‘Je t’aime… mois non plus’ een goede graadmeter voor de reikwijdte van de seksuele revolutie die in de jaren zestig van de grond gekomen was.

Vergeet vooral niet dat de teksten van Gainsbourg al sinds zijn debuut in 1958 als sardonisch en provocerend werden beschouwd. In de eerste jaren van de carrière van Gainsbourg vormden die classificaties een reden om niet geaccepteerd te worden door het grote publiek, in de woelige jaren zestig kwam dat anders te liggen. Een groot kunstenaar laat het grote publiek zich aan hem aanpassen en niet andersom.

Overigens was het nummer ‘Je t’aime… mois non plus’ al in 1967 opgenomen met niemand anders dan de toenmalige minnares van Gainsbourg, de beroemde Franse filmster Brigitte Bardot (1934) op “zang”. Zij zong het nummer echter een octaaf lager in dan Jane Birkin twee jaar later. Bardot’s toenmalige man Gunter Sachs verbood uitgave van die versie. Bardot trouwde vier keer en had talloze minnaars. Pas in 1986 stemde Bardot in met het uitbrengen van “haar” versie. Het werd een hit.

Oké, luister eerst maar eens naar ‘Je t’aime… mois non plus’ in de versie van Serge Gainsbourg en Jane Birkin uit 1969 op Spotify of YouTube.

Onschuldig toch? Teder. Lief. Ontwapenend. Maar schokkend? Nee. Lees de tekst:

Je t’aime, je t’aime, oh, oui je t’aime
Moi non plus
Oh, mon amour
Comme la vague
Irrésolue

Je vais, je vais et je viens
Entre tes reins
Je vais et je viens
Entre tes reins
Et je me retiens

Je t’aime, je t’aime, oh, oui je t’aime
Moi non plus
Oh mon amour
Tu es la vague
Moi l’île nue

Tu vas, tu vas et tu viens
Entre mes reins
Tu vas et tu viens
Entre mes reins
Et je te rejoins

Je t’aime, je t’aime, oh, oui je t’aime
Moi non plus
Oh mon amour
Comme la vague
Irrésolue

Je vais, je vais et je viens
Entre tes reins
Je vais et je viens
Entre tes reins
Et je me retiens

Tu vas, tu vas et tu viens
Entre mes reins
Tu vas et tu viens
Entre mes reins
Et je te rejoins

Je t’aime, je t’aime, oh, oui je t’aime
Moi non plus
Oh mon amour
L’amour physique
Est sans issue
Je vais, je vais et je viens
Entre tes reins
Je vais et je viens
Je me retiens
Non, maintenant viens

Als je geen Frans kunt lezen of begrijpen volgt hier de Nederlandstalige versie:

Ik hou van je
oh, ja ik hou van je
ik ook van jou
oh, mijn geliefde
als de besluiteloze golfslag
ga ik, ga ik en kom ik
tussen je lendenen
en ik
trek me terug

ik hou van je, ik hou van je
oh, ja ik hou van je
ik ook van jou
oh mijn geliefde
jij bent de golfslag, ik het naakte eiland
je gaat en je komt
tussen mijn lendenen
je gaat en je komt
tussen mijn lendenen
en ik
keer weer naar jou

ik hou van, je ik hou van je
ik ook van jou
oh, mijn geliefde
als de besluiteloze golfslag
ik ga ik ga en ik kom
tussen je lendenen
en ik
trek me terug

je gaat en je komt
tussen mijn lendenen
je gaat en je komt
tussen mijn lendenen
en ik
keer weer naar jou

ik hou van je ik hou van je
oh, ja ik hou van je
ik ook van jou
oh mijn geliefde
Het minnespel kent geen uitweg
ik ga en ik kom
tussen je lendenen
ik ga en ik kom
en ik trek mij terug
nee !
kom nu !

Ik weet dat niet iedereen de soms als te plastisch te ervaren verwoorde liefdesbewegingen in ‘Je t’aime… mois non plus’ aankan. Ik heb het hier over het preutse deel van de mensheid, onze broeders en zusters die een leven lang vol angst en argwaan met seksualiteit omgaan en iedere ochtend onder de douche verbijsterd constateren dat ze in het bezit zijn van een geslachtsdeel dat ze het liefst zo min mogelijk willen gebruiken waar het voor bedoeld is en zo veel mogelijk willen wassen. Smetvrees pur sang.

‘Je t’aime… mois non plus’ is een indrukwekkend en ontroerend lied. Vanzelfsprekend is het geen doorsnee liefdesliedje, het is gewaagder en intiemer. Vintage Gainsbourg in het opzoeken van de grenzen van wat kunst en goede smaak is. ‘C’est tout’ (‘Dat is alles’, in het Nederlands).

Voordat Gainsbourg zijn geluk in de muziek zocht heeft Gainsbourg jarenlang geleefd als kunstschilder met een missie. Daarna beproefde hij zijn geluk als acteur en later ook als regisseur. Hij componeerde de soundtrack voor bijna veertig films. Hij schreef talloze liedjes in opdracht, die vaak een hit werden, en daarnaast had hij ook nog zijn eigen muziek, waarin hij zich vanaf dag 1 uitleefde. Vanaf zijn debuutalbum in 1958 trok Gainsbourg de aandacht, aanvankelijk slechts in kleine kring. Gainsbourg bleef trouw aan zijn eigenzinnige teksten en muzikale arrangementen en vertrouwde erop dat het succes ooit zou komen. Hij kreeg gelijk.

In 1965 schreef hij voor France Gall, ‘Poupée de cire, poupée de son’, waarmee zij voor Luxemburg in dat jaar het Eurovisie Songfestival won en Gainsbourg internationaal naam maakte. De volgende hit die Gainsbourg voor haar schreef was het onschuldig klinkende ‘Les sucettes’, dat een overduidelijke metafoor voor orale seks was. France Galle had daar echter geen weet van, ze dacht dat het liedje over lollies ging. Haar naïeve schaamteloosheid zorgde ervoor dat haar loopbaan voor jaren in het slop kwam te zitten. Voor Gainsbourg gold precies het tegenovergestelde. Hebben we hier te maken met onvervalst seksisme? Jij mag het zeggen.

Aan het begin van 4 vwo werd ik na het lezen van de roman ‘L’etranger’ van Albert Camus van de ene op de andere dag francofiel. Ik verslond de boeken van Sartre, Genet, Vian, Cocteau, Duras en De Beauvoir. Ik las talloze boeken over de geschiedenis van Frankrijk, biografieën van de grote staatsman Napoleon tot de componist Claude Debussy en van beeldhouwer Auguste Rodin tot de filmster Alain Delon. In Amsterdam bezocht ik retrospectieve filmvoorstellingen van Louis Malle tot François Truffaut en van Jacques Tati tot Roger Vadim. Ik luisterde naar de muziek van Boris Vian, Jacques Brel (ja, snob, ik weet dat Jacques Brel een Franstalige Vlaming was, zijn grootste successen scoorde hij echter in Frankrijk,waar men hem zag als een Franse zanger) en uiteraard Serge Gainsbourg.

De meeste van mijn Franse helden die ik hierboven heb genoemd waren in 1984 al overleden, het jaar waarin ik voor het eerst naar Parijs ging. Mijn twee jaar jongere vriendin, die dankzij mijn toenmalige enthousiasmerende en dominante karakter ook francofiel was geworden, ging in mijn kielzog mee, op zoek naar de graven, woningen, musea en parken van onze helden, die we zo goed kenden van boeken, films en muziek.

Het vwo had ik in de lente van 1984 overigens zonder enig probleem afgerond. Van de bijna 200 vwo-leerlingen op mijn school die Frans in hun examenpakket hadden was ik de enige met een 10 voor Frans op mijn eindlijst.

Een van de weinige helden waarvan we wisten dat hij nog leefde was Serge Gainsbourg. Zijn woning bevond zich in het zevende arrondissement van Parijs, in de Rue de Verneuil nummer 5 bis, net aan de linkerkant van de Seine, in de Carré Rive Gauche, Op een flinke steenworp afstand van het huis van Gainsbourg, aan de overkant van de Seine, huist het Louvre, thuisbasis van de Mona Lisa en de Venus van Milo. Dat Gainsbourg een hoekhuis in de Rue de Verneuil bewoonde was onder de fans van hem al jaren een fait accompli (een voldongen feit) en het feit dat hij je binnenliet als je bij hem aanbelde elektrificeerde al zijn fans. Dat een idool zo toegankelijk was, etc., etc.

De missie was duidelijk. Op dag 1 wilden mijn lief en ik op bezoek bij Serge Gainsbourg. Misschien was hij thuis, misschien niet. We zeiden tegen elkaar dat we ongeveer vijftig procent kans hadden om hem thuis aan te treffen als we om 1 uur ’s middags bij hem zouden aanbellen. Als Gainsbourg niet op reis was (wat hij vaak was, de helft van het jaar zo ongeveer) was hij thuis en bleef hij thuis. Zeker sinds hij in de jaren zeventig een studio aan huis had en alle sessiemuzikanten in Parijs, en ver daar voorbij, bij zich thuis kon laten komen om hun ding te doen, wat zij graag deden, aangezien met een genie in zijn eigen huis te maken te hebben. Een vaak alcoholisch genie, dat wel.

Het plan was: aanbellen bij nummer 5 bis in de Rue de Verneuil en dan maar hopen dat Gainsbourg open zou doen en ons binnen zou laten. Er was geen plan B. We zouden om Gainsbourg gunstig te stemmen een bos tulpen en een fles dure cognac meenemen. Nadat het ijs gebroken zou zijn wilde mijn vriendin zich graag ter consumptie aan Serge Gainsbourg aanbieden. Mijn vriendin en ik hadden van te voren afgesproken dat we, zodra mijn vriendin naakt voor Gainsbourg zou staan, er geen grotere eer voor ons tweeën zou zijn als Gainsbourg mijn vriendin zou neuken, als hij dat zou willen. Een beetje likken of pijpen was ook goed. Het maakte niet uit, het zou gaan om de plotselinge intimiteit. Ik zou de ‘happening’ van alle kanten fotograferen en het resultaat van die fotosessie voor eeuwig achter slot en grendel houden, alleen toegankelijk voor mij en mijn vriendin.

Een condoom mocht niet worden gebruikt. Het was de bedoeling dat Gainsbourg in mijn vriendin zou klaarkomen, waarna we binnen ongeveer een kwartier het pand aan de Rue de Verneuil 5 bis zouden verlaten. We zouden geen empathie voelen voor de eenzame Gainsbourg, die net nog geneukt had met een Lolita en nu weer zo tragisch alleen was. Snel met de metro naar ons hotel bij de Place de la Republique. Aldaar aangekomen zou ik mijn vriendin snel ook neuken en in haar klaarkomen, waarna we vervolgens foto’s zouden maken, van mijn penis met daarop ook het zaad van Gainsbourg, en foto’s van de vagina van mijn vriendin, van waaruit de zaadcellen van Gainsbourg en mij samen naar buiten zouden komen zwellen, in een kolkende symbiose van idolatrie en beroemd zijn, samen en alleen, liefde en afstand, dood en leven, aandacht en tijd die wegtikt.

‘Samen en alleen met Serge Gainsbourg in de zomer van 1984’ stond op 2 januari 2021 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Dit bericht werd binnen een dag van Facebook verwijderd. Daar was ik al bang voor geweest en het gebeurde nog ook. Bijna zestig jaar na de seksuele revolutie. Dramatische preutse censuur. Lang leve Henry Miller, Jan Wolkers en Peter Mabelus!

Mijn “ontmoetingen” met Hans van Mierlo

Hans van Mierlo (1931-2010) was ruim veertig jaren lang wereldberoemd in Nederland. Hij werd eind 1966 als eerste partijleider gekozen van D’66, een ambitieuze nieuwe politieke partij die het democratiseren van het Nederlandse politieke stelsel als voornaamste doel had. Bovendien moest de partij destijds een alternatief vormen voor de oude vertrouwde partijen in de nog sterk verzuilde samenleving die Nederland toen was; socialisten stemden op de PvdA, communisten op de CPN, katholieken op de KVP, protestanten op de ARP, etc. D’66 haalde bij de eerste verkiezingen voor de Tweede Kamer waaraan zij meedeed (1967) zeven zetels

In zijn biografie ‘Hans van Mierlo; Een bon vivant in de politiek’ van Ben Rogmans uit 1991 valt  te lezen dat Hans van Mierlo tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 de zogeheten “ontploffingstheorie” lanceerde. Hij stelde dat D’66 moest worden opgeheven zodra zij haar doel had bereikt: “D’66 verdwijnt wanneer we het huidige politieke stelsel mee hebben helpen opblazen”. Het feit dat D’66 na ruim vijftig jaar nog steeds bestaat en tijdens het schrijven van dit stukje zelfs deel uitmaakt van het Kabinet –Rutte III zegt alles over wat de partij van Hans van Mierlo in ruim een halve eeuw heeft bereikt: zo ongeveer niets.

Maar laat ik de politiek laten voor wat die is, in dit stukje wilde ik het hebben over mijn twee “ontmoetingen” met Hans Van Mierlo, een man die ik om zijn eigenzinnigheid en welbespraaktheid altijd sterk heb bewonderd. Van zijn partij moest ik niets hebben. Van geen enkele partij trouwens. Ik voel het als mijn burgerplicht om deel te nemen aan alle mogelijke verkiezingen die in Nederland gehouden worden, maar laat mijn keuze in het stemhokje meestal bepalen door de uiterlijke schoonheid van een kandidaat of de klank van zijn of haar voor- of achternaam (Zo stemde ik ooit voor de gemeenteraadsverkiezingen in het Amsterdam van de jaren tachtig voor Bep van der Lee van de PSP en een andere keer voor iemand die Elvis Mabelus heette).

Op 4 juli 1998 begon om 16.30 uur, in het stadion Stade Vélodrome van Olympique Marseille, de kwartfinalewedstrijd van het Wereldkampioenschap voetbal 1998, Nederland-Argentinië. Het wonderschone doelpunt dat Dennis Bergkamp in 89e minuut van de wedstrijd maakte, waarmee Bergkamp de einduitslag 2-1 op het scorebord bracht, staat in het geheugen van veel voetballiefhebbers over de hele wereld gegrift als een van de mooiste doelpunten aller tijden. Het betekende dat Nederland zich plaatste voor de halve finale wedstrijd tegen Brazilië, die Nederland na penalty’s zou verliezen. Frankrijk zou uiteindelijk het toernooi in eigen land winnen.

Wat heeft bovengenoemde wedstrijd te maken met mijn eerste ontmoeting met Hans van Mierlo, die op dat moment nog ongeveer een maand de functies van vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken in  het eerste kabinet-Kok bekleedde?

Met een stel vrienden had ik naar de wedstrijd gekeken in Comedyclub Toomler die zich nog steeds onder het Amsterdamse Hilton Hotel bevindt. Het hilarische commentaar bij de wedstrijd werd verzorgd door Raoul Heertje en consorten, waardoor de sfeer in Toomler al voor de wedstrijd euforisch was. Het vele bier, de meegenomen joints en xtc-pillen stuwden de euforische sfeer naar extatische hoogten. En dan die overwinning! Al snel verlieten alle aanwezigen van Toomler de kelder van het Hilton om flink door te gaan feesten op het Leidseplein. We zouden via de Cornelis Schuytstraat en de Van Eeghenstraat naar het Vondelpark lopen en dan vanzelf in noordelijke richting het Leidseplein bereiken.

Joelend, zingend, dansend en springend gingen we door de straten tot een van ons ter hoogte van de Valeriusstraat een oude man in een plas bloed op straat zag liggen. Op straat is eigenlijk niet de juiste beschrijving; de man lag met zijn lichaam half op het trapje dat hem naar de woning op de begane grond van huisnummer * moest brengen. Was de man op weg naar huis gestruikeld? Of had hij juist een ongelukkige val gemaakt bij het verlaten van de woning? Het ging er vanzelfsprekend om de man hulp te bieden. We waren dan misschien wel ver heen, we waren geen beesten.

Ik boog mij over het lichaam van het slachtoffer. Ik rook een enorme dranklucht. Rondom het lichaam van de man lagen overal losse sigaretten op de grond. Hij leefde nog, want hij hijgde als een karrenpaard.

‘Jongens, die man is stomdronken, maar we kunnen hem moeilijk zo laten liggen,’ zei ik. Mijn vrienden en vriendinnen knikten instemmend.

De man probeerde overeind te komen maar viel gelijk weer achterover waarbij zijn hoofd keihard tegen een Amsterdammertje knalde en hij opnieuw als bewusteloos onderuitging. Op dat moment zagen wij allemaal tegelijk dat de stomdronken man Hans van Mierlo was. Sommigen van ons schoten per ongeluk in de lach, anderen sloegen geschokt de hand voor de mond.

‘We moeten iets doen!’ riep iemand.

‘Is hij aanspreekbaar?’ vroeg een ander.

‘Ik kijk wel even,’ zei ik. Ik boog mijn hoofd naar dat van de bebloede staatsman. Hij hield zijn ogen dicht maar leek zijn mond lichtjes te bewegen. ‘Meneer van Mierlo, kunt u mij verstaan?’

‘Tyfusargentijnen, Bergkamp kampioen, godverdomme,’ mompelde Hans van Mierlo.

‘We moeten 112 bellen,’ zei iemand. ‘Ik laat mijn feestje niet vergallen door zo’n dronken malloot.’

‘Dat klinkt ook niet erg aardig,’ zei ik. ‘Ik kijk wel even of hij een telefoon op zak heeft.’

‘Heeft u een telefoon bij zich, meneer van Mierlo?’ vroeg ik.

‘Krijg de tering met je kankeruitkering,’ murmelde de vicepremier met kletsnatte lippen, waarna hij zijn stropdas onderkotste.

‘Daar valt niet veel mee te beginnen,’ zei ik en haalde binnen enkele seconden zijn telefoon uit een van zijn binnenzakken tevoorschijn.

‘Kan ik iemand voor u bellen?’ riep ik vrij hard in het rechteroor van Hans van Mierlo. ‘Heeft u een vrouw, kinderen?’

‘Vaak gescheiden, verdomme. Bel mijn dochter Stanja maar,’  

Ik had het telefoonnummer van Stanja snel gevonden op de telefoon van Hans van Mierlo. De telefoon werd bijna direct opgenomen.

‘Met Stanja. Pap, is er iets?’

‘Je spreekt met Peter Mabelus, jij kent mij niet.’

‘Jawel, de schrijver toch?’

‘Klopt! Maar daar bel ik niet voor.’

‘Oh, mijn God, hij is weer dronken. Ja, toch?’

‘Klopt. Wij zijn hier in de Cornelis Schuytstraat ter hoogte van de Valeriusstraat. Je vader ligt stomdronken op straat. Hij heeft ook een flinke hoofdwond.’

‘O, nee, niet weer!’ riep Stanja uit.

‘Wat wilt u dat we doen? Woont hij hier? Moeten we 112 bellen, of woont u om de hoek?’

‘Ik ben in de buurt. Kunt u even wachten, dan neem ik de boel zo wel over.’

‘Prima, maar kun je wel opschieten, want wij zijn op weg naar een groot feest.’

‘Ik ben er binnen vijf minuten. Is dat goed?’

‘Geen probleem. Wij wachten.’

Inderdaad was Stanja van Mierlo binnen vijf minuten ter plaatse en ontfermde zich onmiddellijk over haar vader. ‘O, pap, stop nu toch eens een keer met dat zotte gezuip. Het wordt je dood nog eens!’

Hans van Mierlo opende lodderig zijn ogen bij het horen van dit voor hem zo bekende stemgeluid. ‘Stanja, wat doe jij hier? Ik ben een beetje aangeschoten, sorry.’

Stanja keek woest naar haar vader en daarna lief naar ons. ‘Bedankt, jongens, voor alle hulp. Dit is niet de eerste keer.’

‘Ja, wij lezen ook de krant,’ zei ik. ‘Vind je het goed als wij er weer vandoor gaan. Het grote feest wacht op ons.’

‘Tuurlijk. Jullie zijn engelen. Laat jullie dag niet verder door mijn vader vergallen.’

We wandelden snel door in de richting van het Leidseplein om tot diep in de nacht feest te vieren.

De tweede keer dat ik Hans van Mierlo “ontmoette” was ruim twee jaar later in een iets rustiger setting in de hoofdstad; bioscoop The Movies, op de kop van de Haarlemmerdijk. Opvallend genoeg was het tijdstip ongeveer hetzelfde, een uur of zeven in de avond, alleen was het nu eind november en buiten al pikdonker. Ik zat met mijn toenmalige vriendin aan de bar achter een dubbele espresso om even later naar de Nederlandse première te gaan van ‘Baise-moi’, van de Franse filmmaaksters Virginie Despentes en Coralie Trinh Thi, over twee meiden op moordtocht door Frankrijk. In Frankrijk waren de film en het boek (van Virginie Despentes) beiden een “succès de scandale” geweest, te vergelijken met wat Boris Vian zo’n halve eeuw eerder voor elkaar had gekregen met de roman en film ‘J’irai cracher sur vos tombes’ (‘Ik zal spuwen op jullie graven’). Het beloofde een aangename avond te worden.

Ik zat midden in een gesprek met mijn geliefde toen ik aan het tafeltje achter mij een dronken vrouw hoorde grinniken. Op de een of andere manier kwam het geluid van de vrouw mij bekend voor, maar omdat ik zoals gezegd druk verwikkeld was in een goed gesprek met mijn vriendin besteedde ik er geen aandacht aan. Dat veranderde op het moment dat een wel zeer bekend stemgeluid zich achter mij liet horen.

‘Kep zin in een grote zak patatmemajonaizuh,’ hoorde ik achter mij de stem van Hans van Mierlo zeggen. Daarna het dronken geschaterlach van de schrijfster Connie Palmen.

‘Wel, Hans, az jij zin hep in een grote zak patatmemajonaizuh da neem ge toch een zak patatmemajonaizuh,’ riposteerde Connie Palmen.

Ik keek snel achterom en zei tegen mijn vriendin: ‘Jezus, Hans van Mierlo en Connie Palmen zitten achter ons. Volgens mij zijn ze stomdronken.’

Mijn vriendin keek ook even achterom. ‘Die hebben een relatie met elkaar. Sinds een jaar of zo. Ze lijken goed bij elkaar te passen.’

‘Zeg dat wel. Ik heb ooit nog het leven van Hans van Mierlo gered na de kwartfinalewedstrijd van het WK 98. Je weet wel, toen Dennis Bergkamp vlak voor tijd die waanzinnige goal maakte waardoor Nederland naar de halve finale ging.’

‘Zah hik heven gaan kijken of ze hier grote zakken patatmemajonaizuh hebbuh,Hans?’ hoorde ik Connie Palmen aan Hans van Mierlo vragen.

‘Nee, schat,’ zei Hans van Mierlo, ‘ik ga wel even kijkuh.’

Vervolgens een hoop lawaai. Ik keek achterom. Hans van Mierlo droeg een chique witte zijden sjaal om zijn nek waarover hij  struikelde op het moment dat  hij opstond om richting bar te lopen. Hij viel hard met zijn kin op de rand van de bar. Ik hoorde Connie Palmen verschrikt ‘O, Hans!’ roepen en daarna in lachen uitbarsten. Hans van Mierlo viel naar rechts op de grond waar hij stil bleef liggen. Het leek wel of er een plaatje of een deel van een kunstgebit naast zijn gezicht op de vloer van de bar van The Movies terecht was gekomen.

Hoe zat het ook alweer met de “ontploffingstheorie” van Hans van Mierlo uit de jaren zestig? “D’66 verdwijnt wanneer we het huidige politieke stelsel mee hebben helpen opblazen”. D’66 bestond nog, in deplorabele toestand weliswaar, maar toch. Was Hans van Mierlo de laatste jaren vooral niet bezig om zichzelf op te blazen?

Connie Palmen was vanachter haar tafeltje tevoorschijn gekomen en boog zich over haar bewusteloze minnaar. ‘Hansjepansjekevertje, gaat het?’

Een bel klonk luid en daarna was een stem via de intercom te horen: ‘Baise-moi’ gaat beginnen in zaal 2.’

Terwijl barpersoneel toesnelde om Hans van Mierlo en Connie Palmen uit hun lijden te verlossen stonden mijn geliefde en ik op van onze krukken. We dronken staand onze kopjes dubbele espresso leeg, pakten onze over de barkrukken gedrapeerde jassen en zetten ons in beweging om naar zaal 2 te gaan.

Ik keek nog een keer achterom. De bewusteloze Hans van Mierlo op de grond, zijn vriendin Connie Palmen huilend en lachend over hem heen wiegend. Een kring van bezorgde medewerkers van The Movies om hen heen.

De deuren van zaal 2 stonden open. Het was druk. Er gaat blijkbaar weinig boven een “succes scandale” als ‘Baise-moi’.

In mijn hoofd klonk een uitspraak van Connie Palmen die ik ergens had gelezen: “Verslaving is een vriendschap zonder vriend”.

 ‘Mijn “ontmoetingen” met Hans van Mierlo’ stond op 24 december 2020 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Hartaanval

Sinds ik een paar weken geleden in een column mijn grote bewondering voor leven en werk van de grootse Franse zanger, schrijver en acteur Serge Gainsbourg (1928-1991) heb laten blijken, wordt mijn uitgever bedolven onder aan mij gerichte Gainsbourgparafernalia. Gisteren ontving ik van Liselotte Put uit Drachten het prachtige boek ‘Pensées provocs et autres volutes’, een bundel uit 2006, waarin talloze gedachten, uitspraken en citaten van Gainsbourg staan afgedrukt. De uitspraak op pagina 60: “J’ai eu une crise cardiaque, ce qui prouve que j’ai un coeur”, wat zoiets betekent als: “Het feit dat ik een hartaanval heb gehad bewijst dat ik een hart heb”, deed mij denken aan de “stoere” reactie van Ischa Meijer (1943-1995) na zijn eerste hartaanval: “De hartaanval is de beste verdediging”.

Herinneringen aan mijn “studievriend” Prins Bernhard Junior

Afbeelding is afkomstig uit de privé-collectie van de schrijver

Prins Bernhard Lucas Emmanuel van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven (1969) is beter bekend als Prins Bernhard Junior. Dit zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat we hier te maken hebben met de zoon van Prins Bernhard (1911-2004) zaliger, geboren als Bernhard Friedrich Eberhard Leopold Julius Kurt Carl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld, de schuinsmarcherende Duitse weduwnaar van onze voormalige koningin Juliana (1909-2004), volledige artiestennaam Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, hertogin van Mecklenburg, prinses van Lippe-Biesterfeld, die zijn eega zo ongeveer een half leven lang negeerde, uitbuitte, belazerde en vernederde. Gezien de handel en wandel van Prins Bernhard Junior is de associatie met zijn grootvader niet vergezocht, maar daar zul je na het lezen van mijn herinneringen aan mijn “vriendschap” met Prins Bernhard Junior, tijdens mijn studententijd in Groningen, een slordige dertig jaar geleden, niet raar van opkijken.

Prins Bernhard Junior komt de laatste jaren voornamelijk in het nieuws als immorele huisjesmelker. In november 2017 schreef het Amsterdamse dagblad ‘Het Parool’ dat hij via verschillende bv’s een kleine 600 adressen in zijn bezit zou hebben, waarvan ruim de helft in Amsterdam. Volgens huurders van de panden van de prins zou hij hen dwingen in grote groepen samen te wonen en sleutelgeld laten betalen. Aantijgingen die door Prins Bernhard Junior als leugens werden gekwalificeerd. Het bezit van de vele honderden panden noemde hij “een onschuldige pensioenvoorziening”. Gezien de broze gezondheid van de vastgoedprins is het echter de vraag of hij ooit zijn pensioen zal halen. Ik wens hem overigens een lang en gelukkig leven toe, laat dat duidelijk zijn.

Prins Bernhard Junior is sinds 2016 mede-eigenaar van het Circuit Zandvoort en drijvende kracht achter de herinvoering van het Formule 1 racen op datzelfde circuit. Vanwege de Covid-19 pandemie kwam er van de herinvoering niets terecht. De grote rel die ontstond omdat de organisatie van de Formule 1 de bolides van halfgoden als Lewis Hamilton en Max Verstappen over het strand en door beschermde natuurgebieden richting circuit had willen laten rijden werd vanzelfsprekend door de werkelijkheid teniet gedaan.

Maar laat ik ter zake komen; ik wilde het in dit stukje hebben over mijn “vriendschap” met Prins Bernhard Junior zoals die gestalte kreeg in het Groningen van rond 1990. Samen met acht andere mannelijke studenten deelden we een studentenhuis aan de Grote Markt. Van een echte vriendschap tussen mij en Prins Bernhard Junior was eigenlijk geen sprake. We deelden dagelijks dezelfde huiskamer en keuken en omdat we in de huiskamer praktisch elke dag met zijn allen de dag uitluidden met een hoop gelal en eindeloze hoeveelheden bier en goedkope flessen wijn en sterke drank hadden we met zijn achten het gevoel kameraden voor het leven te zijn. Later in het leven zouden we erachter komen dat samen brallen en drinken niet de basis vormen voor echte vriendschap. We hadden het nauwelijks door als er iemand verhuisde naar een ander studentenhuis, een fatsoenlijke baan, het buitenland, een huwelijk, of de begraafplaats. We bleven altijd met zijn achten over, zo simpel was dat.

Ik wist vanzelfsprekend dat het “best wel bijzonder” was dat ik in hetzelfde studentenhuis als Zijne Hoogheid Prins Bernhard van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven woonde, maar omdat de prins ogenschijnlijk geen uitzonderlijk gedrag leek te vertonen was ik mij daar nauwelijks bewust van. Daar kwam verandering in.

Bij het uitgaan in een van onze favoriete kroegen of in de sociëteit had ik aanvankelijk niet door dat het gedrag van Prins Bernhard Junior opmerkelijke trekjes vertoonde. Ik moest er door iemand anders op gewezen worden dat Prins Bernhard Junior als enige nooit, maar dan ook nooit, een rondje gaf. Eerst wilde ik niet geloven dat Zijne Hoogheid er een gewoonte van maakte zijn onzichtbare snor te drukken als het ging om het bestellen van een of twee meter bier, een fles citroenjenever of een kist goedkope champagne.

Toen ik er op ging letten kon ik mijn ogen niet geloven. Prins Bernhard Junior toonde qua gedrag geen enkel verschil met de overige studenten; hij bralde vrolijk mee, werd gillend dronken en kotste de boel onder als de tijd daarom vroeg, maar tot mijn verbijstering kon ik constateren dat hij werkelijk nooit een rondje gaf. Nooit. Als hij in de dagelijkse alcoholchaos aan de beurt was om een rondje te geven was hij altijd net even naar het toilet of ervandoor gegaan met een gewillige niet al te knappe studente.

Kijk, dat hij geen smaak had als het ging om het uitkiezen van zijn onenightstands was me wel al snel opgevallen. Dat laatste ging heel erg ver. Dat viel niet alleen mij op. Als hij later werd aangesproken op zijn onsmakelijke avontuurtjes bleef hij altijd stug volhouden dat de dame in kwestie “een prachtig meisje” was geweest. Wij studievrienden van Prins Bernhard Junior keken elkaar dan verbaasd aan en draaiden vaak een cirkeltje met onze rechterwijsvinger ter hoogte van ons hoofd ten teken dat we doorhadden dat Zijne Hoogheid tot op zekere hoogte in een waanwereld leefde. Dat ons eigen gedrag meestal niet veel hoogstaander was dan dat van de prins maakte dat we hem op het gebied van zijn avontuurtjes het vuur zelden na aan de schenen legden.

Het gierige gedrag van Prins Bernhard Junior was steeds meer van mijn huisgenoten op gaan vallen. We wisten niet zo goed wat we ervan moesten denken. Was het misschien toch niet gewoon stom toeval dat hij nooit een rondje gaf? Nee, we waren het er al snel over eens dat het gedrag van de prins consequent en hardnekkig was. Het was de hoogste tijd voor een list.

We spraken af dat we bij de eerstvolgende gelegenheid, dezelfde avond nog, Zijne Hoogheid niet de kroeg zouden laten verlaten voordat hij ons allemaal op een rondje zou hebben getrakteerd. Voortijdig het pand verlaten met een bevallige dame naar zijn gading om zijn nek geslingerd zou er deze avond voor de prins niet in zitten. Bovendien spraken we af dat we allen heel dure drankjes zouden bestellen, als het de beurt was van Prins Bernhard Junior om een rondje te geven; obscure cocktails, flessen dure champagne en daarbij de duurste sigaren van het huis.

Om een uur of elf was het zo ver: Prins Bernhard Junior was aan de beurt om een rondje te geven en wilde op dat moment inderdaad het pand met de nota bene vijftigjarige toiletjuffrouw verlaten. De leeftijd van de vrouw was voor ons geen punt van discussie, maar wie moest de toiletten schoonhouden als Zijne Hoogheid het pand met de toiletjuffrouw zou verlaten? Het ging ons deze avond echter niet om het welzijn van de toiletten, maar om het felbegeerde rondje van de prins.

De toiletjuffrouw dwongen we met liefdevolle aandacht terug naar haar krukje naast de toiletten. Zijne Hoogheid keek hogelijk verbaasd. Geschokt keek de toiletjuffrouw naar het schoteltje waarop zojuist nog voor ongeveer acht gulden aan kleingeld gelegen had. Het schoteltje was nu leeg. De prins kreeg een rode kop. Aha, dus zo diep ben je al gezonken, dachten wij. We leidden Prins Bernhard Junior vervolgens terug naar de bar. Alle huisgenoten stonden breed glimlachend klaar om hun bestelling bij de prins te plaatsen.

Zijne Hoogheid keek angstig naar zijn huisgenoten die in een kring om hem heen stonden te grijnzen. ‘Het is jouw beurt voor een rondje, Bernhard,’ zei ik tegen de prins. ‘Let goed op, want iedereen heeft opeens zin in de meest bizarre drankjes. Doe mij maar een dubbele Tequila Sunrise met extra zout.’ Vervolgens werden door de andere jongens besteld: een driedubbele Screw Driver zonder jus d’orange, een laars Duvel, een Irish Coffee zonder koffie, een dubbele Cuba Libre, een dubbele Famous Grouse Smoky Black zonder ijs, een laars Triple Westmalle en een Ice Tea met in plaats van bubbels drie Jack Daniels.

Zijne Hoogheid begon te stotteren en trillen. ‘Maar jullie bestellen anders nooit zulke dure drankjes!’ stamelde hij verschrikt.

‘Maar nu wel!’ riepen we met zijn zevenen in koor. ‘Want jij verdwijnt elke keer als je een rondje moet geven met een lelijk wijf naar je hok!’ riepen wij in koor. Je begrijpt, de tekst hadden we met zijn zevenen die middag goed voorbereid en ingestudeerd. ‘Daarom ga je nu betalen, vuile koninklijke krent!’

Prins Bernhard Junior draaide zich bleek en bevend om naar de juffrouw achter de bar en plaatste onze bestelling. Beschikte hij over een fotografisch geheugen, of zat hij in een soort zeldzame shocktoestand met een moeilijke naam, die van alles mogelijk kon maken op het gebied van het functioneren van het menselijk geheugen? Hij bestelde al onze ingewikkelde drankjes zonder een spoor van twijfel.

Het duurde enkele minuten voordat alle drankjes klaar waren. De prins had bibberig en angstig de rekening betaald. Daarna konden we met zijn allen toasten. Iedereen hield zijn consumptie omhoog, behalve de prins, die was vergeten iets voor zichzelf te bestellen.

‘Hoeveel geld was je kwijt?’ vroeg ik Bernhard even later op het moment dat hij enigszins gekalmeerd leek.

‘Geen idee,’ zei hij. ‘Het is een creditcard van mijn opa.’

 ‘Herinneringen aan mijn “studievriend” Prins Bernhard Junior’ stond op 18 december 2020 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Niet andersom

120w.nl, Weekwoord week 51: klaverblad

Afbeelding kan het volgende bevatten: plant, buiten en natuur

Als kind in de jaren zeventig werd ik meegesleept in het zoeken naar een klavertje vier in plaats van de duizenden klavertjes drie, die ons op het grasveld omringden. Ik wist wat een klavertje vier was, een zeldzaam bloempje, of beter plantje, dat zelden in het wild voorkwam. Het vinden van een klavertje vier betekende dat je een wens voor toekomstig geluk mocht uitspreken, maar dat je vooral veel geluk had om een klavertje vier in het echt te vinden. Alle ogen waren op je gericht. Het wonder bestond echt! Als je maar goed door bleef zoeken. De aanhouder wint, etc. Later in het leven kom je erachter dat een klaverblad maar een klaverblad is. Nummers werken anders. Niet andersom.

Moffenhoer

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Enkele jaren na de val van De Muur in 1989 bezocht ik samen met mijn studievriend Jelte Offringa gedurende een dag of drie een jong echtpaar, Matthias en Hilde, dat woonachtig was in de aan de grens met Polen gelegen stad Frankfurt an der Oder. Jelte had het echtpaar enkele jaren eerder leren kennen via een uitwisselingsprogramma tussen Nederlandse en Oost-Duitse kerkelijke gemeenten, waar zijn ouders en hijzelf enthousiast aan hadden meegedaan. De laatste avond werd het op een zuipen gezet. Op een gegeven moment begonnen we onder grote hilariteit van ons allen de scheldwoorden die Nederlanders en Duitsers voor elkaar plegen te gebruiken uit te wisselen. Bij het scheldwoord “moffenhoer” keek Matthias bedachtzaam naar zijn zakhorloge en zei “Moffenuhr?”

120w.nl. Schrijfthema voor week 50: horloge

Een ontmoeting met schrijver Pieter Waterdrinker in de Amsterdamse Hermitage

In de herfst van 2017 brak ik bij het ochtendgloren mijn rug met een salto mortale van de trap; ik viel achterover van de bovenste trede van de trap op de onderste trede van de trap. Of minder dramatisch gezegd: mijn onderste ruggenwervel werd verbrijzeld bij een val van de trap in de ochtend van 25 november 2017. Er was geen sprake van een dwarslaesie. Per ambulance werd ik naar het Noordwest Ziekenhuis locatie Alkmaar gebracht, waar ik ruim een week zou moeten wachten op mijn operatie. Niet alleen was er een aantal wachtenden met een gebroken rug voor mij, spoedgevallen, die in de loop van de week binnengebracht werden, gingen mij ook voor richting operatiezaal.

De flamboyante orthopedisch chirurg Winand Pluymakers was die dagen om wat voor reden dan ook de enig beschikbare orthopedisch chirurg, maar ik wil vooral zeggen dat ik nog nooit zo’n vertrouwenwekkende man in de medische zorg ben tegengekomen. Hij was een knappe, rijzige, atletisch ogende man van een jaar of veertig. Hij straalde kennis, ervaring en vakmanschap uit. Zijn assistenten keken hem vol bewondering aan, alsof hij een soort halfgod was.

Na twee operaties, één om met metalen platen de ruggenwervels boven en onder mijn verbrijzelde ruggenwervel aan elkaar te schroeven, de tweede negen maanden later om de metalen platen te verwijderen; alle scherfjes en botjes van mijn verbrijzelde ruggenwervel waren na een maand of negen samengegroeid tot een soort “nieuwe” ruggenwervel, was ik zo ongeveer weer de oude. Dankzij de fantastische orthopedisch chirurg Winand Pluymakers. Als je ooit je rug breekt, vraag naar hem.

Wat heeft het bovenstaande te maken met mijn ontmoeting met Pieter Waterdrinker in de Amsterdamse Hermitage om een uur of half twee in de middag van 24 februari 2018? Alles. Ik laat je deze intro toch niet lezen als…, maar laat ik het kort houden.

Sinds de eerste ochtend in het ziekenhuis kreeg ik een hemelse hoeveelheid morfine toegediend, waardoor ik aanspreekbaar en zonder pijn was. Een goede kennis, die als assistent in de apotheek van het ziekenhuis werkzaam was, had mij die ochtend op mijn vriendelijke verzoek een grote voorraad gratis valiumtabletten van tien milligram per stuk gebracht, keurig verstopt in een uitgeholde ananas, die het centrum vormde van een weelderige fruitmand. Ik nam elke drie uur een half tablet, zodat de glimlach op mijn gezicht niet meer verdween.

Het toeval wilde dat mijn verjaardag enkele dagen later, op 28 november 2017, in het ziekenhuis “gevierd moest worden”, want, zoals gezegd, werd mij bij binnenkomst in het ziekenhuis gemeld dat ik daar zeker een week zou moeten liggen. De eerste middag in het Noordwest Ziekenhuis kwamen mijn ouders uit Rhenen als eersten bij mij op bezoek.

Mijn ouders hadden als verjaardagscadeau het nieuwste boek van Pieter Waterdrinker voor mij meegenomen, ‘Tsjaikovskistraat 40’ (2017), een boek dat net uitgekomen was en waar mijn moeder een razend enthousiaste recensie in dagblad Trouw van had gelezen.

Pieter Waterdrinker kende ik wel van naam, maar ik was er nooit aan toegekomen iets van hem te lezen. Achteraf is dat tot op zeker hoogte een raadsel te noemen. Net als ik had de vier jaar oudere Waterdrinker in Amsterdam Russisch gestudeerd en had hij de achternaam van zijn moeder aangenomen als schrijversnaam. Ik was via allerlei omwegen in het onderwijs beland en daar ook weer vertrokken, Waterdrinker was halverwege de jaren negentig mede vanwege zijn liefde voor Julia Klochkova en het feit dat hij Philippe Remarque opvolgde als correspondent voor De Telegraaf in Moskou beland. Overigens was Philippe Remarque een oud-studiegenoot van mij die het later nog zou schoppen tot correspondent van De Volkskrant in onder andere Berlijn en Washington. Hij zou zijn glorieuze loopbaan bij De Volkskrant eindigen als hoofdredacteur. Maar laat ik mij hier beperken tot Pieter Waterdrinker.

Je zult begrijpen dat ik door mijn kwetsuur aan het bed gekluisterd was. Na het vertrek van mijn ouders begon ik gelijk te lezen in ‘Tsjaikovskistraat 40’: “Op een late oktoberochtend in het jaar 1988 vroeg een heerschap uit Leiden mij of ik in staat was een kleine zevenduizend bijbels af te leveren in de Sovjet-Unie”. Ik zat na één zin al in het verhaal en sloeg het boek de volgende ochtend pas dicht toen ik het uit had. Geslapen had ik niet. Met de zaklamp op mijn mobiele telefoon had ik ’s nachts in de verduisterde ziekenzaal door kunnen lezen. De morfine zorgde ervoor dat ik in een voortdurend wakkere en euforische stemming bleef. Door de valium was ik volkomen ontspannen. Van vermoeidheid was geen sprake.

Nu was het een feit dat ik al bijna 52 jaar op deze aardkloot rondliep (behalve de laatste twee dagen dan en o ja, wellicht ook de eerste zoveel maanden van mijn eerste levensjaar). In mijn leven had ik vele duizenden boeken gelezen en ik dacht dat ik de wereldliteratuur, maar zeker de Nederlandse literatuur, wel zo’n beetje in mijn hoofd had. Om wat voor raadselachtige reden dan ook was ik in al die jaren nooit gestuit op een boek van Pieter Waterdrinker, die al in 1998 zijn eerste roman ‘Danslessen’ publiceerde en daarna nog zeker zeven romans en drie verhalenbundels het licht liet zien?

Na het lezen van het magische, betoverende en fantastisch geschreven boek ‘Tsjaikovskistraat 40’ wist ik dat ik van deze schrijver alles wilde lezen, zijn werk een speciale plek in mijn huis geven op de bovenste plank van mijn mooiste boekenkast, waarin uitgebreide collecties staan van favorieten als Dostojevski, Reve, Camus en Philip Roth. Sterker nog, ik wist zeker dat ik hem ook zou gaan schrijven en ontmoeten.

Waterdrinker toont zich in ‘Tsjaikovskistraat 40’ een taalvirtuoos, een uitmuntend historicus en een rasverteller die alle losse eindjes perfect aan elkaar verbindt.

In tijden had ik niet zo’n goed boek gelezen. Ik was niet alleen buitengewoon enthousiast, ik was haast verbijsterd dat we in het Nederlandse taalgebied over een schrijver van het allerhoogste niveau beschikten waar relatief weinig aandacht werd besteed. Waterdrinker schrijft in ‘Tsjaikovskistraat 40’ over de dood, die altijd om je heen danst in de vorm van gestorven ouders en vrienden, het aftellen naar je onherroepelijke eigen dood, de onmogelijke liefde, de dood van een geliefde, de dood van een kind, de intens corrupte en schijnheilige en schaamteloze wereld waarin we leven, de dood op krediet die voor veel mensen een dagelijkse bezigheid is in de vorm van alcohol, drugs en sigaretten, de ontoereikendheid van de menselijke liefde, het najagen van wind in de vorm van mechanische seks.

Nooit is Waterdrinker pathetisch. Met enorm veel vaart, humor en zelfspot vertelt hij zijn vele verhalen over de menselijke conditie, die vaak gevormd wordt door de waan van de dag, de waan van het moment en weinig hoop biedt voor de toekomst. Tegelijkertijd vindt hij troost in het kleine; arme kinderen die dolblij zijn met een nieuwe speelplaats, de liefde voor poezen, het genieten van een heerlijke kop koffie in de ontbijtzaal van een hotel.

Pieter Waterdrinker blijft steeds dichtbij zichzelf. Of hij nu de reisleider uithangt op de Wolga, of in het midden staat van het geweld in het Kiev van 2014. En dan is daar altijd zijn vrouw Julia Klochkova, die op haar manier al een kwart eeuw een blind vertrouwen heeft in haar geliefde. Overigens draagt Pieter Waterdrinker al zijn boeken aan haar op. Dat zegt veel.

‘Tsjaikovskistraat 40’was eind 2017 nog niet de enorme bestseller die het in de loop van 2018 zou worden. Waterdrinker was nog niet de bestsellerauteur die in 2018 de grote eer kreeg om op te treden in het zomerse televisieprogramma ‘Zomergasten’ en overal voor uitverkochte zalen lezingen gaf.

Via via kwam ik achter het emailadres van Pieter Waterdrinker en besloot hem een lovende mail te sturen waar hij een paar dagen later uitgebreid en sympathiek op reageerde. We werden vrienden op Facebook en Twitter.

Omdat ik een van de eersten was die ‘Tsjaikovskistraat 40’ had gelezen kon ik niet alleen zijn herdrukte boeken dezelfde dag bestellen, ook titels, waaronder zijn eerste drie romans, die nooit herdrukt waren, kon ik nog dezelfde dag voor een bedrag van rond een tientje via de website boekwinkeltjes.nl aanschaffen. Die eerste drukken zijn inmiddels goud waard en worden tegenwoordig op dezelfde site voor soms honderden euro per titel aangeboden. Binnen een paar dagen bezat ik de eerste druk van elk boek van Pieter Waterdrinker.

Zijn debuutroman ‘Danslessen’ werd pas in 2019 na ruim 20 jaar herdrukt. Ik neem aan dat zijn twee respectievelijke volgende romans ‘Liebman’s ring’ (2001) en ‘Een Hollandse romance’ (2003) ook binnen afzienbare tijd een herdruk zullen krijgen.

In het Noordwest Ziekenhuis las ik in ruim een week tijd behalve ‘Tsjaikovskistraat 40’ de eerste vier titels van Waterdrinker. Toevallig kwam ik in het trotse bezit van eerste drukken van ‘Liebman’s ring’ en ‘Poubelle’ (2016), gesigneerd en met opdracht. Dolgelukkig was ik met het dunne boekje ‘Zingen met Biesheuvel’ (2015), een verhaal dat voor het eerst in 2007 in het ‘Hollands Maandblad’ was verschenen, maar ter gelegenheid van de invoering van de J.M.A. Biesheuvelprijs in 2015 bibliofiel in slechts 140 exemplaren door uitgeverij Avalon werd uitgegeven. Het verhaal werd pas in 2018 voor het eerst gebundeld in de verhalenbundel ‘Een dame in Kislovodsk’ (2018), een bundel die naast zes nooit eerder gebundelde verhalen negentien verhalen bevat die eerder verschenen in de verhalenbundels ‘Kaviaar en ander leed’ (2000), ‘Montagne Russe’ (2007) en ‘De Correspondent’ (2014).

Ik wist zeker dat er een gelegenheid zou komen dat ik Pieter Waterdrinker zijn handtekening kon laten zetten in mijn exemplaren van zijn werk.

In de loop van de maand december 2017 las ik stug door in het oeuvre van Waterdrinker. Op Oudejaarsavond sloot ik mij op in mijn studeerkamer om zijn meeslepende, tragische en hilarische roman ‘De dood van Mila Burger’ (2010) uit te lezen, waarmee ik alle titels van Pieter Waterdrinker gelezen had. Pas om vijf minuten voor middernacht had ik het boek uit en begaf me onder het drinkende en lallende gezelschap dat mijn vrouw die avond bij ons thuis uitgenodigd had. Onze gasten waren verbaasd dat ik überhaupt thuis was (“We dachten dat je weer in het ziekenhuis lag”).

Omdat Pieter Waterdrinker een globetrotter is die vooral in Rusland woont en werkt was een ontmoeting met Pieter Waterdrinker niet op de meest eenvoudige manier te regelen: voor zijn huis rondhangen in Sint-Petersburg met een boek in de hand van de meester en daar net zo lang blijven wachten totdat hij tevoorschijn zou komen. Ik had geen zin om te veel in de huid te kruipen van de geobsedeerde stalkende fan en moest daarbij direct denken aan Mark David Chapman, die tegen elf uur in de avond van 8 december 1980 John Lennon executeerde op het moment dat hij het Dakota Building in New York betrad, waar Lennon enkele luxe appartementen aan het Central Park bewoonde, uren nadat Lennon op ongeveer dezelfde plek zijn handtekening op Chapman’s exemplaar van Lennon’s comeback album ‘Double Fantasy’ had gezet. Daarnaast wist ik dat Waterdrinker naast zijn woning in de Tsjaikovskistraat 40 ook een appartement in Moskou bezat, in de buurt van het Rode Plein, waar hij regelmatig verbleef, dus liep je als geobsedeerde fan het risico om dagen- of wekenlang voor het verkeerde huis te staan posten. Nee, eenvoudiger was het om uit te zoeken waar Waterdrinker in Nederland zijn opwachting zou maken.

Ik kwam erachter dat Pieter Waterdrinker al jaren met veel plezier lezingen gaf in boekhandel Broekhuis Hengelo, gevestigd aan de Wemenstraat 45 in het exotische Twente. Deze prachtige boekhandel is één van de vijf boekwinkels van de flamboyante “Boekenkoning van het Oosten” Kees Schafrat en de werkplaats van de sympathieke inkoper Erik Hoekstra. Dat het niet overal kommer en kwel is in ‘Boekenland’ bewijst Kees Schafrat door in zijn Saab 93 cabrio stad en land af te rijden op zoek naar nieuw talent of om bezoeken af te leggen bij grootheden uit de Nederlandse literatuur, waar hij soms letterlijk kind aan huis is.

In dezelfde week dat Pieter Waterdrinker een lezing zou geven in boekhandel Broekhuis Hengelo werd bekend dat Pieter Waterdrinker op zaterdag 24 februari 2018 om twee uur in de middag een prettig gesprek zou voeren met de grote slavist en schrijver Michel Krielaars in het audiotorium van de Amsterdamse Hermitage aan de Amstel. Daar zou ik heengaan. Daar zou ik Pieter Waterdrinker gaan ontmoeten om hem een handvol handtekeningen te laten zetten in zijn debuutroman ‘Danslessen’, het bibliofiele ‘Zingen met Biesheuvel’ en het boek waar het voor mij allemaal mee begonnen was, ‘Tsjaikovskistraat 40’.

Op die bewuste middag was ik ruim een half uur voor het optreden van Waterdrinker aanwezig in De Hermitage. Een telefoontje eerder in de week naar de receptie van het museum had mij geleerd dat de lezing zou plaatsvinden in het auditorium op de eerste verdieping van het museum. Een museumjaarkaart was niet nodig, er werd geen entree geheven en men hoefde niet te reserveren.

Bij mijn binnenkomst in de entreehal van De Hermitage zag ik Pieter Waterdrinker druk gesticulerend praten met twee vrouwen van middelbare leeftijd die zonder twijfel als slecht geïnformeerde vrijwilliger achter de receptie van het museum hadden plaatsgenomen.

‘Ik geef een lezing om twee uur, over een half uur, hier in De Hermitage!’ riep Pieter Waterdrinker licht geïrriteerd uit.

De twee vrouwen van middelbare leeftijd wisten van niets: ‘Lezing? Waar? Wie bent u dan? Hoe laat?’

Pieter Waterdrinker: ‘Ik weet niet waar. Dat vraag ik aan u! Ik ben schrijver. Pieter Waterdrinker!’

Er ging maar geen belletje rinkelen bij de vrijwilligsters van middelbare leeftijd. De dames keken elkaar met hoog opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Pieter Waterdrinker? Schrijver? Nooit van gehoord.’

Ik moest me met de situatie bemoeien. Ik deed een stap voorwaarts maar keek nog steeds tegen de rug van Pieter Waterdrinker aan. Een van de twee dames achter de balie keek mij verward aan.

‘Mag ik even inbreken?’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Dit is de schrijver Pieter Waterdrinker.’ Ik wees naar de nu gebogen rug van Pieter Waterdrinker, die geagiteerd in een map vol papieren wroette die hij tussen zijn benen op de grond had gezet. ‘Over een half uur geeft hij een lezing in het auditorium op de eerste etage.’

De vrouw haalde haar schouders op en zei: ‘Daar weet ik niks van. Ik zie niks op mijn scherm staan. Deze man ken ik niet.’

‘Dit is de schrijver Pieter Waterdrinker,’ zei ik. ‘Over een half uur geeft hij een lezing in het auditorium op de eerste verdieping. Ik laat hem wel zien waar hij moet zijn, als u het niet weet.’

Pieter Waterdrinker keek verrast naar mij op.

‘Ik ben Peter Mabelus. Wij kennen elkaar via Facebook en Twitter,’ zei ik tegen hem. ‘Ik weet waar je moet zijn.’

De ogen van Pieter Waterdrinker begonnen opgelucht te twinkelen. Hij zuchtte diep, sloot zijn map vol papieren en richtte zich op.

‘Ja, wij kennen elkaar. Wat leuk om je te ontmoeten, Peter Mabelus,’ zei hij. Hij legde de klemtoon verkeerd. Hij legde de klemtoon op de “a” in plaats van op de “e”.

‘Het is Mabelus met de klemtoon op de “e” en niet op de “a”. Zullen we even gaan zitten?’ vroeg ik hem en wees op een rij leren bankjes, die zich op een meter of vier van ons bevond en tegen de muur van de binnenplaats van het museum geplaatst was.

Een paar seconden later zaten Pieter Waterdrinker en ik samen op een bankje in de hal van de Amsterdamse Hermitage. Niemand keek naar ons. We waren samen. Ik trilde van de zenuwen en verlangde kort terug naar de voorraad valium in de uitgeholde ananas van enkele maanden daarvoor. Hoe was mijn wereld veranderd sinds ik drie maanden eerder voor het eerst een boek van Pieter Waterdrinker las. Mijn hart klopte mij in de keel.

‘Je moet niet denken dat ik een stalker ben, Pieter. Ik ben gewoon een groot bewonderaar van je werk.’

‘Ben je in Rusland geweest? Heb je Russisch gestudeerd?’

‘Ja, Moskou en omgeving, de Krim. Ik heb ook een reis door Oekraïne gemaakt. Ja, ik heb ook Russisch gestudeerd. Ik heb een paar boeken meegenomen. Wil je die signeren?’

‘Natuurlijk,’ zei Pieter Waterdrinker, stak zijn rechterhand uit om het eerste boek van zijn hand in ontvangst te nemen en toverde met zijn andere hand uit de binnenzak van zijn colbert een vulpen tevoorschijn.

Ik pakte drie boeken uit mijn tas: de eerste druk van de bestseller ‘Tsjaikovskistraat 40’, de eerste druk van zijn debuutroman ‘Danslessen’ en de bibliofiele uitgave van ‘Zingen met Biesheuvel’.

Pieter Waterdrinker zag alleen zijn laatste boek, pakte die van mij aan en schreef voorin: “Amsterdam, 24 februari 2018. Voor Peter Mabelus, geestgenoot in Russische gronden! All the best, Pieter, gevolgd door zijn handtekening.

‘Ik heb nog twee boeken bij me.’

‘Kan dat even snel?’ vroeg Waterdrinker. ‘Ik moet naar boven voor het geluid.’

‘Tuurlijk,’ zei ik en overhandigde hem de eerste druk van zijn debuutroman ‘Danslessen’ uit 1998. Zeldzaam, geliefd en gewild.

Pieter Waterdrinker keek even met een brok in zijn keel naar zijn fysieke debuut in zijn hand en zette er daarna zijn handtekening in. ‘Die heb ik lang niet gezien.’

Op het moment dat ik de bibliofiele uitgave van ‘Zingen met Biesheuvel’ overhandigde kraaide hij verbaasd uit dat hij “die zelf niet eens had” en zette vervolgens zijn handtekening in het boekje.

Ik zoog elke seconde van deze ontmoeting in mij op en besefte opeens dat de mobiele telefoon die ik bij me had ook een camerafunctie bevatte. Zou ik modern en plat een foto van deze ontmoeting maken? Ja, dat zou op de een of andere manier onze ontmoeting bezegelen. Ik pakte mijn telefoon uit de binnenzak van mijn jas.

‘Weet jij hoe zo’n ding werkt?’ vroeg ik Pieter Waterdrinker.

‘Ja, zo,’ zei hij, pakte de telefoon uit mijn hand, drukte op een paar toetsen en hield de telefoon in de selfiestand op een armlengte van onze hoofden.

‘Say, cheese!’ riep Waterdrinker en drukte af.

‘Ik moet naar boven. Ik zie je waarschijnlijk nog wel na de lezing.’

Pieter Waterdrinker stond op van de bank en liep naar de trap die hem naar het auditorium op de eerste verdieping van de Amsterdamse Hermitage zou brengen. Om het geluid te testen en het hele gesprek met zijn interviewer, de geniale slavist en schrijver Michel Krielaars, door te nemen.

Om twee uur, op het moment dat de “lezing” begon, zat ik ergens alleen in het midden van de voor een kwart gevulde zaal. Er werd wodka en kaviaar aan het aanwezige publiek geserveerd, maar ik dronk in die tijd niet en sloeg de kaviaar ook over. Ik leefde in die tijd als een asceet en woog slechts zeventig kilo.

De lezing was geen lezing. Michel Krielaars gooide een balletje op waarna Pieter Waterdrinker eindeloos anekdotes ophoestte over zijn leven in Rusland, om te kunnen vertellen dat het nieuwe Rusland een absurd land is waarin rijke Russen vijf miljoen dollar aan een willekeurige Nederlander geven om ergens een park aan te leggen, omdat hij als Nederlander wel de contacten zal hebben om een park aan te laten leggen. Vervolgens gaat de verbouwereerde Nederlander terug naar Nederland waar hij een groot hoveniersbedrijf vindt om de opdracht uit te voeren voor vier miljoen dollar. Een miljoen winst. Deze werkwijze is de gewoonste zaak van de wereld in een land waar de corrupte jetset het vernederend vindt om niet in een privéjet maar in een lijntoestel te moeten vliegen. Kleuters zouden in Rusland een roze Hummer met een privéchauffeur voor hun verjaardag krijgen. En zo maar door.

Na de lezing pufte Pieter Waterdrinker uit met zijn vrouw Julia Klochkova en de ook in Zandvoort geboren schrijver L.H. Wiener, die tijdens de lezing links op de eerste rij bleek te hebben gezeten.

Pieter Waterdrinker was druk in gesprek met Wiener. Ik wendde mij tot gespreksleider Michel Krielaars.

‘Je hebt het goed gedaan, Michel. Het was erg onderhoudend.’

‘Wie ben jij?’

‘Peter Mabelus. De schrijver.’

‘We zijn toch Facebookvrienden?’

‘Klopt.