Maak je vriend niet gek!

Ik heb ooit een keer voor een weddenschap met mijn toenmalige vriendin (de inzet was een biertje) in café Bolle Jan aan de Korte Reguliersdwarsstraat 3 in de Amsterdamse Jordaan de portemonnee van Willem Holleeder genakt. Nu snap ik ook niet meer hoe ik zo stom heb kunnen zijn, maar ik was zo ontzettend verliefd op mijn toenmalige vriendin! Ik was tot alles in staat geweest.

De volgende dag was Willem Holleeder er achtergekomen dat ik in het bezit was van zijn portemonnee en kon ik nog net op tijd door een speciale afdeling van de AIVD naar de Verenigde Staten worden gevlogen om liquidatie door de matties van Holleeder te voorkomen.

In de VS heb ik vijf jaar lang ondergedoken gezeten in het Plaza Hotel, 768 Fifth Avenue, aan het Central Park in New York. En geloof me, dat klinkt veel leuker dan het was. Wat heb je aan gouden kranen in je badkamer als je niet vrij bent? Niets. Bovendien bevond de Trump Tower zich om de hoek van het Plaza Hotel, zodat ik vanuit mijn hotelkamer bijna dagelijks die met oranje foundation geschminkte clown Donald Trump zijn toren in en uit zag komen.

Later heb ik alsnog wraak kunnen nemen op Willem Holleeder voor mijn onvrijwillige gevangenschap in het Plaza Hotel in New York door in opdracht van uitgeverij Lebowski als ghostwriter het boek “Judas” voor zijn zus Astrid Holleeder te schrijven, waar ik toch mooi een ton of drie zwart aan overgehouden heb.

Mijn vriendin was ik echter kwijt. Ik was stinkend rijk en doodongelukkig.

Voor alle mannen die dit toevallig lezen: Doe mij niet na!  Bezint eer ge begint und so weiter. En dat voor een biertje! De snelle wereld van de glamour en de glitter lijkt veel mooier dan hij in werkelijkheid is. Je kunt beter voor 4 euro per uur bij de Aldi vakken vullen dan het leven vol paranoia en stress leiden dat ik geleefd heb en nog steeds moet leven.

Zelfs als ik ga zwemmen in mijn zwembad in de vorm van een hartje en met het oppervlak van een voetbalveld, laat ik me voortdurend omringen door bodyguards. Ik slaap met een pistool onder mijn kussen en slaap bovendien altijd licht, slecht en kort.

En dan te bedenken dat ik gisteren een contract heb getekend met uitgeverij Prometheus om als ghostwriter de memoires van de ex-vriend van Mark Rutte, Jort Kelder, te gaan schrijven. Voor vier ton zwart: “Hoe ik uit de Kelder kwam.”

Als je eenmaal in het criminele wereldje zit, is het bijna geen doen om er weer uit te komen. De luxe die dat leven met zich meebrengt is tof, maar elke dag een leugen moeten leven is niets voor mij. Als ik dat had gewild, was ik wel politicus geworden.

Tegenwoordig resideer ik zwaar bewaakt in het meest luxueuze hotel van Las Vegas, het Ceasars Palace, 3570 South Las Vegas Boulevard in de Amerikaanse staat Nevada. Het heeft geen zin om mij te komen opzoeken, want ik verblijf daar niet onder mijn eigen naam en sta bovendien niet in het gastenboek.

Ik vind het hartstikke tof dat Lil’ Kleine elke vrijdagavond met zijn posse in mijn penthouse in het Caesars Palace komt optreden en dat Kluun & Giphart minimaal één keer in de maand komen bieren, maar het blijft een schrale troost als je voortdurend ondergedoken zit en geen vooruitzicht hebt ooit nog een normaal leven te kunnen leiden.

Probeer dus nooit je vriend te overreden om dingen te doen die hij eigenlijk niet wil doen. Ik ben het (nog) levende bewijs dat zoiets goed fout kan uitpakken.

Dit verhaal verscheen op 30 juni 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Donald Trump belt Peter Mabelus

‘Met Peter Mabelus.’

‘Hallo. Met Trump. Donald Trump.’

‘Dit is een grap. Ben je het echt?’

‘Ja, Peter Mabelus. Wie zou ik anders moeten zijn?’

‘Weet ik veel? Iemand die een grap met mij uithaalt?’

‘Nee, Peet. Ik ben het echt. Mag ik Peet zeggen?’

‘Ja, natuurlijk, Donald Trump. Mag ik dan Donald zeggen?’

‘Dat spreekt vanzelf, Peet.’

‘Wat tof, Donald, dat je mij belt.’

‘Het is geen moeite.’

‘Donald, ik wist niet dat je Nederlands kunt spreken. Hoe kan dat?’

‘Van de president van Nederland geleerd. Ik ben zijn naam even kwijt. Je weet wel, die clown zonder schouders.’

‘Ik denk dat je onze minister-president Mark Rutte bedoelt, Donald.’

‘Je hebt gelijk, Peet. Dat is hem.’

‘Ongelooflijk dat je zo snel Nederlands hebt geleerd, Donald.’

‘Het is een gave, Peet. Ik pik heel snel dingen op. Dat is een van de redenen waarom ik succesvol ben in alles wat ik doe.’

‘Knap van je, Donald. Donald, waarom bel je?’

‘Ik wil mijn Nederlands een beetje onderhouden en omdat jij een schrijver bent leek jij me de aangewezen persoon om te bellen. Wie spreekt er beter Nederlands dan de beste schrijver van Nederland?’

‘Dank je wel, Donald. Maar als schrijver stel ik nog niet veel voor in Nederland.’

‘Hou op, Peet. Ik haat valse bescheidenheid. Maar, oké, over dat Nederlands van jullie. Ik vind jullie gebruik van lidwoorden een drama om te onthouden. Amerikaans is veel beter.

‘Amerikaans, Donald? je bedoelt Engels?’

‘Nee, Engels lijkt op Amerikaans, maar Amerikaans is veel beter. Wij hebben het  Engels verfijnd en gemoderniseerd. Wij hebben bijvoorbeeld een veel kleinere woordenschat dan het Engels, omdat we vele duizenden overbodige Engelse woorden hebben afgeschaft.’

‘Overbodige Engelse woorden, Donald?’

‘Ja, onzinnige Engelse woorden zoals “kerfuffle” en “flummox.” Wie heeft zulke nichterige middeleeuwse woorden nodig? Wij hebben veel nieuwe woorden verzonnen die de lading van wat we willen zeggen veel beter dekken.’

‘Kun je daar een voorbeeld van geven, Donald?’

‘Dat vind ik geen enkel probleem, Peet. Ik ben dol op mensen die van mij willen leren. In het Engels hebben ze bijvoorbeeld 417 synoniemen voor het woord “asshole”. Denk je nou echt dat wij Amerikanen 417 synoniemen voor het woord “asshole” nodig hebben, Peet?’

‘Geen flauw idee, Donald. Zijn het er echt zo veel? 417 synoniemen?’

‘Ja, Peet. Dan ben je toch niet helemaal goed bij je hoofd?’

‘…’

‘Wij Amerikanen hebben geen 417 synoniemen nodig voor het woord “asshole”. Dat vinden wij Amerikanen niet efficiënt. Wij hebben al die woorden, zoals “tush” en “keister” afgeschaft en vervangen door het veel beter bekkende “motherfucker.”‘

‘”Motherfucker” in plaats van “asshole?”‘

‘Ja, Peet. “Motherfucker” in plaats van “asshole”. Hoe kun je iemand beter beledigen dan te zeggen dat hij zijn moeder neukt. Vooral Arabieren zijn daar heel erg gevoelig voor. Kom niet aan hun moedertje. Zo was ik laatst in Saoedi-Arabië, dat is een heel groot land in het Midden-Oosten dat voornamelijk uit woestijn bestaat, op bezoek bij koning, ik ben zijn naam even kwijt, en ik zei tegen hem: “Je gaat de prijs voor een vat ruwe olie toch niet verhogen, motherfucker?” Je had die kop van hem moeten zien. Zijn theedoek ging er acuut scheef van hangen. Ik moet nog lachen als ik eraan terugdenk’.

‘Dat is toch niet zo gek, Donald? Ik zou het ook niet leuk vinden als jij “motherfucker” tegen mij zou zeggen.’

‘Maar dat zou ik toch nooit tegen je zeggen, Peet? ik heb toch respect voor jou?’

‘Dat vind ik mooi om te horen, Donald. Dat je nooit “motherfucker” tegen mij zou zeggen en respect voor mij hebt.’

‘Natuurlijk heb ik respect voor je, Peet. Je bent toch geen vrouw?’

‘Dat snap ik even niet, Donald.’

‘Je hebt toch geen gat waar je lul hoort te zitten, Peet?’

‘Nee, Donald. Het enige gat tussen mijn benen is mijn “asshole.”‘

‘Ha ha ha. Dat vind ik een goeie, Peet. Wat een grappige opmerking, als je nagaat dat we het net over synoniemen voor het woord “asshole” hadden.’

‘Dank je wel, Donald, maar ik probeerde helemaal niet grappig te zijn.’

‘Niet zo bescheiden, Peet. Ik herken een genie als ik er een tegenkom. Ik ben er zelf ook een. Alles wat ik aanraak verandert in goud. Zelfs de wc-brillen op mijn toiletpotten. Kom maar eens kijken in mijn Trump Tower in Manhattan. Dat is de hoofdstad van New York City, Peet. De beste stad ter wereld.’

‘En dan te bedenken dat Manhattan in 1626 voor zestig gulden aan snuisterijen van de Canrasie-indianen is gekocht door de Nederlander Peter Minnewit.’

‘Dat lijkt me sterk, Peet. Manhattan is gekocht door een van mijn voorouders van Zweedse afkomst. Dat je dat niet weet.’

‘Oké, Donald. Ik neem aan dat je zo je bed induikt. Hier in Nederland is het zes uur later. Ik moet mijn kinderen zo naar school brengen.’

‘Heb je daar geen personeel voor, Peet?’

‘Nee, Donald. En ik vind het juist leuk om zelf te doen.’

‘Ieder zijn meug, Peet. Zo noem je dat toch in het Nederlands, Peet? Meug?’

‘Dat klopt, Donald. Maar ik moet nu echt ophangen.’

‘Ik bel je snel nog een keer, Peet. Ik vond het fantastisch om met je te praten.’

‘Ik vond het ook … heel apart om met jou te praten, Donald.’

Dit verhaal verscheen op 28 juni 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

 

Stichting Yakuzikaart

Laat je alleen of samen verrassen en inspireren door 65 miljoen bubbels in het hele land. Want in deze veranderende wereld zijn yakuza belangrijker dan ooit. Wat reinigt ons lichaam en onze geest? Waar kun je op adem komen en geïnspireerd raken? Dat kan in onze yakuza! Yakuza verbinden ons.

Meer dan een miljoen mensen gingen je voor en hebben een Yakuzikaart. Die maakt het makkelijk een yakuzi binnen te stappen.

Jouw voordelen met de Yakuzikaart:

Je hebt een jaar lang toegang tot ruim 400 yakuza in Nederland.

Je krijgt een actueel overzicht van yakuza die je niet mag missen.

Je ontvangt maandelijks yakuzitips, exclusief voor jou als yakuzikaarthouder.

Je beschikt altijd over je persoons- en bezoekgegevens in Mijn Yakuzikaart.

Hoe ik uit Gombitelli verdreven werd

Het eerste jaar van mijn leven bracht ik door in het prachtige Toscaanse gehucht Gombitelli, Frazione di Camaiore, in Italië. Herinneringen aan die tijd heb ik niet, want enkele maanden voor mijn eerste verjaardag moesten mijn moeder en ik door nood gedwongen Gombitelli verlaten.

Als “bambino” werd ik door alle vrouwen van het dorp vertroeteld. De oude nonna’s op het dorpsplein richtten zich met behulp van hun wandelstok kreunend op van hun zitbankjes bij de fontein als mijn moeder vanuit de schaduw van de Via del Norcine, met mij in de kinderwagen, het dorpsplein betrad om aan de overkant van het plein bij slager Marcello Rubini een paar ons pancetta arrotolata te kopen om mijn vader bij de lunch te verrassen.

In het voorbijgaan kietelden de nonna’s mij onder mijn bolle kinnetje met hun met levervlekken bedekte en door artritis gekromde klauwtjes. Meer was er niet overgebleven van de stevige ranke handen die tientallen jaren eerder onstuimig naar il Duce Benito Mussolini gezwaaid hadden.

Mijn moeder hield haar pas niet in bij het passeren van de nonna’s, zodat de oudjes al snel het nakijken hadden en hun bibberende heupen voorzichtig op hun zitbankjes lieten terugzakken.

Nog voor mijn moeder het dorpsplein overgestoken was, had slager Marcello Rubini de deur van zijn nering uitnodigend geopend, waarbij hij mijn moeder met een brede glimlach op zijn gezicht welkom heette in zijn naar zout en vet geurende tempel van geslacht vlees. Hij complimenteerde mijn moeder met haar prachtige bambino, terwijl hij wellustig naar de welving in de voorgevel van haar jurk keek.

Mijn moeder nam even later een paar ons in vetvrij papier verpakte pancette arrotolata van slager Rubini in ontvangst en deponeerde in ruil voor het pittig gekruide varkensvlees een bos lire biljetten op de toonbank.

Op het moment dat de kinderwagen zich met de ene helft in de winkel en met de andere helft op het plein bevond, draaide mijn moeder haar hoofd om naar slager Rubini. Een klein schokje ging door zijn lichaam toen hij zich betrapt voelde in zijn geile gemijmer.

‘Geloof jij in het lot, Marcello?’ vroeg mijn moeder aan slager Rubini.

‘Het lot, signora Mabelus?’ bracht slager Rubini stotterend uit. Alsof mijn moeder hem had gevraagd de eerste tien cijfers achter de komma van het getal pi te noemen.

‘Geloof jij in het lot, Marcello? Denk jij dat alles voorbeschikt is?’ preciseerde mijn moeder haar vraag.

Slager Rubini begon onzeker met zijn linkerhand in zijn nek te krabben.

‘De Heilige Vader zegt dat alles voorbeschikt is, signora Mabelus. De mens wikt, God beschikt.’

‘Hoe komt onze Heilige Vader aan die kennis, Marcello?’

‘Uit het Heilige Boek, signora Mabelus. De Bijbel.’

‘Is alles wat in de Bijbel staat geschreven waar, Marcello?’

‘Daar twijfelt niemand toch aan, signora Mabelus?’

‘Dus mensen kunnen uit de dood opstaan, over water lopen, water in wijn doen veranderen en onbevlekt ontvangen worden, Marcello?’

‘Onbevlekt ontvangen, signora Mabelus?’

‘Zwanger worden zonder geslachtsgemeenschap te hebben, Marcello.’

Slager Marcello Rubini kleurde tot achter zijn oren en verplaatste het gewicht van zijn lichaam nerveus van zijn ene naar zijn andere voet.

‘Dat laatste lijkt me wel heel erg sterk, signora Mabelus,’ zei slager Rubini en vermeed oogcontact te maken met mijn moeder.

Op dat moment sloeg de verschrikkelijke aardbeving van 30 augustus 1966 toe.

In het Candlestick Park in San Francisco beëindigden The Beatles het laatste live concert uit hun carrière met een uitvoering van Little Richard’s Long tall Sally.

Het zielloze lichaam van mijn vader werd die middag onder het puin van mijn ouderlijk huis gevonden.

Nog dezelfde avond werd de pancette arrotolata aan de hond van de buren gevoerd.

Een week na de aardbeving trok mijn moeder in bij haar zus, die in Den Bosch woonde, waar haar man aan de Lepelstraat 35 de scepter zwaaide over een eetcafé dat de eenvoudige naam Bar 35 droeg.

Dit verhaal verscheen op 25 juni 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

John West en de gestolen Picasso (een feuilleton) Deel 10 – De Führerbunker IX

 

De titel van het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative,” met als ondertitel “Initiative zum Aufbau eines Abwehrschirms gegen Interkontinentalraketten” deed Sepp Sanders denken aan het Amerikaanse “Strategic Defense Initiative,” dat in 1983 in opdracht van de toenmalige president van de Verenigde Staten Ronald Reagan was opgezet. In de volksmond werd het Strategic Defense Initiative het “Star Wars Project” genoemd, naar de door uit Californië afkomstige filmregisseur, filmproducent en schrijver George Lucas bedachte filmsaga “Star Wars.”

Door zijn jarenlange fascinatie voor het Derde Rijk van Adolf Hitler kende Sepp Sanders de verhalen en geruchten die de ronde deden over het streven van de nazi’s om net als de Verenigde Staten een atoombom te ontwikkelen. Maar waar de Amerikanen bereid waren geweest om miljarden dollars en vele tienduizenden personen vrij te maken om een atoombom te ontwikkelen, had het Duitse atoomprogramma in verhouding met de Amerikaanse aanpak te lijden gehad onder een amateuristische en chaotische manier van werken. Bovendien hadden de systematische bombardementen, die de geallieerden vanaf 1942 onder regie van de Britse luchtmaarschalk Arthur “Bomber” Harris op de Duitse industriesteden uitvoerden, ervoor gezorgd dat de prille pogingen van de nazi’s om een atoombom te produceren voortdurend de nek werden omgedraaid.

Nazi-Duitsland was er wel in geslaagd om onder leiding van de geniale raketingenieur Wernher von Braun vergeldingswapens, de zogeheten “Vergeltungswaffen,” te produceren, zoals de V-1 en de V-2.

De V-1 was in feite een onbemand straalvliegtuig en geen raket, zoals de latere V-2. Duizenden V-1’s werden vanaf 13 juni 1944 met name in de richting van steden als Londen en Antwerpen gelanceerd. Daar zorgden de Duitse vergeldingswapens, naast enorm veel schade en duizenden doden en gewonden, vooral voor een voortdurende angst bij de burgerbevolking.

De V-2 was de eerste onbemande geleide ballistische raket en uigerust met een springkop gevuld met bijna achthonderd kilo aan explosieven. De V-2 werd vanaf september 1944 door de Duitsers ingezet en zaaide net als zijn voorganger de V-1 dood en verderf in veel grote steden in Engeland, Frankrijk, België en Nederland.

Wernher von Braun liet zich aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bewust door de Amerikanen oppakken, omdat hij wist dat hij de “beste” raketingenieur ter wereld was. De Amerikanen stonden te springen om hem in te lijven bij het leger aan Amerikaanse wetenschappers dat zich bezighield met de ontwikkeling van rakettechnologie en het ontwerpen van massavernietigingswapens, die een verwoestende kracht moesten gaan bezitten waarvan de duivel zelf nog niet had durven dromen. Bovendien was elke Duitser die zijn talenten in dienst had gesteld van het naziregime op de hoogte van het feit dat de Sovjets geen enkele genade toonden met de nazi’s die zij in handen kregen.

Voor de Sovjets, die jarenlang door miljoenen tot de tanden gewapende dolle Duitsers over vele duizenden kilometers van hun moederland waren opgejaagd, verbrand, gemarteld, verkracht, vernederd en vermoord, met als enige doel de totale uitroeiing van het Sovjetvolk en de vernietiging van de Sovjetunie, bestond er na de slachting van naar schatting meer dan 26 miljoen Sovjetburgers geen enkele wraak die genoegdoening zou kunnen geven aan de overlevenden van de fascistische orkaan die hun land in puin en ontreddering had achtergelaten. Toen de Sovjets in de loop van 1944 Duitse grond bereikten was er dan ook geen enkele Duitser veilig voor het aanstormende Rode Leger dat bereid was ten koste van alles het fascistische monster van het nazisme van de aardbodem te vegen. Niets en niemand was veilig voor de door een immens verdriet verblinde razernij van de Sovjetsoldaten. Elk gebouw werd geplunderd en daarna verwoest. In hun opmars naar het Hol van het Kwaad, Berlijn, werden Duitsers willekeurig opgehangen, verkracht en gedood. Zelfs tandeloze oudjes, nonnen, vrouwelijke Sovjetsoldaten in Duitse gevangenschap en kleine kinderen werden niet ontzien door de helden van het Rode Leger.

Het mag geen verbazing wekken dat alle Duitsers letterlijk renden voor hun leven. Geen enkele Duitser wilde in handen vallen van “de rode duivels uit het oosten.” Elke Duitser wist dat er een prijs betaald moest worden die nooit hoog genoeg kon zijn. Vanzelfsprekend was de angst en paniek onder iedereen die een uniform droeg of op een andere manier het naziregime had gesteund, zoals de raketingenieur Wernher von Braun, nog groter dan bij de rest van de bevolking. Wernher von Braun moet een zucht van verlichting hebben geslaakt toen hij zich in de lente van 1945 met de hulp van zijn Engels sprekende broer Magnus von Braun kon overgeven aan de Amerikanen.

Op 8 mei 1945 gaf Nazi-Duitsland zich formeel over aan de geallieerden. Onder de codenamen “Operation Overcast” en “Operation Paperclip” werd Wernher von Braun in het geheim van Beieren in het zuiden van Duitsland naar de Amerikaanse staat Texas gebracht, waar hij met Amerikaans geld door mocht werken aan zijn raketprogramma. Maar nu in dienst van de voormalige vijand, de Amerikanen.

De Amerikanen negeerden het feit dat Wernher von Braun verantwoordelijk was voor de dood van duizenden inwoners van steden die hadden geleden onder  de dood en verderf zaaiende V-1’s en V-2’s.

In 1955 werd Wernher von Braun zelfs tot Amerikaans staatsburger genaturaliseerd. In de jaren die volgden was hij onder meer verantwoordelijk voor de met succes in de ruimte gelanceerde satelliet, de Explorer 1. In 1960 werd Wernher von Braun de eerste directeur van het Marshall Space Flight Center dat onderdeel was van NASA (de National Aeronautics and Space Administration) in welke functie hij medeverantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de Saturnus V-draagraketten van het Apolloprogramma dat de Amerikaan, Neil Armstrong, uiteindelijk op 21 juli 1969 de maan liet betreden.

Op 16 juni 1977 overleed Wernher von Braun op 65-jarige leeftijd in Alexandria, Virginia. Het feit dat Wernher von Braun niet rustig van zijn pensioen heeft kunnen genieten vormt een schrale troost voor alle nazi-jagers, die het altijd onverteerbaar hebben gevonden dat een prominent lid van Hitler’s partij de NSDAP en latere Sturmbahnführer van de gehate en gevreesde SS nooit rekenschap af heeft moeten leggen over zijn verleden als nazi. Wernher von Braun was wel degelijk op de hoogte van de barbaarse misstanden van het nazi-systeem. De Amerikanen lieten Wernher von Braun de dans van de gerechtigheid en de wraak ontspringen. Puur en alleen vanwege het feit dat hij een briljant raketingenieur was.

Onder de naam Manhattan Project waren de Verenigde Staten al sinds 1942 bezig geweest met de ontwikkeling van een atoombom. Onder leiding van de natuurkundige Robert Oppenheimer waren op het hoogtepunt van het Manhattan Project in 1945 maar liefst 130.000 mensen betrokken bij dit project dat op drie geheime locaties in de staten Washington, New Mexico en Tennessee gestalte kreeg. Twintig wetenschappers die bij het Manhattan Project betrokken waren zouden uiteindelijk de Nobelprijs krijgen.

De Amerikanen waren er in de loop van 1945 daadwerkelijk in geslaagd om een atoombom te produceren. Op 16 juli 1945 werd de eerste atoombom uit de geschiedenis “succesvol” tot ontploffing gebracht in de Jornada del Muerto woestijn, een kleine zestig kilometer ten zuidoosten van het stadje Socorro in de staat New Mexico.

Nazi-Duitsland mocht zich dan al op 8 mei 1945 formeel hebben overgegeven aan de geallieerden, het keizerrijk Japan had besloten om tot de laatste snik door te vechten.

Terwijl de Amerikaanse oorlogsvloot onder leiding van admiraal Raymond Ames Spruance vanuit de lucht werd bestookt door vele duizenden kamikazes – Japanse zelfmoordeenheden die zichzelf in hun tot de nok toe met explosieven gevulde gevechtsvliegtuigen op de marineschepen van de Amerikanen stortten – veroverden Amerikaanse mariniers, commando’s en infanteristen, op weg naar de vier hoofdeilanden van Japan, Hokkaido, Honshu, Shikoku en Kyushu, met heel veel moeite en ten koste van vele duizenden slachtoffers, eilandje voor eilandje op de Japanners, die van opgeven niet wilden weten.

Het kostte de Amerikanen alleen al twee en een halve maand om het eilandje Okinawa, een eiland ter grootte van Texel, zeshonderd kilometer ten zuidwesten van de vier Japanse hoofdeilanden, te veroveren. Daarbij vielen aan Amerikaanse kant ruim 12.000 doden. Aan Japanse kant waren er maar liefst 110.000 doden te betreuren. Tijdens en na de slag om Okinawa werden er 26.000 Amerikaanse soldaten opgenomen in een psychiatrische inrichting. Oorlog gaat de mens niet in de koude kleren zitten. De Slag om Okinawa werd door de lokale bewoners niet voor niets tetsu no ame genoemd, “regen van staal.”

De Amerikaanse president Truman kon niet langer aanzien hoe Japan ten koste van zo veel jonge Amerikaanse levens op de knieën moest worden gedwongen. De eindoverwinning kon de Amerikanen niet ontgaan, dat was duidelijk slechts een kwestie van tijd, maar hoeveel offers moest de Amerikaanse jeugd nog brengen om die eindoverwinning te behalen? Het was tijd voor het nieuwe onverbiddelijke wapen waar de Amerikanen in het diepste geheim zo hard aan hadden gewerkt: de atoombom.

Nog geen drie weken na de eerste succesvolle ontploffing van een atoombom in de Amerikaanse woestijn van New Mexico wierpen de Amerikanen op 6 augustus 1945 om kwart over acht in de ochtend hun eerste atoombom op Japan. Niemand had de inwoners van Hiroshima verteld over wat hun te wachten stond.

Sepp Sanders kon zich als de dag van gisteren herinneren hoe hij een paar jaar eerder op Koninginnedag voor slechts twee kwartjes een prachtig in zwart linnen gebonden boekje op de vrijmarkt in Amsterdam had gekocht waarin de ooggetuigenverslagen van zes inwoners van de havenstad Hiroshima waren opgetekend, die de Amerikaanse aanval met de atoombom op “het brede eiland” (de Nederlandse betekenis van het Japanse 広島市, Hiroshima) hadden overleefd. Het boekje was in 1946 geschreven door de Amerikaanse journalist John Hersey, die er de prestigieuze Pullitzer Prize mee had gewonnen, en was simpelweg “Hiroshima” getiteld. Sepp Sanders had de hand weten te leggen op de Nederlandse vertaling van meester E. Straat, die in 1947 uitgegeven was door de in Amsterdam gevestigde uitgeverij W. Ten Have N.V.. Vooral het ooggetuigenverslag van de chirurg Terufumi Sasaki had zoveel indruk op Sepp Sanders gemaakt dat hij zich die nog woordelijk kon herinneren:

“Om 7 uur 40 kwam hij in het Hospitaal en meldde zich bij de chef-chirurg. Enkele minuten later ging hij naar een kamer op de eerste verdieping en tapte bloed af uit de arm van een man om een Wassermann-reactie te doen. Het laboratorium met de incubatoren voor de proef bevond zich op de derde verdieping. Met het monster bloed in de linkerhand begon hij in een soort afwezigheid, die hem al de hele morgen bevangen hield, waarschijnlijk tengevolge van de droom en zijn slapeloze nacht, door de hoofdgang te lopen op weg naar de trap. Hij was één stap voorbij een open raam, toen het licht van de bom, als een reusachtige fotolamp, in de gang werd weerkaatst. Hij dook ineen op één knie en zei tegen zichzelf, zoals slechts een Japanner dat doen kan: “Sasaki, gambare!” Wees dapper! Op dat moment – het gebouw was 1250 meter van het centrum verwijderd – scheurde de luchtdruk het Hospitaal open. De bril, die hij droeg, viel van zijn neus. Het buisje met bloed sloeg stuk tegen de muur; zijn Japanse pantoffels floepten van zijn voeten weg – maar overigens was hij ongedeerd, dankzij de plaats waar hij stond.

Dokter Sasaki schreeuwde de naam van de chef-chirurg en snelde naar diens kabinet. Hij trof hem aan, overdekt met glas-snijwonden. In het Hospitaal heerste een gruwelijke verwarring; stevige wanden en plafonds waren op de patiënten neergestort, bedden waren omver gesmeten, vensterglas was naar binnen geblazen en had de mensen gewond, bloed was over de vloeren en tegen de muren gespat, instrumenten lagen overal, vele patiënten holden schreeuwend rond, vele andere waren dood; dokter Sasaki’s patiënt, die hij net had verlaten, en die enkele ogenblikken tevoren vreselijk bang was geweest voor syfilis, was ook dood. Dokter Sasaki ontdekte, dat hij de enige arts in het Hospitaal was, die niet gewond was geraakt.”

Voor Sepp Sanders was zijn fotografische geheugen zo’n vanzelfsprekendheid, dat hij er eigenlijk nooit meer bij stilstond. Slechts weinig mensen in zijn omgeving waren op de hoogte van het feit dat hij in het bezit was van een fotografisch geheugen. Hij kocht er niks voor en het werd meestal tegen hem gebruikt. Als hij bijvoorbeeld een afspraak niet nagekomen was en men op de hoogte was van zijn fotografische geheugen kon hij moeilijk zeggen dat hij de afspraak vergeten was. ‘Maar hoe heb je die afspraak nu kunnen vergeten, Sepp? Je hebt toch een fotografisch geheugen?’ merkte men dan spitsvondig op. ‘O ja, dat was ik even vergeten,’ zei hij dan, waarna meestal een gemeenschappelijk lachsalvo volgde.

Sepp Sanders keek nog eens goed naar de titel van het rapport dat hij in zijn handen hield: “Strategische Verteidigungsinitiative,” met als ondertitel “Initiative zum Aufbau eines Abwehrschirms gegen Interkontinentalraketten.” Het kon toch niet waar zijn dat Duitse kerngeleerden in het diepste geheim de technologie hadden ontwikkeld voor een raketschild dat in staat was om een aanval met atoomwapens af te weren? Technologie die er officieel helemaal nog niet was? Technologie die bij de Amerikanen nog niet eens in de kinderschoenen stond? En dat terwijl het ondenkbaar was dat er een ander land dan de Verenigde Staten in staat zou zijn om een dergelijk raketschild te ontwikkelen.

Sepp Sanders voelde zich duizelig worden. Zou die vervloekte raketingenieur Wernher von Braun hier iets mee te maken hebben gehad? Stonden de namen van Kurt Diebner, Manfred von Ardenne, Otto Hahn en Werner Heisenberg alleen maar voor de sier op de voorste pagina van het rapport? Had de NSDAP’er en Sturmbahnführer van de SS Wernher von Braun de Amerikanen al de jaren dat hij een luxe leventje had geleid in de Verenigde Staten de boel voor de gek gehouden? Waren de nazi’s in het diepste geheim al tijdens de Tweede Wereldoorlog in het bezit geweest van de technologie voor een raketschild? En was die informatie al die tijd hier verstopt geweest, in het hart van de Führerbunker? In een bruin houten kistje dat zich bevond in een geheime nis in de zitkamer van Adolf Hitler? Aan het oog onttrokken door een onzichtbare laag gips?

Sepp Sanders legde het rapport terug in het bruine houten kistje dat naast hem op de zitbank van Adolf Hitler stond en sloot die af met de deksel. Hij stond op van de zitbank. Hij moest hier weg. En snel ook. Hij keek naar de schedel van Mario Bos, die er nog steeds uitzag als een met poedersuiker bestrooide oliebol.

‘Ik ga je verlaten, lieve vriend,’ zei Sepp Sanders tegen de dode Mario Bos.

Om identificatie van Mario Bos onmogelijk te maken ontdeed hij het lichaam van zijn dode kameraad van zijn paspoort en zijn sleutels. Een horloge bleek Mario Bos niet te dragen. Zelfs de aansteker van Mario Bos raapte Sepp Sanders van de grond op, want voor hetzelfde geld was de wegwerpaansteker van Mario Bos er juist één van een exclusieve partij aanstekers die de Aldi slechts in het filiaal van de Aldi aan de Gaaspstraat 41 in de Rivierenbuurt in Amsterdam had verkocht. Of niet, maar Sepp Sanders besloot het zekere voor het onzekere te nemen. Het paspoort, de sleutels en de wegwerpaansteker van Mario Bos stopte Sepp Sanders in de rechter broekzak van zijn uniformbroek.

‘Vaarwel, lieve jongen,’ zei Sepp Sanders en woelde nog één keer door het bepoederde en met bloed besmeurde sluike haar van zijn beste vriend. ‘Ik zal je nooit vergeten, allerliefste Mario. Je lichaam is dan wel dood, maar je liefde en vriendschap zal ik voor altijd in mijn hart blijven dragen.’

Sepp Sanders liet zijn blik nog enkele seconden over het dode lichaam van Mario Bos gaan. Daarna pakte hij het bruine houten kistje op van de zitbank en liep zonder nog één keer om te kijken naar zijn dode beste vriend in de richting van de uitgang van de Führerbunker.

Nieuwe hoofdstukken van dit feuilleton verschijnen elke zondag als eerste op thrillerlezers.nl.

Als terrorisme dichtbij komt

Hoe vaak komt het niet voor dat als er ergens een terroristische aanslag gepleegd is, er in het nieuwsbericht over de aanslag melding wordt gemaakt van de eventuele betrokkenheid van Nederlanders. Ik citeer als voorbeeld de website van de Volkskrant van 4 juni 2017, nadat op zaterdagavond 3 juni 2017 om tien uur ’s avonds lokale tijd op London Bridge drie terroristen met een bestelbusje op voetgangers waren ingereden: “Onder de doden zijn in ieder geval een Canadees en Frans staatsburger, zo hebben de landen bevestigd. Ook bevinden zich Fransen en Australiërs onder de gewonden. Er hebben zich bij het ministerie van Buitenlandse Zaken geen Nederlandse slachtoffers gemeld.”

Nu rijst als eerste vraag of een Nederlander die in Londen het slachtoffer is geworden van een terroristische aanslag zich direct na de aanslag zal melden bij de Nederlandse ambassade (‘Heb je een momentje? Want ik ga eerst even bij de Nederlandse ambassade melden dat ik gewond ben geraakt bij de aanslag op London Bridge. Ik mis twee benen en die dode vrouw daar is mijn echtgenote.’)

De tweede vraag die zich aandient is wat mij betreft veel essentiëler: waarom is een terroristische aanslag schokkender voor de Nederlandse consument van nieuws als er Nederlanders bij betrokken zijn?

Toegegeven: Nederland is in veel opzichten een klein land. Als je niet bang bent om een bekeuring te krijgen rijd je vanaf bijvoorbeeld de westelijk gelegen provinciestad Haarlem met de auto na ruim een flink uur doorscheuren de Duitse grens over.

Het is waar dat er op onze aardbol relatief weinig Nederlanders wonen. Naar boven afgerond bezit slechts 0,23 procent van de wereldbevolking de Nederlandse nationaliteit. Maar we kunnen toch moeilijk beweren dat we alle ruim 17 miljoen Nederlanders persoonlijk kennen? Laat staan dat we ons betrokken voelen bij het lot van al onze landgenoten.

De kans dat één van de eventuele Nederlandse slachtoffers van een terroristische aanslag, waar dan ook ter wereld, juist die ene bekende van jou is, die daar in de buurt verblijft als student, au pair, toerist of als onderbetaalde stagiaire bij een grote corrupte bank is haast verwaarloosbaar. Statistiek liegt niet. Dus waarom altijd die op sensatie beluste preoccupatie met het lot van onze landgenoten?

Wat maakt het werkelijk voor ons Nederlandse individuen uit of de slachtoffers van een terroristische aanslag Nederlanders zijn, of Belgen, of voor mijn part inwoners van Kiribati of Tuvalu? Elk mens dat omkomt bij een terroristische aanslag heeft familie, vrienden en collega’s, die om hem of haar rouwen. Emoties als rouw, gemis en verdriet hebben geen nationaliteit. Zij zijn universeel en daarom inleefbaar en herkenbaar voor iedereen, ongeacht je nationaliteit.

Ik kan me het volgende tafereel zonder moeite voor de geest halen: morgenochtend zit een willekeurig Nederlands echtpaar aan een willekeurige ontbijttafel in een willekeurige woning van ons vaderland.  Zoals elke ochtend leest de man des huizes de krant terwijl zijn vrouw hem een vers kopje koffie inschenkt. ‘Er is een aanslag gepleegd op een vakantieresort in Mali,’ zegt de man om de pijnlijke stilte die zich van zijn huwelijk heeft meester gemaakt te doorbreken. ‘Wat erg,’ zegt zijn vrouw met een stem waar enige geestdrift uitspreekt. ‘Mijn tante uit Marokko is op vakantie op Bali. Nu komt dat terrorisme wel heel dichtbij.’ De man verplaatst zijn blik geïrriteerd van zijn krant naar zijn kopje koffie, naar zijn vrouw. Als het soortelijk gewicht van minachting niet nul zou bedragen zou er nu drie ons minachting op het ontbijtbordje van zijn vrouw zijn gekwakt. ‘Lieve schat, ik zei Mali, niet Bali.’ Om zich een houding te geven loopt zijn vrouw naar de keuken om een zinloze handeling te gaan verrichten. ‘Sorry, lieverd,’ zegt ze half over haar schouder. ‘Ik verstond Bali. Maar Zuid-Amerikaanse landen interesseren mij geen reet. Allemaal maffia.’

Dit verhaal verscheen op 23 juni 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Logboek van mijn ongeluk

Mijn ongeluk gebeurde om 23.30 uur op zaterdagavond 20 mei 2017. Mijn dochter van twaalf heeft sinds vier jaar diabetes type 1. Misschien is je medische woordenschat beperkt en ken je deze handicap alleen onder de naam “suikerziekte.” Ook kan het zijn dat je van mening bent dat diabetes type 1 wordt veroorzaakt door het onmatig consumeren van snoep, taart en mierzoete frisdranken. In dat geval ben je waarschijnlijk per ongeluk op deze site terechtgekomen en raad ik je aan nu te stoppen met lezen. Of nu.

Ondanks het feit dat de slaapkamer van mijn dochter zich op de eerste verdieping van onze woning bevindt, had zij mij een minuut voordat mijn ongeluk gebeurde gebeld met de mededeling dat zij een “hypo” had. Als gevolg van haar lage bloedsuikerspiegel (hypoglykemie) had zij niet de kracht om uit haar bed te komen, de trap af te dalen en de keuken te bezoeken om zichzelf suiker toe te dienen in welke vorm ook. Daarom had zij mij verzocht om haar zo snel mogelijk een glas zoete limonade en een pak crackers te komen brengen, zodat de bloedglucosewaarde in haar bloed zo snel mogelijk tussen de 4 en 5,6 millimol per liter zou bedragen.

Vijf seconden nadat ik de telefoonverbinding met mijn dochter had verbroken, stond ik in de keuken. Vijftig seconden voor mijn ongeluk griste ik een in doorzichtig plastic verpakt dozijn crackers uit een koektrommel die zich op de derde plank van onderen van de antieke massief eiken broodkast bevond.

Veertig seconden voor mijn ongeluk legde ik het pakje crackers links naast de waterkoker op het aanrecht. Ik pakte met mijn rechterhand een groot theeglas uit het keukenkastje boven de gootsteen. Ik  vulde het theeglas voor een kwart met limonadesiroop.

Twintig seconden voor mijn ongeluk lengde ik de limonadesiroop aan met kraanwater. Ik hield het met limonade gevulde theeglas in mijn rechterhand en pakte met mijn linkerhand het pakje crackers van het aanrecht.

Tien seconden voor mijn ongeluk wipte ik met mijn in een sportsok gestoken rechtervoet de deurkruk van de deur die mij naar de eerste verdieping moest leiden naar beneden. Ik liet de deur in een vloeiende beweging naar rechts openzwaaien. Mijn brein registreerde nauwelijks dat het licht in het trappenhuis uit was.

Vijf seconden voor mijn ongeluk zette ik mijn linkervoet op de eerste traptrede van de gestoffeerde trap. Met mijn verstand op nul en met gevulde handen voerden mijn benen mij met de vanzelfsprekendheid van stromend water in de richting van de eerste verdieping. Omdat ik een redder in nood was, besloot ik het tempo van mijn stappen te verhogen.

Twee seconden voor mijn ongeluk schrok ik van het snel naderende silhouet van mijn dochter bovenaan de trap.

Een seconde voor mijn ongeluk stokte ik in de reddingsactie voor mijn dochter met een hypo en deinsde achteruit. Ik begon mijn evenwicht te verliezen. Omdat allebei mijn handen gevuld waren met hulpgoederen, negeerde ik de reflex om naar de trapleuningen te tasten en zo de grip op mijn leven terug te krijgen. Mijn ongeluk had een aanvang genomen.

Op het moment van mijn ongeluk bevond ik mij tussen hemel en aarde. Omdat licht mijn dochter van achteren bescheen, zocht ik tevergeefs oogcontact met een bekend silhouet. Mijn voeten hadden vaste grond verloren.

Wat is een salto mortale waard als je niet weet hoe je val eindigt? Sloeg mijn dochter een hand voor haar mond? Goot ik de limonade als een gillende keukenmeid tegen de gestucte muur van het trappenhuis? Woog het zwevende pakje crackers net zo weinig als het eruit zag in zijn snel veranderende perspectief? Had mijn dochter al een eerste stap gezet op weg naar mijn verlossing? Riep ze mijn naam of noemde zij mij papa?

Met een doffe knal raakte mijn rug de derde traptrede van onderen. Mijn eerste lendenwervel brak zonder geluid in tweeën, waarna mijn lichaam onderaan de trap tot stilstand kwam.

Het geluid van mijn verkrampte schreeuw mengde zich met het vrolijke gerinkel van gebroken glasscherven. Voor ik het wist, streelde het lange haar van mijn dochter mijn voorhoofd. Daarna volgde haar hand haar haar.

‘Papa, gaat het?’ vroeg mijn dochter bezorgd.

Als mijn dochter er niet was geweest, had niemand mij kunnen troosten nadat ik bijna het leven had gelaten bij een ongeluk dat nooit plaatsgevonden had kunnen hebben als het grootste geluk uit mijn leven niet door een ongelukkige ziekte was getroffen.

Dit verhaal verscheen op 20 juni 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.