Shoah

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 30: “ductiel.”

Al jarenlang wachtte ik op de uitgave op DVD van “Shoah,” de indrukwekkende negen uur durende documentaire over de genocide van de Joden door de nazi’s, uit 1985 van Claude Lanzmann.

Op de Vrijmarkt van 2005 trof ik tot mijn verbazing “Shoah” op DVD aan voor een klein bedrag. De DVD was een week uit. Waarom wilde iemand al na een week van deze verpletterende kijkervaring af?

De verkoper: “Mijn zoon is neonazi en ik had gehoopt dat ik hem na het zien van deze documentaire op andere gedachten kon brengen.”

Ik: “En is het gelukt?”

De verkoper: “Nee.”

Ik weet dat “ductiel” op materiële en niet op immateriële zaken betrekking heeft, maar een aangrijpende herinnering laat zich niet dicteren.

Deze 120 woorden verschenen op 24 juli 2017 als eerste op 120w.nl.

John West en de gestolen Picasso (een feuilleton) Deel 14 – De Grote Ontsnapping I, Berlijn (Kerst 1987)

Sepp Sanders voelde zich als herboren nadat hij de drastisch door hemzelf ingekorte mindfulness oefening “De ademfocus” had uitgevoerd. Het rouwproces om zijn beste vriend Mario Bos had hij ergens in zijn systeem geparkeerd. Op een zorgvuldig afgesloten plek, waar hij er geen last van zou hebben bij de uitwerking van de handelingen die hij zou moeten verrichten om heelhuids uit zijn benarde situatie te komen.

Eerste de traptreden op die hem naar de Vorbunker zouden leiden. Linksaf de conferentiezaal van de Vorbunker in. Rechtsachter in de conferentiezaal was de deuropening naar de slaapvertrekken van Helga, Hilde, Helmut, Holde, Hedda en Heide Goebbels.

De arme kinderen. Sepp Sanders besefte opeens dat ze alle zes waarschijnlijk nog geleefd zouden hebben als Duitsland in 1919 niet het slachtoffer was geworden van het voor Duitsland zo vernederende Verdrag van Versailles. Geen wonder dat Adolf Hitler uit dat Sauerkraut Armageddon tevoorschijn was gekropen. Aan de andere kant zou Magda Goebbels nooit als broedmachine van de oversekste “Bok van Babelsberg,” nazi propagandaminister Joseph Goebbels zijn gebruikt als Duitsland de Eerste Wereldoorlog wel gewonnen had. Ach wat, gedane zaken namen geen keer en gekeerde zaken sneden geen hout.

Hij liep het eerste slaapvertrek van de kinderen van Goebbels binnen. Daar stond slechts één stapelbed. Uit zijn linkerooghoek zag hij een verroeste paperclip op de grond liggen. Hij legde het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative” naast de deuropening van het eerste slaapvertrek. Hij boog zich voorover om de verroeste paperclip op te rapen. Terwijl hij het vlammetje van de aansteker in zijn linkerhand brandend hield verboog hij de paperclip op zo’n manier dat het een klemmetje werd dat hij aan zijn aansteker kon bevestigen, zodat de aansteker bleef branden zonder dat hij zijn beurse duim nog langer hoefde te mutileren om het vuur dat zijn avontuur belichtte aan de gang te houden. De brandende aansteker klemde hij in een verbogen scharnier in de deuropening die de twee slaapvertrekken van de Goebbels kinderen van elkaar scheidde.

Zouden Helga, Hilde, Helmut, Holde, Hedda en Heide Goebbels ooit ruzie gemaakt hebben over wie er met wie in welk stapelbed had mogen slapen? Wie er het onderste en wie er het bovenste bed had mogen beslapen? Zou er een roulerend systeem geweest zijn dat alle betrokkenen als eerlijk en rechtvaardig hadden beschouwd? Had Helmut altijd in het slaapvertrek met maar één stapelbed moeten slapen? Omdat hij de enige jongen was? Op het onderste bed? Met boven hem zijn oudste zus Helga, als een soort waakhond? Een soort Duitse herder? Al was Duits herderinnetje in dit geval een betere benaming.

Helmut Goebbels moest natuurlijk streng in de gaten gehouden worden door zijn oudere zus Helga, omdat hij het enige Goebbelskind was geweest dat van het mannelijke geslacht was. Of hadden ze de arme Helmut elke nacht met riempjes vastgebonden aan de spijlen van zijn bed, zodat hij een keurige jongen zou blijven tot de trouwdag die hij nooit zou meemaken?

Het interesseerde Sepp Sanders eigenlijk geen snars. Niet omdat Helga, Hilde, Helmut, Holde, Hedda en Heide nazi kinderen waren geweest en dus geen respect verdienden, men moet een kind nooit de schuld geven van de fouten die hun ouders maken, maar omdat hij zich weigerde druk te maken over zaken waar je toch geen invloed op had. Wat Sepp Sanders betrof vielen veertig jaar geleden vergiftigde nazi kinderen ook onder zaken waar hij geen invloed op had. Zo simpel was dat. De kans was dus groot dat hij zich nu in het slaapvertrek van Helga en Helmut bevond.

Sepp Sanders liep door naar het tweede slaapvertrek waar de verwrongen geraamten van twee stel stapelbedden stonden. De bedden van Hilde, Holde, Hedda en Heide. Vier meisjes die ter dood gebracht waren in opdracht van hun eigen ouders. Nog voordat hun leven goed en wel begonnen was. Wie deed zoiets zijn kinderen aan? Dan moest je wel een nazi zwijn zijn. En dat was precies de juiste omschrijving van de dwergachtige nazi propaganda minister “Bok van Babelsberg” met de horrelvoet als gevolg van de ziekte die in het Duits “Knochenmarkentzündung” genoemd wordt. Een nazi zwijn. Een nazi zwijn dat terecht op de vuilnishoop van de geschiedenis beland was.

Na zijn zelfmoord was Joseph Goebbels amateuristisch slechts voor de helft gecremeerd door zijn naaste medewerkers, omdat de benzine van het Duizendjarige Rijk op was. Een paar dagen later waren de stoffelijke resten van de familie Goebbels op een geheime plaats in het communistische Oost-Duitsland door de Sovjets begraven. In de jaren zeventig werd de Goebbels posse in opdracht van de sovjetautoriteiten alsnog opgegraven, uit angst voor een toekomstige ontdekking van de naamloze nazi-graven door zwakzinnige neo-nazi’s. Ditmaal werd de familie fatsoenlijk gecremeerd, waarna hun as in de rivier de Elbe werd gestrooid. Omdat de Elbe uitmondt in de Noordzee was er een statistische kans dat Sepp Sanders ooit een fragment van de Goebbels familie naar binnen had gewerkt bij het verorberen van een Hollandse Nieuwe. Omdat alleen het idee hem al deed kokhalzen schudde Sepp Sanders deze gedachte snel van zich af.

Sepp Sanders vond dat hij genoeg gemijmerd had en toog aan het werk. Met veel smijt en gooiwerk kreeg hij de twee stapelbedden in het achterste slaapvertrek van de familie Goebbels helemaal uit elkaar. Hij legde de vier spiraalbodems van de twee stapelbedden in setjes van twee naast elkaar op de vloer van het achterste slaapkamervertrek. Daarna sleepte hij de twee setjes spiraalbodems een voor een naar het eerste slaapvertrek van de Goebbels kinderen. Vervolgens trapte hij het stapelbed waarin vermoedelijk Helmut en Helga hun laatste uren hadden doorgebracht aan gort. Daarna legde hij ook van dit stapelbed de spiraalbodems op elkaar. Nu lagen er drie setjes dubbele spiraalbodems klaar om versleept te worden naar de ruimte waarop de meest rechtse luchtfilter uitkwam die voor hem de uitweg uit de Vorbunker moest betekenen.

Sepp Sanders nam de brandende aansteker uit de verbogen scharnier in de deuropening die de twee slaapvertrekken van de Goebbels kinderen van elkaar scheidde en klemde die voorzichtig tussen zijn tanden. Hij moest even uitzoeken wat de beste manier was om de brandende aansteker tussen zijn tanden geklemd te houden. Te veel naar links betekende een brandende wang. Te veel recht naar voren betekende een brandend neuspuntje. Te veel naar rechts betekende een andere brandende wang. Op het moment dat hij de brandende aansteker op gelijke afstand van zijn linkerwang en neuspunt tussen zijn tanden geklemd hield was hij tevreden en boog hij zich voorzichtig voorover om het eerste setje spiraalbodems aan één kant met beide handen op te tillen.

Hij versleepte het eerste setje spiraalbodems via de dinerruimte van de Vorbunker naar de ruimte onder de luchtfilters. In de ruimte onder de luchtfilters aangekomen bestudeerde hij de betonnen wand van de Vorbunker tot aan het plafond waar de gaten van de luchtfilters zichtbaar waren. Zijn bijzondere aandacht ging uit naar meest rechtse luchtfilter, die als enige niet was afgesloten door een ernstig verroeste metalen beschermingskap.

Hij vond een pakje sigaretten in een van de zakken van zijn uniformbroek. Terwijl hij met volle teugen genoot van de giftige rook die door zijn longen gierde bleef hij net zo lang naar de betonnen wand en het plafond van de bunker turen totdat de oplossing voor zijn ontsnapping uit de Vorbunker in zijn gedachten vaste vorm had aangenomen. Hij trapte zijn peuk uit.

Sepp Sanders was binnen enkele minuten terug met de andere twee setjes spiraalbodems. Toen hij het laatste setje spiraalbodems naar de ruimte onder de luchtfilters had versleept zat het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative” weer onder zijn rechteroksel geklemd. Hij legde het bruine houten kistje tegen de achterwand van de hal met de luchtfilters in het plafond. De brandende aansteker nam hij weg tussen zijn tanden en plaatste die rechtop op het bruine houten kistje. Het vlammetje van zijn aansteker toverde opnieuw vluchtige, magische, demonische voorstellingen van Sepp Sanders op de wanden van de bunkerhal.

Binnen een klein half uur had Sepp Sanders een wankele steiger gebouwd die tot vlak onder de opening van de luchtfilter kwam waarvan de opening als enige niet was afgesloten door een ernstig verroeste metalen beschermingskap. Hij klemde zijn brandende aansteker weer tussen zijn tanden en het bruine houten kistje onder zijn rechteroksel.

Sepp Sanders deed enkele stappen achteruit om zijn bouwwerk nog eens goed te bekijken. Zijn blik volgde de route over het bouwwerk dat bestond uit de zes op elkaar gestapelde spiraalbodems van de drie stapelbedden van de zes kinderen van Joseph Goebbels. Zo was die klootzak indirect nog ergens goed voor geweest.

Katachtig beklom Sepp Sanders de ene na de andere spiraalbodem op zijn weg naar de opening in het plafond. Het metaal van de spiraalbodems van de stapelbedden van de Goebbels kinderen maakte kreunende geluiden als van een spoorwagon, die met moeite tot remmen werd gedwongen door zijn machinist, bij het bereiken van zijn eindstation, voor hij zijn inhoud van terdoodveroordeelde onschuldige en uitgeputte joodse burgers op de perrons liet ranselen door goed gekapte sadistische SS’ers, bewapend met steigerende herdershonden en knallende zwepen, voor ze op hun plaats in de optocht op weg naar de hemel werden getrapt en geslagen.

Op het moment dat Sepp Sanders zich vlak onder de opening van de luchtfilter in het plafond bevond stopte hij het bruine houten kistje onder de voorkant van zijn overhemd. De brandende aansteker bleef hij tussen zijn tanden geklemd houden. Hij trok zijn uniformpet strakker over zijn hoofd. Hij keek met een stijve nek omhoog naar de cirkel van blauwe lucht die zijn uitweg uit de bunker van Adolf Hitler betekende. Nog een meter te gaan.

De wanden van de cilindervormige luchtfilter, die eruit zag als een schoorsteen, waren egaal. Er waren geen uitstekende bakstenen of traptreden om je aan vast te houden. Voor Sepp Sanders was de enige manier om de schoorsteen uit te klimmen om in één beweging zijn voeten aan één kant van de luchtfilter plat tegen het stenen oppervlak te krijgen en tegelijkertijd met gestrekte armen zijn handen plat achter zich op de andere kant van de wand van de luchtfilter te plaatsen. Daarbij moest de voorkant van zijn lichaam naar boven gericht zijn. Daarna zou hij al zijn krachten moeten gebruiken om zijn lichaam al trappelend en duwend naar boven te manoeuvreren als een ruim tachtig kilo wegende spin. Als het zou lukken zou niemand hem ooit geloven. Als het zou mislukken lag hij waarschijnlijk met een gebroken nek op de betonnen vloer onder hem.

‘Hey! Ho Let’s go!’ riep Sepp Sanders tegen zichzelf als aanmoediging.

Hij kon even later bijna niet geloven dat het hem gelukt was om binnen vijf seconden bij de rand van de luchtfilter aan te komen door zich als een horizontaal voortbewegende Charlie Chaplin naar boven te harken. Met zijn voeten duwde hij zich met al zijn kracht van de wand van de luchtfilter af, draaide tegelijkertijd zijn lichaam een halve slag om, liet de brandende aansteker vanuit zijn opengeklapte kaken aan een vrije val in de richting van de betonnen vloer van de bunker beginnen (“Gelukkig heb ik de aansteker van Mario Bos nog bij me”), liet zijn beide handen in dezelfde beweging een fractie van een seconde los van de wand achter hem, greep in de eerstvolgende fractie van dezelfde seconde de rand van de luchtfilter met beide handen vast, waarna zijn knieën hard tegen de wand van de luchtfilter sloegen.

Zijn rechterhand glipte even los van de rand van de luchtfilter en een moment lang dacht Sepp Sanders dat hij naar beneden zou storten. Zijn rechterhand vond echter vrijwel direct de rand van de luchtfilter terug. Twee seconden lang hing Sepp Sanders met zijn volle gewicht aan de rand van de luchtfilter. Vervolgens wierp hij met bovenmenselijke inspanning zijn rechterbeen over de rand van de luchtfilter op het dak van de bunker. Met zijn rechterhand trok hij zijn lichaam omhoog, plaatste zijn linkerelleboog over de rand van de luchtfilter, waarna zijn rechterhand genoeg stevig onkruid vond om zijn hele lichaam uit de luchtfilter te trekken. Plat op zijn rug liggend bleef hij met gesloten ogen enkele momenten uithijgen.

Toen Sepp Sanders zijn ogen opende was hij door een oerwoud van distels, fluitenkruid, hondspeterselie en dolle kervel omringd. In de verte hoorde hij herdershonden woest blaffen. Een helikopter van de Oost-Duitse grenswacht, die even later rakelings over de resten van de Führerbunker vloog, veroorzaakte kleine tornado’s van stof en gruis, die Sepp Sanders deden hoesten. Vanuit de wachttoren, die zich op honderd meter afstand in noordelijke richting bevond, klonk het vette gelach van Oost-Duitse grenswachten. Alsof ze net een schunnige mop hadden horen vertellen.

Sepp Sanders draaide zich op zijn buik en spiedde de omgeving af. Nu pas stuitte zijn blik op een propagandaposter aan de Oost-Duitse kant van de Muur met het formaat van twee huizen onder één kap:

“Herrlich liegt die Zukunft vor Uns”

Nieuwe hoofdstukken van dit feuilleton verschijnen elke zondag als eerste op thrillerlezers.nl.

Ik ben een Marsmannetje in het verkeerde lichaam

Je leert je vader pas op waarde schatten als je zelf vader bent.” Ik heb geen flauw idee wanneer ik deze uitspraak voor het eerst heb gehoord. Misschien ving ik de zin op toen ik nog een kleuter was, als een geluidsflard die opklonk uit een groep volwassenen tijdens een verjaardagsvisite, waarbij de aanwezigen zich verveeld afvroegen of ze eerst een slokje van hun lauwe koffie zouden nemen of toch maar een hapje van het muffe puntje slagroomtaart, dat bij voorbaat al de schuld kreeg van het feit dat er ook die dag niet aan de slanke lijn kon worden gedaan.

Het is ook mogelijk dat ik de uitspraak voor het eerst uit de mond van mijn vader heb gehoord, toen we samen ongemakkelijk naast de geopende kist met daarin het zielloze lichaam van mijn opa stonden. Ik moet een jaar of vijftien zijn geweest. Ongemakkelijk omdat mijn oom zojuist tegen mijn vader had gezegd dat hij “als kind niets aan zijn vader had gehad, maar dat het een leuke opa voor zijn kleinkinderen was geweest.”

Ik ben er echter zeker van dat ik de uitspraak “Je leert je vader pas op waarde schatten als je zelf vader bent” de eerste keer nooit begrepen kan hebben. Ik moet de uitspraak geclassificeerd hebben als een opmerking in de orde van: “In Frankrijk zijn wortels duurder dan in Duitsland.

Wat is een vader?

Als je net op tournee bent in dit leven, is een vader voor een zoon als een roadie of een manager voor een rockartiest on the road. Hun aanwezigheid is zo vanzelfsprekend en belangrijk dat je ze pas mist als het podium in elkaar stort tijdens een optreden, of er na het concert in de poptempel van een guur gehucht geen kamer in het lokale hotel blijkt te zijn geboekt.

Dat betekent dat je geneigd bent om ze pas op te merken als er iets misgaat. Het betekent dat ze eerder op je irritatie en woede kunnen rekenen dan op je waardering en respect. Terwijl de mooiste meisjes van de dag met een verrukte blik in hun ogen om je nek hangen en alles aan je willen geven waar de gemiddelde leeftijdgenoot een moord voor zou willen doen, waar hij zeker voor veroordeeld zou worden, is de manager druk aan het onderhandelen over een zakendeal waar vooral jij beter van zult worden en gaat de roadie door zijn rug als hij de line array van de PA begint te ontmantelen.

Als ik een marsmannetje was geweest te midden van allemaal andere marsmannetjes, die aan de vooravond van zijn eerste missie naar planeet Aarde een briefing zou hebben gekregen van een charismatische Marsinstructeur over het fenomeen ‘vader op de planeet Aarde’ en de Marsinstructeur had met zijn aanwijsstok systematisch de kenmerken van een  ‘vader op de planeet Aarde’ op zijn marsiaanse digiboard aangetikt:

Een vader staat als eerste op,
een vader gaat als laatste naar bed,
een vader doet alles beter dan zijn kinderen,
een vader is een wandelende portemonnee,
een vader is een gratis taxichauffeur,
alleen een vader mag vuurwerk afsteken,
een vader wordt nooit betrapt door zijn kinderen als hij de moeder van zijn kinderen neukt,
een vader wint elke ruzie met een vreemde meneer,
een vader laat zich niet belazeren door een ober,
een vader kent de spelregels van elke sport,
een vader heeft altijd gelijk,
een vader liegt nooit en een vader leest heel snel zeer spannende boeken die hij nooit koopt maar altijd gratis uit de bibliotheek haalt, dan had ik alle kenmerken van de ‘vader op de planeet Aarde’ net zo goedgelovig geaccepteerd als ik in werkelijkheid heb gedaan.

Nu ik zelf vader ben, herken ik me in geen enkel opzicht in de voorstelling die ik als kind van een vader had. Ondanks dat ik nooit een DNA-test heb laten doen om absolute zekerheid te verkrijgen over de vraag of ik wel of niet de vader van mijn kinderen ben, moet ik aannemen dat de kinderen waarmee ik onder een dak woon mijn kinderen zijn. Het feit dat mijn zoon qua uiterlijk meer op mijn zwager lijkt dan op mij doet daar niets aan af.

Het gevoel dat ik de rol van vader speel in plaats van dat ik een vader ben laat mij echter nooit los. Als mijn kinderen mij op Vaderdag verrassen met een ontbijtje op bed heb ik altijd het gevoel dat ze aan het verkeerde adres zijn.

Spelen mijn kinderen de rol van dochter en zoon net zo intuïtief als ik de rol van vader speel?

Ik weet bijna zeker dat ik om mijn zoon zal moeten lachen als hij ooit vader zal zijn. Mijn zoon zal ik altijd als mijn zoon zien en niet als een vader, oom of opa. Net zoals ik mijzelf nooit als de vader zal zien die mijn vader is geweest.

Een vader zijn is totaal iets anders dan een vader hebben. Ik ben een marsmannetje in het verkeerde lichaam.

Dit verhaal verscheen op 22 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Aantekeningen bij een Rouwproces

Iedereen draagt de soundtrack van zijn leven bij zich. Er zijn geen apparaten of “oortjes” nodig om naar de liedjes in je hoofd te luisteren, die zich altijd op een juist moment en onaangekondigd laten horen.

Vanmiddag liep ik voor het eerst sinds twee maanden een van mijn favoriete wandelroutes, die zich in het ruim opgezette recreatiegebied Geestmerambacht bevindt, enkele kilometers ten noorden van de provinciestad waar ik woon. Een achterwaartse salto van de trap, om half twaalf in de avond van de twintigste mei 2017, waarbij ik een lendenwervel onder in mijn rug brak, had ervoor gezorgd dat ik de laatste twee maanden aan bed, huis en tuin gekluisterd was geweest. De gekooide tijger was aan beweging toe.

Het was een verademing om op bekende grond te zijn. Alsof vertrouwde natuur dezelfde uitwerking op je gemoed heeft als een goede vriend die je een tijd niet hebt gezien of een koud glas melk nadat je drie maanden in zuivelvrije tropische oorden hebt doorgebracht.

Ik laafde mij ontspannen aan warme zonnestralen op veilig terrein. Opgewonden witgesterde blauwborsten zonder dubbele agenda dartelden van boom naar boom. Joelende kinderen namen een duik in het door een zandafgraving in de jaren zestig ontstane meer “De Zomerdel.” Papa’s en mama’s bespraken te midden van platgetrapte kleine pakjes frisdrank, waaruit vergeten geknakte rietjes staken, ontspannen de mogelijke ingrediënten waaruit de avondmaaltijd van die dag zou bestaan. Bijna gewichtloos afval dwarrelde doelloos in de richting van met bezemkruiskruid en harige wilgenroosjes gevulde bloemperken.

Mijn gedachten verplaatsten zich naar de laatste keer dat ik hier samen met Mathieu wandelde. Mijn beste vriend, wapenbroeder en soulmate, die op 5 juni 2017 om drie uur in de middag een einde aan zijn leven maakte. Tijdens onze onbezorgde laatste wandeling op deze zelfde grond, zo kort geleden nog, tuimelden de woorden van ons gesprek over elkaar heen in een dialoog die voorbestemd leek om nooit te kunnen eindigen.

In mijn hoofd klonken vanmiddag de eerste zinnen van de door Sinéad O’ Connor gezongen en door Prince geschreven wereldhit Nothing Compares 2 U: “It’s been seven hours and fifteen days / Since you took your love away.” En ondanks het feit dat de dood van Mathieu vandaag precies zes weken geleden is en niet “seven hours and fifteen days,” en hij mijn vriend was en niet mijn geliefde, voelde ik het rauwe verdriet dat uit Nothing Compares 2 U spreekt alsof ik het liedje zojuist zelf had gemaakt.

Nu liep ik hier alleen en was van Mathieu alleen een herinnering over die sterker leek dan de geuren die mij omringden. Niets had mij kunnen voorbereiden op de dood van mijn beste vriend. Ik had niet kunnen weten dat zijn liefde, vriendschap en moreel gezag sterker aanwezig lijken te zijn na zijn dood dan tijdens zijn leven.

Tijdens het leven neem je de waarde en de kracht van je vriendschap aan als een vanzelfsprekendheid. De intensiteit van de vriendschap kan komen en gaan. Er is geen haast. Er is geen einde in zicht. De vriendschap heeft de tijd om te sluimeren. De vriendschap heeft de tijd om af en toe een pauze te nemen. De vriendschap is voor altijd.

Na de dood van iemand die veel voor je betekent heeft ontstaat er een heel ander besef van ruimte en tijd waar het de dode betreft. Wat er overblijft is niet “niets”. Wat er overblijft is geen slap aftreksel van een oude werkelijkheid. De energie van een dode geliefde is niet te vangen in een hologram en kan ook geen luchtspiegeling zijn. Het lijkt alsof de vriendschap die je samen hebt gedeeld even sterk blijft, misschien zelfs puurder wordt, maar nu niet meer samen, met zijn tweeën, wordt gedeeld, maar samen alleen.

Zonder twijfel zijn de gevoelens die ik beschrijf hersenspinsels van een rouwende ziel, die in taal probeert te vatten wat het hart niet begrijpen kan.

Als we allemaal een soundtrack van ons leven bij ons dragen, moeten we ook allemaal in het bezit zijn van een bloemlezing, waarin zinnen verzameld zijn die ons nooit los hebben gelaten door de zeggingskracht die ze op een bepaald moment in ons leven voor ons hebben gehad.

In mijn bloemlezing had de eerste zin van de roman Anna Karenina van de 19de-eeuwse Russische romanschrijver Lev Tolstoj niet mogen ontbreken: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Maar na de dood van Mathieu zou ik de zin willen veranderen. Ik zou het woord “gezin” willen vervangen door “mens“: “Alle gelukkige mensen lijken op elkaar, elk ongelukkig mens is ongelukkig op zijn eigen wijze.” En daarna zou ik nog een laatste wijziging aan willen brengen die de oorspronkelijke zin onherkenbaar maakt: “Alle mensen lijken op elkaar.”

Ik ben ervan overtuigd dat iedereen op zijn levensweg geluk en ongeluk tegen zal komen. Ik denk dat geluk en ongeluk veel minder elkaars tegenpool zijn dan we meestal aannemen.

Geluk en ongeluk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geluk heft ongeluk niet op. Ongeluk heft geluk niet op. Geluk en ongeluk zijn completerend.

Dit verhaal verscheen op 19 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Bill Clinton feliciteert Peter Mabelus met Pizzaprijs!

https://www.youtube.com/attribution_link?a=BwF-Z_rrAbY&u=%2Fwatch%3Fv%3DRgZgTSyEHO0%26feature%3Dshare

Peter Mabelus, die vorige week tot pizzakoerier van het jaar is uitgeroepen in Eritrea, ontving vandaag in het Amstel Hotel in Amsterdam de daarbij behorende sculptuur uit handen van zijn goede vriend en voormalig president van de Verenigde Staten van Amerika Bill Clinton.

Peter Mabelus verscheen te laat voor de prijsuitreiking, omdat het vliegtuig waarin hij zat gekaapt werd door leden van IS. Peter Mabelus wist de kapers na een korte schermutseling te overmeesteren.

In eerste instantie ontving Bill Clinton Peter Mabelus ietwat koel en afstandelijk (vanaf 2 minuut 20 in de film) omdat volgens Bill Clinton “Peter Mabelus hem beloofd had dat Bill Clinton de eerste persoon zou zijn die eens lekker door Peter Mabelus overmeesterd zou worden.”

John West en de gestolen Picasso (een feuilleton) Deel 13 – Rouwproces, Berlijn (Kerst 1987)

Het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative,” met als ondertitel “Initiative zum Aufbau eines Abwehrschirms gegen Interkontinentalraketten,” hield Sepp Sanders onder zijn rechteroksel geklemd toen hij in paniek de zitkamer van Adolf Hitler uitrende. In zijn linkerhand hield hij de brandende aansteker om zijn vlucht uit de Führerbunker bij te lichten Op de drempel, die Hitler’s zitkamer van Hitler’s kantoor scheidde, struikelde hij over een van de tafelpoten die van de tafel uit de zitkamer afgebroken was toen Mario Bos in zijn blinde woedeaanval de tafel tegen de achterwand van de zitkamer van Adolf Hitler aan stukken gesmeten had.

Vloekend en huilend en struikelend en tierend zeilde Sepp Sanders door het kantoor van Adolf Hitler de conferentiezaal van de Führerbunker binnen. Hij stoethaspelde bijna uit de bocht toen hij rechtsaf de entreehal van de bunker binnenstormde. Enkele seconden later vloog hij door de deuropening van de Führerbunker naar buiten, de hal voor de Führerbunker in, en stopte zijn vlucht abrupt op het moment dat hij een enorme steek in zijn borst voelde. Precies op de plek waar hij meende dat zijn hart zat. Het vlammetje van zijn aansteker had de orkaan doorstaan en toverde vluchtige, magische, demonische voorstellingen van Sepp Sanders op de wanden van de bunkerhal.

Was nu het moment aangebroken dat hij de prijs moest betalen voor zijn onbezonnen trip naar de hel? Waarom had hij gedacht deze “practical joke” uit te moeten voeren? Had hij zijn gezonde verstand gebruikt bij het plannen van deze missie of was het een verkapte manier om zelfmoord te plegen? Niet elke koketterie met zelfdestructie loopt uit op een anekdote. Roekeloosheid was niet hetzelfde als moed. Dat had Aristoteles al vijfhonderd jaar voor de geboorte van Jezus Christus verwoord in het concept “de gulden middenweg.” En iedereen wist: Aristoteles was niet van lotje getikt.

Godverdomme, wat had hij een pijn in zijn borst!

Waarom had juist hij, Sepp Sanders, van alle miljarden dwazen in de wereld, het idee opgevat om de Führerbunker te bezoeken? Sepp Sanders vond zichzelf niet stoer of grappig meer. Hij vond zichzelf nu met voorsprong de grootste malloot van de twintigste eeuw. Er was niets om trots op te zijn. Wat was de waarde van de vondst van het bruine houten kistje met daarin een rapport dat informatie leek te bevatten over een raketschild dat alle kernwapens in de hele wereld in één klap overbodig zou maken als hij straks doodging aan een hartaanval en het bruine houten kistje met wereldschokkende inhoud inclusief zijn beste vriend Mario Bos binnen enkele maanden voor eeuwig bedolven zouden zijn onder een dikke laag DDR-cement?

Sepp Sanders stond op het punt om een hartaanval te krijgen. Misschien was de hartaanval al bezig en werd op ditzelfde moment een aorta van een hartkamer gescheurd? Hoe moest dit verdergaan? Hij kon moeilijk zichzelf reanimeren.

In de hal, waarin zich links van Sepp Sanders de trap bevond die de verbinding vormde tussen de Führerbunker en de Vorbunker, bleef Sepp Sanders staan om op adem te komen. Zou hij hier sterven aan een hartaanval? Hij kon nog vrij helder nadenken, dus hij leefde nog. Waarschijnlijk zat zijn aorta nog vast aan zijn hartkamer. En een hartstilstand had hij ook niet gehad want hij kon nog ademen. Zijn handen liet hij voorovergebogen op zijn knieën rusten. Het bruine houten kistje hield hij nog steeds onder zijn rechteroksel geklemd. In zijn linkerhand bleef het vlammetje van de gasaansteker toveren met licht.

Sepp Sanders kon bijna geen lucht krijgen. De pijn in zijn borst hield aan. Was het dan niet zijn hart dat de pijn veroorzaakte, maar iets anders. Waren het zijn longen?

Zijn longen voelden onmachtig als een fietspomp op een houten plankje waarvan de pompslang van de pompstang is losgeschoten, zonder dat de verwoed doorpompende pomper het doorheeft. En dan maakt het voor de pomp niet meer uit of de pompslangnippel verstopt is of niet. Voor de pompende pomper trouwens ook niet. Het is voor allebei compleet waardeloos.

Was hij aan het hyperventileren? Zo slecht was zijn conditie toch niet? Wat was hyperventileren ook alweer? Teveel of juist te weinig zuurstof? Het zou wel te weinig zijn, want hij had het Spaans benauwd. Of werd die uitdrukking slechts gebruikt als je in paniek was? Dat moest hij toch eens gaan uitzoeken als hij dit oordeel overleefde.

Had zijn plotselinge benauwdheid iets met de dood van zijn beste vriend Mario Bos te maken? Zat hij ergens aan het begin van de vijf fases van rouw? Hoe zat het ook alweer? Ontkenning, boosheid, een gevecht of uitdaging aangaan, depressie en aanvaarding.

Sepp Sanders kon moeilijk ontkennen dat Mario Bos dood was. De onnatuurlijke houding waarin Mario Bos in het midden van de zitkamer van Adolf Hitler leek te hangen. Met een tafelpoot die via zijn linkeroog meer dan tien centimeter diep zijn schedel binnengedrongen was. Het bebloede hoofd dat eruit zag als een met poedersuiker bestrooide oliebol. Er was geen tijfel over mogelijk dat Mario Bos dood was.

Met die boosheid had hij fase twee ook gelijk gehad, want de woede op zichzelf over de dood van Mario Bos was grenzeloos. Waarschijnlijk was zijn woede er mede de oorzaak van dat hij eerst dacht dat hij een hartaanval kreeg of een hartstilstand had en daarna dat hij hyperventileerde of een klaplong had. Zou dat zijn benauwdheid verklaren? Een klaplong? Waarschijnlijk niet, want hij had niks horen klappen.

Fase drie was een gevecht of uitdaging aangaan. Nu moest Sepp Sanders even diep nadenken. Een gevecht had hij niet gehad en was hij ook niet van plan aan te gaan. Vechten was voor domme mensen en aangezien hij niet dom was loste hij zijn problemen altijd met zijn slimheid en verbale gaven op. Maar een uitdaging aangaan? Dat had hij toch net gedaan? De Führerbunker bezoeken. Hij had zelfs een grote schat uit de bunker meegenomen. Een schat die het dreigende vooruitzicht van een compleet door kernwapens verwoeste wereld misschien voor altijd weg zou nemen.

Een nieuwe uitdaging aangaan? Hij moest er even niet aan denken. Ja, deze bunker en de zone des doods heelhuids verlaten. Snel de doorgang in de Muur passeren, de Mohrenstrasse uitlopen, zijn uniform verwisselen voor zijn trainingspak achter het vierkanten transformatorhuisje in het kleine verlaten parkje dat aan de kruising van de Mohrenstrasse en de Otto Grotewohlstrasse lag en vervolgens via de Friedrichstrasse richting Checkpoint Charlie en de rest. Vrijheid! Toekomst! Maar ook zou hij de confrontatie met de nabestaanden van Mario Bos aan moeten gaan. Daar was geen ontkomen aan. Hoe zou de vriendin van Mario Bos, Suzan Vanderbergh, reageren?

Fase vier. De depressie. Hij voelde zich kut. Hij zou zich wel altijd kut blijven voelen over de dood van Mario Bos. Kut was een duur woord voor depressief, nu hij Mario Bos de dood in had gedreven met zijn roekeloze avontuur. Vanzelfsprekend! Het was niet Sepp Sanders geweest die de tafelpoot meer dan tien centimeter diep de schedel van Mario Bos had ingejaagd. Maar hij voelde zich wel verantwoordelijk. En dus kut. Uh… depressief.

Gelukkig waren er genoeg medicijnen tegen depressies. Flink veel sporten, niet te diep nadenken, af en toe te veel drinken en veel leuke dingen doen met leuke mensen, zoals een strandwandeling met de buren of op kraamvisite bij een ex. Al kon hij de laatste twee activiteiten beter schrappen van zijn lijstje “Dingen die ik moet doen als ik depressief ben,” want anders zou hij depressief worden van zaken die hij had kunnen vermijden in plaats van minder depressief worden van zaken die je moet doen. Even begreep hij zijn gedachtegang niet meer, maar daarna gelukkig weer wel.

De laatste fase van rouw was de makkelijkste: acceptatie. Dat klonk goed. Omdat hij voorlopig toch nog door de vier andere fases heen moest gaan zou hij de acceptatie voorlopig maar laten voor wat hij was. Hij had voorlopig genoeg te rouwen aan zijn hoofd. Dus als hij het goed begrepen had zat hij nu, nog geen half uur nadat Mario Bos dood was, al ergens tussen fase drie en vier in. Dat rouwen ging eigenlijk best heel snel.

Zweet droop van zijn voorhoofd, neus en kin op de betonnen vloer van de hal. Zweet stroomde via de achterkant van zijn nek over zijn rug. Hij hoorde zijn natte overhemd zuigende geluiden op zijn rug maken. Zijn benen trilden zo erg dat het leek of hij aan het tapdansen was.

‘Je moet ontspannen, Sepp Sanders! Je moet ontspannen!’ riep Sepp Sanders tegen zichzelf. Hij hoorde het geluid van zijn bibberende, schreeuwende stem weergalmen tegen de muren van de lege betonnen hal.

‘Het is nu noodzaak dat je kalm blijft! Je hebt zojuist je beste vriend verloren! Dat gebeurt niet elke dag! En bovendien is het min of meer jouw schuld, Sepp Sanders! Met je malle obsessie om op de dag voor Kerstmis 1987 de Führerbunker te gaan bezoeken!’

Sepp Sanders ging rechtop staan. Hij verplaatste de brandende aansteker van zijn linker naar zijn rechterhand. Daarna pakte hij met zijn linkerhand het bruine houten kistje onder zijn rechteroksel vandaan, hief zijn armen wanhopig in de lucht alsof hij een God aanriep waarin hij niet geloofde, sloot zijn ogen en schreeuwde de longen uit zijn lijf van ellende en verdriet.

‘Mario! Mario Bos! Het spijt me! Het spijt me zo ontzettend! Mario! Mario!’

Tranen stroomden over de bezwete wangen van Sepp Sanders. Met gebalde vuisten bleef hij de afwezige Almachtige aanroepen, waarbij hij tot zijn schrik de aansteker in zijn rechterhand een moment uit liet gaan en daarna weer ontstak. Had hij het gevoel dat de ziel van Mario Bos zich ergens boven hem bevond en hem op de een of andere manier kon horen, of zelfs zien? Hij wist het niet. Dat krijg je er nu van als je een agnostisch atheïst was. Het had net zoals alle zaken in het leven zijn voor en nadelen. Maar zelfs als de ziel van Mario Bos hem kon horen of zien, en hij was ervan overtuigd dat zoiets onmogelijk was, zouden er geen woorden bestaan die Mario Bos vergeving konden vragen om wat er gebeurd was. Vergeving was onmogelijk. De dood van Mario Bos was onherroepelijk.

Het dode lichaam van Mario Bos bevond zich enkele tientallen meters achter hem.

Verdomme! De wachttoren! Opeens dacht hij aan de wachttoren! Daar moest hij ook nog langs! Toen ze op weg naar de Führerbunker waren aangesproken door de Oost-Duitse grenswachten in de wachttoren was Sepp Sanders verstijfd geweest van angst en schrik. Mario Bos had hen gered door zich in een opwelling om te draaien en de Hitlergroet uit te brengen. De Oost-Duitse grenswachten waren na enige aarzeling in luid gelach uitgebarsten. En nu zou Sepp Sanders alleen onder dezelfde wachttoren door moeten lopen. Alleen! En dat terwijl alle Oost-Duitse grenswachten in koppels liepen!

Hoe moest hij verklaren dat hij alleen terug kwam lopen uit de richting van de Führerbunker? Alle Oost-Duitse grenswachten leken vanuit de verte op elkaar. Ze hadden eigenlijk allemaal de bouw en leeftijd van Sepp Sanders en Mario Bos. Ze waren allemaal blank en de meesten hadden een vrij atletisch postuur. Slechts een enkele Oost-Duitse grenswacht had het postuur van een michelinmannetje in een te krap uniform.

Hoe konden de leiders van het communisme immers toestaan dat de beschermers van het arbeidersparadijs in het Oosten, waar de idealen van een gezond lichaam, hard werken, soberheid en saamhorigheid hoog in het rode vaandel werden gevoerd, zich volpropten met zionistische vette worsten, die zo vet waren dat als je er een hap van nam een fontein van gesmolten vet in een halve cirkel uit je mond sproeide? Volgens de logica van deze grote rode roergangers, de spirituele nazaten van Karl Marx – die trouwens aan zijn uiterlijk te zien te beroerd was om een eenvoudige kapper een paar centen te laten verdienen door eens een keer naar de kapper te gaan in plaats van bibliotheken onveilig te maken door zijn met goedkope sigaren geparfumeerde ragebol in andermans boeken te steken – was dergelijk gedrag toch voorbehouden aan kapitalistische zwakkelingen uit het tot op het bot geperverteerde Westen? Parasiterende schoften die op een kans loerden om op het juiste moment in en uit de varkenscyclus te stappen en zichzelf hadden geprogrammeerd om enkel hun lusten te volgen, naar boven te likken, naar onderen te trappen en zo veel mogelijk lichaamsgassen met veel theater uit de krochten van hun vleesklomp te laten ratelen, suizen en knallen. Zweterige vleesklompen die nauwelijks een blik konden opvangen van de buitenwereld doordat hun oogleden opgezwollen waren van de obesitas, die ze van hun ouders hadden geërfd zodat ze er niets aan konden doen en zich volgoten met eindeloze hoeveelheden bier, emmers bier, sloten bier, tsunami’s aan bier, waar je kop pimpelpaars van werd, je hersens van verweekten, je zorgvuldig aangeleerde remmingen van verdwenen, zodat je gedrag liederlijk, onsmakelijk en gênant werd?

Sepp Sanders besefte opeens dat hij zich wel heel erg liet meeslepen door zijn woede, die zonder twijfel veroorzaakt werd door de dood van Mario Bos. Hij voelde zich opeens heel duidelijk een gevalletje twee in de vijf fases van rouw.

Hij moest zichzelf wel weer onder controle zien te krijgen, want hij was nog maar aan het begin van de moeilijke terugweg naar huis. Als hij zichzelf nu niet kon vertrouwen wie moest hij dan vertrouwen? Mario Bos was dood. Sepp Sanders stond er helemaal alleen voor. Hij kon alleen maar zichzelf vertrouwen vanwege het simpele feit dat hij alleen was. Er was niemand anders. Of je moest dat sadistische addergebroed meerekenen dat ook nog beweerde dat het communisme wetenschappelijk was! ja, het communisme was volgens de heldere lichten uit het oosten een wetenschap en geen ideologie! Oeps, daar ging hij weer. Krankzinnig worden was wel het laatste wat hij zich nu kon permitteren.

Sepp Sanders was ooit een keer met een vriendinnetje mee geweest naar de eerste les van een cursus mindfulness omdat het gratis was. Omdat hij een fotografisch geheugen had kon hij zich de ademhalingstechnieken die hem toen waren aangeleerd feilloos reproduceren. Het was alsof de vrouw die de training destijds had gegeven naast hem stond. Hij kon haar in gedachten weer voor zich zien. Hij was alleen haar naam even kwijt. Sepp Sanders barstte in lachen uit. Daar had hij zichzelf mooi voor de gek gehouden! Tanja Zalmstra natuurlijk!

De oefening had “De ademfocus” geheten. “Zoek een ruimte waar je ongestoord, gedurende een twintigtal minuten, kunt oefenen. Je kunt blijven staan waar je staat. Je houding: rechte rug, je hoofd omhoog,  alsof er aan je kruin een touwtje zit dat je naar het plafond trekt, kin iets ingetrokken, handen losjes langs je lichaam. Een fiere houding, met eventueel een klein glimlachje rond de lippen.”

Dat van die twintig minuten sloeg hij over, want hij had meer te doen. Na drie keer diep ademhalen was Sepp Sanders klaar.

‘Zo, ik ben Ghanezen, dames en heren! Ik ben maar liefst drie volwassen Ghanezen! Mindfulness is het beste ghaneesmiddel dat er is!’

Nadat Sepp Sanders uitgelachen was klemde hij het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative,” met als ondertitel “Initiative zum Aufbau eines Abwehrschirms gegen Interkontinentalraketten,” stevig onder zijn rechteroksel en stapte kordaat en ontspannen in de richting van de trap die hem naar de Vorbunker zou leiden. De brandende aansteker bevond zich weer in zijn linkerhand.

Met de energie van Mario Bos voor altijd in zijn hart ging Sepp Sanders op weg naar de verwrongen geraamten van de drie stel stapelbedden van de familie Goebbels. Sepp Sanders had geconcludeerd dat hij alleen met de hulp van de stapelbedden van de familie Goebbels een bouwwerk in elkaar kon zetten waarlangs hij veilig door de meest rechtse luchtfilter van de Vorbunker naar buiten kon klimmen. De juiste luchtfilter, die eruit zag als een schoorsteen,  was de luchtfilter waarvan de opening als enige niet was afgesloten door een ernstig verroeste metalen beschermingskap. Laatste ezelsbruggetje: de luchtfilter bevond zich extreem-rechts.

Nieuwe hoofdstukken van dit feuilleton verschijnen elke zondag als eerste op thrillerlezers.nl.

De Vieze Vuile Flikker

Eduard verveelde zich dood op de receptie die ter gelegenheid van de bruiloft van zijn homoseksuele broer Gert gehouden werd in een luxe eetcafé ergens in de Jordaan.

Gert ging met Erik trouwen. Inderdaad, Erik is een mannennaam. Toch was Erik een vrouw. Erik kwam van moderne ouders, dat is wel duidelijk.

Eduard snapte zijn broer niet. Waarom met een vrouw trouwen als je homoseksueel bent? Hij had deze vraag zijn broer, waarmee hij op intiem vriendschappelijke manier omging, vaker voorgelegd. Gert antwoordde dan dat seks slechts een zo miniem onderdeel uitmaakt van een succesvolle en bevredigend verlopende relatie, dat het feit dat hij toevallig homoseksueel was, en Erik toevallig een vrouw, van niet doorslaggevende betekenis was voor het welslagen van hun huwelijk. Bovendien was Erik zijn beste vriendin en beste maatje. Waarom zou hij dan een ander trouwen?

Ja, zo had Eduard het nooit bekeken. Misschien zat hij wel vastge­roest in conservatieve en traditionele denkpatronen over de huwelijkse staat en intimiteit en liefde in het algemeen.

‘Maar een goede relatie moet toch gebaseerd zijn op bevredigende, spannende en gezonde seks,’ had Eduard wel eens tegen zijn broer geopperd.

Gert had toen ontdeugend naar hem geknipoogd, hem zachtjes met zijn elleboog aangestoten en op samenzweerderige toon verkondigd dat ‘zijn gordijnen goed sloten en dat zijn fantasie zeer groot was.’ Eduard had er niets van begrepen maar had toch instemmend blozend aarzelend geknikt. Wat had Gert nu bedoeld?

Eduard keek de receptieruimte eens rond. Hij nam de aanwezigen een voor een op. ‘Niet veel soeps,’ dacht hij. ‘Ouwe lullen en tuthola’s.’

Hij nam nog een sherry van een met wit damast beklede tafel, zijn vierde glas al die middag. Hij hield niet van sherry. Maar uit een bepaald soort balorigheid hield hij het vandaag bij deze bittere wrange drank.

Een schuchtere jongensachtige ober kwam verlegen langs met een zilveren schaal vol bitterballen. Eduard nam een bal van de schaal, deed hem ineens, helemaal, in zijn mond.

‘Verdomme!,’ vloekte hij hard binnensmonds en onverstaanbaar, toen hij de bal, die zijn tong en mondholte verbrand had, woest in een snel van het blad weg geraapt papieren servetje uitspuwde.

Een knappe donkerblonde vrouw van een jaar of dertig, gekleed in een strakke donkerrode jurk met laag uitgesneden decolleté, knipoogde geil naar hem.

‘Nou, nou,’ zei ze zwoel, ‘wat een temperament.’

‘Sorry, mevrouw, maar die bitterbal was ook zo heet,’ sprak Eduard verontschuldigend.

‘Over heet gesproken. Ik ben een mejuffrouw hoor,’ fluisterde de femme fatale en likte haar lippen als in slow motion nat.

Eduard was te gepreoccupeerd met het betasten van zijn bezeerde tong om aandacht aan de dame te schenken.

‘Jij bent een koele kikker,’ zei de vrouw met quasi verleidelijke neergeslagen blik.

‘Pardon?,’ vroeg Eduard, die nu pas weer aandacht had voor deze plots opgedoemde vrouw.

‘Dat je tegen mijn opwindende taal kunt.’

‘Hoezo opwindend?’

Eduard betastte peinzend nogmaals zijn verbrande tong en zocht naar een plaats waar hij zijn in het papieren servetje uitgespuwde bitterbal kon dumpen.

‘Een heel erg koele kikker,’ hijgde de vrouw. Ze kirde even verlei­delijk, tuitte haar lippen en wreef haar kont per ongeluk tegen het kruis van Eduard.

Eduard slokte zijn sherry weg, nam een nieuw glas sherry van een langsko­mend blad en staarde verveeld naar buiten. Herfst.

‘Wat ben je heerlijk onbeleefd, wonderboy,’ kreunde de vrouw in het rood hees.

‘Onbeleefd?,’ vroeg Eduard afwezig.

‘Heel onbeleefd, stouterd. Je hebt niet gevraagd wat ik wil drinken. Ik lust ook wel een sherry.’ Ze wierp hem een brutale handkus toe.

‘Sorry, neem deze maar. Ik haal wel een andere,’ zei Eduard en wilde uit ongeïnspireerde beleefdheid op zoek gaan naar nog een glas sherry.

De vrouw hield hem aan zijn jasje vast.

‘Doe geen moeite. We drinken dit glas wel samen leeg,’ zei ze.

Er viel een stilte.

‘Ik denk dat ik er maar eens vandoor ga,’ zei Eduard, die het wel gezien had op de receptie van zijn broer Gert en diens verse echtgenote Erik.

‘Your place or mine,’ snurkte de wulpse voluptueuze dame haast.

‘Wablief?,’ zei Eduard.

‘Heb je zin om met me mee te gaan?,’ vroeg de dame in het rood terwijl ze hem strak aankeek.

‘Dat is goed.’

‘Waar woon je?,’ vroeg ze glimmend van verlangen, opwinding, lust en een vette huid.

‘In de Jacob Obrechtstraat.’

‘Ik woon in de Beethovenstraat.’

‘Dat komt dan goed uit. Dan kunt u mij op weg daar naar toe afzetten.’

‘Pardon?’

‘Afzetten in de Jacob Obrechtstraat. Daar woon ik. Dat vroeg u mij toch?’

‘Nou ja zeg, wat ben jij voor een botte hufter?’

‘En net vond je me nog een weet ik veel, wonderboy.’

‘Rot toch op, sukkel. Vieze vuile flikker,’ zei de prachtige vrouw en draaide zich resoluut om. Zonder nog een woord te zeggen liep ze weg, zonder met haar kont te draaien of te zwaaien.

‘Vieze vuile flikker?,’ mompelde Eduard. ‘Volgens mij verwart u mij met mijn broer.’ Maar de vrouw hoorde hem al niet meer. Zij stond nu verderop te slijmen tegen een kalende kantoorpik. Die gratis lift was hem mooi door zijn neus geboord.

Eduard ging op zoek naar zijn volgende sherry en een lift voor straks.

Dit verhaal verscheen op 15 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.