Mijn correspondentie met de edelmoedige Arnon Grunberg

Arnon Grunberg verdiept zich in porno | De Morgen

In mei 1994 verscheen de debuutroman ‘Blauwe Maandagen’ van Arnon Grunberg (1971) bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

De schrijver Ronald Giphart (1965) was een van de eersten die het boek recenseerde. In zijn recensie in ‘Het Parool’ van 6 mei 1994, getiteld ‘Dit is geen zelfmoord, alleen maar wurgsex’ kwam Giphart superlatieven tekort om het boek de hemel in te prijzen: “Het is onvermijdelijk dat in een recensie een boek tekort wordt gedaan. Ik zou over ‘Blauwe Maandagen’ nog veel meer willen vertellen, over hoe onvoorstelbaar puntig het boek is, hoe wijs, maar ook hoe grappig. Ik moet het helaas houden bij de steekwoorden ‘droomdebuut’, ‘Librisprijs 1995’ en ‘allemaal lezen’.”

Op grond van de recensie van Giphart werd Arnon Grunberg uitgenodigd voor de talkshow van Sonja Barend, die op 14 mei 1994 opgenomen en uitgezonden werd. De nog zo jonge Grunberg stal met zijn ontwapenende optreden bij Barend de harten van veel televisiekijkers. ‘Blauwe Maandagen’ stond wekenlang op 1 in de bestsellerlijsten, herdrukken van het boek waren niet aan te slepen. In 2020 staat de teller op 40 drukken en de vertaalrechten van ‘Blauwe Maandagen’ werden aan veel landen verkocht. Het boek won de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut.

Ik was een van de vele bewonderaars van het werk van Arnon Grunberg en probeerde alles van zijn hand te verzamelen, een onmogelijke missie gezien het grote aantal zeldzame, vaak dure en in kleine oplagen gedrukte bibliofiele uitgaven die van zijn hand verschenen.

We maken een sprong in de tijd. Het is 2011 en de literaire productie van Arnon Grunberg begint het tempo van de Franstalige Belgische veelschrijver Georges Simenon te benaderen. Het regent literaire prijzen rondom Grunberg en hij levert met name aan het begin van deze eeuw het ene na het andere meesterwerk af.

Als spel om te kijken hoe diep de lezer in de buidel wil tasten voor nieuw werk van Grunberg worden er werken aangeboden tegen licht astronomische bedragen. Zo werd het toneelstuk ‘Onze Paus’ (2007) slechts in een oplage van 69 exemplaren gedrukt en te koop aangeboden voor maar liefst 2000 euro. Sommige toneelstukken, zoals ‘De Hollanders’ in 2011, werden wel opgevoerd, maar nooit in boekvorm gepubliceerd.

Over mijn zoektocht naar deze laatstgenoemde werken, ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’, gaat dit stukje. Tweeduizend euro voor een toneelstuk; ik was niet arm en ik was niet rijk, maar met een huishouden dat bestond uit mijzelf, mijn vrouw en vier jonge kinderen kon ik het mij niet veroorloven om 2000 euro neer te tellen voor een toneelstuk in boekvorm. Aangezien ik ook de tekst van ‘De Hollanders’ in mijn bezit wilde krijgen, terwijl de tekst van dat toneelstuk nooit in boekvorm verschenen is, moest ik mij wel tot De Meester zelf wenden.

Grunberg schreef in die tijd (2011) elke dag een blog in het Engels op zijn website arnongrunberg.com en het was mij opgevallen dat hij vrijwel altijd reageerde op de opmerkingen van zijn lezers. Dit was de manier om contact te leggen met Arnon Grunberg. Op 12 februari 2011 besloot ik het eerste contact met Grunberg te leggen naar aanleiding van zijn blog ‘Funeral hall’:

2011/02/12 Amsterdam

Funeral hall

“What should I say?” I asked my mother.
“Say nothing,” my mother answered, “just shake their hands.”

Two hours after my arrival at Amsterdam Airport I accompanied my mother to a funeral parlor.
The husband of a good friend of hers had passed away.
A woman at the front desk asked us: “And what can I do for you today?” (My father was buried in Jerusalem; I do not recall any funeral hall. Jews like to bury their dead as quickly as possible.)

Inside the chapel a lady introduced herself to me three times in a row.
I saw an attractive young woman.
A man said to me: “We went to the same high school.”

Nabokov presumably said that “Lolita” was the record of his love affair with the English language.
I should write a record of my love affair with the funeral hall.

Om 23:04 uur, 12 februari 2011, besloot ik te reageren:

burning love

Would that be a story about burning love, or one that comes to a grinding halt?

said Peter Mabelus 12/02/2011 23:04.

Al na 36 minuten kwam Arnon Grunberg met een reactie:

Peter,

A story about among other things the funeral parlor itself, its employees etcetera.

said Arnon Grunberg 12/02/2011 23:40.

Mijn beleefde reactie 8 minuten later:

burning love revisited

Arnon,
It could be ‘Fawlty Towers’ in a Grunbergesque setting. I’m looking forward to it.

said Peter Mabelus 12/02/2011 23:48

Nadat ik gedurende een aantal maanden een vertrouwelijk contact met Arnon Grunberg had gelegd besloot ik mijn kaarten op 5 oktober 2011 om 23:09 uur ’s avonds op tafel te leggen. Mijn inzet was de tekst van de toneelstukken ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’ in bezit te krijgen. Ik had niet de illusie dat Grunberg mij gratis de boekuitgave van ‘Onze Paus’ zou toesturen (vraagprijs: 2000 euro), met een pdf-bestand of een Word-document zou ik tevreden zijn. Zoals eerder vermeld was de tekst van het toneelstuk ‘De Hollanders’ nooit gepubliceerd, dus was ik gedwongen om Arnon Grunberg direct te benaderen als ik de tekst in mijn bezit wilde krijgen:

Give us your work!

Dear Arnon,

You have a close following of readers of your work and the things you do. Why not make it easier to get access to the text of, for example, ‘De Hollanders’ and ‘Onze Paus’, than get it through expensive or impossible means? Is their a way? I would be very interested. Thanks and keep up the good work.

said Peter Mabelus 05/10/2011 23:09.

Arnon Grunberg reageerde 90 minuten later:

Peter,

‘Our pope’ is for sale. The text of my play ‘De Hollanders’ is not (yet) for sale. Please, be patient.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 00:39.

De volgende ochtend stuurde ik om 9:11 uur mijn antwoord:

Arnon,

I will be patient, but 2000 euros for a play is not an amount I can afford being a teacher with a family to take care for. Maybe you can send it to me as a gift, me being a big fan of your work since the old days.

said Peter Mabelus 06/10/2011 09:11.

Ruim een uur later kwam het antwoord van Grunberg:

Peter,

How much are you willing to invest?

said Arnon Grunberg 06/10/2011 10:28.

Mijn smeekschrift begon ruim twee uur later duidelijk vorm te krijgen:

Arnon,

I am willing to invest in my loyalty to buy your work as long as I can afford it. I don’t think I should invest in a gift.

said Peter Mabelus 06/10/2011 12:55.

Weer vier uur later kwam het bevrijdende antwoord:

Peter,

Please, contact Johannes (Johannes van Dam was in die tijd de persoonlijk secretaris/assistent van Grunberg) and I’m sure he will send you a pdf. No strings attached.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 16:56.

Mijn opwinding en blijdschap was groot. Ik stuurde om 20:07 uur een mail naar Johannes van Dam:

Geachte Johannes,


Arnon heeft mij via zijn blog vandaag toegezegd de tekst van Onze Paus
en eventueel ook De Hollanders als pdf-bstand toe te sturen. Ik ben
dankbaar en vereerd. Zou jij mij de teksten toe kunnen sturen? Ik ben in
blijde verwachting. Bij voorbaat dank.

Vriendelijke groet,

Peter Mabelus

Een bedankje naar Arnon Grunberg om 20:17 uur:

Dear Arnon,

Thank you so much for your sincerity and kindness. I sent a mail to Johannes in Dutch and can’t wait to read your work.
I wrote a comment on your site on the publication of ‘De Mensendokter’. Now I know you truly are one.

said Peter Mabelus 06/10/2011 20:17.

De volgende dag ontving ik om 12:44 uur een mail van Johannes van Dam met als bijlagen de toneelteksten van ‘Onze Paus’ als pdf-bestand en ‘De Hollanders’ als Word-document:

Beste heer Mabelus,

Hierbij de tekst van ‘Onze Paus’.

Gelieve dit bestand niet te verspreiden.

Hartelijke groet,

Johannes

Beste heer Mabelus,

Hierbij ‘De Hollanders’.

Gelieve ook niet te verspreiden.

Hartelijke groet,

Johannes

Ik bedankte Johannes van Dam in een mail en besloot mijn queeste met een dankwoord aan Arnon Grunberg op zijn website:

Good luck and thanks

Dear Arnon,

Today I received Johannes’s copies of the plays. Thank you very much. I will read them, not exploit them. Til the next time, with kind regards.

Peter

said Peter Mabelus 11/10/2011 01:15.

Mijn toenmalige vriendin liet de tekst van het toneelstuk ‘De Hollanders’ in een luxe eenmalige gebonden editie drukken door Uitgeverij Chassis uit Rhenen. In de jaren die volgden kreeg ik de prachtige bibliofiele uitgave van ‘Onze Paus’ cadeau van een lezer. De digitale versies van ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’ staan op een roodkleurige usb-stick in de vorm van een hartje die zich in een kluis op een geheime locatie bevindt.

Mijn ontmoetingen met de beste literaire journalist die Nederland ooit gekend heeft: Michael Zeeman

Als je in 2020 een stukje wilt schrijven over je ontmoetingen met de beste literaire journalist die Nederland ooit gekend heeft, Michael Zeeman (1958-2009), moet je ervan uitgaan dat niet al je lezers weten over wie je het hebt. Veel van mijn lezers zijn studenten en scholieren, die geen weet hebben van het fenomeen Michael Zeeman.

Ook wil ik hier opmerken dat ik eigenlijk geen twee ontmoetingen met Zeeman heb gehad, maar slechts een. Ons tweede treffen had meer iets weg van een haast spookachtige verschijning van Zeeman. Er was geen oogcontact, geen gesprek, ik voelde slechts een onheilspellende dreiging in de lucht hangen en ervoer de vondst van een pikzwarte fisherman’s hat op straat als een omen van de gebeurtenissen die nog moesten komen.

Ik kende Zeeman allereerst van de geweldige stukken die hij schreef voor ‘de Volkskrant’ (1991-2002). Eerst in de hoedanigheid van ‘Chef Kunst’. Na ernstige interne conflicten bij de krant werd hij weggepromoveerd naar de functie ‘redacteur van het Boekenkatern’. Daar zou hij tot grote bloei komen en onder andere het vertrouwen winnen van de kluizenaar en wellicht beste Amerikaanse schrijver van de laatste honderd jaar Philp Roth (1933-2018).

Later in de jaren negentig begon Michael Zeeman zijn televisieprogramma ‘Zeeman met boeken’, dat op de zondagochtend werd uitgezonden van 1995 tot 2002. In zijn programma liet Zeeman zien het hele oeuvre van degene die hij interviewde uiterst zorgvuldig te hebben gelezen. Hij stelde de beste vragen, soms heel technisch, soms heel persoonlijk. Zelfs de meest gesloten en zwijgzame schrijver moest zich overgeven aan de idolatrie en eruditie die Zeeman tentoonspreidde en liet het achterste van zijn tong zien. Het waren topinterviews en topdialogen. Er was haast sprake van liefde tussen interviewer en geïnterviewde. Elk interview leek ook een beetje over Michael Zeeman zelf te gaan.

Het enige gesprek dat ik met Michael Zeeman voerde vond rond het middaguur plaats op een zomerse dag in 2007. Ik werkte destijds als docent filosofie en geschiedenis op een middelbare school in het hart van Amsterdam. De school, die ik niet bij naam zal noemen, zou vlak na mijn vertrek in 2010 ten onder gaan aan een serie fatale affaires. Allereerst was daar het feit dat twee populaire mannelijke docenten maatschappijleer en economie hun handen niet thuis bleken te kunnen houden bij hun vrouwelijke mentorleerlingen, die vaak niet ouder dan een jaar of vijftien waren. Omdat de avances van de twee op diverse sociale media was vastgelegd bleek hun aanblijven al snel onhoudbaar. De school kwam verder in een slecht daglicht te staan omdat de remedial teacher op regelmatige basis harddrugs bleek te verkopen aan leerlingen. Vlak na haar arrestatie hing zij zich op in haar gevangeniscel. Zo komt boontje om zijn loontje. Vervolgens was daar nog een asbestaffaire; bij een renovatie van het schoolgebouw bleken hele karrevrachten asbest vrij te zijn gekomen, wat verzwegen werd door mijn directeur, een gefrustreerde lilliputter, die altijd gekleed ging in afzichtelijke kinderkleding, die ze bij de Zeeman en de Wibra placht te kopen. Tot slot bleken diverse docenten tegen forse betaling van de ouders van leerlingen complete werkstukken voor leerlingen te schrijven, zodat ze maar aan een diploma konden komen. Ik had op een zieke en corrupte school gewerkt.

Ik ben altijd blij geweest dat ik in die tijd blijkbaar intuïtief gevoeld heb dat de school waar ik werkte een immorele poel des verderfs was. Omdat ik was vertrokken voordat de stront de ventilator raakte kon ik mijn goede naam behouden.

Ach, het leven als docent op een middelbare school. Ik werd regelmatig knettergek van de drukke en ongeïnteresseerde leerlingen, die de les als het verlengstuk van de pauze zagen en hun mobiele telefoon als het verlengstuk van hun arm, het eeuwige gezeik aan mijn kop van mijn directeur over wat ik wel moest doen en niet moest doen in mijn lessen. Het was overduidelijk dat mijn baas niet kon accepteren dat er knappe en populaire docenten zoals ik op de school werkten, waar zij noch professioneel noch qua uiterlijk en populariteit aan kon tippen.

In de pauzes haastte ik mij altijd naar buiten om het dagelijkse gekwek van mijn collega’s over de uitzending van ‘De Wereld Draait Door’ van de avond tevoren te ontvluchten. Net buiten het schoolplein, aan de rand van de *gracht haalde ik dan een frisse neus door met smaak een sigaret te roken. Waar ik vervolgens ook commentaar van mijn directeur op kreeg. Het mag duidelijk zijn dat ik in die tijd van mijn hobby nog niet mijn werk gemaakt had.

Op een dag kwam Michael Zeeman aanlopen in het gezelschap van twee volgelingen. Hij liep voorop en keek onderzoekend naar het bordje waar de naam van de school op stond. Ik zei tegen Michael Zeeman: “Hier studeert de intelligentsia van morgen!” Zeeman riposteerde: “Dan kom ik morgen wel weer terug.” Een gevatter antwoord van de grootste intellectueel van Nederland had ik niet kunnen verwachten en glimlachend keek ik Zeeman met zijn volgelingen na, die hun tocht over de zuidelijke oever van de *gracht vervolgden. Even later klonk de bel voor de volgende les: vwo-leerlingen uitleggen wat de kennistheorie van de Pruisische filosoof Immanuel Kant (1724-1804) inhoudt; een paradigma in de filosofie.

De tweede en laatste “ontmoeting” met Michael Zeeman vond plaats aan het begin van een zonnige ochtend in de zomer van 2008 in de Getreidegasse, een van de grootste winkelstraten van de prachtige Tiroolse stad Salzburg, in het noorden van Oostenrijk, aan de zuidkant van de rivier de Salzach.

Mijn trouwe lezers weten dat ik de meeste dagen van mijn leven als een kluizenaar doorbreng in het Toscaanse gehucht Gombitelli, Frazione di Camaiore om aan mijn alsmaar uitdijende oeuvre te schrijven. De stad Salzburg is voor mij altijd de vaste tussenstop als ik van Nederland naar mijn Italiaanse huis reis of vice versa.

Voordat ik de reis naar mijn Toscaanse huis zou hervatten wilde ik eerst een pakje sigaretten kopen in de Getreidegasse. Het toeval wilde dat ik op weg naar de tabakswinkel overvallen werd door een hevige aandrang om een toilet te bezoeken. Ik liep net langs het geboortehuis van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), het Mozarthaus aan de Getreidegasse 9 (een van de grootste toeristische trekpleisters van Salzburg) en besloot daar snel naar binnen te gaan, omdat ik van vorige bezoeken aan het geboortehuis van een van de grootste muzikale genieën uit de geschiedenis van de mensheid precies wist waar het toilet zich in het gebouw bevond.

Ik had even later mijn broek nog niet laten zakken of, maar dat begrijp je wellicht wel. Uit kleine boxjes die in het plafond van het toilet weggewerkt waren klonk het ‘Requiem’, de beroemde dodenmis van Mozart. Omdat mijn ouders mij in mijn jeugd hadden gehersenspoeld met klassieke muziek kon ik het deuntje van Mozart luid meezingen: “Lacrimosa dies illa qua resurget ex favilla judicandus homo reus” (“Onze-Lieve-Vrouw van Smarten stijgt op uit de as om beoordeeld te worden”).

Ja, Mozart valt niet te ontwijken in Salzburg: van chocoladelikeur tot T-shirt, van kookwekker tot pennenhouder en van golfbal tot de ook niet te ontwijken chocoladeronde Mozartkugeln die per exemplaar in gouden folie zijn gewikkeld, het is Mozart wat de Mozartklok (vanaf 20 euro in de goedkoopste plastic versie) slaat in Salzburg. De webwinkel op de site van het Mozarthaus telt alleen al 67 pagina’s aan Mozart gerelateerde handelswaar.

Een paar minuten later stond ik weer buiten in de Getreidegasse en vervolgde mijn tocht naar de tabakswinkel. Als ik die dag het toilet in het Mozarthaus niet bezocht zou hebben had de tweede “ontmoeting” met Michael Zeeman niet plaatsgevonden. Zo ziet u maar, Mozart heeft niet voor niets geleefd.

Op het moment dat ik enkele minuten later met een slof sigaretten de tabakswinkel in de Getreidegasse verliet zag ik een spiksplinternieuwe glimmende zwarte fisherman’s hat op de grond voor mij liggen. Ik zakte door mijn knieën om de fisherman’s hat van de grond te rapen. Mijn aandacht werd tegelijkertijd getrokken door een man die verwilderd en gehaast op mij af kwam lopen. Het was Michael Zeeman. Hij droeg een pak, maar zijn overhemd hing uit zijn broek, zodat hij er niet bepaald als een heer uitzag. Zijn blik schoot haast paniekerig langs de gevels van de huizen aan de Getreidegasse.

Hoe kan ik uitleggen dat de vondst van het glimmend zwarte hoofddeksel op het moment dat Michael Zeeman in mijn blikveld verscheen mij de rillingen over de rug deden lopen? Had het te maken met de gitzwarte kleur van het hoofddeksel dat ik in de Getreidegasse van de grond raapte? Was de kleur zwart immers niet de kleur van de dood? Had ik even tevoren niet het ‘Requiem’ van Mozart op het toilet van het Mozarthaus horen klinken? Het leek alsof ik de aanwezigheid van de aankondiging van een naderende dood in de lucht voelde trillen. Was het de vroegtijdige dood van Wolfgang Amadeus Mozart? Ging het om mijn eigen dood? De dood van Michael Zeeman? De dood van iemand anders? Even later was de grootste literaire journalist van Nederland aller tijden voorbij en stak de Hagenauerplatz over op weg naar nieuwe avonturen.

Later bleek dat de dood Michael Zeeman op de hielen zat. Binnen een jaar na zijn verschijning in Salzburg werd hij als 50-jarige begraven op de Algemene Begraafplaats Crooswijk aan de Kerkhoflaan in Rotterdam. Michael Zeeman overleed op 27 juli 2009, een maand nadat er bij hem een agressieve hersentumor werd geconstateerd.

Ergens las ik dat in de gang van zijn woning in Rome zijn ingepakte koffers klaarstonden om mee te worden genomen naar het ruimere appartement dat hij in Berlijn zou gaan bewonen. In plaats van een enkeltje Berlijn werd Michael Zeeman getrakteerd op een enkeltje hiernamaals.

Mijn ontmoeting onder 4 ogen met Henny Vrienten

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, een muziekinstrument bespelen, de tekst 'berbera.n'

Ik herinner het mij als de dag van gisteren, maar het spannende verhaal dat ik jullie ga vertellen vond plaats aan het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw, op de kruising van het Rokin en de Langebrugsteeg in Amsterdam, vlakbij het Ruiterstandbeeld Koningin Wilhelmina.

Ik stond te wachten op het moment dat ik het Rokin over kon steken, met mijn fiets aan de hand, toen Henny Vrienten, voorman van de in Nederland wereldberoemde band Doe Maar, naast mij tot stilstand kwam om hetzelfde te doen.

Op het moment dat wij dachten dat we konden oversteken werden we afgesneden door een enorme vrachtwagen van de Aldi die naar rechts afsloeg. Henny Vrienten maakte verontwaardigd oogcontact met mij en zei: ‘Nou, nou.’

Ik knikte en zei: ‘Ja, het is wat.’

Hoe ik de kolossale fouten uit ‘De Amerikaanse prinses’ van Annejet van der Zijl liet verwijderen (en daar niets voor terugkreeg)

Annejet van der Zijl - Wikipedia

Afgelopen week las ik een bericht in de krant waarin te lezen stond dat de voorbereidingen voor de productie van een grote internationale televisieserie gebaseerd op de bestseller (meer dan 200.000 verkochte exemplaren) ‘De Amerikaanse prinses’ van Annejet van der Zijl begonnen zijn. Het lezen van dit bericht deed mij pijn, omdat het mij terug deed denken aan de grote literaire affaire waarin ik vlak na het uitkomen van het boek, aan het einde van 2015, verzeild was geraakt.

Op 24 april 2017 voelde ik dezelfde pijn toen bekend werd gemaakt dat Joop van den Ende de filmrechten van ‘De Amerikaanse prinses’ had gekocht. In het persbericht werd geen melding gemaakt van het bedrag dat Joop van den Ende aan Annejet van der Zijl had overgemaakt. Dat het om een bedrag van zeven cijfers moet zijn gegaan lijkt me geen wilde gok.

Wat was er in de laatste maand van 2015 precies gebeurd tussen Annejet van der Zijl en mij dat ik sindsdien door een gevoel van teleurstelling overvallen werd zodra ik haar naam hoorde vallen? Op het schoolplein, als ik mijn kinderen in de ochtend naar school bracht. In de rij voor de kassa van een supermarkt. Op het moment dat ik haar boek in de handen van een vliegtuigpassagier zag, die aan de andere kant van het gangpad in het vliegtuig zat op weg naar Kathmandu, waar ik research ging verrichten voor mijn roman ‘Kathmandu Hipsters’, steeds opnieuw werd ik overvallen door een gevoel van diepe teleurstelling in mijn collega Annejet van der Zijl. Als ik een stapel ‘Amerikaanse prinsessen’ zag liggen in de lokale AKO wist ik niet hoe snel ik mijn hoofd af moest wenden om niet weer geconfronteerd te worden met die afschuwelijke literaire affaire van december 2015.        

De literaire affaire tussen mij en Annejet van der Zijl was als volgt begonnen. Als groot liefhebber van het werk van Annejet van der Zijl had ik ‘De Amerikaanse prinses’ al op de dag van publicatie gekocht en gelezen. Het had mij verbaasd dat er enkele grote fouten in de tekst stonden. Vooral verbazingwekkend als je achterin het boek het leger aan researchers vermeld ziet staan dat haar geholpen heeft bij de totstandkoming van het boek. Ik voelde mij geroepen om Annejet van der Zijl te wijzen op de fouten in haar boek, zodat die in de eerstvolgende druk van het boek gecorrigeerd zouden kunnen worden.

Op de website van Annejet van der Zijl las ik: “Per post is Annejet te bereiken via het postadres van de uitgeverij, per mail via Sefanja Nods op onderstaand contactformulier.”

Via Google kwam ik er al snel achter dat Sefanja Nods al sinds de jaren negentig – beiden werkten destijds bij HP/De Tijd – vriendin is van Annejet van der Zijl. ‘De Amerikaanse prinses’ is zelfs aan Sefanja Nods opgedragen.

Ik stuurde een mail naar Sefanja Nods om Annejet van der Zijl te bereiken:

24 dec. 2015 om 10:04 heeft petermabelus@ het volgende geschreven:

Beste Annejet van der Zijl,

Ik heb genoten van je prachtige boek ‘De Amerikaanse prinses’. Als historicus vielen mij echter een paar storende fouten op:

Op pagina 105 van de tweede druk van ‘De Amerikaanse prinses’ (e-book) heb je het in het hoofdstuk “Hondengevecht” over de “bolsjewistische Februarirevolutie” in het Rusland van 1917. De Februarirevolutie was echter een volksopstand, die niets met de bolsjewieken van Lenin te maken had. Van een bolsjewistische revolutie is pas sprake in oktober 1917, al zijn de meeste historici het er tegenwoordig over eens dat je  de Oktoberrevolutie van 1917 beter een communistische staatsgreep dan een revolutie kunt noemen.

Op pagina 184 van jouw boek dateer je de “Anschluss”, het opgaan van Oostenrijk in Nazi-Duitsland, in 1936, waar dat 1938 moet zijn. Deze verstoring van de chronologie ondermijnt de loop van het verhaal en laat de lezer in verwarring achter.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

Datum : 27/12/2015 09:28

Aan: petermabelus@

Onderwerp : correcties

Beste Peter,

Namens Annejet dank voor je vriendelijke mail en je correcties zijn inmiddels naar de drukker gestuurd. Jouw correcties worden doorgevoerd in de volgende druk.

Met vriendelijke groet,

Sefanja Nods

27 dec. 2015 om 13:52 heeft petermabelus@ het volgende geschreven:

Beste Sefanja,

Ik neem aan dat ik nu ook in het dankwoord, achter in het boek, van de volgende druk kom te staan. Het is me namelijk opgevallen dat er aan het einde van boek vele tientallen mensen worden bedankt voor het uiteindelijke welslagen van het boek. Het zou toch een kleine moeite voor Annejet van der Zijl zijn om mijn naam daar tussen te zetten? Bovendien zou het getuigen van fatsoen en mijn loopbaan als schrijver een enorme “boost” kunnen geven.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

27 dec. 2015 om 17:10 heeft Sefanja Nods het volgende geschreven:

Beste Peter,

Nou, dat zou toch echt te weinig eer zijn. Haha, ik denk wel dat Annejet haar volgende boek aan jou zal opdragen, hoor.

Groetjes, Sefanja

Verstuurd vanaf mijn iPhone

27 dec. 2015 om 18:23 heeft Peter Mabelus het volgende geschreven:

Beste Sefanja,

Of haar volgende boek over mij zal schrijven? Mijn biografie op petermabelus.com levert genoeg stof voor een nieuwe bestseller.

Ik snap niet zo goed wat er te lachen valt, Sefanja. Het is toch een kleine moeite voor Annejet van der Zijl om een biografie van mij te schrijven. Zij doet niet anders. Dat is goed voor haar winkeltje en goed voor mijn winkeltje. Vergeet niet dat Annejet van der Zijl slechts de zorg heeft te dragen voor een hond en een man en ik samen met mijn geliefde vier kinderen aan het opvoeden ben, als ik niet in mijn werkkamertje achter de wasruimte op de vliering zit te schrijven.

Ik kan ook een gesigneerd exemplaar van “De Amerikaanse prinses” (met correcties) op komen halen in Bergen. Ik woon in Alkmaar. Dat is voor mij een kwartiertje fietsen. En dan op de thee om over schrijven en geschiedenis te kletsen. Of over haar hond, als ze dat prettiger vindt.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

Daarna heb ik niets meer van Sefanja Nods of Annejet van der Zijl gehoord.

Misschien voelt Annejet van der Zijl na het lezen van dit stukje wroeging over de manier waarop zij mij (niet) behandeld heeft. Dat kan ik mij heel goed voorstellen. Ik wil genoegen nemen met het spelen van de rol van prins Bernhard in de aanstaande verfilming van ‘De Amerikaanse prinses’.

Als het zover komt ga ik niet net als prins Bernhard elke dag beginnen met een pijpje Heineken Bier. Zou het mogelijk zijn dat het flesje Heineken Bier eerst wordt geleegd in de gootsteen, daarna grondig wordt gereinigd onder de kraan en vervolgens wordt gevuld met Ginger Ale of Goudappeltje? Op die manier hoeft de historische werkelijkheid geen kwaad te worden aangedaan. Ik denk dat je inmiddels wel begrijpt dat ik aan het laatste zeer veel waarde hecht.

Hoe het leven 1 zin kan hebben

Als je altijd in het hier en nu leeft, heb je het eeuwige leven, want vroeger is dood en de toekomst bestaat niet, in het hier en nu mag je blind vertrouwen op een kloppend hart en ademende longen, omdat alles wat leeft niet wil sterven, alles wat leeft wil vitaler worden, alles wat leeft wil zich voortplanten en zodra we de natuur zijn gang niet meer laten gaan, zoals bij het fokken van nertsen, het uitroeien van mensapen en het met siliconen opvullen van ijdele vrouwen, die net als al het andere wat leeft op weg zijn naar de dood, die voor alles wat leeft de uiteindelijke beloning van een voortdurend leven in het hier en nu zal zijn.

120w.nl. Schrijfthema voor week 46: beloning

5 sterren recensie: “De liefde verdampt in het schrijfproces”

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon

Hoe ik liefde vergat te geven is een bundel met verhalen die doorweekt zijn met passie, seks, alcohol, drugs en zoveel meer. De auteur slaagt in zijn opzet om de verhalen zonder franjes, zowaar plastisch en bombastisch in je schoot te werpen. Hoe meer tastbaar de situaties, de verhoudingen, de personages zijn, des te meer kwam de liefde niet echt bovendrijven. De titel had dit effect op mij toen ik deze voor de eerste keer las. Peter Mabelus’ verhalen voelen precies aan alsof hij ze gedistilleerd heeft uit hun diepere betekenis. De liefde is als het ware verdampt in het schrijfproces.

De bundel is uniek samengesteld, met net voldoende verhalen. Ze zijn zo evenwichtig geplaatst, dat het voelt alsof ze daar gewoon altijd hun plek hebben gehad. De gesprekken met Peter Mabelus zijn volgens mij de literaire lijm die deze verhalen doen samenkleven.

In sommige verhalen wordt de sekse van het hoofdpersonage expliciet weggelaten. Hier geeft de auteur ruimte aan de lezer om zelf te bepalen hoe relevant het geslacht precies is. Zo denk ik als lezer ook harder na over welk gedrag precies als mannelijk of als vrouwelijk bestempeld kan worden. Hier speelt de auteur in op de interpretatie van de lezer, wat ik bijzonder knap vind.

De maatschappijkritische verhalen werken bij mij diverse gevoelens los: verwarring, kwaadheid, gejaagdheid, spanning, angst, blijheid, … Ecologie, dierenleed, wanhoop, dagdromen, psychische kwetsbaarheid, verslaving, …: geen enkel thema blijft overeind in deze verhalenbundel.
Op het eerste gezicht komt het op een subtiele, behapbare wijze binnen. Als je verder leest zit je recht middenin de spanning en geladenheid. Dit gaf mij een comfortabel gevoel, ik voel me door elk verhaal telkens opnieuw automatisch aangesproken.

De verhalen eindigen abrupt, waardoor het bij mij iedere keer blijft kleven. Vooraleer je jezelf kan afvragen hoe het verder zou gaan, zit je – hup- al in het volgende verhaal.
Deze verhalenbundel is een niet te missen ervaring voor lezers die houden van spanning & afwisseling met een flinke dosis erotiek en sensualiteit.

De verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ van Peter Mabelus krijgt van mij dan ook vijf sterren!

Johan Jetten op Hebban.nl, 10 november 2020

Hoe mijn zoon Nobelprijswinnaar Svetlana Alexijevitsj een lesje leerde

Op 8 oktober 2015 werd in Stockholm bekendgemaakt dat de Nobelprijs voor de Literatuur 2015 toegekend zou worden aan de Wit-Russische onderzoeksjournalist Svetlana Alexijevitsj (1948). Het was de eerste keer dat de meest prestigieuze literaire prijs ter wereld aan een journalist werd toegekend. Vanzelfsprekend waren er in het verleden genoeg schrijvers bekroond die naast hun literaire werk ook als succesvol journalist werkzaam waren geweest, je kunt hierbij denken aan de Nobelprijswinnaar voor de Literatuur 1954 Ernest Hemingway, die al op 18-jarige leeftijd furore maakte als journalist voor de ‘The Kansas City Star’. Hemingway heeft talloze literaire meesterwerken geschreven naast zijn journalistieke werk, maar dit kan niet gezegd worden van  Svetlana Alexijevitsj.

Waarom heeft de Wit-Russin de Nobelprijs voor de Literatuur dan in godsnaam gekregen? Volgens het comité kreeg ze de Nobelprijs “voor haar meerstemmige werk, een monument voor lijden en moed in onze tijd”. Haar werk wordt “meerstemmig” genoemd omdat Alexijevitsj haar boeken in de vorm van “oral history” schrijft; mensen vertellen hun verhaal zonder tussenkomst van een verteller. Alexijevitsj schrijft de interviews die ze afneemt volledig uit, knipt de tekst van de interviews vervolgens in stukken en plakt ze daarna aan elkaar, zodat er een lopend verhaal ontstaat. Als je dat goed doet wil ik dat gerust goede journalistiek noemen, maar met literatuur heeft het niets te maken.

Het mag duidelijk zijn dat de redenen die het comité van de Nobelprijs gaf om  Svetlana Alexijevitsj de Nobelprijs voor de Literatuur toe te kennen op list en bedrog gebaseerd zijn: journalistiek is geen literatuur en “oral history” is ouder dan de weg naar Rome.

Net als bij de toekenning van praktisch alle andere Nobelprijzen voor de Literatuur die aan schrijvers uit de (voormalige) Sovjet-Unie in het verleden toegekend zijn is hier sprake van een politieke keuze om de machthebbers van Rusland (en in het verleden de Sovjet-Unie) voor joker te zetten. Had Poetin immers niet precies een jaar eerder tot grote ontzetting van de hele beschaafde wereld via een eerlijk verlopen volksreferendum het Oekraïense schiereiland de Krim door Rusland laten annexeren? En dan hebben we het nog niet eens gehad over de ramp met de MH17 later datzelfde jaar, waarbij 298 mensen omkwamen, waaronder 193 Nederlanders. Tot grote woede van het Westen heeft Rusland altijd geweigerd de verantwoordelijkheid te nemen voor deze ramp. Daarom was het in 2015 de hoogste tijd om Rusland te straffen door middel van het toekennen van de Nobelprijs voor de Literatuur aan iemand die in bijna al haar werk voor Rusland zeer gevoelige onderwerpen aansneed in haar journalistieke werk: Svetlana Alexijevitsj.

De journalist Svetlana Alexijevitsj schreef journalistieke boeken die over onderwerpen gaan die taboe zijn of extreem gevoelig liggen in het Kremlin: de kernramp in Tsjernobyl van 1986, die in eerste instantie ontkend werd door Sovjetleider Gorbatsjov; de afschuwelijke manier waarop de jonge en vaak ernstig getraumatiseerde veteranen uit de Sovjet-Afghaanse oorlog (1979-1989) na thuiskomst werden behandeld, of vaak niet werden behandeld. Het enorme debacle van de Sovjet-Afghaanse oorlog wordt terecht vaak vergeleken met de voor de VS desastreus verlopen Vietnamoorlog die haar dieptepunt beleefde rond 1970.

Voor het comité van de Nobelprijs voor de Literatuur was de verleiding te groot om Rusland een lesje te leren door de journalist Svetlana Alexijevitsj tot Nobelprijswinnaar uit te roepen. Rusland gedist en geprovoceerd, Svetlana Alexijevitsj 900.000 euro rijker.

Het was niet de eerste keer dat Rusland of de Sovjetunie door het comité van de Nobelprijs voor de Literatuur werd geprovoceerd. De eerste keer dat een Russische schrijver de Nobelprijs voor de Literatuur won was in 1933. Het ging om Ivan Boenin, een in zelfgekozen ballingschap in Frankrijk verblijvende schrijver die de communistische Oktoberrevolutie “bloedige waanzin” noemde en in 1925 het boek “Vervloekte dagen” schreef over de eerste acht jaren van de Sovjet-Unie.

In 1958 werd de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend aan de Russische schrijver, dichter en componist Boris Pasternak. Het Kremlin beschouwde de prijs als een “politieke daad tegen de Sovjet-Unie”. In eigen land lag de auteur vanwege zijn literaire werk zwaar onder vuur. Pasternak kreeg geen toestemming van de Sovjet-autoriteiten om de prijs te aanvaarden. Onder het bewind van Michail Gorbatsjov kreeg hij eerherstel. In 1989 werd hem de Nobelprijs postuum alsnog uitgereikt. Zijn zoon Jevgeni nam de prijs namens hem in ontvangst.

In 1970 was het de beurt aan Aleksandr Solzjenitsyn. Hij kreeg de prijs “voor de ethische kracht waarmee hij de onmisbare tradities van de Russische literatuur nastreefde”. Het was vanzelfsprekend geen toeval dat het meeste werk van Solzjenitsyn niet in de Sovjet-Unie had mogen verschijnen. Beroemde uitzondering op deze regel is het boek ‘Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj’, waarin over de goelag werd geschreven (de term ‘goelag’ wordt gebruikt voor de enorme hoeveelheid straf- en werkkampen in de Sovjet-Unie, die vooral in Siberië te vinden waren en waar gedurende enkele decennia miljoenen mensen stierven). Het boek had onder het bewind van de later afgezette Sovjetleider Chroesjtsjov mogen verschijnen. Een bewind dat onder meer gekenmerkt werd door het afkeuren van het stalinistische terreurbewind en een culturele dooi tot gevolg had die het publiceren van boeken mogelijk maakte van schrijvers die eerder als “staatsgevaarlijk” werden beschouwd en vaak in de goelag of psychiatrische inrichtingen verdwenen.

In 1987 werd de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend aan de Russisch dichter Joseph Brodsky. Brodsky werd in 1964  wegens ‘parasitisme’ veroordeeld tot vijf jaar dwangarbeid. In 1972 werd hij gedwongen de Sovjet-Unie te verlaten.

De enige Russische schrijver die en de Nobelprijs heeft gewonnen en een lakei was van het Sovjet-bewind was Michail Sjolochov die de prijs in 1965 kreeg “voor de artistieke kracht en de integriteit waarmee hij, in zijn epos van de Don, uitdrukking heeft gegeven aan een historische fase in het leven van het Russische volk”. Het is ironisch dat Sjolochov in de winter van zijn leven juist met betrekking tot zijn boek ‘De stille Don’ te maken kreeg met beschuldigingen van plagiaat.

We kunnen concluderen dat behalve in het geval van Sjolochov alle laureaten uit Rusland en de Sovjet-Unie de prijs vooral kregen om het Kremlin in verlegenheid te brengen en de toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur aan Svetlana Alexijevitsj maakt daar geen uitzondering op.

Mijn hoogbegaafde zoon Noah was al in groep acht klaar met het lezen van zo ongeveer alle Russische klassiekers. Hij had de boeken in het Russisch gelezen, omdat ik hem tijdens onze gezamenlijke hardlooprondjes die zo prachtige taal al rennend en pratend had bijgebracht. Noah was twaalf en zat in de derde klas van het gymnasium op het moment dat Svetlana Alexijevitsj de Nobelprijs won. Vanwege het feit dat we allebei van vroeg opstaan houden (vijf uur in de ochtend) en vervolgens onder het genot van koffie, fruit en de ochtendkrant interessante discussies over de waan van de dag houden, hadden we alle bovenstaande feiten al vaker uit en te na besproken.

Op het moment dat Noah in de krant las dat Svetlana Alexijevitsj op 23 maart 2016 een lezing zou geven in de Oude Lutherse Kerk aan het Singel 411 in Amsterdam wist hij dat het moment gekomen was om publiekelijk te verkondigen dat Svetlana Alexijevitsj ten onrechte als “schrijver” de 900.000 euro van het comité van de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst genomen had en als de zoveelste Russische intellectueel gebruikt was om het Kremlin te schofferen. Bovendien zou mijn zoon Noah haar met het voordragen van mijn gedicht ‘Leningrad 1943’ laten horen en zien wat wel literatuur was. Ik vond het een prachtig idee.

De avond van 23 maart overbrugden mijn zoon ik in de bittere kou de kleine anderhalve kilometer die het Centraal Station van Amsterdam van de Oude Lutherse Kerk scheidt. Aangezien we van tevoren kaartjes hadden besteld werden we zonder probleem in de uitverkochte en afgeladen Oude Lutherse Kerk binnengelaten. In het publiek ontwaarde ik Russofielen als Jelle Brandt Corstius en Frank Westerman.

Van een lezing door Svetlana Alexijevitsj bleek geen sprake. Gezeten achter een houten tafel op een laag podium werden haar in het Nederlands vragen gesteld door Ruslandkenner Michel Krielaars. Zijn vragen werden vervolgens via een tolk aan Svetlana Alexijevitsj doorgegeven waarna de kersverse Nobelprijswinnaar voor de Literatuur uiterst traag en obligaat antwoord gaf. Dat was al erg genoeg voor het publiek, waarvan de meeste mensen zonder twijfel het Russisch machtig waren. Maar als Svetlana Alexijevitsj klaar was met haar eindeloze gemurmel werden haar antwoorden ook nog eens vertaald door de tolk en Michel Krielaars. Op deze manier ging een uur voorbij. Vervolgens las de schrijfster Nelleke Noordervliet een passage voor uit het boek ‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ waarna het tijd was voor de signeersessie.

Een gesigneerd boek van een Nobelprijswinnaar, wie het ook is, wil iedereen wel hebben. Als je er niet aan toekomt om het boek te lezen kun je een dergelijk boek als een goede belegging zien of als een statussymbool. Kort gezegd, de rij die uiteindelijk leidde tot het tafeltje waarachter Svetlana Alexijevitsj aan het signeren was slingerde de hele zaal door. Pas na ruim een half uur waren mijn zoon en ik aan de beurt om ons exemplaar van ‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ door de Nobelprijswinnaar te laten signeren. Andere titels waren in de kerk niet voorradig en onze Russischtalige editie van het boek hadden we per ongeluk thuisgelaten.

In vloeiend Russisch feliciteerde mijn inmiddels dertienjarige zoon Svetlana Alexijevitsj met haar prijs en liet haar het boek signeren. Nadat Svetlana Alexijevitsj haar handtekening in ons boek had gezet zei mijn zoon met luide stem tegen haar dat ze “de Nobelprijs voor de Literatuur onterecht gewonnen had omdat zij een journalist was en geen schrijver”.

Je had de uitdrukking moeten zien op het gezicht van Svetlana Alexijevitsj. Ik krijg de slappe lach als ik eraan terugdenk.

‘Kijk, mevrouw,’ vervolgde Noah en haalde een dichtbundeltje van mijn hand uit zijn binnenzak. De bundel was een jaar eerder door een kleine uitgeverij in Amsterdam uitgegeven.

‘Mijn vader, Peter Mabelus,’ hij wees hierbij op mij, ‘is schrijver en dichter. Hij heeft in feite meer recht op de Nobelprijs voor de Literatuur dan u.’ Zijn rechterwijsvinger richtte hij beschuldigend op de verbouwereerde Wit-Russin.

‘Ik zal voor u mijn vaders gedicht ‘Leningrad 1943’ voordragen,’ vervolgde hij. ‘Dan heeft u misschien een idee van wat echte literatuur is!’

Hij las het gedicht ‘Leningrad 1943’ voor in de Russische vertaling die hij zelf een paar avonden eerder had gemaakt. Zijn jeugdige en plechtige stem klonk luid in de Oude Lutherse Kerk:

Leningrad 1943

Op glad ijs

Links aan de horizon verschijnt een rokend vrachtwagenkonvooi

Traag slippend in beeld

Uitlaatgassen ademen over een onafzienbare ijsvlakte

Claxons schreeuwen over vergeten open wonden

Gemiste kansen voor platgeslagen ongedierte in een vergeten stad

Stilte verstopt in de koudste momenten

In de stad vragen ontelbare dampen om aandacht

Bibberend verlangen omcirkelt het konvooi

Gebarsten monden smeken om bevrediging van honger en dorst

Wankele orde wankelt

Een dunne huid baart zorgen

Elk nieuw geluid geeft hoop

Sissende remmen

Stampende dieselmotoren

Slaande portieren

Geschreeuwde bevelen

Gebroken ijspegels

Paniek volgt op explosies

Reden om vaarwel te zeggen

De dag van morgen een koud zwart gat

De jeugd had de toekomst

Rechts aan de horizon verdwijnt een rokend vrachtwagenkonvooi

Traag slippend uit beeld

Op glad ijs

Op het moment dat mijn zoon klaar was met het voordragen van het gedicht overhandigde hij de dichtbundel aan de ontroerde winnaar van de Nobelprijs 2015.

‘U verdient die prijs,’ stamelde Svetlana Alexijevitsj en wist niet of ze mij of mijn zoon moest aankijken. Mijn zoon en ik keken haar met een vertederde blik aan.

We verlieten even later met een voldaan gevoel de Oude Lutherse Kerk. Tijdens onze wandeltocht terug naar het Centraal Station door de Siberische kou debiteerde mijn zoon een oude onderwijswet: ‘Het is altijd mooi als je iemand een lesje hebt kunnen leren.’

Het punkmeisje

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon

‘Je weet nog niet eens hoe ik heet, hè?,’ vroeg zij.

‘Nee,’ zei hij, ‘hoe heet je eigenlijk?’

‘Kuifje. Mijn vrienden noemen me Kuifje.’

‘Is dat je echte naam, Kuifje!?’

‘Nee, natuurlijk niet, slimpie.’ Ze giechelde. ‘Mijn vrienden noemen me zo, omdat ik altijd een wit hondje bij me had, dat nu dood is.’

‘O, dus niet vanwege je hanenkam?’

‘Nee, een hanenkam is toch geen kuif? Dan hadden ze me wel kippetje genoemd. Maar dat klinkt niet.’

‘Je bedoelt haantje,’ vroeg hij.

Kuifje keek hem niet-begrijpend aan.

‘Haantje,’ verduidelijkte hij en wees met zijn grote fles bier naar haar hanenkam.

Ze probeerde omhoog te kijken, naar haar hanenkam, maar dat lukte niet, omdat die boven op haar hoofd zat.

“Het punkmeisje,” weekwinnaar week 44 op 120w.nl, november 2020. Schrijfthema voor week 44: kuif.

Hoe ik als 15-jarige jongen niet in de hotelkamer van Billy Preston belandde

Mijn ouders profileerden zich in mijn jeugdjaren regelmatig als hardcore gereformeerde opvoeders. Mijn oudere broer, oudere zus en ik hadden daar zo nu en dan onder te lijden, maar achteraf gezien deden wij over het algemeen toch waar we zelf zin in hadden. Met een beetje goede wil kun je misschien ook zeggen dat mijn ouders in onze tienerjaren de teugels al wat lieten vieren en dat we daarom van hen de ruimte kregen om “te doen waar we zelf zin in hadden”. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, zoals zo vaak in het leven.

In 1981, het jaar waarin dit spannende verhaal speelt, was ik een keurige jongen van vijftien jaar oud. In mijn herinnering deed ik weinig fout; ik doorliep met speels gemak het VWO, masturbeerde niet veel meer dan mijn leeftijdgenoten, was een fervent hardloper, rookte nog niet en was pas sinds korte tijd elke vrijdagavond dronken. Dit laatste feit speelde zich elke week af op de zolderkamer van mijn toenmalige boezemvriend Hans Baaij, omdat zijn gereformeerde ouders (ja, Hans was ook in het bezit van twee ouders die zich regelmatig als hardcore gereformeerde ouders profileerden) elke vrijdagavond moesten repeteren voor het kerkkoor van de een of andere gereformeerde gemeente in de wereldstad Beverwijk en pas thuiskwamen nadat wij naar de plaatselijke disco waren vertrokken.

Als we om een uur of half twee ’s nachts in onze respectievelijke ouderlijke woningen terugkeerden, lagen de ouders van Hans al op één oor. Dat laatste was ook altijd het geval bij mijn moeder. Mijn vader echter stond mij vaak nerveus bij de achterdeur op te wachten om te kijken hoe dronken ik was. In de loop der tijd slaagde ik erin om met gebruik van weinig woorden, en in opperste concentratie te focussen op het maken van grote stappen in de richting van de trap en mijn slaapkamer, de achterdochtige blikken van mijn vader te ontwijken. Ik gaf hem daarmee de indruk dat ik niet zo dronken was als hij vermoed had. Iedereen blij (behalve ik als ik de volgende ochtend met een kater wakker werd).

In de jaren tachtig van de vorige eeuw kon je nog als kleuter naar de slijter gaan en met een fles whisky naar buiten lopen. Dit betekende voor Hans Baaij en mij dat we om de beurt elke week drank konden inslaan bij de dorpsslijter om mee in te drinken op de zolderkamer van Hans. We hadden niet veel geld dus waren we veroordeeld om de allergoedkoopste citroenjenever, bessenjenever, port en andere smerige drankjes bij de dorpsslijter te kopen. Vaak genoeg hield ik bij het achteroverslaan van het aangeschafte alcoholische bocht met twee vingers mijn neus dicht, zo smerig was het bocht dat ik van mezelf moest drinken om vrolijker te worden dan ik al was.

Het kwam regelmatig voor dat de ingeslagen drank zo smerig was dat die gelijk weer naar buiten kwam zetten. Gelukkig beschikte de zolderkamer van Hans Baaij over een wasbak die we als kotsteiltje konden gebruiken. Met een beetje mazzel kwam bij het kotsen de avondmaaltijd niet mee naar buiten. Als dat wel het geval was moest je uitkijken dat de wasbak niet overstroomde tijdens het kotsen. Ook kon het zo zijn dat je dan minuten bezig was om met een vork je kots door het afvoerputje te prakken. De aanwezigheid van de vork bij de wasbak laat goed zien dat een mens door schade en schande wijs wordt en niet andersom, als je begrijpt wat ik bedoel. Oefening baart gelukkig kunst, waardoor we er door de tijden heen steeds beter in slaagden om de meest smerige alcoholische brouwsels binnen te houden.

Op de zolderkamer van Hans luisterden we naar muziek uit de jaren zestig, zoals The Beatles, The Rolling Stones en The Doors. Omdat we nog zo jong waren konden we geen oude hippies zijn en dat bleek onder meer uit het feit dat we ook naar eigentijdse muziek luisterden zoals Joy Division en The Cure. Hans en ik hadden het geluk dat we in een tijd leefden dat er zelden iets op de televisie te zien was wat de moeite waard was. In die zin is er weinig veranderd, behalve dat het aanbod van oninteressante televisieprogramma’s in de loop der jaren enorm is toegenomen. Internet en mobiele telefoons lagen nog in een ver verschiet, dus hadden we alle tijd om onze geest te verruimen met de boeken van Sartre en Camus, Dostojevski en Kafka, Bukowski en Hemingway. Al hadden we willen ontlezen, ontlezen was feitelijk onmogelijk omdat we te veel tijd hadden die gevuld moest worden. Televisie overdag was er niet. Er stond vaak muziek aan, maar daar kon je gemakkelijk bij lezen. Jongeren gingen in die tijd nog vaak bij elkaar op bezoek in plaats van vriendschappen te onderhouden door middel van sociale media. Was vroeger alles beter? Nee, het ene wel en het andere niet.

Je zult begrijpen dat er een causaal verband bestond tussen onze muzikale en literaire voorkeur en onze fascinatie voor veel drinken. We woonden in de polder en waren in veel opzichten net zo groen als het gras dat ons dorp omringde. Dit betekende dat het gebruiken van drugs er voorlopig nog niet in zat.

Rond 1981 was het tijd voor een volgende stap. Niet alleen luisteren naar onze favoriete muziek op onze slaapkamers en elke vrijdagavond op de zolderkamer van Hans aan vloeibare automutilatie doen, we wilden ook wel eens onze helden in het echt zien. De financiële middelen om die droom uit te laten komen kwamen met het klimmen der jaren steeds meer binnen ons bereik: we kregen jaarlijks meer zakgeld en verdienden inmiddels ook geld als vakkenvuller bij de lokale supermarkt of met het lopen van een folderwijk.

Over het bezoeken van een popconcert viel met onze ouders niet te discussiëren. Volgens onze ouders waren popmuzikanten goddeloze drugsverslaafden die hun verslaving bekostigden met de opbrengst van de kaartverkoop bij concerten. Naar een concert gaan betekende in hun ogen daarom het rechtstreeks faciliteren van het drugsgebruik van de muzikanten die optraden en daarmee direct of indirect de jeugd op het slechte pad brachten. Onze ouders deden er alles aan om een voorbeeldfunctie voor ons te vervullen die veel beter was dan die van gedrogeerde rockmusici: zij dronken hoogstens een glas wijn op een verjaardag en vervulden trouw vijf dagen per week de rol van loonslaaf in fabriek of school. Op 15-jarige leeftijd keken we vanzelfsprekend meer op naar onze zelfgekozen helden dan de ons door de natuur opgedrongen opvoeders.

Achteraf was 1981 het laatste jaar waarin  onze ouders ons konden weerhouden van concertbezoek. Al een jaar later gingen we naar The Rolling Stones in de Rotterdamse Kuip en The Cure in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht.

Het toeval  wilde dat de christelijke radio- en televisieomroep de NCRV op 23 mei 1981 in het zalencomplex van het Rotterdamse Ahoy van tien uur in de ochtend tot tien uur in de avond het grote NCRV-festival zou houden. Dit leek onze ouders de ideale mogelijkheid om het onaangename met het nuttige te verenigen; Hans en ik zouden naar een heus popfestival mogen gaan, maar omdat het concert plaatsvond onder de auspiciën van de christelijke NCRV was de kans in hun ogen klein dat er drugsgebruikende artiesten zouden optreden, of dat er drugsgebruikende tieners rondliepen in het Ahoycomplex.

Als je naar de line up van het NCRV-festival kijkt kom je vooral de namen van inmiddels totaal vergeten acts tegen. Nederlandse acts voerden de boventoon omdat die vanzelfsprekend het goedkoopst te boeken waren: de uit Nederlandse Molukkers bestaande band Massada, de ruig rockende New Adventures uit Winschoten, De Haagse Urban Heroes en The Mo uit Delft. Iets beroemder waren de acts Earth and Fire met daarin zangeres Jerney Kaagman, die een jaar eerder een grote internationale hit scoorden met het nummer ‘Weekend’ en de symfonische rockgroep Kayak.

De concerten van de Nederlandse acts, die vooral overdag plaatsvonden konden ons maar weinig bekoren. Het wachten was op twee grote internationale acts die we wel interessant vonden: Van Morrison, de Noord-Ierse zanger en muzikant die in de jaren zestig furore had gemaakt met de band ‘Them’ en een wereldhit scoorde met het opzwepende nummer ‘Gloria’ en de christelijke Amerikaanse soul- en rockmusicus Billy Preston, die niet alleen wereldhits scoorde als zanger maar vooral bekend werd als de organist die rond 1970 met The Beatles en The Rolling Stones had opgetreden en zelfs te horen was op het album ‘Let it be’ van The Beatles. De Beatles single ‘Get back’ werd in maart 1969 zelfs uitgebracht met als artiestennaam The Beatles with Billy Preston. Ook is Billy Preston te horen op de eerste vijf albums die The Rolling Stones in de jaren zeventig uitbrachten, van het album ‘Sticky Fingers’ tot en met het album ‘Black and Blue’.

Het was een uur of half acht in de avond en ik stond met Hans midden in het grote Sportpaleis te wachten op het concert van Billy Preston. Om wat voor reden dan ook duurden het ombouwen van het podium en de daaropvolgende soundcheck eindeloos lang.

“Ik ga even kijken of ik zonder problemen achter de coulissen kan komen,” zei ik tegen Hans. “Misschien kan ik een praatje met Billy Preston maken.”

“Dat lukt je nooit,” zei Hans.

“Het duurt blijkbaar nog even voor het concert van Billy Preston begint,” vervolgde ik tegen Hans. “De beveiliging lijkt hier weinig voor te stellen en niet geschoten is altijd mis.”

Hans keek me met grote ogen verschrikt aan en mompelde dat hij niet zou durven mee te gaan.

“Oké, dan zie ik je straks wel weer,” zei ik en liep naar de dranghekken van ruim een meter hoog die de zaal van de wielerbaan scheidden, die in die tijd nog de zaalvloer omringde.

Heel geniepig ging ik eerst met mijn rug naar de dranghekken bij de wielerbaan staan, zodat het niet zo erg zou opvallen als ik in een halve draai mijn benen over het dranghek zou werpen en op de wielerbaan zou komen te staan.

Op de wielerbaan liep allerlei voetvolk: medewerkers van Ahoy, de NCRV, een enkele beveiligingsbeambte en ook mensen zonder badge of duidelijke functie. Als mij op de wielerbaan gevraagd zou worden wat ik daar deed zou ik zeggen dat ik een medewerker van Ahoy was en wat kabels moest ophalen die nodig waren voor het concert van Billy Preston. Je moet weten dat ik in 1981 al mijn huidige lengte had, 1.86 meter, en daardoor niet het uiterlijk van een ondeugend pubertje had.

Actie! Ik zwiepte mijn benen over het dranghek en zodra ik op de wielerbaan beland was beende ik gedecideerd en zonder ook maar iemand aan te kijken in de richting van de rechterkant van het podium. Ik werd door niemand tegengehouden of aangesproken. Bij de rechterkant van het podium aangekomen bleef ik even staan om een blik te werpen op wat er achter het podium gebeurde. Af en toe waren er roadies te zien die met kabels en instrumenten in de richting van het podium liepen. Verder was het rustig. Het viel me op dat de roadies allemaal uit een gang kwamen die naar de rechterkant van de krochten van het Sportpaleis leek te lopen. Ik dacht Eureka! toen ik een bordje met daarop het woord ‘kleedkamers’ en een pijl naar rechts zag. Daar moest ik zijn.

Zonder enig probleem liep ik naar de gang en sloeg die rechtsaf in. De gang leek in een soort halve bocht gebouwd te zijn, waardoor je niet naar het einde van de gang kon kijken. Verder weet ik nog dat het een witte betonnen tunnel was met zwarte strepen op de vloer. Ik liep verder de tunnel in, kwam nog een enkele roadie tegen en was opeens aan het eind van de gang aangekomen waar de grote Billy Preston op een grote rolkoffer zat die wordt gebruikt om apparatuur in te vervoeren. Naast hem zat een man die later de manager van Billy Preston bleek te zijn, Joyce Moore.  

Aangezien het bijna veertig jaar geleden is dat de gebeurtenissen die ik hier beschrijf plaatsvonden kan ik niet beweren dat ik mij het gesprek met Billy Preston en zijn manager letterlijk kan herinneren. Wel weet ik nog dat ik daar achter in de gang in de coulissen van het Sportpaleis Ahoy maar liefst een half uur met de twee in gesprek was.

Ik weet nog dat ik Billy Preston uitvroeg over zijn samenwerking met The Beatles en The Rolling Stones en dat Billy Preston vooral veel lachte en een smakelijke anekdote vertelde over een avondje stappen met John Lennon in het Londen van 1969. Ik vroeg en kreeg een handtekening. Die handtekening koester ik nog steeds, al zijn inkt en papier inmiddels flink verkleurd.

Vlak voordat Billy Preston het podium op moest vroeg hij mij of ik zin had om na het concert met hem mee te gaan naar zijn hotel in Amsterdam. Volkomen naar waarheid, maar achteraf een beetje naïef, zei ik tegen Billy Preston dat ik na het laatste concert door mijn ouders met de auto zou worden opgehaald en dus niet mee kon naar het hotel in Amsterdam. Mobieltjes om te overleggen met mijn ouders bestonden nog niet, maar om een nacht door te brengen in de hotelkamer van Billy Preston in Amsterdam zou door mijn ouders vast niet goedgekeurd worden, al was Billy Preston nog zo christelijk.

Billy Preston moest op. We schudden handen ten afscheid en liepen samen naar het podium. Billy Preston beklom het trappetje naar het podium, waarna al snel een luid applaus en gejoel van het publiek te horen was. Ik liep linksaf de wielerbaan op en klom op dezelfde plek als de heenweg over het dranghek de zaal in. Ik vond Hans al snel en hij kon zijn oren niet geloven toen ik hem vertelde dat ik een half uur met Billy Preston had kunnen kletsen. Als bewijs liet ik de handtekening zien die hij enkele seconden vol ongeloof en ontzag bekeek.

Van het concert van Billy Preston weet ik nog dat hij de grote hits uit zijn solocarrière ten gehore bracht. Een jaar eerder had Billy Preston twee grote wereldhits gescoord samen met de zangeres Syreeta: ‘It will come in time’ en ‘With you I’m born again’. Het voor zijn moeder geschreven ‘You are so beautiful’ ontbrak niet.

Het had bij deze anekdote kunnen blijven als dit verhaal niet nog een onverwachte staart had gekregen.

Pas na de dood van Billy Preston op 59-jarige leeftijd in 2006 bleek dat Preston al in de jaren zeventig verslaafd was geraakt aan cocaïne. In de jaren die volgden zou hij ook zijn hart en ziel verliezen aan crack roken en alcoholisme. Daar hadden mijn ouders achteraf toch misgeschoten door hun vertrouwen te geven aan de artiesten die optraden op het NCRV-festival in 1981. Verder heeft Billy Preston zijn hele leven geprobeerd om zijn homoseksualiteit verborgen te houden, wat leidde tot ernstige geestelijke problemen. Een leugen leven gaat meestal niet een leven lang goed. Tot bovenmaat van ramp werd Billy Preston in 1991 gearresteerd, omdat hij een 16-jarige jongen naar zijn huis in Malibu had gesleept en gedrogeerd. Voordat de jongen door Billy Preston seksueel misbruikt kon worden wist de jongen te ontsnappen.

Toen dit laatste nieuws bekend werd belde Hans Baaij nog dezelfde dag op: “Daar ben je in 1981 toch mooi de dans ontsprongen. Weet je nog dat Billy Preston aan jou had gevraagd of je zin had om de zaterdagnacht na het festival bij hem in de hotelkamer door te brengen? Wie weet wat er gebeurd zou zijn als je met hem was meegegaan! Je was een erg mooie jongen.”

In 1991 was ik een mooi jonge God van 25, dus dat “was” van Hans liet ik hem direct corrigeren. Ik liet Hans merken dat ik mijn christelijke opvoeding niet onopgemerkt voorbij had laten gaan. “Hans,” zei ik, “oordeel niet opdat gij niet veroordeeld wordt, Matteüs 7:1-6.”

Vandaag is het bijna veertig jaar geleden dat mijn ontmoeting met Billy Preston plaatsvond. Ik zal hem blijven herinneren als een groot muzikant en een zeer sympathiek mens. De handtekening die ik van hem kreeg bewaar ik als een kleinood.

Hoe ik Martin Bril op het bestaan van zijn website moest attenderen

Het werk van Martin Bril leerde ik rond 1990 kennen. Ik las zijn stukken in ‘Vrij Nederland’ en luisterde naar zijn optredens in radio uitzendingen van de VPRO. Wat mij in hem intrigeerde was behalve zijn werklust, energie en rock ’n roll levensstijl het feit dat hij slechts zes jaar ouder was dan ik en hard op weg was om een “echte” schrijver te worden. Dat laatste ambieerde ik ook.

In die tijd dacht ik dat een levensstijl met als basis ingrediënten drank en sigaretten een garantie was voor een gelukkig en swingend leven. Later kwam ik er net als Martin Bril achter dat een fixatie op het gebruik van genotsmiddelen uiteindelijk tot het afglijden naar een afgrond kan leiden. Nu weet ik dat elk mens het wiel opnieuw moet uitvinden als het om de zoektocht naar geluk gaat. Zelfdestructie en automutilatie horen daar niet bij.

Het debuut in boekvorm van Martin Bril was het boek ‘Arbeidsvitaminen’ (1987) dat hij samen schreef met Dirk van Weelden, die hij ontmoet had tijdens zijn niet afgemaakte studie filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Halverwege de jaren tachtig was het duo naar Amsterdam verhuisd waar “het” allemaal gebeurde. Bril begaf zich in de kringen waar ook kunstenaar Rob Scholte en schrijver Joost Zwagerman deel van uitmaakten. Dirk van Weelden hield er een gezonde levensstijl op na en ontpopte zich tot een fervent lange afstandsloper. Vrienden en geliefden hoeven geen kopieën van elkaar te zijn.

‘Arbeidsvitaminen’, met als ondertitel ‘Het ABC van Bril & Van Weelden’, kocht ik in 1991, toen de tweede druk van het boek als Bezige Bij Pocket verscheen. Op de achterkant van het boek valt te lezen: “In alfabetische volgorde krijgt de lezer meer dan 150 teksten, levensbeschrijvingen, interviews, gedichten, essays, verhalen, dialogen, liedjes, overpeinzingen en anekdotes te verwerken”.

Ik genoot van het originele boek, mede omdat het schrijversduo het boek had geschreven op een etage in een zijstraat van de Dappermarkt, alwaar ik aan het begin van de jaren negentig op de derde etage van de Dapperstraat 5 een gehorige en vervallen etage bewoonde. Op de begane grond bevond zich een dierenwinkel waarvan de exotische geuren van allerlei dieren en hun uitwerpselen door de kieren van het gebouw tot mijn woning reikten.

Bril & Van Weelden schreven in hun boek over buurtgenoten die je elke dag over de markt kon zien lopen, zoals Wampie, een moddervette, poeslieve alcoholist van Surinaamse afkomst die waarschijnlijk al jaren het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld heeft.

In de jaren na het lezen van ‘Arbeidsvitaminen’ bleef ik het werk van Martin Bril volgen.

Internet bestond net. We praten over 1995? 1996? De zoekmachines die toen gebruikt werden waren die van Yahoo of Altavista. Google bestond nog niet. Ik denk dat je de begindagen van het internet moet hebben meegemaakt om te weten hoe langzaam, klein en onbenullig het internet toen was. Ik was echter dolblij met het nieuwe fenomeen omdat ik niet meer voor elk feitje voor een artikel een fietstocht naar de bibliotheek moest maken en bovendien gratis binnen een half uur een liedje kon downloaden.

Surfen over het web is vanzelfsprekend inherent aan internetpret. Een duif schijt je raam onder en binnen enkele seconden beschik je over de volgende informatie: “Duivenpoep is gevuld met schimmels, bacteriën, virussen en parasieten. Histoplasmose, een van de meest voorkomende, is een schimmel die van alles kan veroorzaken variërend van lichte griepachtige symptomen tot longontsteking, bloedafwijkingen, en zelfs de dood”. Boeiend!

Op een dag typte ik uit nieuwsgierigheid “Martin Bril” in de zoekbalk. Het was raak. Martin Bril werd vermeld op internet. Ik zou bij God niet meer weten wat de naam van de site was die bovenaan in de lijst van mijn zoekmachine stond, maar het leek of Martin Bril een eigen website had. Ik klikte met mijn muis op het webadres. Op het scherm verscheen een foto van Martin Bril met een zonnebril op het hoofd, sigaret in de hand, onder de foto een korte biografie, alle titels van zijn gepubliceerde werk, etc.

De site was echter niet om aan te zien. Extreem lelijke vormgeving sprong het meest in het oog. Kleuren die vloekten. Niet om aan te zien. Het e-mailadres van Martin Bril stond ook op de site, dus ik mailde hem zoiets van: “Ik ben een grote fan blabla, maar zou je niet wat meer tijd besteden aan de vormgeving van jouw site?” Binnen een paar minuten kreeg ik een zeer kort mailtje terug van Martin Bril: “Heb ik een site?”

Martin Bril had nog geen eigen website en “zijn” website was de creatie van een enthousiaste fan die zonder twijfel geen professioneel webdesigner was. Wat mij vooral verbaasde was het feit dat Martin Bril blijkbaar nog nooit zijn eigen naam op internet had opgezocht, want had hij dat wel gedaan dan was hij “zijn” website ongetwijfeld tegengekomen. Ik kreeg de slappe lach en het duurde lang voor ik kon stoppen met lachen.

De ster van Martin Bril zou nog een kleine vijftien jaar rijzen en daarna zijn supernova beleven in de vorm van slokdarmkanker. R.I.P. Martin Bril.