Bij de 100ste geboortedag van Willem Frederik Hermans: Mijn “ontmoeting” met Hermans op de boekenafdeling van warenhuis ‘De Bijenkorf’ in Amsterdam, 21 april 1985.

Kan een zwart-witafbeelding zijn van een of meer mensen en staande mensen

Willem Fredrik Hermans (1921-1995) wordt samen met Harry Mulisch (1927-2010) en Gerard Reve (1923-2006) tot de drie grootste Nederlandse literatoren van de twintigste eeuw gerekend. Deze classificatie lijkt me in hoge mate arbitrair. Volgens mij hoort ook Jan Wolkers (1925-2007) in het rijtje “beste schrijvers van de twintigste eeuw” thuis. Soit.

Over mijn ontmoeting met Harry Mulisch, tijdens de signeersessie die plaatsvond in boekhandel Scheltema aan het Koningsplein te Amsterdam op 23 maart 2001, ter gelegenheid van het verschijnen van, wat naar later bleek, zijn laatste roman ‘Siegfried’ (de laatste zin van het boek luidt: “Daarna niets meer”) schreef ik al eens een stukje.

Mijn ontmoeting met Jan Wolkers, na een lezing op zaterdag 27 maart 1992 in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, die destijds nog gevestigd was in een statig pand aan de Prinsengracht wordt beschreven in een ander verhaal van deze bundel.

Over mijn ontmoeting met Gerard Reve in De Bijenkorf in Rotterdam, tijdens de signeersessie op zaterdag 1 december 1991, ter gelegenheid van de publicatie van zijn brievenbundel ‘Brieven aan mijn lijfarts’ ga ik nog eens een stukje schrijven.

Dat laatste geldt ook voor het telefoongesprek dat ik in de lente van 1983 met Jan Wolkers voerde naar aanleiding van een werkstuk voor het vak Nederlands. Genoeg te doen.

Dit stukje gaat over mijn ontmoeting met Willem Fredrik Hermans, die na afloop van de presentatie van zijn in opdracht van De Bijenkorf geschreven prulwerkje van een pagina of veertig ‘De liefde tussen mens en kat’, op 21 april 1985 acte de présence gaf op de boekenafdeling van het aan de Dam in Amsterdam gevestigde warenhuis. Na een interview, door iemand die ik mij niet meer kan herinneren, zou het talrijk aanwezige publiek in staat gesteld worden om een boek door de grote Willem Frederik Hermans te laten signeren. Dat laatste zou niet eenvoudig zijn; Hermans zat achter een tafeltje dat met stalen dranghekken was afgeschermd. Minimaal vijf politieagenten moesten ervoor zorgen dat de signeersessie ordentelijk zou verlopen.

De vraag rijst natuurlijk waarom Hermans kon rekenen op de komst van zo veel enthousiaste liefhebbers van zijn boeken. Er zijn diverse redenen te noemen waarom een signeersessie van Hermans anders was dan die van een andere grote Nederlandse schrijver.

In willekeurige volgorde: Hermans was de schrijver van een zeer divers en omvangrijk oeuvre dat onder meer de meesterlijke romans ‘Ik heb altijd gelijk’ (1951), het door Fons Rademakers verfilmde ‘De donkere kamer van Damocles’ (1958) en ‘Nooit meer slapen’ (1966) omvatte.

Hermans was in veel opzichten een omstreden schrijver. Zo zou hij op zijn zachtst gezegd er de kantjes vanaf hebben afgelopen tijdens het uitvoeren van zijn baan als lector aan de Universiteit Groningen, nadat hij in 1955 cum laude de graad van doctor in de wis- en natuurkunde (fysische geografie) had behaald. Hermans was zelden op de universiteit te vinden, omdat hij het veel te druk had met het bouwen aan zijn omvangrijke oeuvre. Alleen God had een fulltime baan aan de universiteit kunnen combineren met de literaire productie van Hermans. Zijn functioneren werd zelfs onderwerp van een officieel onderzoek, dat hem overigens vrijpleitte van plichtsverzuim.

Hermans was de Groningse grond toch te heet onder de voeten geworden en vertrok naar Parijs, om zich daar als fulltime schrijver te vestigen. Hermans liet zich na zijn verhuizing naar Parijs in 1973 niet vaak meer zien in het door hem geminachte kikkerlandje;

Als enige Nederlandse schrijver hield Hermans zich niet aan de culturele boycot van het racistische Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Tijdens zijn bezoek aan Zuid-Afrika in 1983 liet hij zich uitgebreid fêteren door de ‘foute’ vertegenwoordigers van het destijds meest racistische land ter wereld. Dit werd hem door de culturele elite van het altijd zo politiek correcte Nederland niet in dank afgenomen.

Willem Frederik Hermans schijnt een chagrijn van de zuiverste soort te zijn geweest. Zo ongeveer alles kon zijn verschrikkelijke toorn opwekken en hij was dan ook een gevreesd columnist en polemist.

Vrienden schijnt Hermans nauwelijks te hebben gehad, vijanden maakte hij des te meer. Voor de grap had Gerard Reve het ooit over “de vijf stinkende logeerkamers van Hermans”, waar roestbruin water uit de kranen zou stromen, omdat die kranen zelden of nooit gebruikt werden.

Hermans rookte zijn hele leven als een schoorsteen. Zijn levenslange tabaksverslaving zorgde ervoor dat hij na zijn vijftigste levensjaar tijdens interviews meer aan het hoesten, proesten en rochelen was dan aan het praten. Het mag dan ook geen wonder heten dat hij aan een agressieve vorm van longkanker overleden is. Als ik een cynicus was geweest had ik het ironisch gevonden dat zijn tot as getransformeerde lichaam verstrooid werd op een anoniem grasveld van crematorium Daelwijck te Utrecht.

U begrijpt dat mijn ontmoeting met Willem Frederik Hermans weinig voor heeft kunnen stellen, in een setting die meer weg had van een uit de hand gelopen demonstratie bij een obscure Oostblokambassade dan een fatsoenlijke signeersessie in een chique warenhuis.

Vooruit dan maar, mijn ontmoeting met Willem Fredrik Hermans: de grote stapels van het flutboekje ‘De liefde tussen mens en kat’ waren door de vele Hermansfans, die voor mij in het gedrang stonden, allemaal weggegrist. Het boekje kostte destijds maar 3 gulden en 50 cent (voor de jonge lezers onder ons: 3 gulden en 50 cent in 1985 komt overeen met ongeveer 1 euro en 69 eurocent in 2020), zodat al die fans van Willem Frederik Hermans voor nog geen 2 euro in het bezit kwamen van de handtekening van de grote schrijver. Zo konden ze een echte gesigneerde Hermans in hun boekenkast zetten, tussen de cadeau gekregen boekjes van familie, vrienden, collega’s en kennissen, een enkel gratis Boekenweekgeschenk en de toevallig ook gratis geleverde Telefoongids.

In alle rust vond dat signeren van Hermans zoals eerder gezegd niet plaats. Terwijl de politieagenten de opdringerige massa op gepaste afstand probeerden te houden, nam een medewerker van De Bijenkorf vanachter de stalen dranghekken een boek van een willekeurige handtekeningenjager aan, schoof het boek snel, en al onderweg opengevouwen bij het titelblad, over de tafel waarachter Hermans zat, onder zijn met in de hoogte gehouden vulpen gevulde rechterhand, waarna Hermans als in een bliksemschicht zijn handtekening in het boek zette. En door. Geen opdracht, plaats of datum. Dit was massaproductie waar een lopende band jaloers op zou zijn.

Heeft de grote schrijver mij ook maar een moment in de ogen gekeken? Ik zou liegen als ik ‘ja’ zou zeggen. Misschien was zijn norse blik een ogenblik op mij als storend object in een zwerm storende objecten gericht. Misschien heb ik hem een moment aangekeken als een dode haring die door de verzorger van een dierentuin in de bek van een hongerige walrus wordt gegooid. Eerlijk gezegd weet ik het niet meer en daar ben ik niet rouwig om. Vroeger is dood.

Ik had ‘pech’. Nu alle exemplaren van het prulwerkje ‘De liefde tussen mens en kat’ verdwenen waren moest ik als relatief arme student een duur boek van Hermans van een stapel zien te grissen en een ogenblik onder de neus van Hermans zien te krijgen. Het lukte. Hermans zette binnen 1,2 seconden zijn handtekening in ‘mijn’ boek.

Opgelucht vocht ik mij een weg naar de kassa van de boekenafdeling, want met al die politie in de buurt fluitend met de roltrap naar beneden gaan zonder te betalen zat er die avond niet in. Bij de kassa zag ik pas dat ik de achtste druk uit november 1981 van de in november 1967 verschenen verhalenbundel ‘Een wonderkind of een total loss’ in mijn handen hield.

Thuis aangekomen las ik het boek in één ruk uit. Vooral het titelverhaal ‘Een wonderkind of een total loss’ kon mij bekoren. Op en top Hermans waren de laatste zes woorden van het boek: “Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.”

Dit stukje zal worden opgenomen in mijn nog te verschijnen reportagebundel ‘Herinneringen aan mijn studievriend Prins Bernhard Junior’.

4Fred Stelwagen, Ronald Van Egmond en 2 anderen

In zijn vierde boek, de bundel ’Herinneringen aan mijn studievriend Prins Bernhard Junior’, zijn maar liefst 27 reportages opgenomen waarin Mabelus op zijn bekende hilarische wijze verslag doet van zijn “ontmoetingen” met de Groten der Aarde.

Kan een afbeelding zijn van Peter Mabelus

Peter Mabelus wordt door zijn vrienden nogal eens gekscherend “de Forrest Gump van De Lage Landen” genoemd, naar de gelijknamige hoofdpersoon van de met maar liefst zes Oscars bekroonde verfilming van het gelijknamige boek, met Tom Hanks in een indrukwekkende Oscar winnende hoofdrol.

Net als Forrest Gump lijkt Mabelus toevallig, maar soms ook op eigen initiatief, telkens weer in contact te komen met personen die een cruciale rol hebben gespeeld of spelen in de (inter)nationale wereld van politiek, literatuur, film, muziek, misdaad en kunst.

Van Jan Wolkers tot Prins Bernhard Junior, van Donald Trump tot Hollywoodsterren als Donald Sutherland en Dennis Hopper, de stoet van beroemdheden, waar Peter Mabelus vaak ook een innige vriendschap mee opbouwt, lijkt eindeloos.

In zijn vierde boek, de bundel ’Herinneringen aan mijn studievriend Prins Bernhard Junior’, zijn maar liefst 27 reportages opgenomen waarin Mabelus op zijn bekende hilarische wijze verslag doet van zijn “ontmoetingen” deze Groten der Aarde.

‘Mabelus is een woordkunstenaar in zijn puurste vorm’

NBD Biblion

‘Mabelus schopt flink om zich heen, geeft blijk van grote intelligentie, een onweerstaanbaar gevoel voor humor en een tot diep nadenken stemmend cynisme.’

Marc Kerkhofs

Vanaf vandaag is Peter Mabelus’ nieuwste roman ‘John West en de gestolen Picasso’ in alle Nederlandse bibliotheken verkrijgbaar!

Vanaf vandaag is Peter Mabelus’ nieuwste roman, de satirische, literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’, in alle Nederlandse bibliotheken verkrijgbaar.

De pers over ‘John West en de gestolen Picasso’:

Marc Kerkhofs (schrijver van onder meer de bestsellers ‘Beet’ en ‘Op een na de mooiste’): “Mabelus schopt flink om zich heen, geeft blijk van grote intelligentie, een onweerstaanbaar gevoel voor humor en een tot diep nadenken stemmend cynisme.”

Jitske Kingma-Postma (recensent voor onder andere ‘Boekentoer’): “Peter Mabelus heeft wederom bewezen een woordkunstenaar en meesterverteller te zijn.”

NBD-Biblion: “Onderhoudend verhaal waarin Mabelus de lezer mooi op het verkeerde been zet.”

Klik op de volgende link: https://bit.ly/PeterMabelus​ als je het boek in je eigen bibliotheek op wilt nemen.

Voor een gesigneerd exemplaar met opdracht kun je Peter Mabelus een mail sturen: petermabelus@gmail.com.

Veel leesplezier toegewenst!

What’s in a name?

Vereerd dat hij dezelfde voornaam draagt als een van de hoofdpersonen van mijn nieuwe satirische literaire thriller, ‘John West en de gestolen Picasso’, stuurde de cultureel attaché van de Nederlandse ambassade in Washington, Sepp Kotten, mij onderstaande vakantiefoto vanaf zijn vakantieverblijf, ergens in de tropen.

Kan een afbeelding zijn van 1 persoon en buitenshuis

Recensie NBD-Biblion van ‘John West en de gestolen Picasso’ door Wim Sanders (publicatiedatum 21 april 2021, uitgeverij Ambilicious, 242 pagina’s): “Onderhoudend verhaal waarin Mabelus de lezer mooi op het verkeerde been zet.”

Het is 1987: de vrienden Sepp Sanders en Mario Bos slagen erin om in het Oost-Duitse deel van Berlijn de Hitlerbunker binnen te sluipen. Er gaat daarbij van alles mis, met als dieptepunt de knullige dood van Mario. Sepp vindt een document met een plan voor een ruimteschild, dat absoluut niet in de handen van een kernmacht mag vallen. Hij smokkelt het document met veel moeite naar Amsterdam, waar het wordt bewaard door de ontroostbare vriendin van Mario. Zo’n dertig jaar later meldt zij zich bij de knorrige en licht alcoholistische detective John West. Een ex-vriend heeft het document gestolen en wil ermee naar Noord-Korea. John West gaat met zijn vriend Maarten Sanders, inderdaad de zoon van, aan de slag. Mabelus neemt alle tijd om het verhaal te vertellen. Hinderlijk daarbij is wel dat alle personages wandelende encyclopedieën zijn. Ongetwijfeld humoristisch bedoeld, maar te vaak wordt door de opsomming van feitjes de vaart uit het verhaal gehaald. Dat geldt ook voor de vele herhalingen. Dat is jammer, zeker omdat Mabelus bij tijd en wijle bewijst dat er een gedreven stilist in hem huist. ‘John West en de gestolen Picasso’ is na ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) de tweede licht satirische thriller van de gedreven schrijver Peter Mabelus (1965). Onderhoudend verhaal waarin Mabelus de lezer mooi op het verkeerde been zet.

Koop het boek via de volgende link: https://bit.ly/PeterMabelus​

Vijf sterren recensie ‘John West en de gestolen Picasso’: “Peter Mabelus heeft wederom bewezen een woordkunstenaar en meesterverteller te zijn”

Via de mail ontving ik een vijf sterren recensie van Jitske Kingma-Postma van mijn laatste roman ‘John West en de gestolen Picasso’:

Peter Mabelus (1965) was in de jaren negentig wereldberoemd in Bulgarije als wielrenner en schrijver. Met zijn Bulgaarse debuutroman (‘De Straf van Veger’), won hij daar in 1997 de prestigieuze ‘Malenkov-prijs’.

De citaten uit recensies van eerdere boeken van Peter Mabelus maakten mij enthousiast om ‘John West en de gestolen Picasso’ te gaan lezen: Pieter Waterdrinker (schrijver van onder meer de bestsellers ‘’Tsjaikovskistraat 40’ en ‘De rat van Amsterdam’) over Mabelus’ debuutroman ‘Kathmandu Hipsters’ (2018): “Van harte aanbevolen!” NBD Biblion over de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019): “Mabelus is een woordkunstenaar in zijn puurste vorm.”

‘John West en de gestolen Picasso’ (publicatiedatum 21 april 2021) is de tweede literaire thriller van Peter Mabelus. Net als in zijn zinderende bestseller ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) word je als lezer vanaf de eerste pagina meegesleurd in een verhaal vol spanning en humor.

Het verhaal: We gaan samen met de boezemvrienden Sepp Sanders en Mario Bos tijdens de Kerst van 1987 naar het Berlijn van de Koude Oorlog. De Berlijnse Muur, de scheiding tussen Oost- en West-Berlijn, staat nog overeind. Wat is het doel van de twee vrienden? Het bezoeken van de ruïne van de beruchte Führerbunker van Adolf Hitler, die zich destijds in het niemandsland tussen Oost- en West-Berlijn bevond. Een jaar later werden de laatste resten van de ruïne vernietigd door de Oost-Duitse overheid. Na de val van de Muur in 1989 werd er boven op de resten van de Führerbunker een appartementencomplex gebouwd en was een bezoek aan de bunker niet meer mogelijk.

Ook het Amsterdam van vandaag speelt een belangrijke rol in het verhaal, waar privédetective John West een nieuwe opdracht aanneemt van ene Suzan Vanderbergh. Zij is zeer belangrijke documenten kwijtgeraakt, die zich in haar bezit bevinden, sinds zij die na de thuiskomst van Sepp Sanders uit Berlijn van hem heeft gestolen. Als deze documenten in verkeerde handen terechtkomen is een wereldramp niet te overzien. Is John West op tijd om de wereld te redden?

Na het lezen van de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ werd ik fan van auteur Peter Mabelus. Veel woordgrappen, toveren met taal en altijd een boodschap in de korte verhalen.

Vanaf de eerste letter boeide mij het verhaal over de vrienden Sepp Sanders en Mario Bos en de fanatieke detective John West. Door de zeer beeldende schrijfstijl loop je bijna letterlijk op de plaatsen waar zij zich in het verhaal bevinden, voel, proef en beleef je hetzelfde als de helden van deze zeer onderhoudende roman. Het boek kent meer levendige en goed uitgewerkte personages, die je in je hart sluit of juist verafschuwt. Ook is het een zeer leerzaam verhaal over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, de grote verschillen tussen Oost- en West-Berlijn en het verloederde Amsterdam van vandaag. Spanning en humor, lief en leed wisselen elkaar in rap tempo af.

Eerst begreep ik de connectie tussen detective John West, Mario en Sepp en de opdrachtgever van detective John West, Suzan Vanderbergh, niet, maar alle losse eindjes worden uiteindelijk subliem met elkaar verbonden door de auteur. Je verveelt je geen moment: een grote glimlach op je gezicht wordt afgewisseld door een biggelende traan op je wang. Puur genieten dit verhaal. Spannend, rauw, eerlijk, geweldig, humoristisch, leerzaam en uniek.

Peter Mabelus heeft wederom bewezen een woordkunstenaar en meesterverteller te zijn. Mijn conclusie: Ik geef 5 sterren. Dit verhaal klopt qua opbouw, schrijfstijl, de personages, die beeldend beschreven worden, komen zeer levendig over, het plot is ingenieus en overtuigend. Mijn conclusie: Ik geef het boek 5 sterren.

Koop het boek via de volgende link: https://bit.ly/PeterMabelus​

Mijn ontmoeting met Raymond van de Klundert (aka Kluun)

Op zondag 7 juni 2015 bezocht ik met mijn destijds 12-jarige zoon Noah het eerste van de twee concerten die ex-Beatle Paul McCartney op twee achtereenvolgende avonden in de Ziggo Dome in Amsterdam zou geven.

Ongeveer halverwege het concert, het uitzinnige publiek zong massaal mee met het oorspronkelijk in 1968 door The Beatles uitgebrachte niemendalletje ‘All together now’, besloot ik op verzoek van mijn zoon op zoek te gaan naar het dichtstbijzijnde toilet.

Tot dan toe had niemand van het 17,000 duizend hoofden tellende publiek naar mij geknikt, of iets tegen mij gezegd. Op mijn horloge zag ik dat het 22.11 uur was. Op weg naar de uitgang van de concertzaal, die zich direct links naast het podium bevond, liep ik langs de zich daarnaast bevindende bar,

‘Ga, je nu al weg?’ hoorde ik een mannenstem in het voorbijgaan van de bar tegen mij zeggen. Bij het derde woord van de zin keek ik in de richting van waar het geluid kwam en herkende ogenblikkelijk Raymond van de Klundert, de echte naam van de schrijver Kluun.

De meeste lezers van deze woorden zullen weten dat Kluun de auteur is van het in 2003 verschenen ‘Komt een vrouw bij de dokter’, het best verkochte debuut uit de vaderlandse geschiedenis. Kluuns boek ging tot op heden ruim 1,3 miljoen keer over de toonbank. Het boek maakte van de toch al niet onbemiddelde Raymond van de Klundert, enkele jaren voor het verschijnen van zijn debuut verkocht hij zijn succesvolle marketingbureau ‘DDB’, een puissant rijke man.

Kluun keek me minzaam aan, zocht hij herkenning, erkenning, aandacht, of wilde hij mij fokken? Hij hing ontspannen met zijn rug tegen de bar, in zijn rechterhand hield hij een tot de helft gevuld glas schuimend bier. Aan zijn houding en troebele blik kon ik zien dat hij flink aangeschoten was. Naast hem stond een blonde stoot van een jaar of 28. Ik keek de volksschrijver een moment met een verbaasde blik aan en stond op het punt om met mijn zoon aan de hand onze weg in de richting van een toilet te vervolgen.

‘Gaan we bij de hand doen, Mabelus?’ vervolgde Kluun. Ik had slechts één verdere stap in de richting van de uitgang van de zaal kunnen zetten. ‘Ga jij jouw meest succesvolle collega uit de vaderlandse literaire geschiedenis negeren?’

Ik draaide mij verbaasd om. ‘Hoe weet jij wie ik ben, Kluun? Ik heb niet bepaald het gevoel dat ik een bekende schrijver ben.’ Ik keek mijn zoon Noah vluchtig aan en zag dat hij geen idee had wie deze “rare” meneer was. Ik schrijf “raar” omdat ik inmiddels doorhad dat Kluun niet aangeschoten, maar flink dronken was en aan de blik van mijn zoon kon ik zien dat hij vermoedde met “een verwarde persoon” te maken te hebben.

‘Nee, Peet, ik mag toch wel Peet zeggen, Mabelus, als collega’s onder elkaar?’

‘Geen probleem, Kluun.’

‘Zo bekend als schrijver als ik ben je inderdaad niet bepaald te noemen, Peet. Geen enkele levende of dode schrijver in Nederland trouwens. Ja, ik kan met een gerust hart zeggen dat ik de allergrootste schrijver uit de Nederlandse geschiedenis ben. Zelfs Tweede van der Helst kan niet aan mijn roem tippen.’

Kluun moest hard om zichzelf lachen. De blonde stoot van een jaar of 28 lachte hard mee.

‘Waar ken jij mij dan van, Kluun?’ vroeg ik oprecht verbaasd. Het was 2015. Het zou nog drie jaar duren voor mijn eersteling ‘Kathmandu Hipsters’ uit zou komen. Ik had slechts enkele verhalen in obscure tijdschriftjes en op zeer slecht bezochte literaire websites gepubliceerd. Ondanks het feit dat redelijk succesvolle auteurs als Pieter Waterdrinker en Arthur van Amerongen mij op diverse social media al hadden getipt als “een groot aanstormend talent” en ik hier en daar zelfs als een “writer’s writer” werd getypeerd had ik niet het idee dat ik als schrijver nog ook maar enigszins serieus genomen kon worden. Dat Kluun mijn werk kende achtte ik hoogst onwaarschijnlijk.

‘Heb je geen door jou gesigneerd boek voor mij bij je?’ vervolgde Kluun.

Ik keek mijn zoon vluchtig aan. ‘Kun je het nog even ophouden, lieverd? Ik moet heel even met deze meneer praten. Ik ben zo klaar.’ Noah knikte weifelend ten teken hij zijn behoefte nog wel even kon inhouden.

‘Kluun, of mag ik Raymond zeggen? (Kluun knikte bevestigend) Ik heb nog nauwelijks iets op papier gepubliceerd, laat staan dat ik een gesigneerd tijdschriftje of iets dergelijks mee zou nemen naar een concert van Paul McCartney.’

‘Ik heb altijd een rugzakje bij me, met daarin een stuk of tien gesigneerde boeken van mijn hand. Je komt uit de marketing of niet, begrijp je?’

Ik keek Kluun niet begrijpend aan en kreeg nu ook het gevoel met een verwarde persoon te maken te hebben.

‘Wil je een gesigneerd exemplaar van ‘Klunen 2’ hebben?’ vroeg Kluun en bukte zich voorover om een tussen zijn benen geplaatste Eastpak van de grond te pakken. Bij het oppakken van het rugzakje werd zijn wankele lichaam ondersteund door de giechelende blonde stoot van een jaar of 28 die Kluun vergezelde.

Kluun richtte zich waggelend op en ritste vervolgens de Eastpak open om er een boek met een fel blauw gekleurde kaft uit te halen. ‘Klunen’ stond er in grote oranjerode letters op de voorkant van het boek.

‘Dit is ‘Klunen 2’. Als publiciteitsstunt is het boek in tien verschillende kleuren uitgegeven. Je komt uit de marketing of niet, begrijp je? Kijk, het cijfer twee staat alleen op de rug van het boek. Van de eerste ‘Klunen’ zijn meer dan honderdduizend exemplaren verkocht, vrij weinig voor mijn doen.’

‘Weet jij wat “klunen” betekent? vroeg Kluun aan mijn zoon. Noah schudde aarzelend zijn hoofd en keek mij daarna met een angstige blik aan.

‘Laat maar,’ zei ik. ‘Mijn zoon moet echt ontzettend nodig naar de wc.’

‘Kijk, Peet, op de achterkant sta ik heel stoer met een kekke zonnebril op. De ene helft van de zonnebril is wit, de andere helft zwart. Stoer toch?’ ratelde Kluun door, alsof hij mijn opmerking niet had gehoord. Onder de “stoere” foto van Kluun op de achterflap stond: “Korte verhalen, columns en andere onweerstaanbare onzin van Kluun.”

Kluun drukte mij het boek in de hand.

‘Mijn handtekening staat er al in. Hier, voor jou, Peet. Dat boek is later goud waard.’

‘Nu moeten wij toch echt gaan hoor, Raymond. Mijn zoon houdt het niet meer.’

Met de gesigneerde ‘Klunen 2’ in mijn rechterhand spoedde ik mij snel met Noah naar de uitgang die zich direct links naast het podium bevond. Achter mij hoorde ik iemand over zijn nek gaan. Geen idee of het Kluun of iemand anders was. Waarschijnlijk Kluun: “Je komt uit de marketing of niet, begrijp je?”

Naschrift: Omdat ik als één van de twee motto’s bij mijn derde boek, de satirische literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’, een citaat uit de in ‘Klunen 2’ opgenomen column ‘Vijf seconden’ (pagina 147-148) had gebruikt (“Het hele leven is één grote bijna-doodervaring”) stuurde ik Kluun een persoonlijk bericht via Facebook waarin ik hem vroeg naar welk adres ik hem een presentexemplaar van mijn boek kon sturen.

In mijn persoonlijke bericht refereerde ik aan onze ontmoeting tijdens het concert van Paul McCartney op 7 juni 2015 in de Ziggo Dome: “Jij hing aan de bar met een mooie vrouw en zei tegen mij: “He, ga je nu al weg?” met een grote grijns op je gezicht. Enfin, de lach is nooit ver weg bij jou. Hartelijke groet, Peter Mabelus.” Kluun reageerde vrijwel direct: “Wat grappig! Die mooie vrouw was waarschijnlijk mijn oudste dochter! Je kunt het boek sturen naar Raymond van de Klundert, Amsteldijk **, 1074**, Amsterdam.”

Een snelle rekensom leerde mij dat de “mooie vrouw aan de bar” een blonde stoot van een jaar of 28 was geweest en Kluuns oudste dochter destijds niet ouder dan een jaar of 16 kon zijn geweest.

Ik liet het er maar bij. Het maakte mij duidelijk dat een familieopstelling niet aan Kluun besteed zou zijn.

‘Mijn ontmoeting met Raymond van de Klundert (aka Kluun)’ stond op 24 juni 2021 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

p.s. Ik stuurde bovenstaand verhaal nog dezelfde dag naar Kluun himself en ontving een dag later de volgende reactie:

Kluun: “Ik moet je corrigeren: het was echt mijn, toen 16jarige dochter, bij Paul McCartney. Voor de rest mag je schrijven wat je wilt!”

PM: “Wat leuk dat je reageert, Raymond! Het stukje is vanzelfsprekend niet bedoeld als serieuze aanzet tot het schrijven van een biografie over jou. Omdat ik slechts een zeer klein lezerspubliek heb laat ik het maar even zo, als je het niet erg vindt. Vergeet niet dat ik al jouw boeken met plezier gelezen hebt en groot respect voor je hebt als schrijver en mens. Take care! Ciao, Peter.

Kluun: “Tuurlijk! No worries!”

Verveling is een keuze

Na het lezen van haar ruim 30 boeken is het de hoogste tijd voor de definitieve biografie van Patricia Highsmith (1921-1995): ‘The talented Miss Highsmith’ van Joan Schenkar (2009).

“Joan Schenkar is the first writer to grapple with Patricia Highsmith on every level of her being, from her bizarre personal life to her incredibly prolific writing life. It’s hard to avoid superlatives when describing Schenkar’s biography, but there doesn’t seem to be any other way to go about it.”

Deirdre Bair, author of the National Book Award-winning biography ‘Samuel Beckett’ and ‘Simone de Beauvoir, A Biography’.

Kan een afbeelding zijn van 1 persoon

Patricia Highsmith, citaat uit ‘De Glazen Cel’ (1964):

Kan een zwart-witafbeelding zijn van een of meer mensen

“Hij liep tot aan de dageraad en het deed hem een heleboel goed, de wandeling en het kijken naar de zonsopgang. Hij zou tegen iedereen zeggen: ‘Ik ben blij dat je het me verteld hebt en wat mij betreft hoeven we het er verder nooit meer over te hebben.’ Of iets dergelijks. Of misschien was het wel beter om helemaal niets te zeggen.”