De Opblaasklaagmuur

© Pixabay

De tijd is voorbij dat Duitsland synoniem stond voor de schande van de Tweede Wereldoorlog. Nu echt de aller-, allerlaatste Duitse oorlogsmisdadigers dement en kwijlend uit hun bed en rolstoel voor het gerecht worden gesleept – om alsnog rechtvaardigheid te doen zegevieren – en een bezoek aan Auschwitz-Birkenau een toeristische attractie is geworden, is het tijd voor een nieuw begin, een herijking van de Joods-Duitse verhoudingen en de menselijke verhoudingen in het groot en algemeen.

Mijn neurotische grootvader, met een zwak ontwikkelde narcistische psychose, kwam getraumatiseerd en onder de kippenstront uit de oorlog, omdat hij vijf jaar lang zonder reden ondergedoken had gezeten in het kippenhok dat achter in de tuin van zijn Sliedrechtse arbeidershuisje stond. Doodsbang was hij geweest om door de bezetter voor Jood, zigeuner, geestelijk gehandicapte of homo te worden aangezien. En dat alleen omdat hij een bloemetjesjurk droeg in zijn vrije tijd. Hij weigerde een woord Duits uit te spreken. Als hij wilde zeggen dat hij “an sich überhaupt geen trek had in een Kaiserbrötchen,” zei hij: “Op zich heb ik overhoop geen trek in een broodje van de keizer.”

Dit jaar bestaat de staat Israël formeel zeventig jaar. Een tempel van vrede en harmonie kan Israël helaas niet genoemd worden. Ach, ieder zijn eigen apartheid.

Vandaag de dag wordt het centrum van Berlijn gedomineerd door de glorieus gerestaureerde Rijksdag. Gebouwd tijdens de hoogtijdagen van het Duitse keizerrijk. Op de voorgevel staat in vergulde letters op het architraaf: Dem Deutschen Volke. De voor Duitsland en de wereld rampzalig verlopen Eerste Wereldoorlog leidde tot het aftreden van de Duitse keizer Wilhelm II. Gevolgd door de onmachtige democratische Weimarrepubliek. Daarna werd de Rijksdag in de collectieve herinnering symbool voor Nazi-Duitsland. Juichende ten dode opgeschreven Sovjetsoldaten dansten op een kolossale ruïne. Verlaten krot van de Koude Oorlog. Nog net in West-Berlijn, pal naast de Berlijnse Muur. Een gebouw dat vooral onbegrip, leegte en onmacht vertegenwoordigde.

Het indrukwekkende Holocaustmonument dat uit 2711 betonblokken bestaat, variërend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter, waar verveelde scholieren, verplicht op excursie, verstoppertje spelen en opbotsen tegen geëmotioneerde nabestaanden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en mensen die zich willen inleven in basisemoties, bevindt zich op slechts enkele honderden meters afstand van de Rijksdag.

In Jeruzalem viel me op dat de Klaagmuur eigenlijk heel klein is. Veel te klein om ruimte te bieden aan alle mensen in de hele wereld die willen klagen.

Daarom heeft het Duitse bedrijf waarvoor ik werk een campagne bedacht om alle klagende mensen in de wereld, Jood of niet-Jood, een gratis opblaasbare Klaagmuur aan te bieden. Als de opblaasbare Klaagmuur opgeblazen is, zult u zien dat de opblaasbare Klaagmuur als twee druppels water lijkt op de originele Klaagmuur in Jeruzalem. Inclusief gleuven om wensen, gebeden en in memoria in te proppen.

Zin om te klagen? Geen geld voor een trip naar de Klaagmuur in Jeruzalem? Vraag dan de gratis opblaasbare Klaagmuur aan. U betaalt geen verzendkosten!

De waan van de dag is wat ons bindt.

“De Opblaasklaagmuur” stond op 26 maart 2018 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Mijn naam is Bondig, James Bondig

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 12: “bondig.”

© Pixabay

Ik houd van gebonden soep. Ik ben James Bondig, er is geen betere Britse spion. Je denkt toch niet dat ik heb genoten van wat we vanavond hebben gedaan, of wel? Wat ik vanavond gedaan heb deed ik niet voor mijzelf, het was voor koningin en vaderland. Doe je kleren weer aan en ik koop een ijsje voor je. Mijn lieve meid, er zijn een paar dingen die je gewoon niet kunt doen, zoals het drinken van Dom Perignon ’53 boven de temperatuur van 38 graden Fahrenheit. Dat is net zo slecht als luisteren naar de Beatles zonder oorbeschermers. Ik ben bang dat je me hebt betrapt met meer dan alleen mijn handen omhoog. Mijn naam is Bondig, James Bondig.

Deze 120 woorden verschenen op 22 maart 2018 voor het eerst op 120w.nl.

Uitgeverij Ambilicious gaat Kathmandu hipsters uitgeven

© Peter Mabelus

Op 20 maart werd bekend dat uitgeverij Ambilicious uit Breda/Kalmthout mijn debuutroman Kathmandu hipsters uit gaat geven. Ik citeer uit de mail van Inanna van den Berg van uitgeverij Ambilicious: “Dank voor het toezenden van je manuscript. Afgelopen weekend heb ik gebruikt om het te lezen. Absoluut onder de indruk. Zowel de schrijfstijl als het verhaal. Concreet betekent dit dat wij het graag willen uitgeven.”

Kathmandu Hipsters is een onvervalste pageturner, die gaat over moord, drugssmokkel, bedrog en verwoestende familiebanden. De zinderende en gruwelijke finale laat de lezer verbijsterd achter.

De droom van Anne om een winkel in oosterse meubels en snuisterijen te beginnen leidt tot een reis naar Kathmandu, de hoofdstad van Nepal. Samen met haar vrienden Tom Disco, Peter Paskovski en Lizzy Holtrust, belandt Anne in een apocalyptisch avontuur, dat zich afspeelt voor, tijdens en na de zware aardbeving die Nepal op 25 april 2015 treft.

Maar is dit avontuur niet al veel eerder begonnen? Op 7 maart 2015 wordt in meditatiecentrum Osho Tapoban, vlak buiten Kathmandu, de jonge Amerikaanse vrouw Noa Trevor op brute wijze verkracht en vermoord. Door wie? Waarom? En wat hebben de vier vrienden met deze moord te maken?

Zijn de antwoorden op deze vragen te vinden op de felrode hartvormige usb-stick, die steeds in de roman opduikt en regelmatig van eigenaar verwisselt?

Kathmandu hipsters schets een indringend beeld van het leven van een verwende generatie hipsters, die alles denkt te kunnen kopen wat een mens gelukkig kan maken: drank, seks, drugs, liefde en spiritualiteit.

Naar verwachting ligt Kathmandu hipsters aan het eind van de zomer in de winkel.

Een handtekening van Harry Mulisch

© Peter Mabelus

In februari 2001 verscheen Siegfried, de laatste roman van Harry Mulisch. Harry Mulisch behoorde samen met Willem Frederik Hermans en Gerard Kornelis van het Reve tot De Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse literatuur. Sinds de dood van Hermans in 1995 en de zich in een snel tempo voortwoekerende dementie van de zich volksschrijver noemende Reve, was er eigenlijk nog maar sprake van De Grote Een.

Het feit dat de toen 73-jarige Harry Mulisch zijn kostbare tijd had vrijgemaakt voor een signeersessie in een grote boekhandel aan het Koningsplein in Amsterdam, op de eerste zaterdagmiddag van maart 2001, was dan ook een happening die breed werd uitgemeten in de vaderlandse pers.

Aangejaagd door de milde vorm van massahysterie die de aangekondigde signeersessie van Harry Mulisch teweeg had gebracht, begaf ik mij die mooie lentedag met mijn geliefde naar boekhandel Scheltema, Holkema en Vermeulen. Een extra reden om de signeersessie van Mulisch te bezoeken, was het feit dat de vader van mijn geliefde op 22 maart 2001 zijn 79ste verjaardag zou vieren en al sinds jaar en dag een groot bewonderaar van het werk van Mulisch was. Zelf was ik meer een liefhebber van de ironie van Gerard Reve en het geparfumeerde cynisme van Hermans.

Bij aankomst op het Koningsplein bleek zich al ruim een half uur voor aanvang van de signeersessie, die om 14 uur stipt zou beginnen, een rij wachtenden te hebben gevormd tot op de hoek van de nabij gelegen Prinsengracht. Ik hoorde een voorbijsnellende voetganger verbaasd en in zichzelf mompelend opmerken dat “die idioten in de rij stonden voor een boek,” waarbij het woord boek werd uitgesproken alsof het een bedorven bal gehakt was.

Het duurde uiteindelijk een klein uur voor mijn geliefde en ik voor het kleine tafeltje met daarachter De Grote Een arriveerden. Harry Mulisch zat erbij als een vorst die zijn onderdanen audiëntie verleent. In zijn rechterhand hield hij een glimmende vulpen in de aanslag. Met zijn linkerhand tastte hij naar een volgend exemplaar van de enorme stapel exemplaren van zijn jongste meesterwerk.

Harry Mulisch keek mijn geliefde verwachtingsvol aan. Ik kon niet inschatten of de blik die hij op haar wierp door geilheid of geveinsde interesse veroorzaakt werd. Misschien zag ik als zo vaak zaken die er niet waren en speelde Harry Mulisch slechts de aimabele literator die hij was.

“Wat zal ik er in zetten?,” vroeg Harry Mulisch ontspannen aan mijn geliefde nadat hij een verse Siegfried van de stapel had gepakt.
“Voor mijn vader,” zei zij met een stem die mij zwoel in de oren klonk. Werd hier geflirt waar ik bij was?
“Jouw vader is mijn vader niet,” zei Harry Mulisch en keek mijn geliefde diep in de ogen. “Dat ga ik niet schrijven.” Een pretlichtje was in zijn ogen verschenen.
Mijn geliefde keek eerst Harry Mulisch en daarna mij onzeker glimlachend aan. Harry Mulisch wachtte geduldig op antwoord. De vulpen in zijn rechterhand zweefde verwachtingsvol boven het titelblad van de zoveelste Siegfried.
“Doe dan maar: ‘voor Reinier’,” zei mijn geliefde. Zij leek licht overdonderd door de spitsvondige opmerking van Mulisch.
“Reinier. Kun je dat spellen?” Harry Mulisch bleef zijn rechterhand met een triomfantelijke blik in zijn ogen in de aanslag houden.
“Gewoon ‘Reinier’, zei mijn geliefde. Na haar blik was nu ook de stem van mijn geliefde onzeker geworden.
“R-E-I-N-I-E-R?,” vroeg Harry Mulisch duidelijk articulerend. Er klonk een warm en volkomen ontspannen timbre in zijn stem.
“Ja,” zei mijn geliefde met een nu haast afgeknepen stemmetje.
Harry Mulisch schreef “Voor Reinier” op het titelblad van zijn laatste roman en plaatste daar vervolgens zijn handtekening onder. Hij sloot het boek en gaf het daarna aan mijn geliefde.

Wij liepen als betoverd naar de kassa. Het gesigneerde exemplaar werd door een kassamedewerker van de boekwinkel in cadeaupapier verpakt en afgerekend. Toen we het pand verlieten, keek ik om naar Harry Mulisch achter zijn tafeltje. Hij boog zich glimlachend naar de volgende in de lange rij. Zijn ongetwijfeld minzame woorden kon ik van een afstand niet verstaan.
Buiten, op weg naar een café om koffie te drinken, praatten mijn geliefde en ik nog wat na over de gedenkwaardige signeersessie van De Grote Een.
“Weet je dat Harry Mulisch in interviews vaak beweert dat hij onsterfelijk is?” vroeg ik aan mijn geliefde.
“Is dat zo?,” vroeg zij met een verbaasde blik.
“Ja, hij zegt dat hij onsterfelijk is totdat het tegendeel bewezen wordt,” vervolgde ik.
“Wie altijd in het hier en nu leeft, bezit het eeuwige leven,” sprak mijn geliefde wijs.

Op het moment dat wij even later café De Schutter in de nabijgelegen Voetboogstraat betraden, werd mijn trek in bier aangewakkerd door de schrale bierlucht die vanuit de houten vloer mijn neus binnendrong. “Laten we een plons bier nemen in plaats van koffie. Daar heb ik opeens trek in, in bier,” opperde ik.
“Maar de vijf staat nog helemaal niet in het uur!,” protesteerde mijn geliefde.
“Jawel, schatje. Het is vijf voor drie. En vergeet niet: wie altijd in het hier en nu leeft, bezit het eeuwige leven.”
“Daar heb je gelijk in. Twee grote bier!,” riep mijn geliefde enthousiast naar het meisje achter de bar.

Na de dood van de vader van mijn geliefde is het gesigneerde exemplaar van Harry Mulisch’ Siegfried in ons bezit gekomen.

“Een handtekening van Harry Mulisch” stond op 16 maart 2018 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

De geboorte van het kubisme

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 11: “alternatief.”

© Pixabay

Pablo Picasso kon al enkele dagen niet op kleur komen. Op zijn palet vormde dat geen probleem, maar zodra hij zijn penseel in de richting van het maagdelijk witte doek bracht, dat op de schildersezel in het midden van zijn atelier stond, verstarde zijn hand in de lucht, alsof er zich een magische wand bevond tussen zijn wil en de creatie die ergens in het niets op hem aan het wachten was. Plotseling wist hij wat hem te doen stond; hij moest zijn hand dwingen om de werkelijkheid weer te geven zoals die zich aan hem voordeed, niet zoals die was. Het alternatief voor leegte lag in de belofte die hem vanaf het maagdelijk witte doek aanstaarde en nergens anders.

Deze 120 woorden verschenen op 13 maart 2018 voor het eerst op 120w.nl.

Jan Wolkers: gestolen goed gedijt prima

© Peter Mabelus

In de lente van 1983 kwam ik in aanraking met de boeken van Jan Wolkers. Mijn leraar Nederlands, Fons Walraven (‘Wally’ voor intimi) had zijn leerlingen de opdracht gegeven om een tiental klassiekers uit de vaderlandse naoorlogse literatuur te lezen. Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers was daar één van.

Nadat ik tijdens de lessen Frans van leraar Frans Fons Vermeulen kennis had gemaakt met L’etranger van Albert Camus, wist ik dat het lezen van een goed boek vaak beter is dan het hebben van seks. Bovendien kun je van een boek een stuk langer genieten dan van de daad.

Geld had ik in die dagen niet. Al het geld dat ik verdiende met het lopen van een folderwijk ging op aan halfzware shag en de paar biertjes die ik elke vrijdagavond naar binnen klokte in het lokale buurthuis, waar muziek van The Cure en Joy Division werd uitgestort over het groepje getoupeerde en schijnbaar getormenteerde adolescenten dat ik mijn vriendenkring mocht noemen.

De boeken die ik voor school moest lezen, haalde ik nooit uit de plaatselijke bibliotheek omdat ik het dan met een stukgelezen, geplastificeerd exemplaar moest doen. Veel liever hield ik een maagdelijk exemplaar in mijn handen, dat ik eerlijk bij de boekenafdeling van de Vroom & Dreesmann had gejat. Zo geschiedde ook met de kaskraker van Jan Wolkers uit 1965 Terug naar Oegstgeest.

Omdat het lezen van Terug naar Oegstgeest mij een gevoel gaf alsof ik mijn beste vriend voor het leven had ontmoet, liep ik in de lente van 1983 net zo vaak met een boek van Jan Wolkers onder mijn jas de V&D uit als er romans en verhalenbundels van Jan Wolkers te vinden waren. Als het alarm afging, duurde het slechts enkele seconden voordat ik onopvallend in de winkelende massa was verdwenen. Nooit voelde ik angst als ik een boek van Jan Wolkers stal. Nooit werd ik gepakt en op het plaatselijke politiebureau afgeleverd.

Op de tiende sterfdag van Jan Wolkers, 19 oktober 2017, verscheen de baksteenzware en door Onno Blom voortreffelijk geschreven biografie van Jan Wolkers, Het litteken van de dood. Daarin staat te lezen hoe Wolkers in zijn jonge jaren stal als de raven, om zijn honger naar door hem begeerde boeken te stillen. Als je nagaat hoe puissant rijk Jan Wolkers alleen al geworden is met het schrijven van het geilste boek uit de vaderlandse literatuur (Turks Fruit), voel ik nog steeds geen enkele scrupule over hoe ik ooit in het bezit kwam van de boeken die ik graag wilde lezen. Ik heb Jan Wolkers nooit het brood uit de mond gestoten.

Elk verhaal kent een begin en een eind. Een kleine tien jaar na het lezen van mijn gestolen exemplaar van Terug naar Oegstgeest hield Jan Wolkers op 27 maart 1992 een lezing in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, die toen nog in een prachtig pand aan de Prinsengracht gevestigd was. Na de lezing bestond de mogelijkheid om boeken van Jan Wolkers te kopen en te laten signeren door de schrijver zelf. Omdat ik al een klein decennium in het gestolen bezit was van het hele oeuvre van de bekendste inwoner van Texel aller tijden, had ik mijn eigen exemplaar van Terug naar Oegstgeestmeegenomen om door Jan Wolkers te laten signeren. Hij vond het geen punt om zijn zwierige handtekening in een meegebracht boek te zetten.

Wie is de werkelijke bezitter van het meesterwerk dat de beroemdste inwoner van Oegstgeest in het voorjaar van 1992 slechts een tiental seconden in zijn trillende handen hield? Het heeft niet aan mij gelegen dat Vroom & Dreesmann op 31 december 2015 failliet is gegaan.

“Jan Wolkers: gestolen goed gedijt prima” stond op 12 maart 2018 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.