De Voorleestuin publiceert Swami Bami Tsunami

De Voorleestuin, een site boordevol voorleesverhaaltjes voor kinderen heeft op 4 april 2018 mijn kinderverhaal Swami Bami Tsunami online geplaatst: https://voorleestuin.be/swami-bami-tsunami/

© Pixabay

Ik ga jullie een verhaal vertellen over een schele ontaarde Indiase monnik met een heel erg slecht karakter en de hindoeïstische God Ganesh (ja, daar in India hebben ze niet één God, maar zijn er dozijnen Goden. Dat is veel relaxter, dan heb je meer keus in tijden van nood). Ganesh is de God met de mensenbenen in een quasi ontspannen verwrongen lotushouding en de olifantenkop met altijd de slurf naar links, vanaf Ganesh gezien dan, en blauwe ogen recht op je innerlijk gericht. Ganesh is in het hindoeïsme behalve de God van kennis en wijsheid ook de beschermheilige van reizigers.

Ganesh kwam in de vorm van een klein schaapachtig goddelijk wolkje.

Er was eens een monnik, Swami Bami Tsunami heette hij, die had een slecht karakter dat het een aard had. Hij vloekte de hele dag de ergste godslas­terlijke verwen­sin­gen, sloeg kleine kinderen zomaar om de oren met zijn swamikralenkrans, roste kleine poesjes op de maat van zijn lievelingsliedje, “kurio ko uddah le jana”, met hun lieve katten­hoofdjes over een wasbord (ja, jongens en meisjes, vroeger, in het India van lang geleden, had je nog geen wasmachines, anders had stoute Swami Bami Tsunami ze vast daarin gestopt).

Ook kakte hij wel eens op een oude krant, frommelde die dan ineen en gooide die vervolgens bij oude ipaatjes (ipa is oma in het Hindi, de taal van de mensen in India) door het venster naar binnen. En leuk dat hij dat vond als dan die poepbom op de schoot van het in een schommel­stoel bij het raam zittende oude vrouwtje uiteenspatte en ze helemaal onder Swami Bami Tsunami zijn vieze poepstront zat! Soms ging de oude vrouw bijna dood van de schrik. Het oude broze hart, begrijp je wel? Gelukkig gooide hij vaak mis, omdat hij scheel was.

Oh, had ik dat al verteld, dat stoute Swami Bami Tsunami scheel was? Ja, Swami Bami Tsunami was zo scheel dat je bijna alleen nog maar zijn oogwit zag. Eigenlijk was het ooggeel, want hij zoop zich blind aan goedkoop bedorven zelf gestookt bananenbier, een populaire alcoholische illegale drank in het India van die tijd.

Vroeger beston­den er nog geen psychologen, maar ik weet haast zeker dat de scheelheid van Swami Bami Tsunami de reden was voor zijn slechtheid. Hij kon niet verwerken dat hij zo’n stomme kop had (om over zijn lange bochelachtige lijf met x-benen nog maar niet te spreken). Daarom hadden boze geesten bezit van hem genomen en ge­loofde Swami Bami Tsunami nergens in. Tegen de tempel (manadir in het Hindi) ging hij staan piesen en het heilige boek van de Hindoes, de Bhagavad Gītā (dat letterlijk “Lied van de Heer” betekent) gebruikte hij om zijn stinksigaretjes van te rollen.

Gelukkig werd hij eindelijk eens met zijn slechtheid geconfronteerd door de God Ganesh, in de vorm van een heel klein goddelijk wolkje. En daar gaat dit verhaal eigenlijk over.

Het ging zo. Swami Bami Tsunami was te lui en te dom om een echt vak te leren en daarom deed hij allerlei kleine klusjes voor lage mensen op hoge plaatsen. Zo riep de corrupte burgemeester van het dorp Swami Bami Tsunami een keer bij zich en zei:

‘Swami Bami Tsunami, je moet voor mij een pakje wegbrengen, helemaal door de woestijn naar Calcutta.’

Swami Bami Tsunami slikte even, met zijn adamsappel zo groot als een struisvogelei, omdat hij wist hoe zwaar de rit zou zijn. Weinig mensen kwamen levend terug uit de woestijn op weg naar Calcutta. Hij wist hoe heet en droog de woestijn altijd was (en hij had al nadorst van de dag ervoor!). Maar Swami Bami Tsunami had geld nodig en dus nam hij de opdracht aan.

Hij ging op weg met een geleende oude kameel zonder uiers die hinkte en voortdurend zure scheten liet. Swami Bami Tsunami moest van het westen naar het oosten en de wind was westelijk (het was slechts een klein briesje, maar toch), dus zat hij voortdurend in de stank van die oude manke en geleende oude kameel zonder uiers die hinkte en voortdurend zure scheten liet.

In de woestijn verdwaalde Swami Bami Tsunami al snel. Hij viel bijna flauw van de hitte en de dorst. Hij dacht dat hij rondjes reed, want de zon bleef boven zijn lelijke schele kop hangen. Al zijn water was al op en er waren zelfs geen cactussen om door midden te hakken en leeg te zuigen. Toen Swami Bami Tsunami ten einde raad was en bijna stierf van de dorst, zag hij aan de horizon een klein wolkje dat zijn richting op kwam.

Het wolkje zweefde zo’n twintig meter boven de grond en stopte precies boven Swami Bami Tsunami zijn schele bakkes. Swami Bami Tsunami wist niet dat Ganesh in dat kleine wolkje zat.

‘Hé, schele!,’ riep Ganesh vanuit het wolkje.

Swami Bami Tsunami keek op en vond het na zijn zestiende fata morgana niet eens raar dat er een God met mensenbenen in een verwrongen lotushouding en een olifantenkop met slurf naar links, in een klein pratend goddelijk wolkje, dat op twintig meter boven zijn hoofd zweefde, het woord tot hem richtte.

‘Wat mot je?!,’ balkte Swami Bami Tsunami laf.

Ganesh in het wolkje nam geen aan­stoot aan de beledigende toon van die schele duivel en zei: ‘Ik kom je redden van de dood in deze hete woestijn als je berouw toont voor al je slechte daden.’

‘Ik slecht? Hoezo?,’ mompelde Swami Bami Tsunami brutaal.

‘Je piest tegen mijn huis, draait sigaretjes van mijn veel gelezen boek en gooit je kak bij mijn bejaarde dienaressen door het raam. Vind je dat dan gewoon?’

Swami Bami Tsunami dacht even na en begon opeens in te zien hoe slecht of dat hij altijd geweest was.

‘Ik heb best wel spijt,’ zei hij.

‘Als je echt spijt hebt gooi ik regen op je schele kop, wijs ik je de goede weg, geef je genoeg water in je veldfles mee voor de rest van de reis en maak ik ook even gratis weer even je schele ogen recht.’

Swami Bami Tsunami hoefde niet meer na te denken. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij dacht aan alle schanddaden die hij in zijn leven tegen zoveel onschuldige mensen en dieren begaan had.

‘Ja, ik heb berouw!,’ schreeuwde hij bijna tegen het goddelijke wolkje.

En het goddelijke wolkje regelde een plensbui, wees Swami Bami Tsunami de goede weg, gaf hem een paar veldfles­sen water en zette ook nog even gratis zijn schele ogen recht.

Zo zien jullie maar weer, jongens en meisjes, dat als je maar oprecht spijt hebt van iets wat je verkeerd hebt gedaan, alles, door Gods genade, weer goed kan komen.

Swami Bami Tsunami ging, nadat hij zijn missie volbracht had, het klooster in en werd daar tot zijn dood op 104-jarige leeftijd de meest toegewijde klooster­ling van allen.

En Ganesh, in de vorm van het goddelijke wolkje, zweeft nog steeds over de aarde om mensen te vergeven en op het goede pad te sturen.

Misschien komen jullie hem ook wel een keer tegen.

Zondagochtend

© Pixabay

‘Zo, schat, dat is altijd toch wel even lekker op zondagochtend’

‘Heerlijk, maar ik vraag me dan altijd wel af wat het nog met liefde te maken heeft.’

‘Hoe bedoel je, schat?’

‘Ik bedoel. We doen het eigenlijk gewoon omdat het lekker is en verder heeft het niet zoveel te betekenen.’

‘Dat vind ik niet zo leuk om te horen, liefste. Jouw zaad druipt me nog van de benen en dan doe jij opeens afstandelijk. Dat vind ik niet leuk.’

‘Ik bedoel het niet afstandelijk. Ik ben alleen vreemd geweest in de twintigste eeuw. Ik ben trouwer dan een hond. Dus om nou net te doen alsof ik je gebruik vind ik wel een beetje overdreven.’

‘Ik voel me wel gebruikt. Zoals jij over de liefde praat…’

‘Je begrijpt me denk ik verkeerd. Ik doe het al een eeuwigheid met jou en met jou alleen, dus jouw verbolgen houding omtrent ons huwelijksleven in bed vind ik licht hysterisch te noemen.’

‘Licht hysterisch! Nu maak je me echt boos! Je doet altijd naar tegen me als je net bent klaar gekomen. Heb je dat nu zelf echt niet door? Altijd. Lul!’

‘Ik ben het niet met je eens, schat. Nu voel ik een beetje irritatie opkomen, omdat jij altijd zo beledigd doet nadat we het hebben gedaan. Soms ga je zelfs janken zonder mij te kunnen vertellen waarom. Ik gaf je net godverdomme een indirect compliment over jouw kunsten in bed en dan krijg ik dit!’

‘Dit is precies wat ik bedoel. Jij hebt altijd een nare bui na de seks op de zondagochtend. We doen het één keer in de week en altijd loopt het uiteindelijk uit op ruzie.’

‘Ruzie die jij maakt! Ik heb jou zoals elke zondagochtend eerst laten komen, dus ik snap deze consternatie helemaal niet. Verwend nest!’

‘Jij bent een schoft. In essentie ben jij gewoon een asociale klootzak. Je laat me alleen maar eerst komen omdat je weet dat je er anders niet op mag.’

‘Je bent onmogelijk.’

‘Nee, jij bent onmogelijk.’

‘Zit je nu alweer aan mijn lul.’

‘Sorry, ik word altijd zo geil van ruzie maken.’

‘Haha, ik ook. Nou, zullen we dan maar weer?’

‘Ok, schatje.’

“Zondagochtend” stond op 1 april 2018 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

De mafia van Uruguay

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 13: “hart.”

 

© Pixabay

Als historicus ben ik helaas van vele manieren op de hoogte waarop mensen gemarteld en geëxecuteerd worden. Over een van de meest wrede manieren waarop een executie uitgevoerd kan worden las ik in een boek over de maffia in het Uruguay van de jaren twintig van de vorige eeuw. Men trok de riem bij het meestal mannelijke slachtoffer uit de broek. Daarna werd de riem bij het naakte slachtoffer langs borst en rug onder de oksels vastgebonden. Vervolgens werd een groot Bowie jachtmes ten tonele gevoerd, waarna onder luid gejoel van de omstanders het hart van de ongelukkige door het mes werd gestoken en gespietst. Sindsdien heeft voor mij de uitdrukking “een hart onder de riem steken” een andere lading.

Deze 120 woorden verschenen op 29 maart 2018 voor het eerst op 120w.nl.

Ochtendhumeur

© Pixabay

Het gezin van elf waarin ik opgroeide, vader, moeder, twee zussen en zes broers, had collectief last van een afgrijselijk ochtendhumeur.

We waren arm en woonden klein.

Mijn vader had een enorme hekel aan mijn moeder. Mijn moeder was dan wel altijd chagrijnig, zwijgzaam en nors, toch deed ze altijd trouw het huishouden en de boodschappen.     Mijn moeder was ontzettend lelijk om naar te kijken. Misschien had mijn vader daarom een hekel aan mijn moeder. Maar waarom was hij dan ooit met haar getrouwd? Op foto’s van vroeger was mijn moeder ook al niet om aan te zien, dus dat ze lelijk was had hij ook als jongeman al kunnen weten.

Mijn moeder had een hekel aan mijn vader. Dat kan ik begrijpen. Hij was te lui om te werken en zich te wassen. Daarom scharrelde hij altijd stinkend in en rond ons huis. Ook was hij meestal dronken. Geen idee waar hij het geld vandaan haalde om zich dag na dag te bezatten, want we hadden het niet breed. Hij kon niet tegen alcohol, dus hij kotste bijna dagelijks de boel onder. Dat kotsen kon in zijn bed gebeuren, aan de ontbijttafel, op het toilet. Net hoe het zijn galaanval uitkwam.

Dat mijn vader in de ochtend toch met zijn katerkop aan het hoofd van de ontbijttafel plaatsnam, kwam door het feit dat hij elke avond al voor het acht uur journaal bewusteloos naar het ouderlijk bed werd gesleept door mijn oudste broers. Met enige vorm van discipline had zijn aanwezigheid aan de ontbijttafel niets te maken.

Alle kinderen moesten acht uur ’s morgens de deur uit om naar school te gaan. Mijn moeder stond daarom elke ochtend, half zeven stipt, als eerste op, om de ontbijttafel te dekken en thee te zetten. Daarna marcheerde zij, om exact zeven uur, met een loeiende scheepshoorn aan haar samengeperste lippen, langs de drie twijfelaars op de eerste verdieping, waarin wij negenen de nacht doorbrachten. Ook vader kwam van de herrie bij zijn positieven.

Omdat iedereen van ons gezin aan dezelfde dagelijkse routine gewend was, hoefde niemand woorden vuil te maken aan de verrichtingen die gedaan moesten worden in het uur tussen opstaan en vertrek.

Wij moesten ons eerst snel en provisorisch wassen boven de gootsteen. De oudste waste zich eerst, de jongste waste zich als laatste. De oudste hees zich vervolgens als eerste in goedkope en verstelde kleren. De jongste deed dat als laatste.

Na het aankleden begaf iedereen zich zo snel mogelijk naar de ontbijttafel, in de voorkamer beneden.

Iedereen had recht op twee boterhammen basterdsuiker en twee boterhammen met tevredenheid. Omdat we geen geld hadden voor boter, vingen wij de basterdsuiker, die van de eerste twee boterhammen afviel, op met boterham drie en vier, zodat er van verspilling geen sprake kon zijn. Zwijgend werd een kan lauwe thee rondgedeeld, waarmee iedereen zijn of haar mok vulde. Zodra boterhammen en thee door het voltallige gezin waren verzwolgen, werden tassen ingepakt en jassen aangetrokken.

Zonder te groeten werd de woning verlaten.

Gesprek met Peter Mabelus

GESPREK MET PETER MABELUS door R.J. Gorré Mooses

© Peter Mabelus

Zoals u misschien weet heb ik één keer eerder een groot Nederlands schrij­ver benaderd voor een gesprek onder vier ogen. Dat is alweer meer dan vijftig jaar geleden. Sindsdien is er niet veel gebeurd in de Nederlandse literatuur. Meestal een hoop kabaal om niks, veel verf, weinig wol.

Schrijvers ‘verruimen’ hun activiteiten tegenwoordig door als columnist in gezellige saaie tijdschriften andere schrijvers te beledigen en te kleineren. De gekleineerde en beledigde schrijvers proberen dan op hun beurt in hun columns in andere prachtige flutbladen de schrijvers te beledigen en te kleineren die hen beledigd en gekleineerd hebben in dat eerste tijdschrift. Zo blijf je aan de gang.

Eens per jaar worden die columns met subsidie van het Nederlands Letterenfonds gebundeld en heb je weer een boek dat geheid in de boeken top tien en op de schappen van de provinciale bibliotheken komt. Over dat boek worden dan ook weer columns geschreven. En die columns worden het jaar daarop ook weer als boek uitgebracht. Zo gaat dat door, ad infinitum. Tel uit je winst.

Het niveau van de lauwe wederzijdse beschuldigingen ontstijgt zelden het bedenkelijke peil van, ‘hij is een antisemiet,’ of, ‘hij is een alcoholist.’ Je zou er om lachen als het niet zo vreselijk treurig was. Goede boeken schrijven, ho maar. Daar is blijkbaar geen tijd meer voor, omdat de heren en vrouwen schrijvers elke week hun column af moeten krijgen. Waarna ze aan de bar van het een of andere treurige trendy café de vaak nog schoolgaande lezers en lezeressen van hun columns lallend het hof proberen te maken, krampachtig hun buik inhoudend, sigaretjes presenteren alsof ze niet dagelijks een goedkoop merk shag roken, interessant doen over drugs die ze nog nooit hebben gebruikt, waar ze geen verstand van hebben, geen geld voor hebben.

Ik zag een keer zo’n schrijver, laat ik maar geen namen noemen, naast mij met grootse vergeefse moeite een poging wagen zijn urine in de voor hem aan de muur bevestigde pisbak te doen plonzen. Toen hij dacht dat hij klaar was, grinnikte hij, om raadselachtige redenen, met zijn opgeblazen knikkende gekookte varkenskop keek hij mij samenzwerend aan. Hij propte vervolgens zijn nog piesende slobberlul in zijn zo te zien tweedehands onderbroek van de Wibra. Daarna verliet hij waggelend het toilet om zich weer bij zijn giechelende fans te voegen. Op kosten van de staat. Hij nam niet eens de moeite om zijn met mosterd en pis besmeurde handen te wassen. Even strijken langs de broek met de beide handen en klaar was de intellectueel. Het idee! Laat ik er maar over ophouden.

Net als de meeste andere liefhebbers van het betere boek heb ook ik genoten van de debuutroman van Peter Mabelus. Al is genieten misschien niet het goede woord. Het boek kwam aan als een klap in mijn gezicht. Toen ik het boek uit had was het net alsof iemand me wild wakker had geschud. Een emmer ijskoud water boven mijn hoofd had gehouden. De waarheid had verteld. En toch had ik genoten.

Toen ik het prachtige boek uit had maakte ik me ernstig zorgen over de schrijver, Peter Mabelus, die zo oprecht en gevoelig uit het boek naar voren was gekomen. Ondanks de ironie en het cynisme dat van elke bladzijde afdroop. Want alles dat in het boek stond was toch op de waarheid gebaseerd? O nee, niet helemaal. ‘Semi-autobiografisch’ stond er op de achterflap. Dus de inhoud van het boek was niet helemaal naar de waarheid. Maar als ook maar de helft van het boek werkelijk gebeurd was vond ik Mabelus niet te benijden. Wat een tegenspoed en verdriet. En dan die prachtige zwart-wit foto van de schrijver op het omslag. Die knappe jongen, met zo’n treurige en gekwelde blik. James Dean was er niks bij. Truman Capote een spastische blonde dwerg. Elvis Presley een geposeerde opgepoetste druif. Jerry Lee Lewis een te aardige veel te jonge oom. Ja, ik moest en zou die schrijver te spreken krijgen.

‘Hij vertoont zich zelden in kroegen,’ werd mij gezegd. ‘Hij ziet nooit een mens.’ ‘Hij woont als een kluizenaar in de sjiekste buurt van Amsterdam.’

Deze typeringen zeiden mij niet veel. Ze kwamen alle uit derde of vierde of vijfde hand. Ik wilde zelf uitvinden wie Peter Mabelus is. Wie was die schrijver die in een tijdsbestek van een jaar de onthutsende roman ‘Kathmandu Hipsters’, en de verbijsterende en controversiële verhalenbundel ‘Vuurwerk’ publiceerde?

Het online telefoonboek van Amsterdam kon geen uitkomst bieden. Er was geen Mabelus in te vinden. Blijkbaar had hij een geheim telefoonnummer. Of zou hij helemaal niet in het bezit zijn van een telefoon en volledig afgesloten van de buitenwereld in het centrum van Amsterdam aan nieuwe meesterwerken zwoegen? Ik had geen flauw idee. Wel zag ik een Mabelis. Misschien had de drukker van het telefoonboek een foutje gemaakt en betrof het hier wel degelijk het telefoonnummer van de grote schrijver, Peter Mabelus. Toen ik het nummer draaide bleek Mabelis een 83-jarige kapper in het Overtoomse Veld te zijn. Die moest ik niet hebben.

Ik moest iets anders doen. Ik moest zijn uitgeverij bellen en me voordoen als een geïnteresseerde freelance journalist.

‘Wij geven het telefoonnummer van Mabelus niet,’ zei de telefoniste van zijn uitgeverij mij op verontschuldigende toon. Uit haar stem klonk verveling en de zucht tot roddel. Hij was dus toch in het bezit van zo’n enorm handig apparaat, schoot het door me heen. Zo’n telefoon. In haar stilte klonk de wil tot openhartigheid. Ik wist dat ik niets hoefde te zeggen. Die vrouw die zou wel door gaan

‘Mabelus is een geval apart, hè?,’ ouweneelde de telefoniste verder.

Nadat ik dat beleefd beaamd had, ga vooral zo verder, stelde zij mij voor dat ik mijn telefoonnummer aan haar zou geven. Zij zou dan Mabelus vragen of hij zin had in een gesprek met mij. Als dat zo was zou zij hem mijn nummer geven en moest ik maar zien of en wanneer hij mij zou bellen. Wat kon ik anders doen dan instemmen met haar voorstel? Betere raad zou meer geld kosten.

De dagen die volgden staakte ik al mijn activiteiten en bleef ik geduldig met mijn telefoon in de hand wachten. Ik was bang dat Mabelus anders mijn voicemail zou treffen en vervolgens de verbinding zou verbreken zodra de dodelijk saaie meldtekst van mijn voicemial in zijn geniale oor zou klinken. Een sympathieke buurvrouw die verder toch niks te doen had, liet ik proviand voor een week inslaan. Veel fruit, mineraalwater en enkele peperdure hapslikwegmaaltijden. Ook nog wat rode wijn tegen de dorst. Uitdrogen, dat kon altijd nog.

De derde dag was het raak. Het was drie uur in de middag, ik had net een verse fles rode wijn aangebroken.

‘Hallo, hallo,’ zei ik luid, ‘met R.J. Gorré Mooses,’ voor ik mijn telefoon opnam. Even checken of ik al een dubbele tong had. Ik had er nog steeds slechts één.

‘Met Mabelus,’ hoorde ik een sombere stem aan de andere kant van de lijn zeggen.

Ik stotterde haast van opwinding. Het was hem echt. ‘Ja, met Mooses, ik zou u graag willen spreken.’

‘U bent toch niet van de belastingdienst mag ik hopen? Ik publiceer pas sinds een jaar zo ongeveer. Volgend jaar krijgt u uw geld en ik het mijne. Het duurt een klein jaar voor ik wat vang. Er valt nog niks te verdelen. Het geld waar u zo’n recht op hebt komt later, niet nu. Maar het komt. U heeft er immers keihard voor gewerkt. Veertig procent van mijn inkomsten, zoiets was het toch? Of zit ik er een paar procenten naast?, Dat kan wezen. Materialistische details laten me koud. Met de dag word ik meer boeddhist,’ klonk het droog aan de andere kant van de lijn.

‘Nee, meneer Mabelus,’ stoethaspelde ik, ‘ik ben niet van de belastingdienst. Ik ben journalist. Ik wil u interviewen.’

‘U bent journalist. U schrijft stukjes?,’ vroeg Mabelus.

‘Ja,’ bibberde ik onzeker.

Hoe was het mogelijk? Bibberen na al die jaren. Na al mijn uitingen van gedreven vakmanschap. Blijkbaar dwingt een genie zoiets af.

‘Dat lijkt me enig. Stukjes schrijven over het maakt niet uit wat en daar geld voor krijgen. Ik benijd u. U moet vast een gelukkig mens zijn.’

Mabelus klonk heel serieus nu en wachtte niet op een antwoord.

‘U hebt het makkelijker dan ik,’ vervolgde hij. ‘Ik moet ploeteren. Dag in dag uit. En dan maar zien wat er uiteindelijk van komt.’

Ik wist niet wat ik hoorde!

‘Maar Meneer Mabelus,’ riep ik uit en probeerde mijn stem deftig te doen klinken, ‘er is een groot verschil tussen iemand die stukjes voor een krant schrijft en een echte schrijver. U bent een echte schrijver.’

Ik voelde het kwijl in mijn schoenen stromen.

‘Dank u wel,’ klonk het vermoeid. ‘Wat was er ook alweer van uw dienst?’

Het was even stil aan de andere kant van de lijn. Wreef Mabelus zich in de ogen? Hij had de verbinding toch niet verbroken? Nee, ik hoorde een zucht, Mabelus was er nog.

‘Ik wil u graag interviewen,’ ging ik door.

‘O, praten, bedoelt u.’ Even een stilte. ‘Het is toch niet voor de Privé en consorten mag ik hopen? Dat laat ik graag aan andere veelbelovende schrijvers over.’

Mabelus lachte schor en verontschuldigend. Hij doelde toch niet stiekem op …

‘Nee, mijn stuk komt in een fatsoenlijke krant,’

‘Nou, vooruit dan maar. Wat moet dat moet. Het gaat u wel geld kosten. Voor niks gaat de zon op om over andere sterren nog maar te spreken. Tweehonderd euro. En u mag niet al te lang blijven.’

‘Dat is goed,’ zei ik bedeesd en onder de indruk. Wat een verbaal geweld. En die toon ook weer. Indrukwekkend, wat was die man toch cool.

Die Mabelus had echt gezag. Het was een absoluut voorrecht om bij die man langs te mogen komen. Mabelus was een icoon. Een icoon van de eerste orde. Daar was geen twijfel over mogelijk.

‘Wanneer wilt u komen?,’ baste hij.

‘Wanneer het u uitkomt,’ sprak ik beleefd.

‘Kom dan nu maar. Ik heb niets te doen. Ik heb een gierende kater. Er komt nu toch niets uit mijn handen.’

Ik keek op mijn horloge. Drie uur ’s middags. ‘Ik ben over een half uur bij u!’

‘Neem dan onderweg gelijk een literfles rode wijn van Albert Heijn mee. Huiswijn. Dat praat makkelijker. Ik woon in de …straat, nummer …’

Hij had al opgehangen. Ik pakte snel de tas in met…

Weet u wat ik erin stopte? Een dictafoon, een pen, papier en een geleend fototoestel met zoomlens, die al enkele dagen klaar had gestaan naast de voordeur van mijn woning. Per fiets sjeesde ik door de stad. Eerst naar Albert Heijn voor de fles huiswijn, daarna langs de pinautomaat voor tweehonderd euro contant. Gelukkig was mijn saldo nog net toereikend. Om half vier stond ik voor het opgegeven adres. Ik belde aan. Door de hallofoon klonk de nasale stem van Mabelus.

‘Vandaag wordt alleen de vaderlandse pers te woord gestaan,’ klonk de zo schorre legendarische stem in mijn zo sterfelijke oren.

‘Ik ben het, Mooses!,’ schreeuwde ik in het door stoffige zure regen bespatte microfoontje dat zich enkele centimeters boven zijn deurbel bevond. ‘Ik ben Mooses. Ik heb een half uur geleden gebeld!’

Een donkere bromtoon gaf aan dat ik de voordeur kon openen. Onzeker betrad ik de imposante hal van het monumentale pand dat Mabelus bewoont. Voor mij, een zeer ruim trappenhuis. Waar moest ik naar toe?

‘U moet hier zijn!,’ hoorde ik boven mij de stem van Mabelus schallen.

Ik keek verrast naar boven en zag twee verdiepingen hoger een gebruinde afgetrainde atleet over de balustrade van het trappenhuis gebogen staan. Ik klom naar boven. Bij de voordeur stelde Mabelus zich voor.

Ik had al gehoord dat hij knap was, wist het ook een beetje van die foto van de achterflap. Maar zo knap? Een jonge god, een Adonis.

Hij gaf me een droge hand. Omdat het zomer was ging hij gekleed in een kort afgeknipte spijkerbroek, daarboven een stoer strak zwart hemdje. Hij liep op sjieke sportslippers. Wat een held. Niet bepaald de tobberige alcoholist die ik op grond van de verhalen die over hem verteld worden verwacht had. En ook zo vrolijk, opgeruimd.

‘Wat bent u bruin!,’ kon ik daarom niet nalaten te zeggen.

‘Beetje langs het IJselmeer gefietst. Dan gaat het hard, hè,’ zei Mabelus. ‘Heeft u de wijn meegenomen?’

Ik knikte en toverde de fles Albert Heijn Huiswijn tevoorschijn uit mijn plastic boodschappentas.

‘Prachtig,’ zei hij. ‘Heeft u er bezwaar tegen dat ik u even fouilleer? Ik heb namelijk geen zin om types als Lee Harvey Oswald, Valerie Salinas of Mark David Chapman over de vloer te krijgen. En uw kop heb ik nog nooit ergens eerder gezien, vandaar.’

Nadat hij klaar was met zijn zeer grondige fouillering, hij draaide zelfs mijn pennen uit elkaar en tuurde gespannen in de plastic kokertjes van mijn pennen, nodigde hij me met een breed armgebaar uit zijn appartement te betreden.

Tot mijn verbazing was zijn woning brandschoon. Nergens waren stof of ranzige vlekken van gemorst voedsel of drank te bekennen. De inrichting was smaakvol en ruim. Mijn blik viel op een versleten teddybeer die eenzaam en verlaten, zo leek het, onderuit gezakt naast een prachtig Mariabeeld op één van de vele boekenkasten in zijn appartement zat. Mabelus volgde mijn blik.

‘U weet toch waarom die teddybeer daar zit?,’ vroeg hij mij grijnzend.

Plotseling schoot me te binnen dat hij doelde op een passage uit ‘Bezorgde ouders’ van Gerard Reve.

‘Voor als het weer oorlog wordt. En u niet zonder zit,’ zei ik niet zonder trots. Mabelus glimlachte en leek zich te ontspannen.

‘U drinkt toch ook een glas wijn mee?,’ vroeg Mabelus en trok uit zijn kontzak een kurkentrekker tevoorschijn. Hij opende professioneel de fles wijn en schonk twee grote slanke limonadeglazen vol die klaar hadden gestaan op de prachtige ronde eikenhouten eettafel bij het raam.

‘Kijk, geen stukje kurk in de wijn te vinden,’ wees hij mij naar de twee haast tot de rand toe gevulde glazen. ‘Daar is een geoefende hand voor nodig.’ Daarna wees hij op de opener. ‘Nog van mijn overgrootmoeder,’ lachte hij en borg de opener liefdevol in een keukenlade.

Ik knikte onbeholpen en bleef onzeker in het midden van de kamer staan. Hij reikte mij met vaste hand één van de twee glazen aan.

‘Fijn hoor, dat u ook een glaasje meedrinkt. Alleen drinken doe ik al te veel. Ik heb geen zin om alcosolist te worden.’

Ik schoot in de lach om zijn woordgrap. Zo’n grap kan alleen een schrijver maken.

‘U lacht. Is er iets?,’ vroeg Mabelus. ‘Zit er kauwgom op mijn kont? Is mijn broek uitgescheurd? Word ik kaal?’

‘Nee, daarnet,’ proestte ik beschaamd. ‘Wat u zei vond ik grappig. Dat van alcosolist.’

‘O, dat,’ antwoordde Mabelus ingehouden, sober en bedeesd, ‘dat vond u grappig,’ Mabelus liet zich nonchalant op een van de ontelbaar vele kussens van zijn onmetelijk grote zithoek ploffen. Altijd thuis. Hij stak een joint op. Lachte naar mij.

Om mezelf een houding te geven nam ik maar een slok van het glas rode wijn dat Mabelus voor mij ingeschonken had en ging ook maar op de bank zitten. Alle mensen, wat een straf goedje! Zuur bocht voor werkvolk. Vijf euro zoveel per fles. Per liter! Mabelus genoot er echter letterlijk met volle teugen van. Hij had zijn glas al leeg gedronken en schonk zich een nieuw glas rode wijn in. Hij drukte het laatste restje joint al weer uit in een asbak met het opschrift ‘4=6’. Daarna namen we plaats aan de eikenhouten tafel.

‘Laten we eerst even de zakelijke kant van deze fijne samenkomst afwikkelen,’ zei Mabelus en keek mij strak aan toen hij zijn hand voor me ophield. ‘Tweehonderd euro.’

Ik overhandigde het bedrag dat voor hem een klein fortuin en voor mij een rib uit mijn lijf betekende. Ik hoopte maar dat ik het interview aan een blad zou kunnen slijten. Ik pakte dictafoon, pen en papier uit mijn tas, zette de dictafoon rechtop tussen ons in op tafel en drukte op de opnameknop.

‘Kunt u even iets zeggen, zodat ik weet of de dictafoon het doet?,’ vroeg ik Mabelus.

‘Het feest kan beginnen want wij zijn binnen!,’ riep Mabelus luid tegen het kleine dictafoontje.

‘De Havenzangers, negentien…’

‘U moet uw eruditie u vooral niet de baas laten worden,’ onderbrak Mabelus mij misprijzend, ‘dat is helemaal nergens goed voor. Er wordt al genoeg slap geouwehoerd.’

Blozend controleerde ik of het apparaat in orde was. Dat was zo. Ik drukte opnieuw de opnameknop in.

‘Nou, zeg het maar. Wat is er allemaal aan de hand?,’ vroeg hij op een toon alsof hij iets voor mij moest doen in plaats van andersom. Hij stak een sigaret op uit mijn pakje sigaretten dat ik tussen ons in op de tafel gelegd had, inhaleerde diep en keek me uitdagend aan.

‘Zo, dat scheelt weer dertig eurocent. Roken kun je ook alleen nog maar als je rijk of parasiet bent, of een combinatie van beiden,’ sprak Mabelus besmuikt.

Ik lag weer in een deuk. Mabelus keek me verbaasd aan.

‘Rijk of parasiet, waar haalt u het vandaan,’ proestte ik.

Mabelus reageerde niet. ‘Vooruit, steek van wal, keurige oude man.’

Nadat ik weer bijgekomen was van het lachen vroeg ik onzeker wanneer hij met schrijven begonnen was. Ik wist dat het een suffe vraag was. ‘2015?’ ‘

‘Hoe komt u daar nu bij,’ riep Mabelus verongelijkt uit. ‘Ik schrijf mijn hele leven al. Schriften en kladblokken vol. Ik heb het meeste daarvan weggegooid hoor, want het was vooral troep.’

‘Hoezo, troep,’ vroeg ik voorzichtig.

‘Ik wilde schrijven als mijn helden. Toen ik het oeuvre van Albert Camus had gelezen, probeerde ik als Camus te schrijven.’

Mabelus stond op van zijn stoel. Hij viel neer op zijn knieën als voor een altaar en begon te declameren: ‘er zijn plekken op aarde waar de geest sterft opdat er een waarheid wordt geboren die een ontkenning inhoudt van zichzelf.’ Hij stond weer op. ‘Weet u wel?,’ vroeg hij mij, ‘dat soort quasi diepzinnige flauwekul,’ en ging weer zitten.

‘Het zou verboden moeten worden,’ sprak hij somber.

Ik keek hem niet begrijpend aan.

‘U kent het niet? Het is de openingszin van ‘Le vent à Djemila’ uit de in 1938 te Algiers verschenen bundel ‘Noces’. Het zegt u helemaal niets?’

Hij wachtte even. Hij zuchtte diep.

‘Mij inmiddels ook niet meer,’ sprak hij vermoeid.

Hij nam weer een trek van zijn sigaret en nam een slok rode wijn.

‘Ach ja, ik was een puber. Ik dacht vroeger zelfs dat Harry Mulisch een groot schrijver was. Dan begrijpt u zeker wel dat ik van kaas weinig literatuur gegeten had. Laat staan dat ik zelf in staat was literatuur te schrijven.’

Nadat ik uitgelachen was vroeg ik, ‘U publiceerde niet?’

‘Bent u nu helemaal gek? Natuurlijk niet! Ik probeerde het niet eens. Het was zolderkamernavelstaargepriegel van de eerste orde. Afgaan kan ik altijd nog doen, moet ik toen gedacht hebben. Een zeer juiste gedachte naar achteraf is gebleken. Nee, ik wist donders goed dat er nog veel werk aan mijn schrijverswinkeltje te doen was. Ik liet mijn probeersels ook aan niemand lezen. Ik was niet gek. Als ik iemand de trap naar mijn zolder op hoorde komen verborg ik snel pen en papier en sloeg een schoolboek open of zette een cd aan.’

‘Waarom schreef u dan?’

‘Waarom heeft een konijn twee van die grote flaporen? Ik wilde schrijven omdat ik altijd grote bewondering heb gehad voor schrijvers. Ik wilde schrijven. Het leek me een machtig idee om ooit ook deel uit te maken van die intrigerende elite van bohémiens. Schrijvers, daar wordt tegen opgekeken, die zijn interessant en sjiek, populair bij de vrouwen, bij iedereen. Bovendien werken ze niet voor een baas en kijkt niemand er van op als een schrijver overdag een borreltje neemt. De enige manier om ook bij die club te horen was zelf gaan schrijven. En dan maar hopen dat er iets fatsoenlijks uit je vingers komt. Ik wilde schrijven. Ik wilde schrijver worden. Ik wilde schrijven. Schrijven.’

‘Dus u had helemaal niets te zeggen. U wilde er alleen maar bij horen.’

‘Ja, aanvankelijk wel. Ik kwam er echter al snel achter dat als je schrijver wilt zijn je ook iets te zeggen moet hebben. Je moet toch over iets schrijven. Grondige bestudering van de moderne literatuur leerde mij dat seks, drank en dood er altijd als koek ingaan. En een slecht einde natuurlijk. Dus toen ben ik maar wat gaan vogelen en knutselen. In het begin waren mijn verhalen vaak onbeholpen geschreven, maar de techniek van een vloeiende schrijfstijl kun je leren.’

De grote schrijver draaide een nieuwe joint en keek even melancholisch uit over de Singelgracht. Hij ordende zijn gedachten en stak de verse joint op, inhaleerde diep alsof zijn leven ervan afhing, blies een toeter van grijze rook uit en vervolgde zijn betoog.

‘Ik schreef in het begin alleen maar over seks, of alleen maar over drank, of alleen maar over seks en drank, daarna over de dood. Daarna seks en dood, drank en dood, drank, seks en dood, alleen maar ellende. Het was allemaal recht toe recht aan, zo plat als een dubbeltje. Om een goed boek te schrijven moet je echter dubbele lagen hebben, moet je leren doseren, componeren. Mysterie scheppen. Anders kun je beter de krant gaan lezen. Om een kort verhaal lang te maken, ik kwam er al snel achter dat schrijven een vak is waarbij je net als bij andere topsporten inventiviteit, doorzettingsvermogen, geduld en durf moet hebben. Schrijven is niet iets wat je doet wanneer je er zo maar zin in hebt, als je ’s nachts uit de kroeg komt, als er voetbal op de televisie is, of als er iemand over de vloer is die het laat wil maken. Daarom ging ik met beleid schrijven. Ik ontwierp schema’s, een plot, u kent het wel. Daarna ging het eigenlijk vanzelf. En toen merkte ik ook dat ik wel iets te zeggen had. Niets nieuws natuurlijk, maar wel op mijn manier. Het was pas in 2015 dat ik mijn schrijverij goed genoeg vond om op te sturen naar bladen en kranten. Dat werd een groot succes. Ik kon zelf een uitgeverij uitkiezen die mijn roman, gedichten en verhalen wilde publiceren. Alle mensen, ik klink wel pedant,’ zei Mabelus en keek even onderzoekend naar de spijlen onder de zitting van de stoel waar hij op zat. ‘En op mijn praatstoel zit ik ook,’ zei hij droog.

Ik barstte weer besmuikt in lachen uit.

‘U lacht weer?,’ vroeg Mabelus mij streng.

Ik wuifde hem schaterlachend weg. ‘Hou op, hou op. U speelt een spelletje met me. Ik heb het niet meer. U bent zo grappig.’

‘Dat heb ik meer gehoord,’ zei Mabelus en staarde enige momenten somber naar buiten. ‘Waar hadden we het ook alweer over?’

‘U merkte dat u wat te zeggen had?’

‘Ja, ik had wat te zeggen. Wat zei ik ook alweer?’

‘Ik bedoel uw thema. De boodschap in uw werk.’

‘O ja, dat. Nou, zoals ik al opmerkte is mijn boodschap niet nieuw. Ik ben ook maar een mens. Dus kan ik alleen maar over universele dingen schrijven, zoals angst voor de dood, eenzaamheid, behoefte aan liefde en een zin van leven vinden, vrede in het hart zal ik maar zeggen.’

‘Lukt dat een beetje?’

‘Welnee. Nou ja, zo erg is het allemaal ook weer niet. Maar als ik een sombere bui heb denk ik wel eens ‘waar doe ik het allemaal voor?’ Ik bedoel, een schrijver in zo’n klein kutlandje, veel geld levert het niet op. Als je rijk wilt worden van schrijven moet je in het Engels schrijven of heel veel vertaald worden met subsidies van het ministerie van BMW.  De mensen worden tegenwoordig zo overdonderd met informatie dat ze murw geraken. Ze zien geen onderscheid meer tussen wat oprecht, mooi en goed is en de rest, de troep, de buisvulling, de bladen vol reclame met daarin hier en daar een geschreven stukkie over vreemdgaan met je ex en columns van schrijvers. Dus als ze je boek al lezen doet het ze waarschijnlijk niet zo veel. Ze hebben het boek uit en gooien het bij de oude kranten, zo gaat het toch? En wat heb ik nou helemaal te zeggen? Dat het leven mooi is, maar niet eerlijk. Het gaat door totdat het stopt. En dan gaat de rest van de wereld gewoon verder. Alsof er niets gebeurd is. Geen genade. Daarom wil ik mijn tweede boek ook zo noemen ‘Geen genade.’ Er is geen genade. Kijk maar naar de televisie wat de mensen elkaar aandoen. Kinderen worden verkracht en de keel afgesneden. Die kinderen hebben hoogstens een vlieg kwaad gedaan, verder niemand. Waarom moeten die kinderen in godsnaam dood? De mens is van nature slecht en egoïstisch, maar kan zich door wilskracht zetten tot goede daden. Niet andersom. Ach. kijk maar naar uzelf.’

Mabelus schonk zich een nieuw glas wijn in, stak een nieuwe sigaret op. Uit mijn pakje.

‘Ik?,’ vroeg ik onzeker.

‘Ja, u toch ook. U komt hier niet voor mij, maar voor uzelf. U wilt een stukje maken, geld verdienen. Als u geen stukjes schrijft kan de huur niet betaald worden, de AOW-premie en al die andere belastingtroep en dergelijke moet u toch ook ophoesten, net als iedereen. Of doet u alles zwart? Dan wil ik er niks mee te maken hebben. Dan moet u nu al weg. Betaalt u eigenlijk wel kijk en luistergeld? Dat schijnt ook geen hond te doen. En dat moet wel, want daar moet het journaal van betaald worden. Of bestaat dat niet meer, kijk en luistergeld?’

Nadat ik fel knikkend en lachend had gezegd dat kijk- en luistergeld al een tijd geleden zijn afgeschaft ging Mabélus onverstoord verder.

‘U leeft van het schrijven van stukjes. Of dat nu over het broeikaseffect, de nieuw geboren gorillababy in Artis, een roofoverval met dubbele moord, de zoveelste nieuwe minnaar van die en die gaat, of over mij, de mallotige schrijver uit Amsterdam, die toevallig nu zoveel boekjes verkoopt en altijd in is voor een gewaagde uitspraak als hij wat op heeft. Het is u toch om het even? Over een jaar ben ik vergeten.’

‘Hoe kunt u dat nu zeggen?,’ protesteerde ik verbolgen. ‘Ik ben speciaal voor u hier gekomen. Omdat ik u bewonder, u fascineert me, u bent een groot talent, een persoonlijkheid. Een groot schrijver. Met u kan de liefhebber van het betere boek nog jarenlang mee.’

‘Ja, dat mag je hopen,’ zei Mabelus gelaten.

Misschien was Mabelus wel iemand die last had van een zware dronk in de depressieve zin des woords. Mabelus antwoordde niet, schonk het laatste restje wijn uit in zijn limonadeglas. Ik keek op mijn horloge. Een half uur! In een half uur had hij de hele literfles rode wijn leeg gedronken! Ik was nog steeds met mijn eerste glas bezig. Hij ging gewoon door bij waar hij gebleven was.

‘Het hele schrijven komt me nu al mijn neus uit.’ Hij schonk zich een nieuw glas rode wijn in. ‘Ik stop ermee, het is genoeg geweest. Afgelopen. Einde oefening. Ik verdien geen moer. En wat heb ik toe te voegen aan Dostojevski of Thomas Mann? Niets. Ik ben minder dan een mug in de wereldliteratuur. Twee boekjes in de stadstaat Nederland. Een avonturenroman en een verhalenbundel. In Tokio of Mexico City wonen meer mensen dan in heel Nederland bij elkaar. Het gaat nergens over. Ik schrijf in een taal die één op de vierhonderd mensen ter wereld kan lezen. Dat zet geen zoden aan de dijk. En dan de lezers hier, in dit fijne ambtenarengehucht. Meisjesbladen willen mij interviewen omdat ik knap ben, talkshows willen me hebben omdat ik zogenaamd altijd bezopen ben, het is mooi geweest. Ik heb de Mount Everest mogen aanschouwen toen ik in een gammel vliegtuigje vanuit de hoofdstad van Bangladesh naar Kathmandu vloog. Ik heb aan de rand van de Grand Canyon gestaan. Ik heb alles met de liefste en mooiste vrouwen ter wereld gedaan dat binnen de wet viel. Het is mooi geweest. Het was prachtig. Beter kan niet. Gaat u nu maar.’

Mabelus keek verslagen naar een wazig punt op de vloer van zijn schitterende appartement. Ik aarzelde. Wat moest ik doen? Een arm om hem heen slaan? Een nieuwe fles wijn kopen? Sterke zwarte koffie zetten? Zo op hem inpraten dat hij het weer een beetje zag zitten? Ik wist het niet.

‘Gaat u maar,’ zei Mabelus opnieuw.

‘Maar hoe moet het dan nu verder,’ sprak ik bedremmeld. ‘U kunt toch niet zo maar stoppen met schrijven. Duizenden lezers aanbidden u. Wachten op uw nieuwe boeken.’

Mabelus keek me meewarig aan, hij leek dronken, hij glimlachte. ‘Natuurlijk ga ik door. Ik maakte maar een grapje.’

‘Gelukkig,’ slaakte ik een zucht van verlichting.

‘Nee, u begrijpt me verkeerd,’ zei Mabélus. ‘Ik ga door met leven. Als mens, niet als schrijver.’

Ik snapte er niets meer van.

‘Ik heb van de week een staatslot gekocht. Op grond van wat ik tot nu toe in mijn leven heb meegemaakt zit het er dik in dat ik de hoofdprijs win. Dan ga ik lekker rentenieren op Bali. Zwemmen, fietsen, lekker eten, u kent het wel.’

‘Neemt u me nu weer in de maling?,’ vroeg ik gepikeerd. ‘Geen wonder dat u zo veel in de pers komt. U bent echt zo gek als een deur.’

‘Daar moet u geen grapjes over maken.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Over gekte en zo. Dat is beslist niet leuk. Ik bedoel gek zijn is een serieuze zaak. Daar kan men niet zwaar genoeg over denken. Mijn oma heeft van 1943 tot aan haar dood in 1985 in een gekkengesticht in Rosmalen gezeten. De diagnose luidde schizofrenie. De keren dat ik haar heb gezien leek het mij echter meer monotonie dan schizofrenie want er kwam geen zinnig woord uit haar. Helemaal suf geëlektroshockt in de oorlog door de NSB. Misschien was er nog wat aan te doen geweest door een fatsoenlijke psychiater. Maar waar val ik u eigenlijk mee lastig. Ik wil alleen maar zeggen dat u geen grapjes moet maken over gekken. U weet blijkbaar niet waar u het over heeft. Enfin, u heeft me beledigd. Dus dit gesprek is ten einde. Ik hoop dat u genoeg materiaal heeft voor uw stukje. Waar verschijnt uw interview in?’

‘Uuuhhhh, dat weet ik nog niet.’ Ik kreeg een rode kop.

‘Nou ja, dat is uw probleem. Bedankt voor uw komst. Het was erg gezellig.’

Ik pakte mijn telefoon om een foto te maken.

‘Zou ik nog enige foto’s van u mogen maken?,’ vroeg ik.

‘Ik weet niet of dat wel zo’n goed idee is. Heb ik niet een enorme drankharses?’

‘Welnee, u ziet er heel goed uit,’ zei ik oprecht. Mabelus pakte een scheerspiegel, die naast zijn telefoon gelegen had en bekeek zich enige momenten kritisch vanuit diverse standen in de spiegel.

‘Vooruit, u heeft gelijk. Ik zie er redelijk uit. Gaat u gang.’

Ik nam Mabelus nors, arrogant, streng en afstandelijk.

‘Nu nog een vrolijke,’ zei ik.

‘Dan moet u wel iets grappigs doen. Ga maar op één been staan en zeg ‘kukeluku.’

Ik ging op één been staan en zei ‘kukeluku.’ Mabelus lachte. Zo, die had ik er ook mooi op.

‘Dat was het dan weer, hè?,’ zei Mabelus. ‘Een prettig leven verder.’

‘Ontzettend bedankt voor uw tijd,’ bedankte ik hem, terwijl hij mij vriendelijk richting deur begeleidde.

‘Gaat u vandaag nog schrijven?,’ kon ik niet nalaten te vragen.

‘Ach, je weet nooit hoe een haas een koe vangt. Dag.’

Beneden aangekomen bleek mijn achterband lek te zijn. Ik keek even omhoog, naar de ramen waarachter Mabelus zich moest bevinden. Ik durfde niet aan te bellen om hem om bandenplakspullen te vragen. Ik ging lopend naar huis.

 

 

De Opblaasklaagmuur

© Pixabay

De tijd is voorbij dat Duitsland synoniem stond voor de schande van de Tweede Wereldoorlog. Nu echt de aller-, allerlaatste Duitse oorlogsmisdadigers dement en kwijlend uit hun bed en rolstoel voor het gerecht worden gesleept – om alsnog rechtvaardigheid te doen zegevieren – en een bezoek aan Auschwitz-Birkenau een toeristische attractie is geworden, is het tijd voor een nieuw begin, een herijking van de Joods-Duitse verhoudingen en de menselijke verhoudingen in het groot en algemeen.

Mijn neurotische grootvader, met een zwak ontwikkelde narcistische psychose, kwam getraumatiseerd en onder de kippenstront uit de oorlog, omdat hij vijf jaar lang zonder reden ondergedoken had gezeten in het kippenhok dat achter in de tuin van zijn Sliedrechtse arbeidershuisje stond. Doodsbang was hij geweest om door de bezetter voor Jood, zigeuner, geestelijk gehandicapte of homo te worden aangezien. En dat alleen omdat hij een bloemetjesjurk droeg in zijn vrije tijd. Hij weigerde een woord Duits uit te spreken. Als hij wilde zeggen dat hij “an sich überhaupt geen trek had in een Kaiserbrötchen,” zei hij: “Op zich heb ik overhoop geen trek in een broodje van de keizer.”

Dit jaar bestaat de staat Israël formeel zeventig jaar. Een tempel van vrede en harmonie kan Israël helaas niet genoemd worden. Ach, ieder zijn eigen apartheid.

Vandaag de dag wordt het centrum van Berlijn gedomineerd door de glorieus gerestaureerde Rijksdag. Gebouwd tijdens de hoogtijdagen van het Duitse keizerrijk. Op de voorgevel staat in vergulde letters op het architraaf: Dem Deutschen Volke. De voor Duitsland en de wereld rampzalig verlopen Eerste Wereldoorlog leidde tot het aftreden van de Duitse keizer Wilhelm II. Gevolgd door de onmachtige democratische Weimarrepubliek. Daarna werd de Rijksdag in de collectieve herinnering symbool voor Nazi-Duitsland. Juichende ten dode opgeschreven Sovjetsoldaten dansten op een kolossale ruïne. Verlaten krot van de Koude Oorlog. Nog net in West-Berlijn, pal naast de Berlijnse Muur. Een gebouw dat vooral onbegrip, leegte en onmacht vertegenwoordigde.

Het indrukwekkende Holocaustmonument dat uit 2711 betonblokken bestaat, variërend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter, waar verveelde scholieren, verplicht op excursie, verstoppertje spelen en opbotsen tegen geëmotioneerde nabestaanden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en mensen die zich willen inleven in basisemoties, bevindt zich op slechts enkele honderden meters afstand van de Rijksdag.

In Jeruzalem viel me op dat de Klaagmuur eigenlijk heel klein is. Veel te klein om ruimte te bieden aan alle mensen in de hele wereld die willen klagen.

Daarom heeft het Duitse bedrijf waarvoor ik werk een campagne bedacht om alle klagende mensen in de wereld, Jood of niet-Jood, een gratis opblaasbare Klaagmuur aan te bieden. Als de opblaasbare Klaagmuur opgeblazen is, zult u zien dat de opblaasbare Klaagmuur als twee druppels water lijkt op de originele Klaagmuur in Jeruzalem. Inclusief gleuven om wensen, gebeden en in memoria in te proppen.

Zin om te klagen? Geen geld voor een trip naar de Klaagmuur in Jeruzalem? Vraag dan de gratis opblaasbare Klaagmuur aan. U betaalt geen verzendkosten!

De waan van de dag is wat ons bindt.

“De Opblaasklaagmuur” stond op 26 maart 2018 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Mijn naam is Bondig, James Bondig

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 12: “bondig.”

© Pixabay

Ik houd van gebonden soep. Ik ben James Bondig, er is geen betere Britse spion. Je denkt toch niet dat ik heb genoten van wat we vanavond hebben gedaan, of wel? Wat ik vanavond gedaan heb deed ik niet voor mijzelf, het was voor koningin en vaderland. Doe je kleren weer aan en ik koop een ijsje voor je. Mijn lieve meid, er zijn een paar dingen die je gewoon niet kunt doen, zoals het drinken van Dom Perignon ’53 boven de temperatuur van 38 graden Fahrenheit. Dat is net zo slecht als luisteren naar de Beatles zonder oorbeschermers. Ik ben bang dat je me hebt betrapt met meer dan alleen mijn handen omhoog. Mijn naam is Bondig, James Bondig.

Deze 120 woorden verschenen op 22 maart 2018 voor het eerst op 120w.nl.