Tussen Hollandse Nieuwe en Kousenband

De hieronder afgedrukte tekst is de integrale weergave van de woorden, zoals die op 17 mei 1983 in Hilversum werden uitgesproken tijdens de televisieopnamen van de nooit uitgezonden zesendertigste aflevering van het destijds zeer populaire televisieprogramma van de AVRO, ‘Tussen Hollandse Nieuwe en Kousen­band.’ De presentatie was in handen van Herman Emmink.

PRESENTATOR

Goedenavond, dames en heren, jongens en meisjes, publiek hier in de zaal en natuurlijk ook u, kijkers thuis. En ook welkom voor de buren, die weer stiekem gratis over het tuinhekje proberen mee te kijken! Gelach klinkt in de zaal. Het is 1983. Het publiek begrijpt: veel mensen zijn niet in het bezit van een televisie en nog minder mensen betalen het verplichte kijk- en luistergeld (belasting op televisie kijken en radio luisteren) aan de staat. Welkom bij alweer de zesendertigste aflevering van ‘Tussen Hollandse Nieuwe en Kousenband’, de serie over de vaak zo bizarre zeden, gewoonten en gebruiken van volkeren over de hele wereld.

Voordat we naar het filmpje gaan kijken over het volk en hun leefomgeving voor de uitzending van vandaag, vraag ik uw aandacht voor onze speciale gast van vanmiddag, hier komt ze aanlopen. Dames en heren, mag ik uw aandacht voor Charlotte Hutuheru! Matig aarzelend applaus vanuit de zaal op instigatie van een fanatiek in zijn handen klappende floor manager als een onzeker schuifelende blanke “Molukse” vrouw struikelend naar voren komt lopen in Oosterse kleding, die haar niet staat: een kain, een sarong palekat en een kebaja. Haar blonde haar is strak naar achteren gekamd in een konde bulan (een maanvormige wrong) met sierspeld. Aan haar voeten draagt ze lichtblauwe gympies. Op haar neus rust een zwarte hoornen bril met jampotglazen.

Charlot, kom er gezellig bij zitten. Schamper gelach uit het publiek als Charlotte Hutuheru bijna naast de voor haar aangewezen stoel aan de tafel van de gastheer gaat zitten. Oeps, dat gaat maar net goed, kind. De presentator wrijft over het linker dijbeen van Charlotte Hutuheru. Nou, Charlot, vertel eens wat meer over jezelf. Verveeld gezucht klinkt uit het publiek. Een uiterst nerveus ogende Charlotte Hutuheru lijkt iets te ontspannen door de aanraking van de presentator.

CHARLOTTE HUTUHERU

Ik ben Charlotte Hutuheru. Ik woon in Amersfoort, ben gelukkig getrouwd (gegrinnik in het publiek) en heb drie hartstikke leuke kinderen ‘Tempo!’ roept een man in het publiek. Vermanend gesis klinkt vanuit vrouwelijke hoek. Ik heb als hobby’s tropische kamerplanten verzamelen en Zweedse kruiswoord­puzzels oplossen.

PRESENTATOR

O, wat enig. Kun je dat goed: Zweedse kruiswoordpuzzels oplossen?

CHARLOTTE HUTUHERU

Ja.

PRESENTATOR

Wat goed. Ga verder.

CHARLOTTE HUTUHERU

Ik ben ook dol op lekker eten, ben nu even op dieet (Charlotte Hutuheru slaat met beide handen guitig op haar gezette middel. Het publiek in de zaal grinnikt, vol gevoelens van herkenning en schaamte) en helemaal gek met mijn konijnen. Soms denk ik dat…

PRESENTATOR

Fijn, Charlot. Hoe ben je er zo toe gekomen om je in Indonesië, en vooral, dat mag ik de kijkers thuis nu toch wel verklappen, in de eilandengroep deMolukken te specia­liseren?

CHARLOTTE HUTUHERU

Zoals mijn achternaam al doet vermoeden ben ik met een Molukker getrouwd. Onbestemd gegniffel in het publiek.

PRESENTATOR

Ja, want je ziet er uit als een gewone frisse Hollandse meid. En toch zo’n rare Molukse achternaam. Luider onbestemd gegniffel in het publiek.

CHARLOTTE HUTUHERU

Dank je. Een man in het publiek schaterlacht.

PRESENTATOR

Maar ik vroeg dus niet of en waarom je met een Molukker getrouwd bent, maar waarom je je voor de Molukken bent gaan interesseren. Of kwam dat pas na je huwelijk? Of had je altijd al een passie voor scherp gekruid eten? Iemand roept:’Bravo, motherfucker!,’ en balt daarna woest zijn rechtervuist in de lucht.

CHARLOTTE HUTUHERU

Het klinkt misschien gek, maar weet je, toen ik een jaar of vijftien was, was ik enorm geïnteresseerd in de treinkapingen en zo, door Molukkers, in het oosten van het land. Op het journaal zag ik een Molukse jongen uit de trein hangen met zijn pistool op de slaap van een passagier gericht. En dat vond ik zo een mooie jongen! Zo mooi bruin, met van die mooie volle lippen, en dat sluike gitzwarte haar (‘Nou ja!,’ roept iemand in het publiek), en dat pistool in zijn hand. Klaar voor actie. Bereid. Voorbereid. Een echte held. ‘Boeh!,’ roepen meerdere mensen vanaf de publiekstribune. Ja,dat was een echte heldvoor mij.

Vanaf toen knipte ik alles uit de krant over de Molukkers. Uit de bibliotheek haalde ik allerlei boeken over de Molukken, over hun geschiedenis, natuur en cultuur en wat voor dieren er wonen en zo. En ik ging op Molukse kookcursus en daar ontmoette ik Eddie, de Molukse kok. Opnieuw boegeroep in de zaal. ‘Kutkok!,’ roept iemand in het publiek. ‘Vuile pindavreter!’

PRESENTATOR

Eddie? De presentator gebaart vragend naar de regisseur.

CHARLOTTE HUTUHERU

Ja, mijn man, Eddie Hutuheru.

PRESENTATOR

Tuhutu, goed. Dames en heren in de zaal, mensen thuis, we gaan het vanmid­dag hebben over de Molukken. Leuk verhaal trouwens, Charlot. Beschaamd gegiechel in de zaal.

Wat de Molukken zo bijzonder maken, dames en heren, is dat deze eilanden­groep in het noordoosten van Indonesië net zo gegroepeerd is als de Grote Beer in het heelal. Charlotte Hutuheru trekt verbaasd haar wenkbrauwen op. Jawel, Charlot, kijk maar niet zo gek. Geklap in de zaal. Kijk dan (de presenta­tor wijst naar een landkaart, die achter hem hangt), net de Grote Beer, het steelpannetje, maar dan met een geknakt steeltje. Charlotte Hutuheru kijkt niet begrijpend om zich heen. Luid gelach in de zaal. Kom op, Charlot, je kunt niet alles weten, je bent ook maar een mens, je hebt jezelf niet gemaakt. Instemmend geginnegap in de zaal. Charlotte Hutuheru gaat steeds sipper kijken.

Nou, mensen thuis, het hele vreemde folkloristische gebruik waar we het vanmid­dag met onze Molukkenspecialist bij uitstek over gaan hebben is het oud Molukse gebruik van geitje treiteren. Hard gelach in de zaal. Charlot, waar komt het geitje treiteren eigenlijk vandaan?

CHARLOTTE HUTUHERU

Geitje treiteren? Er zijn helemaal geen geiten op de Molukken. Keiharde lachsalvo’s klinken vanaf de publieke tribune.

PRESENTATOR

Kijkt paniekerig naar de regisseur. Nee, Charlot, natuurlijk niet, maar hoe noemen ze die beesten ook al weer die ze geitjes noemen? Het schaterlachen in het publiek houdt niet meer op.

CHARLOTTE HUTUHERU

Geitjes?

PRESENTATOR

Ja, geitje treiteren. Je bent toch Molukkenexpert? De presentator kijkt nog eens in zijn aantekeningen die op het tafelblad voor hem liggen. Krijg nou wat, geitje treiteren is een nationale sport bij de Kalmukken!

Charlot, neem me niet kwalijk, jij bent pas volgende week aan de beurt! De presentator krijgt nu ook de slappe lach, hysterisch voetengestamp in de zaal, toeschouwers rollen met buikkrampen van stoelen. Hier en daar probeert iemand met de slappe lach de “wave” in te zetten. Charlotte Hutuheru wordt als een gebroken vrouw door een proestende regieassistente weggeleid. De regisseur schatert onbedaarlijk. Charlot! Je bent pas volgende week aan de beurt bij het jungle speed kokosnotenspel! De presentator slaat zich hard op de dijbenen van de pret. Het publiek gilt uitzinnig.

REGISSEUR

Cut!

Retro Supernova

 

Er is geen begin

Een witte dwerg in een nauwe dubbelster

Alles is al gedaan

Het is alleen niet opgemerkt

De liefde is een dreigende macht

Wie leven baart, baart dood

De kracht van een schreeuw

Uit miljoenen kelen

Een zuigend en kolkend zwart gat

Geen ontsnappen mogelijk

Retro Supernova

Weten dat je niet weet,  is het hoogste

Dat niet weten,  is gemis

Geen absolute moraal

Retro Supernova

Een laatste ademtocht

Uit miljarden longen

Een orkaan van onmisbare zuurstof

Blaast leven in het kreupelhout

Liefde is de moeder van haat

Wie doodt geeft energie terug

Aan Suburbia

Van  het universum

Alles is al gezegd

Er is alleen niet naar geluisterd

De rode reus is een partnerster

Er is geen einde

Snaartheorie

 

 

Als de hoeveelheid energie in het universum constant is

Kan liefde niet oneindig zijn

Een lichtflits tussen twee eeuwigheden duisternis

Een nooit wegstervende echo van een hier en nu

 

Geluidsgolven dicteren een werkelijkheid

Waar geen ontsnappen aan is

Gekooid in vermeende dissonanten

Verstrooid over de globe, continu

 

Verlangen betekent verliezen

In een onafwendbaar voorlopig slotakkoord

Verdrinken in een kakofonie van emoties

Daarna de kleine dood

 

Chaos ervaren bij het geluid van zangvogels in de ochtend

Alles valt op zijn plaats

Met een luide knal

Voor de kinderen van de stilte voor de storm

 

Wie kan ooit zijn bestemming bereiken?

Het stinkt hier naar gedateerde gereformeerde predestinatieleer

Iedereen aan zijn lot overgelaten

De zonnen, de manen, onze harten en onze zielen

 

Biografie Peter Mabelus

In de jaren negentig was ik wereldberoemd in Bulgarije, als schrijver en als wielrenner. Mijn toenmalige Bulgaarse vriendin heeft mijn werk in het Bulgaars vertaald. Ik werd een hype in Bulgarije en won onder meer de prestigieuze Malenkovprijs voor mijn roman “De Straf van Veger”, “Наказание Sweeper” in het Bulgaars. Mijn Bulgaarse roman is nog steeds niet in Nederland uitgegeven en is slechts zeer moeizaam en voor heel veel geld te verkrijgen via exclusieve veilinghuizen als Sothebys. Het eerste decennium van deze eeuw besteedde ik mijn tijd vooral aan mijn promotieonderzoek aan de Universiteit van Tokyo (東京大学, , Tōkyō daigaku), vaak afgekort tot Todai (東大, , Tōdai), waar ik de verschillende gehoorafwijkingen van Japanse vleermuizen onderzocht, die vooral te vinden zijn in het Hidagebergte (Japans: 飛騨山脈, Hida Sanmyaku), een Japanse bergrug die onderdeel vormt van de Japanse Alpen en zich uitstrekt over de prefecturen Nagano, Toyama en Gifu. Mijn proefschrift “Wie niet horen wil, moet maar voelen” (Japans: 誰が感じる必要が聞こえませんが, Dare ga kanjiru hitsuyō ga kikoemasenga) werd raar genoeg een bestseller in Japan: 4 miljoen verkochte exemplaren, die ik allemaal gesigneerd heb tijdens een dolle signeersessie bij mijn Japanse uitgever in Kobe. Ook dit werk is nog niet in het Nederlands vertaald. Gek genoeg zijn er alleen nog af en toe Koreaanse vertalingen van mijn proefschrift via veilingsites op internet te vinden: (Koreaans: 사람 느껴야 듣지 않고, Salam neukkyeoya deudji anhgo). In Japan weigert elke bezitter van een exemplaar van mijn proefschrift afstand te doen van zijn of haar exemplaar. Tegenwoordig werk ik als pizzakoerier in Eritrea. De kogels vliegen mij dagelijks om de oren en ik heb zelden iets te doen, maar ik heb geleerd dat je blij moet zijn met wat je hebt.

Hoop

 

Wacht op meer morfine

Witte jassen, poeders en pillen moeten je uit je lijden verlossen

De Verlosser bestrijdt pijn

De Verlosser helpt

De oorzaak van de pijn kan niet bereikt worden

Klauter gewond van de bodem van een massagraf naar boven

Naakt

Besmeurd met bloed en stront van vernietigde dierbaren

De vijand heeft je alleen gelaten

Waar is de vijand?

Koop een lot uit de loterij

Een ticket voor hoop

Gooi geld weg dat niet bestaat

Elke week is even spannend

Tijd verstrijkt onverschillig

De digitale brij verstikt

Adem bewust in

Word sterk

Elimineer je emoties

Oprechtheid is een concept geworden

Eerlijkheid komt slechts in definities voor

Elke moraal is verzonnen

Hoop is voor mensen die niet in genade leven

Logboek van een komische crisis

Bert had het gevoel dat er iets verdachts was aan zijn nieuwe buurman.

Bert woonde in kamer 329 op de derde verdieping van Woontoren C, een studentenflat op de campus van de Universiteit van Wageningen, aan de Droevendaalsesteeg 124. Het kamernummer van zijn nieuwe buurman was 328.

De nieuwe buurman van Bert had kamer 328 pas twee weken geleden, op een zonnige zaterdag half mei, betrokken. Die hele dag was het een vrolijk in en uit lopen van lachende en kletsende, met meubels en planten sjouwende, vrienden en familieleden van de nieuwe bewoner geweest.

Bert had de hele dag de gordijnen van zijn kamer angstvallig gesloten gehouden. Hij had zijn kamer niet verlaten. Hij had vermeden geluid te maken en daarom zelfs zijn toilet niet doorgetrokken, ook al had hij de hele pot vol gescheten. In de weken daarna had de nieuwe buurman nooit de moeite genomen om op de kamerdeur van Bert te kloppen en zichzelf voor te stellen. Het was in theorie mogelijk dat Bert juist op het moment dat zijn nieuwe buurman op zijn kamerdeur had geklopt de deur uit was geweest. Maar Bert was bijna altijd thuis en dan had de nieuwe buurman toch wel de moeite kunnen nemen om het nog eens te proberen. Dat zou toch niet te veel moeite zijn geweest voor de nieuwe buurman?

Bert was niet iemand die snel contact maakte met andere mensen. Bert was erg verlegen. Hij was bang dat anderen hem vreemd of raar vonden. Hij was bang dat hij in menselijk gezelschap zou gaan blozen of trillen. Hij was bang voor zijn eigen reactie op elke mogelijke sociale situatie. Hij probeerde daarom zo veel mogelijk sociale situaties te vermijden. Wanneer hij zich toch in een zo door hem gevreesde sociale situatie bevond, bijvoorbeeld de twee keer in de week dat hij op de fiets bij de Aldi boodschappen ging doen, acht straten en twee verkeerslichten verder op. Of vroeger toen hij nog naar college ging, doorstond hij dat soort tochten met de grootst mogelijke moeite. Dit alles had een zeer negatieve invloed op zijn dagelijkse en leven en doen.

Bert was al op de middelbare school gediagnosticeerd met een “gegeneraliseerde sociale fobie”. Dat wil zeggen dat hij niet leed aan een sociale angststoornis die betrekking heeft op één specifieke situatie, maar op een groot aantal sociale situaties. Hij durfde niet te telefoneren, dus had hij noch een vaste, noch een mobiele telefoon. Hij verliet zijn kamer alleen als het echt niet anders kon. Hij was wel in het bezit van een laptop, zodat hij on line de aanbiedingen van de Aldi kon bekijken. Zo kon hij al voor hij de deur uitging om boodschappen te doen een lijstje maken van benodigde producten voor een zo goed mogelijke prijs en zijn verblijftijd in de Aldi tot een minimum beperken. Verder gebruikte hij zijn laptop voor de zaken waar alle studenten hem voor gebruiken: mailen, zijn voornaamste mailcontact was zijn oude moeder Betteke, gamen en illegaal downloaden. Hij besteedde bijna al zijn tijd aan het lezen van illegaal gedownloade ebooks op zijn e-reader, een PRS-T3 Reader van Sony. Hij hield vooral van de genres fantasy en chicklit. Soms keek hij op zijn laptop naar oude afleveringen van “The Oprah Winfrey Show” en “Dr. Phil”, de Texaanse psycholoog, die groot is geworden door Oprah Winfrey. Zonder Oprah en Phil zou Bert geen weet hebben gehad van wat andere mensen denken en doen. Zij waren zijn venster op de wereld.

Bert woonde, zoals vermeld, op een studentenflat aan de rand van de stad Wageningen. Het was echter al jaren niet meer zo dat er alleen studenten in een studentenflat woonden. In verband met de eeuwige woningnood in Nederland, met name onder arme mensen, zoals veel studenten, werkloze jongeren, legale asielzoekers en voormalig psychiatrische patiënten, had de overheid besloten dat studentenflats voor alle woningzoekenden van onder de veertig jaren oud toegankelijk moesten zijn. Daarom was de sociale cohesie binnen de woongemeenschap ver te zoeken.

Voorbij waren de tijden van gelijkgestemde studenten die gemeenschappelijke interesses deelden, zoals praten over politiek, de boeken die ze aan het lezen waren, de studie die ze volgden, reizen, drankmisbruik en promiscuïteit.

Alles was veranderd sinds je iedereen onder de veertig kon tegenkomen op de gang van je studentenflat. De bewoners konden elkaar vaak letterlijk niet meer verstaan. Waar moet je het over hebben met een verlegen en gesluierde vrouw met een donkere huidskleur, die alleen Somalisch spreekt, een Koesjitische taal, die vooral in Somalië, Djibouti, Ethiopië en Kenia gesproken wordt? Waar moet je het over hebben met een autochtone analfabetische leeftijdsgenoot in de bijstand of een uit een psychiatrische instelling ontslagen freak, onder de medicijnen, die naar je gaat blaffen als je op weg bent naar de gemeenschappelijke keuken, en je aankijkt als het personage van de doorgedraaide schrijver Jack Torrance, zoals gespeeld door Jack Nicholson in de horrorfilm “The Shining”, geregisseerd door Stanley Kubrick, uitgebracht in 1980 door Warner Brothers, gebaseerd op de in januari 1977 door uitgeverij “Doubleday” gepubliceerde gelijknamige roman van Stephen King?

Het verloop onder de bewoners was groot. Hoe groter de sociale, etnische, psychische en culturele diversiteit aan arme mensen op een kluitje wordt, hoe groter de individualisering, onverschilligheid en anonimiteit.

Alsof je alleen op reis bent in een ver en arm land en strandt in een gehucht waar je niemand kunt vertrouwen en de taal van de lokale bewoners niet spreekt of verstaat.

Bert was nu al vier maanden niet meer naar college geweest. Bert was in augustus begonnen met zijn oriëntatiejaar Life Sciences. Tot nu toe had hij met veel pijn en moeite slechts vijf van de in totaal veertig benodigde studiepunten gehaald om door te mogen gaan naar het tweede studiejaar.

Hij had alleen het vak Algemene Chemie 1 met succes afgesloten. Om in bezit te komen van het gele tentamenbriefje had hij een “paper” van twintig pagina’s moeten inleveren dat met een voldoende diende te worden beoordeeld. Via internet had Bert een profielwerkstuk gevonden, “Geeft plastic giftige stoffen af aan het water?” dat geschreven was door twee Belgische meisjes van Lyceum Hemelsdaele in Brugge, Anna Claus en Renske Dendermonde. Hij had het Vlaamse geschrift hertaald naar het Nederlands en ingeleverd alsof hij het zelf had geschreven. Omdat het inleveren digitaal gedaan mocht worden was er niet eens de noodzaak geweest om te blozen of te trillen. Al had hij dat achter zijn laptop wel gedaan, omdat hij zich een ongeluk schaamde vanwege zijn frauduleuze gedrag. Toch was hij blij met de vijf behaalde studiepunten.

Zijn moeder Betteke was in de waan dat hij op koers lag met zijn studie en met zijn laptop stuurde hij haar via de mail met gepaste regelmaat door hem zwaar gefotoshopte foto’s waarop het net leek of hij vrolijk was en vrienden, ja zelfs vriendinnen had.

Gelukkig voor Bert woonde zijn moeder Betteke ver weg, in Cadier en Keer, vlakbij Maastricht. Sinds zij een paar jaar geleden door een zware hersenbloeding getroffen was, kwam zij overdag haar tweedehands rolstoel niet meer uit. Bert had de tweedehands rolstoel via Marktplaats op de kop getikt voor een schappelijke prijs.

Moeder Betteke zat de hele dag voor het raam naar buiten te kijken met een levenloze blik. Wat ze zag en dacht, daar kon ze niet over vertellen. Als ze wilde praten kon ze alleen nog maar loeien als een zeekoe. Als zij haar handen wilde vouwen in gebed voor de maaltijd begon ze met haar armen te klapwieken alsof zij verwachtte te kunnen opstijgen als een zwaan. ’s Avonds werd ze in haar bed getild door haar zus Greetje.

Moeder Betteke werd verzorgd door haar zus Greetje, tante Greetje voor Bert. Tante Greetje woonde op slechts een paar kilometer afstand van Cadier en Keer,  in Margraten. Als zij uit naar buiten keek vanuit de voorkamer van haar kleine voormalige mijnwerkershuisje had ze uitzicht op “The Netherlands American Cemetery”, aan de Rijksweg N278.

Sinds enkele maanden hadden de eerste symptomen van het syndroom van Korsakov zich bij tante Greetje geopenbaard, maar dat stond een fatsoenlijke verzorging van haar zus Betteke niet in de weg. Het syndroom van Korsakov was bij tante Greetje aan het licht gekomen toen ze een medische controle moest doorstaan die verplicht was toen zij haar bejaardenpas moest verlengen. Toen de arts tijdens de medische controle geschokt de opgezwollen lever van tante Greetje betastte, schijnt hij uitgeroepen te hebben: ‘Nondeju, Greetje, wat drink jij eigenlijk!?’ ‘Net wat u in huis hebt,’ schijnt tante Greetje geantwoord te hebben. En op de opmerking van de dokter dat ze, als ze zo stevig door zou blijven drinken, haar lever nog wel eens kon gaan verliezen, schijnt ze geantwoord te hebben: ‘Soms is et baeter get sjoeëns te verleeze, baeter verleeze dan des se et noeëts hes gehad’ (‘Soms is het beter iets moois te verliezen, beter verliezen dan dat je het nooit heb gehad’).

De kans dat zijn moeder, met of zonder hulp van tante Greetje, op bezoek zou komen in Wageningen was nihil. In het bezit van een auto of rijbewijs waren de gezusters niet. Voor het openbaar vervoer beschikten ze niet over voldoende liggende gelden.

Bert kende eigenlijk alleen zijn huisarts, zijn psychotherapeut en zijn oude moeder Betteke redelijk goed. Bezoeken aan zijn huisarts en psychotherapeut probeerde hij zo veel mogelijk te ontwijken en af te zeggen, omdat Bert het gevoel had dat de twee hulpverleners hem meer last dan lust verschaften. Qua hulpverlening zat Bert in een vicieuze cirkel die langzaam veranderde in een neerwaartse spiraal: zijn “gegeneraliseerde sociale fobie” zorgde ervoor dat hij zijn hulpverleners ontweek en de hulpverleners konden hem niet verlossen van zijn “gegeneraliseerde sociale fobie” omdat Bert zelden of nooit op een afspraak verscheen. Inmiddels had hij zijn hulpverleners al net zo lang niet meer gezien als zijn medestudenten. Als Bert werd gemaild door zijn hulpverleners voor een nieuwe afspraak belandde de mail direct in de digitale prullenbak, die daarna direct door Bert werd geleegd. Bert begreep zelf niet waarom hij de mails van zijn hulpverleners niet al lang had geclassificeerd als spam of ongewenste e-mail. Weer iets om over na te denken.

Tante Greetje had hij al van kinds af aan zo veel mogelijk ontweken, omdat ze nogal raar deed en haar mond niet kon houden als ze bier had gedronken: ‘Waat duis doe! Wat busse den oog een udder dan! Det leeg se! Det is neet wòar! Det luugse! Sjiek is mich dat! Pinken aan de broeksnaad!’ (‘Wat doe je! wat ben je ook een idioot! ’t is niet waar! O nee toch! Ik ben ongesteld!’).

Aangezien ze elke dag de hele dag door bier dronk, deed ze vaak raar en had Bert nooit een intieme band met haar opgebouwd.

Het lievelingsbier van tante Greetje kwam uit het nabij gelegen dorp Gulpen, Gulpener bier, en dan met name de Gerardus Dubbel, alcoholpercentage zeven procent. Al sinds zo lang Bert leefde schreef tante Greetje zich voor 14 euro 95 één keer per week in voor de tweeeneenhalf uur durende rondleiding door de Gulpener brouwerij, met de start in het Gulpener Bierhuys aan de voet van de Gulpenerberg. Omdat tante Greetje zich elke keer vermomde als ze de rondleiding volgde, en de groepen die werden rondgeleid vaak uit de maximaal toegestane hoeveelheid van vijftig personen bestonden, viel het niemand op dat ze elke week achterin het gezelschap van fijnproevers, dagjesmensen, jengelende kinderen en alcoholisten langs de enorme brouwketels en fusten vol met bier mee sjokte. Tante Greetje bleef altijd expres een beetje achter bij de groep, zodat ze, als de gids om een nieuwe hoek van het gangenstelsel van de brouwerij verdwenen was, snel uit een brouwketel in de lagerkelder, of een fust in het magazijn, bier kon aftappen. Het bier tapte ze af in een speciaal voor de gelegenheid meegenomen plastic pint glas, zoals dat gebruikt wordt bij wilde feesten in het Verenigd Koninkrijk. Tante Greetje had het plastic pint glas ooit eens gevonden in de berm van de  Rijksweg N278, toen ze langs een aan de rijksweg gelegen camping liep, op weg van Margraten naar Cadier en Keet.

De rol van gids voor de rondleiding door de Gulpener brouwerij werd vaak als bijbaantje vervuld door studenten van de Toneelacademie Maastricht. Zij waren vooral gepreoccupeerd met zichzelf en het neerzetten van een goede performance. Veel studenten van de Toneelacademie Maastricht kregen het van hun studiebegeleider voor elkaar om de baan als gids te laten tellen als betaalde stage. Zo maakten zij van de nood een deugd en telden hun winst uit.

Af en toe slaagde een semi-lokale zuiplap uit Berg en Terblijt of Schin op Geul er in zich door de sollicitatieprocedure voor gids heen te wurmen. Eigenaar van de brouwerij en biersommelier André Köppen, die zijn opleiding aan de Doemens Academie in Gräfelfing bij München had gevolgd, en zijn zakelijke en persoonlijke partner Anne-Marie Köppen hadden echter een zeer strikte gedragscode waar het ging om de gidsen, die hun gasten en klanten in de richting van het proeflokaal en daarna de winkel van de brouwerij loodsten: werkende gidsen drinken niet en drinkende gidsen werken niet. Elke gids die werd betrapt op het zelf drinken van bier werd op staande voet ontslagen. Gidsen mochten tijdens de rondleiding slechts Warsteiner Alkohol Frei drinken, uit het Duitse plaatsje Warstein in het Sauerland, Noord-Rijnland-Westfalen. Daarbij moesten de gidsen wel net doen alsof ze echt Gulpener bier dronken, want anders ging het Bourgondische Limburgse imago van de Gulpener brouwerij verloren en zouden de klanten minder geld uitgeven in de brouwerijwinkel.

Op deze manier was tante Greetje elke week tweeeneenhalf uur zoet. Ze had wel eens uitgerekend dat ze de 14 euro 95 er elke week dubbel en dwars uithaalde met haar stiekeme aftappen van bier tijdens de rondleiding. Iets kopen in de brouwerijwinkel deed ze nooit. Daar was ze te krenterig voor. Thuis dronk ze altijd Holger bier, dat ze voor 3 euro 99 per krat door haar buurman Hoepert Jeup bij de Aldi, vlak over de grens in Aachen, Duitsland, liet halen. Omdat haar buurman Hoepert Jeup vijf dagen per week als docent Evangelische Religionslehre aan het Kaiser Karls Gymnasium aan de Augustinerbach 7 werkte, kwam hij op weg van en naar zijn werk altijd langs de Aldi aan de Schillerstrasse 20. Daarom vond hij het nooit een punt om een krat Holger bier voor zijn buurvrouw mee te nemen, die Hoepert Jeup overigens ook tante Greetje mocht noemen.

De tweede ring bekenden van Bert bestond uit zijn favoca (favoriete caissière) bij de Aldi, Martine stond er op haar naambordje, en zijn studiebegeleider en mentor Anton. Anton  zat echter al een maand of vijf overspannen thuis en Bert had sindsdien niets meer van hem gehoord. Hij had destijds wel een mailtje gekregen van iemand van de studentenadministratie van het oriëntatiejaar Life Sciences dat Anton voorlopig werd vervangen door Dick nog iets, maar die persoon had hij nog nooit ontmoet, omdat hij al zo lang niet meer op de universiteit was verschenen. Dan bleef als echte representant van zijn tweede ring bekenden alleen zijn favoca bij de Aldi, Martine over.

Wat wist Bert eigenlijk van zijn favoca Martine? Niet veel. Ze was jong, net als Bert een jaar of twintig. Waarschijnlijk had ze geen havo of vwo gedaan. Anders had ze waarschijnlijk niet veertig uur per week achter de kassa van de Aldi gezeten.

Als Bert zich had verschanst tussen de in stapels bruine kartonnen dozen verpakte goedkope blikken goulash en ragout en schuin vanachter naar Martine keek als zij aan het werk was, voelde hij een genegenheid voor haar die hij slechts één keer eerder in zijn leven had gevoeld.

Voor zijn eerste knuffeltje.

Konijntje.

Een wit lijf met blauwe oren.

Ontelbaar keren besabbeld en bedekt met een waas van beige.

Kuifje

‘Die tweede cd van Junkie XL is dus eigenlijk de eerste?,’ vroeg hij geïnteresseerd aan het punkmeisje.

Hij pakte een nieuwe halve liter fles bier uit een krat en drukte die in haar handen. Zij nam een voorzichtige slok uit de fles. In haar slanke bleke handen leek de fles twee keer groter dan normaal. Een onhandelbaar gevaarte van glas. Hij nam een flinke teug uit zijn fles. Hij wachtte geduldig op het punkmeisje dat zorgvuldig een zin probeerde te formuleren.

‘Nee, de eerste en de tweede cd hebben overlappende nummers, maar het zijn wel verschillende platen. Niet alle nummers zijn hetzelfde, maar de meeste wel. Voor de verzamelaars, weet je wel. Er staan bijvoorbeeld ook live nummers op de tweede. Die staan dus niet op de eerste.’

Ze friemelde wat aan de ring in haar neus en nam opnieuw een slok bier. Minder voorzichtig ditmaal.

‘Ja, dat heb ik wel eens vaker gehoord,’ zei hij, ‘dat ze dat doen. Cd’s met overlappende nummers en extra live nummers. Bonustracks noemen ze die, toch?’

‘Soms. Niet altijd,’ zei het punkmeisje en keek hem even belerend aan.

‘Wist je dat Heineken Bier echt een van de beste bieren van de hele wereld is?,’ vroeg hij het punkmeisje.

‘Ze zeggen het. Geef mij maar Grolsch.’

‘Nee, zonder dollen,‘ zei hij, ‘het wordt uit zuiver natuurlijke grondstoffen volgens traditioneel recept gebrouwen.’

Het punkmeisje keek ongeïnteresseerd naar haar kistjes. Hij las verder van het etiket.

‘Het is dan ook niet voor niets dat dit bier in Amsterdam, in 1883, het ‘diplome d’honeur’ heeft mogen ontvangen. Sterker nog, in 1875 werd het bier bekroond met de ‘Medaille d’or Paris,’ in 1889 won het de ‘Grand prix Paris,’ en in 1900 werd Heineken zelfs ‘Hors concours membre’ van de jury in Parijs.’

Het punkmeisje keek op en zei, ‘Meen je dat nou?’

‘Ja,’ zei hij.

Hij nam een slok bier. Hij zocht tastend op de zakken van zijn spijkervest naar sigaretten, terwijl hij voor de zoveelste keer deze avond verbaasd glimlachend naar haar paarse hanenkam keek.

‘Heb jij iets te roken?,’ vroeg hij haar.

Ze gaf hem een beduimeld pakje shag. Toen hij de vloei zocht, trof hij ook een klein zakje marihuana aan. Hij draaide een sigaret voor hen beiden. Ze staken de shagjes op. Ze zogen beiden hard aan de in papier omwikkelde brandende tabak. Ze inhaleerden de rook tot in de puntjes van hun longen. Daarna bliezen ze de rook weer uit.

Het punkmeisje en de jongeman stonden enigszins afgezonderd van de rest van het gezelschap onder de trap, die leidde naar de eerste verdieping van het studentenhuis. Het feest was georganiseerd door Johan, die drie straten verderop woonde.

Het was feest. Muziek van DJ* klonk dof stampend vanuit de woonkamer. Het was erg druk. Gerinkel en geschater. Hitte en herrie. Hij was als boezemvriend van Johan vanzelfsprekend op dit feest aanwezig. Het punkmeisje was via via via uitgenodigd.

Ze stonden nu al ruim een uur met elkaar te praten. Hij was gefascineerd door dit jonge jongensachtige punkmeisje met haar in kistjes en paarse panty’s gestoken mooie meisjesbenen, haar leren broekje, haar witte bloesje zonder mouwen en zwarte spijkervestje, de zeshonderd kettingen rond haar nek, de vijftig armbanden rond haar polsen, de tatoeage van een vogelspin op haar bovenarm, haar zwaar opgemaakte ogen, die ring door haar neus, maar vooral door die enorm grote paarse hanenkam boven op haar hoofd en verder helemaal kaal rondom. Wat een meisje. ‘Wat zouden je ouders hier wel niet van denken,’ kleine meid, dacht hij, maar hij vroeg het anders.

‘Woon je nog thuis?,’ vroeg hij.

Ze keek hem als een klein meisje aan.

‘Je weet nog niet eens hoe ik heet, hè?,’ vroeg zij.

‘Nee,’ zei hij, ‘hoe heet je eigenlijk?’

‘Kuifje. Mijn vrienden noemen me Kuifje.’

Zij barstte in lachen uit. Hij verslikte zich in zijn bier.

‘Is dat je echte naam, Kuifje!?,’ riep hij ongelovig uit.

‘Nee, natuurlijk niet, slimpie.’ Ze giechelde. ‘Mijn vrienden noemen me zo, omdat ik altijd een wit hondje bij me had, wat nu dood is.’ Ze keek somber.

‘O, dus niet vanwege je hanenkam?’

‘Nee, een hanenkam is toch geen kuif?,’ sprak het punkmeisje verbolgen. ‘Dan hadden ze me wel kippetje genoemd. Maar dat klinkt niet.’

‘Je bedoelt haantje,’ vroeg hij.

Kuifje keek hem niet begrijpend aan.

‘Haantje,’ verduidelijkte hij en wees met zijn grote fles bier naar haar hanenkam.

Ze probeerde omhoog te kijken, naar haar hanenkam, maar dat lukte niet, omdat die boven op haar hoofd zat.

‘Maar ik vroeg waar je woonde. Nog thuis?,’ vatte hij het gesprek weer op.

‘Nee, ik woon al vier jaar niet meer bij mijn ouders. Ik had altijd ruzie met mijn ouders, daarom ben ik toen ik veertien was weg gelopen. Ik woon nu in een kraakpand in IJmuiden’

‘Gaaf, ‘ zei hij, terwijl treurige visoenen van luie hasjrokende ongewassen punkhippies, die allemaal gezond aten en het allemaal met elkaar deden op de kosten van de staat, voor zijn ogen opdoemden.

‘Ja, dat is wel tof daar in IJmuiden’

‘Dus je bent achttien,’ stelde hij hardop vast.

‘Jep,’ zei Kuifje.

‘Nou, je zuipt wel als een tempelier voor een meisje van achttien,’ zei hij.

‘Jezus,’ dacht hij, ‘ik klink als haar vader en moet juist proberen op één golflengte met haar te komen.’ Hij verlangde naar dit gekke meisje, naar Kuifje.

‘Wat lul je nou man, hoe oud ben jij dan?’

‘Vier jaar ouder dan jij.’

Kuifje keek een halve minuut lang wazig voor zich uit.

‘Volgens mij ben ik alcoholist. Ik drink elke dag,’ zei ze en bukte voorover naar het krat om nieuwe flesjes bier te openen. ‘Hier, proost, Pipo.’

Zij klonken op weet ik veel wat. Johan zwaaide aangeschoten voorbij en knipoogde naar hem. Hij grimaste terug.

‘Wie is dat?,’ vroeg Kuifje hem schor.

‘Dat is de jongen van wie je het bier op staat te lurken.’

‘O, is hij die, eh…’

‘Johan, heet hij, maar zijn vrienden noemen hem Rover.’

‘Hoezo Rover?,’

‘Dat weet ik eigenlijk niet.’ Totaal overbodig voegde ik daaraan toe, ‘zijn vriendin is een Koreaans adoptiemeisje, ze heet Sanda.’

Kuifje reageerde niet. Hij stond te overdenken hoe hij Kuifje moest versieren. Zo’n punkmeisje vereiste ongetwijfeld een heel andere aanpak dan een ‘gewoon’ meisje. Waarschijnlijk zou de slijmerige softe weg aan haar niet besteed zijn. Maar hoe dan? Als hij haar eerst maar eens straks naar zijn hol zou kunnen slepen. Dan kwam de rest vanzelf.

‘Gaaf,’ mompelde Kuifje.

‘Wat is gaaf?’

‘Junkie XL, ze draaien Junkie XL.’

Inderdaad, nu hoorde ik het ook. ‘Underachievers.’

Kuifje zong mee.

‘It’s the conformist takin’ the firm fist of the idealist taken the shitlist now the purist stays the purist till the shit hits the fan of the culprits and then lawyer will destroy a motivation to become the purist and the terrorist is really fed up with nothing strategic to besiege with …’ Het ging maar door. Kuifje zong maar en zong maar, het accent van de zanger perfect imiterend. Haar rechterkistje tikte mee op de maat van de muziek.

‘Hou jij ook van ‘chemical beats’?,’ vroeg Kuifje op een gegeven moment aan hem.

‘Wie zijn fiets?,’ vroeg hij.

‘Chemical beats!! Junkie en de Prodigy en zo!!

‘Oh, Chemical beats!,’ antwoordde hij haar verbaasd. ‘Nee, sorry, ik verstond je eerst niet.’

‘Nee, maar ik hou vooral van punk. De Dead Kennedys, U.K. Subs, Killing Joke, je weet wel, het oude werk. Punk is waar ik echt voor ga.’

‘Nou, zelf hou ik niet zo van punk. Moet ik je eerlijk zeggen. Sommige dingen vind ik wel aardig. Maar ik hou vooral van gitaarmuziek. Amerikaanse gitaarmuziek dan vooral, de Replacements, Green on Red, Camper van Beethoven, de Feelies, dat soort dingen. Geïnspireerd door Neil Young en de Velvet Underground, je kent het wel.’

‘Ken ik niet,’ zei het punkmeisje.

‘Maar ik hou ook van hele oude Amerikaanse muziek. Hank Williams, Woody Guthrie, en zo. Folk en country. Van nog voor de Tweede Wereldoorlog.’

‘Jezus,’ zei Kuifje.

‘Vloeken, daar hou ik niet zo van,’ zei hij, in de hoop dat een slechte atheïstische grap wel besteed was aan zo’n anarchistisch punkmeisje uit IJmuiden. Kuifje lag in een deuk.

‘Er blijven hier heel veel mensen slapen, hè, vannacht,’ gooide hij een balletje op.

Kuifje knikte van ja. ‘Best wel shit. Dan slaap je natuurlijk kut, weet je wel.’

‘Nou ja,’ sprak hij gluiperig, charmant en nonchalant, ‘eventueel kan je wel bij mij slapen. Ik woon hier vlakbij en heb nog wel een matrasje over.’

‘O.k., te gek, dan blijf ik wel bij jou pitten.’

Het liefst zou hij haar nu op zijn rug laden, mee naar huis nemen en de hele voorspelbare heisa meer. Hij dwong zich echter relaxt nog zo’n groot biertje voor Kuifje en hemzelf open te trekken. Ze hielden alweer meer pret in hun handen. Jezus, ze had haar nagels zwart gelakt en aan de ringvinger van haar rechterhand droeg ze een grote zilveren ring met een doodshoofd.

‘Dit is wel mijn laatste biertje hoor,’ zuchtte Kuifje. ‘Ik begin een beetje dronken te worden.’

Omdat hij zelf ook een beetje dronken was geworden stemde hij welwillend met haar voorstel in. Daar was Johan weer.

‘Te gek feest, hè?,’ kraaide hij. Mijn god, die bloeddoorlopen ogen, die lijzige stem. Dat werd weer aspirinesoep voor oom Johan morgenochtend.

‘Te gek, vriend, ‘zei hij en hield zijn grote fles bier als een groet in zijn richting. ‘Ken je Kuifje al?,’ vroeg hij Johan en wees met zijn grote fles bier naar het lieve punkmeisje aan zijn zijde.

‘Kuifje, hahaha, Kuifje noemt hij haar!’ Johan schuddebuikte en tranen spatten uit zijn rode opgezwollen samengeknepen oogleden. ‘Kuifje, hahaha, Kuifje!’ Hij dreef weg in het feestgedruis.

‘Ik noem haar geen Kuifje, ze heet Kuifje,’ probeerde hij nog, maar Johan bevond zich alweer schaterlachend in de feestende massa. ‘Let maar niet op hem, hij is geloof ik een beetje dronken,’ zei hij.

‘Ik ook,’ zei Kuifje. ‘Het geeft niet.’

‘Je ziet een beetje pips, zullen we maar op huis aan gaan?’

‘O.k.’

Kuifje verdween in de menigte. Even later kwam ze terug. Ze had een enorm groot zwartleren motorjack aangetrokken, om haar hals een Palestinasjaal.

‘Een Palestinasjaal, wat leuk,’ zei hij.

Toen Kuifje voor hem uit naar de voordeur liep zag hij dat op de achterkant van haar leren jack ‘Sex and violence,’ stond geschreven met daaronder een hakenkruis en de hoofdletter A in een cirkel. Hij zuchtte even diep en hield galant de deur voor haar open. Buiten bleek het behoorlijk fris te zijn. Hij had alleen maar een colbertje aan. Zijn sjaal was ergens in het huis van het feest van Johan blijven liggen. Hij rilde. Kuifje sjokte stoïcijns naast hem voort en deed geen enkele moeite om vrouwelijk te zijn of hem het hoofd op hol te brengen. Rare jongens, die punkmeisjes.

‘Woon je hier ver vandaan?,’ vroeg Kuifje en haakte haar arm in een van hem. ‘Het is koud,’ zei ze.’ Ze drukte de Palestinasjaal dichter tegen haar keel aan.

‘Nee, vijf minuten lopen, hooguit tien.’

‘Hhhmmmm.’

‘Wat doe je verder eigenlijk, Kuifje?,’ vroeg hij het punkmeisje. Hij keek weer naar haar paarse hanenkam.

‘Niets,’ mompelde Kuifje somber.

‘Helemaal niets?’

Ze liepen enige tellen zwijgend naast elkaar voort. Hij hernam het woord.

‘Je kijkt naar buiten hoe de bomen groeien en de wolken langzaam van vorm veranderen.’

Hij moest oppassen anders kon hij een vrijpartij wel helemaal uit zijn hoofd zetten. Vooral daar er tot nu toe nog van geen enkele lichamelijke toenadering sprake was geweest. Wat ging er trouwens door dit punkmeisje heen? Vond ze hem leuk? Lief? Aantrekkelijk? Cool? Wilde ze met hem naar bed? Interesseerde ze zich alleen maar voor blowen, drinken, chemical beats en punk? Of was ze ook geïnteresseerd in hem?

‘Nee, man. Ik fotografeer. Ik zit op een cursus. Ik speel bas in een band. Ik schilder. Ik kijk en ik probeer te zien. Ik wandel over het strand. Ik doe niets.’

‘Maar waar leef je dan van?’

Ze keek hem even recht in de ogen aan,

‘Ik leef van het leven.’

Ze bleef hem recht aankijken.

‘Ik heb een uitkering en daar red ik het prima mee.’

‘Je betaalt natuurlijk geen huur,’ merkte hij op.

‘Nee,’ zei ze.

‘Zo’n, uh, uitkering, hoeveel is dat nou precies?’

‘Weet ik niet eens. Achthonderd of zo. Genoeg.’

‘Genoeg? Maar je drinkt toch veel. Waar betaal je dat dan van?’

‘Nou, zoveel drink ik nu ook weer niet. En ik ben een meisje, weet je. Meisjes betalen nooit zoveel voor hun biertjes als jongens. Feestjes zijn gratis, dus…’

‘Zo komt splintermans door de wintermans,’ zei hij.

Wie had dit meisje in godsnaam meegenomen naar het feest van Johan?

‘Wie heeft je eigenlijk meegenomen naar het feest van Johan?, vroeg hij.

‘Mijn nichtje is een vriendin van een vriendin van iemand die naar het feest ging. Het leek me wel leuk, een feestje in Amsterdam.’

Ze liepen vanaf de Plantage Middenlaan de Sarphatistraat in. Hij had geen idee of zij wist waar ze eigenlijk was in de stad.

‘Kijk, dat is de Muiderpoort,’ wees hij naast zich. ‘Dat was vroeger één van de toegangspoorten tot het oude Amsterdam. Gebouwd in 1676, of zoiets. Daar wat nu de Singelgracht heet was vroeger de buitengrens van het grote Amsterdam. Wat men nu kent als de halve ring en racebaan die het centrum van de rest afscheidt, Mauritskade, Stadhouderskade en Nassaukade. Er stonden om de zo veel honderd meters molens om de stad droog te houden. Langs de hele Singelgracht, van Oost naar West, in een halve cirkel, die naar het Zuiden wees. Verderop staat een van de laatst overgebleven molens van die tijd, ‘De Gooiyer’. Die kan je zo om de hoek zien. Eén van de één of twee laatst overgebleven molens van de stuk of twintig of dertig uit die tijd. Heel bijzonder en uniek dus, dat die molen er nog is. Die molen schijnt wel een jaar of dertig veertig geleden afgebrand te zijn. Maar toen hebben ze die molen dus in de oude staat gerestaureerd en zodoende was het nog net als vroeger. Goed man. Je moet trots zijn op je stad. Je moet trots zijn op je geschiedenis. Echt wel. Dat is cool. We leven in een museum!’

Kuifje reageerde niet. Slenterde maar door.

‘En daar,’ wees hij, ‘dat is het Tropenmuseum. Daar zijn heel interessante exposities gehouden de laatste jaren. Over nomadenvolkeren uit Centraal-Azië, ‘Amazonia’, ‘Sjamanen’ en ‘Ethiopiëland’.

Hij was laatst met zijn moeder naar het Tropenmuseum geweest. Hij woonde ernaast. Hij wist er alles van. Over zijn moeder vertelde hij het punkmeisje niet, gezien haar getormenteerde verleden.

‘En hier links is Artis,’ wees hij. ‘Dat kun je wel ruiken ook. Mijn god, wat een stank.’ Hij wapperde zijn armen voor zijn neus. Een houding uitstralend van, ‘hier heb ik niets mee van doen’.

‘Jezus, ja,’ fluisterde het punkmeisje haast.

‘Ik heb twee jaar gelden een relatie gehad met een neger. In ons huis. Een illegale Ghanees. Die stonk ook een beetje zo, naar dierentuin, ’s morgens onder zijn oksels. Dat bedoel ik niet racistisch hoor. Dat was gewoon zo.’

‘Nee, natuurlijk niet, Kuifje.’

Ze liepen de doorgang in het midden van de Oranje Nassaukazerne binnen, sloegen linksaf en stonden voor de voordeur van zijn chique appartement.

‘Wauw, woon jij hier?,’ vroeg Kuifje hem, bewonderend de gevel afstarend. ‘Gaaf.’

‘Ja, op de tweede.’

Hij haalde de sleutels uit zijn linkerbroekzak en keek haar aan.

‘Best wel kicken,’ zei hij en opende de voordeur.

Ze liepen de twee trappen op die hen van het droompaleis scheidden en betraden zijn super chique woning.

‘Tof, hé!,’ riep Kuifje en het viel hem nu pas op dat ze helemaal niets bij zich had. Geen tandenborstel, geen schone onderbroek, geen handdoekje en zelfs geen pilstripje (al kon ze die in een geheime zak van haar jack verstopt hebben). Ze plofte neer op de bank en deed haar jas uit.

‘Zal ik even je kistjes uitdoen,’ vroeg hij zakelijk met een charmante ondertoon..

‘Lief,’ zuchtte ze.

Na drie minuten wringen, raggen en wroeten had hij de beide kistjes van haar benen gekregen. Haar paarse panty was bij die operatie een beetje stuk gegaan.

‘Sorry, Kuifje, je panty is geloof ik een beetje stuk,’ zei hij.

‘So what.’

Omdat hij een beetje stoer over wilde komen hield hij zijn slangenleren laarzen nog even aan. Hij liep naar zijn hifi-installatie om een cd van Hank Williams op te zetten. Moest Kuifje een beetje bijgeschoold en opgevoed worden? Toen ‘Beyond the sunset’ uit zijn boxen klonk keek Kuifje alsof ze per ongeluk een kurk ingeslikt had.

‘Wat is dit?,’ vroeg ze geschokt.

‘Dat is nou Hank Williams. Zeg maar de eerste punker uit de geschiedenis.’ Het had weinig zin om Kuifje een genuanceerd beeld van Hank Williams te schetsen, dus zei hij maar, ‘dood gezopen en gedrugst.’

‘Tof,’ zei Kuifje.

Nadat hij uit de keuken twee nieuwe grote flessen bier had gehaald viel zijn blik op Kuifje’s tatoeage, de vogelspin. De Vogelspin. Kuifje bladerde verveeld in de VPRO-gids.

‘Leuk, Kuifje, die spin.’

‘Ja, een vogelspin.’ Ze richtte haar blik op. ‘Heeft een vriend van me gedaan. De vogelspin symboliseert zowel het kwade als het goede. De spin en het gif zijn natuurlijk het kwade, de vogelkant van de spin is het goede, de vrijheid. Samen symboliseren de vogel en de spin het leven, jing en jang, weet je wel, en dat is de vogelspin.’

Hij was er stil van.

‘En heb je nog meer tatoeages?,’ vroeg hij nieuwsgierig.

‘Nee, maar ik wil er wel eentje bij mijn navel in de buurt,’ zei Kuifje en sjorde ter verduidelijking haar bloesje op om haar navel aan hem te laten zien.

‘Ik heb wel een leuk idee voor een tatoeage,’ zei hij met een uitgestreken gezicht en stond op om een dikke zwarte viltstift te pakken, die hij vaker voor dit doeleinde gebruikt had. Toen Kuifje hem op zich af zag komen, met de stift, giechelde ze, en vroeg ze hem wat hij ging doen.

‘Tatoeëren.’

‘Wat dan?,’ hikte ze.

‘Dat is geheim. Maar je kunt er veel van leren.’

Hij trok de dop van de stift en toog aan het werk. Haar huid voelde echt zacht als die van een perzik. Met zijn linkerhand trok hij de huid van haar slanke buikje strak en streelde haar tegelijkertijd een beetje met zijn duim. Haar navel moest een mond worden. Dus tekende hij eerst een neus boven haar navel, daarboven de ogen. Kuifje keek nieuwsgierig naar beneden om te kijken wat er op haar buik tevoorschijn zou komen. Hij tekende de oren, wat haar, daarboven een enorm wijde cowboyhoed. Tot slot, onder haar navel, een slordig opgevouwen doek, zoals cowboys dragen om fijn stof tegen te houden.

‘Klaar.’

Hij drukte de dop op de stift en keek bewonderend naar zijn schets.

‘Wat is het nou?,’ vroeg Kuifje.

‘Het is een cowboy. Het is Hank Williams.’

‘Een cowboy? Waarom een cowboy?’

‘De cowboy symboliseert zowel het goede als het kwade,’ zei hij.

Hij kwam naast haar zitten. Hij sloeg een arm om haar heen.

‘De cowboy heeft natuurlijk de Indianen vermoord en dat is niet goed.’

Hij zweeg even. Kuifje knikte. ‘Je lijkt verdomme wel op zo’n Mohawk indiaan,’ schoot het door hem heen. ‘Van die stripverhalen. Van vroeger.’

‘De cowboy heeft echter ook niet te weerspreken voorspoed gebracht aan de nieuwe mens. Laten zien wat doorzettingsvermogen en daadkracht al niet vermogen. Een stukje geloof en energie in het hele gebeuren. Dat valt toch niet te ontkennen? De cowboy heeft dieren laten grazen, land ontgonnen, nieuw leven geschapen, hard gewerkt, was heldhaftig en inventief.’

Hij richtte zich op. Stift in de hand.

‘Speciaal voor jou. Op jouw buik. De cowboy. De pionier.’

‘Tof, man,’ sprak Kuifje bewonderend en keek naar haar buik.

Hij liep naar zijn antieke houten klerenkast en haalde een camera met zoomlens tevoorschijn.

‘Wat ga je nu doen?,’ vroeg Kuifje.

‘Een foto van je buik maken.’ Hij klikte vier keer uit verschillende hoeken met vier verschillende afstanden en belichtingstijden. Hij borg de camera op, vond een pakje sigaretten op de eettafel, stak een sigaret op, liep naar Kuifje en bood haar ook een sigaret aan. Ook zij joeg vuur in haar sigaret. Wat nu?

‘Na dit sigaretje gaan we maar eens slapen,’ zei Kuifje.

‘Dat is goed. Ik ben ook best wel moe,’ zei hij. Hij was ontspannen en een beetje dronken dus had hij goede hoop dat hij straks wel een beetje met haar kon vrijen. Iets in hem zei me dat hij dan wel Hank Williams af moest zetten. Hij brak ‘The Funeral’ af en zette ‘Pills and thrills and bellyaches’ van de Happy Mondays op.

‘Wauw, Shaun Ryder. Dat vind ik zo gaaf! Hedonisme!,’ riep ze.

Kuifje bleef hem verbazen. Hij stapte op haar af en trok haar op van de bank om met haar te dansen. Ineengestrengeld deinden ze op ‘Kinky Afro.’ Al snel duwden zij elkaars tongen in elkaars mond. Ze zoenden. Jezus, altijd als vanzelf. Geen voorspel. Gewoon doen. Het lukt altijd. Nu Kuifje, morgen jij. Zijn hand legde hij op haar leren kontje. Hij twijfelde of hij haar hanenkam zou strelen. Als in trance tongde Kuifje met gesloten ogen en draaide geil met haar heupen. Hij trok zijn tong even terug.

‘Hoe doe je dat eigenlijk, zo’n hanenkam?,’ vroeg hij.

‘Gewoon met zeep,’ zei Kuifje en floepte haar tong weer bij hem naar binnen.

Even later kleedden ze zich uit en poetsten ze samen hun tanden. Kuifje deed zelfs nog een beetje deo onder haar kaal geschoren okseltjes. Vast wat geleerd van die Ghanees. Toen ze hem weer wilde zoenen zag hij dat ze haar kutje heel minutieus geschoren had. Al wat er restte van haar schaamhaar was een zwart blokje van twee bij vier centimeter. ‘Kuifje,’ dacht hij, ‘nu weet ik waarom ik je Kuifje moet noemen.’ Hij betastte haar paarse hanenkam, een stijve waaier van haar en gestolde zeep. Ze begaven zich naar de grote sultan in zijn slaapkamer.

‘Wauw, wat een bed, bizar,’ riep Kuifje en sprong op het bed dat zacht kraakte onder haar lichtgewicht.

Even later lag ze hem af te zuigen. Hij nam haar in haar kont, in haar vagina, daarna weer in haar mond. Toen hij aan haar geschoren kutje likte lag hij opeens oog in oog met Hank Williams. Ze deden soixante neuf, het ging maar door. Totaal uitgeput vielen ze in de loop van de nacht in slaap.

De volgende ochtend duurde het zoals gewoonlijk enige seconden voordat hij wist waar hij was en hoe, waarom, met wie, waarvoor. Hij draaide zich om en zag tot zijn schrik en verbazing dat Kuifje er niet was. Een blik op de klok leerde hem dat het al één uur ’s middags was. Hij sprong uit bed. ‘Kuifje!,’ riep hij en opende de deur van de douche, keek in de keuken, onder de bank. Geen Kuifje te zien. Hij zocht naar een geschreven boodschap, een kattebelletje. Hij keek op de eettafel, zocht in zijn boekenkast, keek op zijn nachtkastje, niks, nergens. Hij was geschokt. Kuifje, waar ben je? Hij ijsbeerde vertwijfeld door zijn luxueuze appartement. Wat moest hij doen? Kuifje was zoek. Ze had niets achter gelaten. Ze kon toch niet zo maar weg zijn gegaan? Hij wist niet eens haar echte naam, haar adres, haar telefoonnummer, helemaal niks wist hij van haar. En vannacht hadden ze de mooiste seks gehad die een mens zich maar in kan denken. En nu was ze weg. Zonder een woord achter te laten. Hij werd kwaad. Dit lieve mooie jonge punkmeisje was heel stout geweest, godverdomme. Godverdomme! Kuifje, doe niet zo stom. Waar ben je nou? Hoe heet je eigenlijk, stomme kuifeend? Hij belde Johan op. Het duurde een eeuwigheid voor hij opnam. Kater. Lamlendigheid. Vervreemding. Zelfhaat.

‘Met Johan,’ rochelde een stem aan de andere kant van de lijn.

‘Hé, Rover. Met Abel. Luister. Je weet toch dat ik gister met dat meisje met die paarse hanenkam op je feest was. Kuifje heette ze. Nou, ze was hier deze nacht en was al weg voor ik wakker was. Jij moet haar naam kunnen achterhalen, haar telefoonnummer. Ze woont in IJmuiden In een kraakpand.’

Het was even stil.

‘Kuifje? Wat dan. Kuifje?’

‘Lekker uitgeslapen zeker? Gaat het een beetje? Ja, Kuifje, het is een nichtje van iemand op jouw feest. Geen flauw idee hoe ze verder heet. Kun je een beetje voor me rond bellen. Zoek uit wie Kuifje is. Ik wil haar spreken.’

‘Dat doe ik. Kuifje, zei je?’

‘Ja, Kuifje. Bedankt. Bel me snel. Hou je taai.’

Hij gooide de hoorn op de haak en ijsbeerde twee uur lang van boekenkast naar bank en terug via de keuken en de slaapkamer tot Johan hem belde. In de tussentijd had hij gezocht en gezocht naar een teken van Kuifje, maar niks gevonden. De c.d. van de Happy Mondays stond op repeat.

‘Hoi, Rover hier. Ze is een nicht van Susan en heet Mirjam Bayense. Hier is haar telefoonnummer …..’

‘Met Sjoerd.’

‘Hoi, met Abel Pepper. Is Kuifje, uh, Mirjam thuis?’

‘Ik geloof het wel. Momentje.’

Stilte.

‘Met Mirjam?’

‘Hoi, met Abel.’

‘Hé, Abel! Ja, sorry hoor, dat ik vanmorgen zo vroeg weg was, maar ik had een afspraak in de stad met een vriendin van mij om twaalf uur.’

‘Maar dan had je me toch wakker kunnen maken? Je had toch een briefje achter kunnen laten?’

‘Sorry, ik had haast. Je hebt gelijk. Ik had iets van me moeten laten horen.’

Hij zuchtte.

‘Zullen we elkaar nog eens zien?,’ vroeg hij.

‘O.k.’ Weer stilte. ‘Ik moet volgende week donderdag in Amsterdam zijn. Zullen we om zes uur op het Centraal Station afspreken?’

‘Prima.’

‘O.k., tot dan.’

Tuut-tuut-tuut.

Die week daarna ontmoette hij Mirjam Bayense, alias Kuifje, inderdaad op het station. Het contact verliep stroef. Ze aten een pizza op de Haarlemmerdijk. Mirjam kocht een c.d. van een punkband bij Boudisque. Daarna zei ze dat ze een afspraak had in Beverwijk. Op perron 2a kuste hij haar op de linker- en rechterwang ter afscheid en zag haar nooit meer terug. Dag, gek, lief, dom en mooi punkmeisje. Dag Kuifje.