Het Wiel van Dharma

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 31: “slinger.”

De boeddhistische westerling had zich nog zo voorgenomen om op weg naar zijn nieuwe vriendin met zijn racefiets op het “Het Achtvoudige Pad” naar de verlichting te blijven. Zijn “Wielen van Dharma” symboliseerden de door Boeddha verkondigde leer over het pad naar verlichting en telden elk acht spaken.

Hij was van baan veranderd. Hij was gestopt met drinken en roken. Zijn vrouw en kinderen, die hem niet meer konden begrijpen, had hij verlaten. Zijn nieuwe vriendin, die jonger was dan zijn oudste dochter, begreep hem wel.

De vogel kwam van links. Door de botsing met de vogel maakte de boeddhistische westerling een slingerbeweging met zijn racefiets, waardoor hij onder de voortrazende wielen van een zojuist passerende truck werd vermorzeld. Karma.

Deze 120 woorden verschenen op 31 juli 2017 voor het eerst op 120w.nl.

John West en de gestolen Picasso (een feuilleton) Deel 15 – De Grote Ontsnapping II, Berlijn (Kerst 1987)

 

“Herrlich liegt die Zukunft vor Uns,” mompelde Sepp Sanders. Hij keek vanuit het oerwoud van distels, fluitenkruid, hondspeterselie en dolle kervel nog eens goed om zich heen.

In zuidelijke richting zag hij nog net een duo Oost-Duitse grenswachten al slenterend over de Kolonnenweg achter een kromming van de Muur naar links, voorbij de Potsdamer Platz, uit zicht verdwijnen.

De Potsdamer Platz was in de jaren twintig van de vorige eeuw een door flikkerend neonlicht overgoten bruisend Walhalla voor “de nuttelozen van de nacht” geweest, waar kunst, hedonisme, cabaret en promiscuïteit in al hun verschijningsvormen een onstuimige en onweerstaanbaar verleidelijke cocktail hadden gevormd voor hen die lak hadden gehad aan het begaan van zeven of meer dodelijke zonden.

De Potsdamer Platz was omringd geweest door casino’s, luxe restaurants, bordelen en nachtclubs, waar men met voorbedachten rade de tijd doodde, onder het genot van drank, die in alle kleuren van de regenboog geserveerd werd, met en zonder bubbels of ijs, en drugs in een verscheidenheid waar menige apotheker jaloers op zou zijn geweest.

De Potsdamer Platz was het meest wilde en swingende plein van Berlijn geweest, de stad die in de jaren twintig van de vorige eeuw de veelzeggende bijnaam “Spree-Babylon” had gedragen.

De Potsdamer Platz had qua uitstraling moeiteloos kunnen wedijveren met het kolkende elan van Times Square in New York en de hitsige allure van het vooroorlogse Parijse Montmartre.

De Potsdamer Platz was in die tijd één grote flamboyante “Spree Parade.”

Nu bestond de Potsdamer Platz alleen nog maar in naam. Alle energie die het plein ooit had bezeten was vernietigd door de verwoestende loop die de geschiedenis had genomen in de vorm van miljoenen alles onder zich vermorzelende soldatenlaarzen van fascisten en communisten. Het plein was jarenlang genadeloos gestenigd door miljoenen tonnen explosieven, die door de armada’s van de Amerikaanse luchtstrijdkrachten overdag, en die van de Britse Royal Air Force in de nacht, over het centrum van Berlijn waren uitgestort.

De kroon op de vernietiging van het voormalige kloppende hart van Berlijn was de bouw van de Muur in 1961 geweest. De Muur die de Potsdamer Platz letterlijk in tweeën had gedeeld. Alsof je een dood lichaam verder kunt ontheiligen door het te mutileren, vierendelen, bespuwen en in stukken hakken.

Voorzichtig kijkend door kleine openingen in het hem omringende oerwoud van struiken en onkruid kon Sepp Sanders in noordelijke richting geen duo Oost-Duitse grenswachten ontwaren. Achter de Muur in noordelijke richting was het bovenste deel van de Brandenburger Tor te zien. De voormalige toegangspoort tot het centrum van Berlijn was eeuwenlang het toneel geweest van krioelende mensen met een missie, maar vormde nu het troosteloze decor voor een enkele verdwaalde vogel die van West naar Oost-Berlijn vloog. De Brandenburger Tor was nu het symbool geworden van het menselijke vermogen om onoverbrugbare ideologieën te creëren die het voortbestaan van de planeet Aarde in gevaar konden brengen. Vlak achter de Brandenburger Tor was het ingestorte dak van de zwartgeblakerde ruïne van de Reichstag te zien. De voormalige zetel van het Duitse parlement was sinds het aan de macht komen van Adolf Hitler in 1933 verworden tot een deerniswekkende met onkruid overwoekerde stenen kolos die de onmacht van het verdeelde en geteisterde Duitse volk was gaan symboliseren.

Zou de Muur die Oost van West scheidde ooit nog afgebroken worden? Zou Berlijn ooit weer de hoofdstad van een ongedeeld Duitsland worden, waar de volksvertegenwoordiging verzameld zou zijn in een gerestaureerde Rijksdag?

Sepp Sanders wendde zijn blik tussen de struiken en het onkruid door naar rechts, waar zijn oog viel op een grote stationsklok die zich naast de propagandaposter met het opschrift “Herrlich liegt die Zukunft vor Uns”  aan de Oost-Duitse kant van de Muur bevond. Volgens de wijzers van de stationsklok was het vijf voor twaalf. Sinds Sepp Sanders en Mario Bos om 09.37 uur die ochtend de grensovergang Checkpoint Charlie gepasseerd hadden waren er ruim twee uur verstreken. Sepp Sanders had het gevoel alsof hij een paar dagen in de Führerbunker had doorgebracht.

Sepp Sanders keek vervolgens recht voor zich uit naar de wachttoren op ongeveer honderd meter afstand, waar hij de silhouetten van Oost-Duitse grenswachten verveeld door hun verrekijkers naar het Westen zag turen naar toeristen die hen vanaf bij de Muur opgestelde houten stellages stonden te fotograferen alsof ze exotische dieren waren.

Hij moest uit dit vervloekte niemandsland tussen Oost en West zien weg te komen. Het eerste obstakel vormde de wachttoren. Als de wachttoren bemand werd door dezelfde Oost-Duitse grenswachten die hen deze ochtend in de richting van de resten van de Führerbunker hadden zien lopen, zouden ze hem waarschijnlijk herkennen, maar zich vooral afvragen waar zijn compagnon gebleven was, die de Oost-Duitse grenswachten hoog in de wachttoren in luid gelach had laten uitbarsten door in een opwelling de Hitlergroet uit te brengen, waarbij hij “Zum Wohl” naar hen geroepen had.

Het daaropvolgende probleem was het grijs geschilderde wachthuisje met daarin de Oost-Duitse grenswacht, die eruit zag als een etalagepop met kleding van de Oost-Duitse grenspolitie aan, zonder incidenten veilig passeren.

Eerst stond Sepp Sanders op om zijn uniform te fatsoeneren. Daarbij zorgde hij ervoor dat hij verborgen bleef in het oerwoud van distels, fluitenkruid, hondspeterselie en dolle kervel dat hem omringde. Door het pandemonium in de zitkamer van Adolf Hitler, toen hij na de dood van Mario Bos als een hondsdolle honkballer tekeer was gegaan met de afgebroken tafelpoot tegen de plek in de muur waar hij de aanwezigheid van een geheime bergplaats verwachtte aan te treffen, zat zijn in een exclusieve carnavalswinkel in Amsterdam-Noord voor weinig geld gekochte uniform inclusief bijbehorende laarzen en pet van de Oost-Duitse grenspolitie onder het stof en gruis. De ontmanteling van de stapelbedden van de Goebbels kinderen en de daarop volgende tumultueuze ontsnapping via de luchtfilter van de Vorbunker had zijn voorkomen aanzienlijk minder onberispelijk gemaakt.

Sepp Sanders klopte zijn uniform vol vlijt en met beleid af. In een wolk van stof was hij aan het huishouden. Hij sloeg geen onderdeel van zijn garderobe over. Hij vergat niet de uniformpet, die hij tijdens zijn klim uit de bunker als een honkbalpetje strak over zijn hoofd getrokken had, op de gebruikelijke, losse manier op zijn hoofd te plaatsen.

Het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative” bleef keurig verstopt onder zijn overhemd en was door de lichte bolling van zijn gesloten uniformjasje aan het oog onttrokken.

Sepp Sanders schrok op van alarmerende kreten vanuit de richting van de wachttoren. Toen hij door openingen in de Oost-Duitse jungle in de richting van de wachttoren keek zag hij hoe elkaar wild aanstotende Oost-Duitse grenswachten hun verrekijkers in zijn richting hadden verplaatst, waarbij zij onverstaanbare opgewonden Duits klinkende klanken voortbrachten.

Sepp Sanders had opeens door dat het stofvrij maken van zijn uniform voor de vorming van een kleine paddenstoelwolk had gezorgd, die zich nog steeds langzaam aan het verheffen was boven de met groen overwoekerde ruïne waarin hij zich verstopt hield. In een opwelling greep hij naar zijn sigaretten en zijn aansteker, stak een sigaret op en stapte rokend en in de richting van de Oost-Duitse grenswachten in de wachttoren zwaaiend uit zijn schuilplaats tevoorschijn.

‘Bist du das!? Rauchen Sie!? Wir dachten die dritte Weltkrieg war ausgebrochen!’ vroeg de meest rechts staande Oost-Duitse grenswacht in de wachttoren terwijl hij zijn verrekijker liet zakken.

‘Nein, Joker! Es gibt nichts zu befürchten! Ich war hier nur mit meine Zigarette!’ riep Sepp Sanders en begon aarzelend in de richting van de wachttoren te lopen.

‘Kein Problem! Wo ist dein Genosse geblieben!?’ vroeg dezelfde Oost-Duitse grenswacht verder.

‘Ja, ich soll es Ihnen sagen! Mein Genosse liegt ohnmächtig hinter den Resten des Führerbunkers!’ Sepp Sanders en probeerde zo ontspannen mogelijk in de richting van de wachttoren te lopen.

‘Hinter den Resten des Führerbunkers Ohnmacht gefallen!? Wie ist das passiert!?’ klonk de volgende vraag van dezelfde Oost-Duitse grenswacht.

‘Wahrscheinlich beim Frühstück etwas falsch gegessen!’ riep Sepp Sanders en spreidde zijn armen in een machteloos gebaar ten teken dat hij niet voor alles een verklaring kon hebben.

‘Vielleicht waren die Eier faul wieder und die Schinken über die zulässige Haltbarkeit!?‘ keuvelde de Oost-Duitse grenswacht  ontspannen door.

‘Es könnte sehr gut! Oder saure Milch! Es kommt auch öfter!’ Sepp Sanders stond nu bijna onder de wachttoren en moest recht omhoog kijken om oogcontact met de meest rechtse Oost-Duitse grenswacht te houden.

‘Das ist wahr! Haben Sie aufgefordert, für die medizinische Betreuung durch Ihr Handsprechfunkgerät!?’

Sepp Sanders begreep gelukkig dat hem gevraagd werd of hij medische hulp had gevraagd via een mobilofoon.

‘Der Akku meines Handsprechfunkgeräts ist leer!’ verontschuldigde Sepp Sanders zich.

‘Wie kann das sein? Die Batterien werden immer geladen!?‘ klonk nog steeds dezelfde stem uit de wachttoren.

‘Wenn einige Ruck muss zu tun haben vergessen!‘ gaf Sepp Sanders als verklaring.

‘Und das Handsprechfunkgerät Ihrer Kollegen!?’ ging de Oost-Duitse grenswacht onverdroten door.

‘Der hat er in den Führerbunker fallen gelassen!’ riep Sepp Sanders naar boven.

‘Wie hat er das gemacht wieder gelungen!? In den Führerbunker fallen gelassen!?’ vroeg de Oost-Duitse grenswacht met een geïrriteerde frons op zijn gezicht.

‘Ja, es ist ein echter Trottel, mein Genosse!’ riep Sepp Sanders naar boven.

Hij stond nu recht onder de wachttoren en lonkte naar het grijs geschilderde wachthuisje met daarin de Oost-Duitse grenswacht, die eruit zag als een etalagepop met kleding van de Oost-Duitse grenspolitie aan.

‘Man könnte sagen, ja! Warum sprechen Sie Deutsch wirklich so schlecht, Genosse!?’ voegde de andere Oost-Duitse grenswacht zich in het gesprek.

‘Meine Eltern waren Diplomaten, die immer in obskuren afrikanischen Ländern stationiert waren!’ gaf Sepp Sanders als verklaring voor zijn slechte Duits.

‘Dann bekomme ich es! Aber ein Idiot, der Genosse von dir!’

Sepp Sanders slaakte een zucht van verlichting. Het zou lukken. Hij zou de wachttoren zonder problemen gaan passeren.

‘Ich habe dir gesagt! Ich werde an der Stelle in der Wand zum grau lackierte Wachhaus gehen zu helfen, zu erhalten!’ riep Sepp Sanders en wees naar het grijs geschilderde wachthuisje.

‘Ja! Gute Idee! Viel Glück!’ riepen de Oost-Duitse grenswachten in koor.

‘Vielen Dank! Beobachten Sie jetzt, aber in diesen schmutzigen Kapitalisten über die Mauer zurück!‘ riep Sepp Sanders ten afscheid.

‘Gehen wir tun! Viel Glück, Genosse!’

De twee Oost-Duitse grenswachten richtten hun verrekijkers weer op de fotograferende toeristen die de stellages achter de Muur in het Westen bevolkten.

Sepp Sanders liep door naar het grijs geschilderde wachthuisje met daarin de Oost-Duitse grenswacht, die eruit zag als een etalagepop met kleding van de Oost-Duitse grenspolitie aan.

‘Warum bist du allein? Wo ist dein Genosse?’ vroeg de Oost-Duitse etalagepop.

‘Er wurde krank nach den Resten des Führerbunkers,’ legde Sepp Sanders opnieuw uit.

‘Unwohl wird eine große fette Kater oder ein Sozialisten Frühstück?’ vroeg de etalagepop geïnteresseerd.

‘Wahrscheinlich eine Kombination aus beidem,’ zei Sepp Sanders.

‘Haben Sie gebeten, für medizinische Hilfe mit Ihrem Handsprechfunkgerät?’

‘Ja, medizinische Betreuung ist auf dem Weg,’ loog Sepp Sanders. Er was geen medische hulp onderweg.

‘Sie haben gut gelöst. Können Sie sich identifizieren?’

‘Jesus, Kamerad. Jetzt? Warum sollte ich? Sehe ich aus wie ein Kapitalist?’ Sepp Sanders schrok zich rot. Identificeren? Hier? Nu?

‘Nicht.’

Sepp Sanders besefte dat hij niet de eerste man in de geschiedenis van de mensheid zou zijn die zich met een slappe opmerking over bier en vrouwen uit een benarde situatie zou redden.

‘Kann ich jetzt gehen? Ich habe zu tun. Trinken Bier und Ihre Frau geben Sie eine mittlere Reihe.’

‘Du hast mich,’ zei de Oost-Duitse etalagepop en een samenzweerderige glimlach verscheen op zijn gezicht.

‘Ich gehe.’

‘Bis später. Danke, Genosse. Ich habe eine letzte Frage.’

Een laatste vraag! Sepp Sanders kreeg een hartverzakking.

Warum sprechen Sie Deutsch wirklich so schlecht, Genosse!?’

‘Meine Eltern waren Diplomaten, die immer in obskuren afrikanischen Ländern stationiert waren!’ zei Sepp Sanders opgelucht. Een goede smoes werkt ook een tweede keer.

‘Dann bekomme ich es!

‘Herrlich liegt die Zukunft vor uns!’ zei Sepp Sanders als afscheidsgroet.

‘Entfaltet den Sozialistischen Wettbewerb!’ zwaaide de Oost-Duitse etalagepop hem uit.

Sepp Sanders verliet opgelucht het grijs geschilderde wachthuisje en begon gespannen de Mohrenstrasse af te lopen in de richting van het kleine parkje dat aan de kruising van de Mohrenstrasse en de Otto Grotewohlstrasse lag.

Hij ging eerst op het bankje voor het vierkanten transformatorhuisje in het verlaten parkje zitten om de omgeving in zich op te nemen. Toen hij niets verdachts zag dook hij achter het vierkanten transformatorhuisje en kleedde zich snel om. Binnen een minuut verscheen hij gekleed in een felgeel polyester trainingspak van het merk Adidas vanachter het vierkanten transformatorhuisje. De zakken van zijn trainingsbroek puilden uit van de sleutelbossen, aanstekers, paspoorten en pakjes sigaretten. Het bruine houten kistje met daarin het rapport “Strategische Verteidigungsinitiative” zat keurig verstopt onder de voorkant van zijn trainingsjack. De plastic tas met daarin behalve zijn complete uniform, twee reisgidsen van de stad Berlijn, twee flessen water en twee lege blikjes Coca-Cola liet Sepp Sanders liggen achter het vierkanten transformatorhuisje dat achterin het kleine parkje aan de kruising van de Mohrenstrasse en de Otto Grotewohlstrasse gelegen was.

Sepp Sanders betrad de Mohrenstrasse en stak daarna de Otto Grotewohlstrasse over, die in de nazi-tijd nog Wilhelmstrasse geheten had en waaraan tot in de jaren veertig van de twintigste eeuw Hitler’s kantoor De Rijkskanselarij gestaan had.

Op weg naar de kruising met de Friedrichstrasse, die hij rechtsaf in zou moeten slaan om rechtstreeks op Checkpoint Charlie af te lopen, keek hij met een steeds ongemakkelijker gevoel naar zijn uniformlaarzen van de Oost-Duitse grenspolitie, die ondanks het feit dat de broekspijpen van zijn felgele polyester trainingspak van het merk Adidas wijd waren, bij iedere stap die hij nam duidelijk zichtbaar waren onder de wijde pijpen van zijn trainingsbroek.

Het was stil op straat. Dat was vanmorgen ook het geval geweest. Hij bevond zich vlak bij de Muur. Niet echt een plek waar veel Oost-Duitsers zouden gaan flaneren. Bovendien bevonden zich er in deze wijk veel overheidsgebouwen en geen winkels. Dat betekende dat de gebouwen om hem heen gevuld waren met werkende mensen, die niet zomaar hun werkplek konden verlaten om naar buiten te gaan.

Werkloosheid bestond niet in het Oostblok. Werkloosheid was volgens de marxistische leer verboden en werd als een immoreel gevolg van het brute kapitalisme gezien. Verborgen werkloosheid was er echter des te meer. Er werd krankzinnig inefficiënt gewerkt.

Men werkte met vijfjarenplannen, zodat er alleen hard werd gewerkt tegen de tijd dat het vijfjarenplan gehaald moest worden. Je moest vooral niet meer produceren dan er van je werd verwacht in het vijfjarenplan. Deed je dat wel, dan was de kans groot dat je meer werk moest verzetten in het volgende vijfjarenplan. En daar zat niemand op te wachten, harder werken. Lekker zuipen en schaken in de tijd van de baas was het devies van de meeste leden van het arbeiderslegioen.

Ook waren er in het Oostblok talloze onzinnige baantjes verzonnen om ervoor te zorgen dat iedereen werk had. Als je bijvoorbeeld een busje thee wilde kopen, moest je eerst buiten de winkel een uur in de rij staan om te wachten op een bonnetje waarop stond dat je de winkel in mocht om een busje thee te gaan kopen. Daarna moest je aansluiten in een volgende rij om een bonnetje overhandigd te krijgen waarop stond dat je een busje thee wilde kopen. Vervolgens moest je met dat bonnetje in een volgende rij gaan staan om het busje thee af te rekenen. Vervolgens kreeg je een bonnetje overhandigd waarop stond dat je betaald had voor het busje thee en moest je aansluiten in de volgende rij om je busje thee in ontvangt te kunnen nemen. Na een uur of drie kon je dan het pand verlaten met een busje thee in je hand. Het leek verdomme wel de telefonische klantenservice van een willekeurig Nederlands bedrijf. Om knettergek van te worden.

Ja, de marxistische dialectiek kon Sepp Sanders prima volgen. Het was een sluitend systeem met een interne logica waar goed over was nagedacht.

De vastgoedwereld waar hij zelf in verkeerde kwam op Sepp Sanders veel transparanter en in ieder geval eenvoudiger over. Je kocht een gebouw voor bijvoorbeeld een ton en verkocht datzelfde gebouw een tijdje later voor het dubbele bedrag door. Sepp Sanders had altijd gevonden dat werken niet veel beter of simpeler kon zijn dan dat. Je werd er niet vies van. Je verdiende gratis geld. En omdat je veel geld had kon je alles maken, alle vrouwen krijgen die je maar wilde en overal naartoe gaan op vakantie.

Wat kon Sepp Sanders zich toch laten meeslepen door zijn gedachten. Waarom had hij  geen betere oplossing voor zijn schoeisel kunnen verzinnen, waarbij hij met zijn voeten in zijn sneakers op de heenweg Checkpoint Charlie had kunnen passeren? Het had echter geen zin om daar nu nog over lopen te mekkeren. Er was geen betere oplossing geweest, dus nu had hij geen andere keus dan in zijn eentje, gekleed in een felgeel polyester trainingspak van het merk Adidas met daaronder Oost-Duitse uniformlaarzen, de grensovergang Checkpoint Charlie te gaan betreden.

Door de dood van Mario Bos voelde Sepp Sanders een grote, bodemloze, eindeloze, hopeloze leegte in zijn ziel. Alsof het hem niet eens zou interesseren als hij bij Checkpoint Charlie zou worden opgepakt en vlak daarna zou worden geëxecuteerd vanwege spionage, oplichting, huisvredebreuk, het ongeoorloofd betreden van de Vorbunker en de Führerbunker, het vernielen van meubilair dat ongetwijfeld als staatseigendom te boek stond, pissen op de meubels van de Führer, ach de lijst van overtredingen waar hij de doodstraf voor kon krijgen was eindeloos. Hij voelde zich voor Schwanz lopen op weg naar de galg. Waarom had hij niet het brein en de mogelijkheden van mensen zoals James Bond, Jack Reacher en Jason Bourne? Al was het niet helemaal eerlijk om zichzelf langs dezelfde meetlat te leggen als die drie superhelden van het grote doek. Sepp Sanders voelde zich een loser eerste klas, die ….

‘Halt! Stehen bleiben! Hände hoch! Schnell,’ hoorde hij opeens achter zich roepen. In een reflex wilde hij het op een sprinten in de richting van de vrijheid zetten, maar toen hij van achteren door twee paar laarzen tegen de grond gewerkt werd, wist hij dat de kans groot was dat er voor hem geen hoop op een nieuwe ochtend was.

Nieuwe hoofdstukken van dit feuilleton verschijnen elke zondag als eerste op thrillerlezers.nl.

De dood van mijn fictieve vrouw

Mijn fictieve neurotische vrouw, met een zwak ontwikkelde narcistische psychose, werd vannacht, zoals elke nacht, getraumatiseerd wakker, omdat zij weer eens die rotdroom had gehad waarin ze het strijkgoed van alle huisvrouwen in de straat binnen een half uur moest wegwerken. Deze repeterende traumatische nachtmerrie is er de oorzaak van dat ze begint te hyperventileren als ze aan een strijkbout denkt. Het ter hand nemen van een strijkbout om daadwerkelijk te gaan strijken moet dan ook als een onmogelijke opgave voor mijn fictieve vrouw worden beschouwd.

Mijn fictieve vrouw is allergisch voor geluid. Als om zeven uur in de ochtend de wekker afgaat slaat mijn fictieve vrouw de wekker met een daarvoor gereed liggende hamer aan diggelen, omdat zij het geluid van een wekker kan die afgaat niet kan verdragen. Het tijdstip waarop de wekker geluiden begint te produceren, zoals bijvoorbeeld het geluid van de alarminstallatie van een in ernstige nood verkerende onderzeeër, is dan ook niet relevant voor mijn fictieve vrouw. Elk tijdstip waarop elke willekeurige wekker afgaat is voor mijn fictieve vrouw wat waterboarding is voor een bewoner van Guantanamo Bay.

Omdat ik mijn fictieve vrouw op geen enkele plaats van haar lichaam aan mag raken (onze drie kinderen zijn met behulp van In Virto Fertilisatie verwekt) is het voor mij niet mogelijk om de hamer, die zij als een kroonjuweel tussen haar benen verstopt houdt, van haar af te pakken.

Mijn fictieve vrouw kan niet tegen rommel. Omdat de vloer van onze slaapkamer iedere ochtend bezaaid ligt met de brokstukken van de vernielde wekker van de dag, die kunnen bestaan uit stukjes glas, scherpe brokken plastic of metalen onderdelen in alle soorten en maten, draai ik elke dag op voor het opruimen van de puinhopen die mijn fictieve vrouw elke ochtend maakt als de wekker is afgegaan. Daarbij gebruik ik altijd een speciaal soort stoffer en blik dat speciaal getest is op de productie van een verwaarloosbare hoeveelheid decibel. Het gebruik van een stofzuiger is net zo’n goed idee als het serveren van een “kapsalon” aan een vegetariër met anorexia.

Als ik vrolijk, liefdevol en zonder geluid te maken onze drie kinderen heb gewekt, en beneden zachtjes de tafel voor het ontbijt voor hen aan het dekken ben, ligt mijn fictieve vrouw al lang weer op een oor te ronken in ons tweepersoonsbed op de zolderverdieping van onze geluiddichte woning, om de verloren gegane nachtrust als gevolg van de traumatische strijkboutnachtmerrie in te halen. De strijkboutnachtmerries putten mijn fictieve vrouw dagelijks in die mate uit dat ze zelden voor het avondeten wakker wordt. Mijn fictieve vrouw komt nooit uit bed en heeft onze drie kinderen na hun geboorte nooit meer gezien.

Nadat de kinderen en ik zwijgend hebben ontbeten om mijn slapende fictieve vrouw op de geluiddichte zolderverdieping niet te wekken, help ik hen voorzichtig met aankleden en breng ze even later, ondanks het feit dat mijn vrouw en ik allebei niet werkzaam zijn op de arbeidsmarkt, voor de zekerheid naar de voorschoolse opvang, zodat de kans dat mijn fictieve vrouw door een of ander geluid dat door een van onze kinderen geproduceerd wordt in haar ochtendslaap wordt gestoord verwaarloosbaar is. De voordeur laat ik altijd op een kiertje staan, zodat de deur niet hard in het slot hoeft te vallen.

Omdat mijn fictieve vrouw en ik beiden geen betaald werk verrichten zorg ik ervoor dat mijn kinderen vijf dagen per week bij een vriend of vriendinnetje thuis de lunch gebruiken. De ouders van de vriendjes en vriendinnetjes van mijn kinderen maken geen probleem van dit eenrichtingsverkeer qua zorgzaamheid, omdat zij allemaal op de hoogte zijn van de geestelijke gesteldheid van mijn fictieve vrouw en de daarmee gepaard gaande armoede van mijn gezin.

Toen mijn fictieve vrouw en ik trouwden was er nog geen vuiltje aan de lucht. Ik had dan ook geen enkele moeite om mijn fictieve vrouw het jawoord te geven tijdens de huwelijksceremonie en trouw in voor- en tegenspoed te beloven. Inmiddels ben ik zeven jaren verder met mijn leven.

Vandaag heb ik besloten om een eind te maken aan het leven van mijn fictieve vrouw. Omdat mijn vrouw fictief is zal ik weinig moeite hebben om haar in twee gelijke stukken te zagen en daarna te verpakken in twee zorgvuldig dichtgetapete vuilniszakken, die ik als de kinderen op school zijn met mijn Kia Picanto naar de vuilstortplaats van mijn gemeente kan brengen.

Omdat mijn fictieve vrouw altijd in haar bed ligt en nooit door haar kinderen gestoord wil worden is de kans groot dat de kinderen pas na jaren door zullen hebben dat ze geen fictieve moeder meer hebben.

Dit verhaal verscheen op 27 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Shoah

120w.nl: “Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg. Schrijfthema voor week 30: “ductiel.”

Al jarenlang wachtte ik op de uitgave op DVD van “Shoah,” de indrukwekkende negen uur durende documentaire over de genocide van de Joden door de nazi’s, uit 1985 van Claude Lanzmann.

Op de Vrijmarkt van 2005 trof ik tot mijn verbazing “Shoah” op DVD aan voor een klein bedrag. De DVD was een week uit. Waarom wilde iemand al na een week van deze verpletterende kijkervaring af?

De verkoper: “Mijn zoon is neonazi en ik had gehoopt dat ik hem na het zien van deze documentaire op andere gedachten kon brengen.”

Ik: “En is het gelukt?”

De verkoper: “Nee.”

Ik weet dat “ductiel” op materiële en niet op immateriële zaken betrekking heeft, maar een aangrijpende herinnering laat zich niet dicteren.

Deze 120 woorden verschenen op 24 juli 2017 voor het eerst op 120w.nl.

Ik ben een Marsmannetje in het verkeerde lichaam

Je leert je vader pas op waarde schatten als je zelf vader bent.” Ik heb geen flauw idee wanneer ik deze uitspraak voor het eerst heb gehoord. Misschien ving ik de zin op toen ik nog een kleuter was, als een geluidsflard die opklonk uit een groep volwassenen tijdens een verjaardagsvisite, waarbij de aanwezigen zich verveeld afvroegen of ze eerst een slokje van hun lauwe koffie zouden nemen of toch maar een hapje van het muffe puntje slagroomtaart, dat bij voorbaat al de schuld kreeg van het feit dat er ook die dag niet aan de slanke lijn kon worden gedaan.

Het is ook mogelijk dat ik de uitspraak voor het eerst uit de mond van mijn vader heb gehoord, toen we samen ongemakkelijk naast de geopende kist met daarin het zielloze lichaam van mijn opa stonden. Ik moet een jaar of vijftien zijn geweest. Ongemakkelijk omdat mijn oom zojuist tegen mijn vader had gezegd dat hij “als kind niets aan zijn vader had gehad, maar dat het een leuke opa voor zijn kleinkinderen was geweest.”

Ik ben er echter zeker van dat ik de uitspraak “Je leert je vader pas op waarde schatten als je zelf vader bent” de eerste keer nooit begrepen kan hebben. Ik moet de uitspraak geclassificeerd hebben als een opmerking in de orde van: “In Frankrijk zijn wortels duurder dan in Duitsland.

Wat is een vader?

Als je net op tournee bent in dit leven, is een vader voor een zoon als een roadie of een manager voor een rockartiest on the road. Hun aanwezigheid is zo vanzelfsprekend en belangrijk dat je ze pas mist als het podium in elkaar stort tijdens een optreden, of er na het concert in de poptempel van een guur gehucht geen kamer in het lokale hotel blijkt te zijn geboekt.

Dat betekent dat je geneigd bent om ze pas op te merken als er iets misgaat. Het betekent dat ze eerder op je irritatie en woede kunnen rekenen dan op je waardering en respect. Terwijl de mooiste meisjes van de dag met een verrukte blik in hun ogen om je nek hangen en alles aan je willen geven waar de gemiddelde leeftijdgenoot een moord voor zou willen doen, waar hij zeker voor veroordeeld zou worden, is de manager druk aan het onderhandelen over een zakendeal waar vooral jij beter van zult worden en gaat de roadie door zijn rug als hij de line array van de PA begint te ontmantelen.

Als ik een marsmannetje was geweest te midden van allemaal andere marsmannetjes, die aan de vooravond van zijn eerste missie naar planeet Aarde een briefing zou hebben gekregen van een charismatische Marsinstructeur over het fenomeen ‘vader op de planeet Aarde’ en de Marsinstructeur had met zijn aanwijsstok systematisch de kenmerken van een  ‘vader op de planeet Aarde’ op zijn marsiaanse digiboard aangetikt:

Een vader staat als eerste op,
een vader gaat als laatste naar bed,
een vader doet alles beter dan zijn kinderen,
een vader is een wandelende portemonnee,
een vader is een gratis taxichauffeur,
alleen een vader mag vuurwerk afsteken,
een vader wordt nooit betrapt door zijn kinderen als hij de moeder van zijn kinderen neukt,
een vader wint elke ruzie met een vreemde meneer,
een vader laat zich niet belazeren door een ober,
een vader kent de spelregels van elke sport,
een vader heeft altijd gelijk,
een vader liegt nooit en een vader leest heel snel zeer spannende boeken die hij nooit koopt maar altijd gratis uit de bibliotheek haalt, dan had ik alle kenmerken van de ‘vader op de planeet Aarde’ net zo goedgelovig geaccepteerd als ik in werkelijkheid heb gedaan.

Nu ik zelf vader ben, herken ik me in geen enkel opzicht in de voorstelling die ik als kind van een vader had. Ondanks dat ik nooit een DNA-test heb laten doen om absolute zekerheid te verkrijgen over de vraag of ik wel of niet de vader van mijn kinderen ben, moet ik aannemen dat de kinderen waarmee ik onder een dak woon mijn kinderen zijn. Het feit dat mijn zoon qua uiterlijk meer op mijn zwager lijkt dan op mij doet daar niets aan af.

Het gevoel dat ik de rol van vader speel in plaats van dat ik een vader ben laat mij echter nooit los. Als mijn kinderen mij op Vaderdag verrassen met een ontbijtje op bed heb ik altijd het gevoel dat ze aan het verkeerde adres zijn.

Spelen mijn kinderen de rol van dochter en zoon net zo intuïtief als ik de rol van vader speel?

Ik weet bijna zeker dat ik om mijn zoon zal moeten lachen als hij ooit vader zal zijn. Mijn zoon zal ik altijd als mijn zoon zien en niet als een vader, oom of opa. Net zoals ik mijzelf nooit als de vader zal zien die mijn vader is geweest.

Een vader zijn is totaal iets anders dan een vader hebben. Ik ben een marsmannetje in het verkeerde lichaam.

Dit verhaal verscheen op 22 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Aantekeningen bij een Rouwproces

Iedereen draagt de soundtrack van zijn leven bij zich. Er zijn geen apparaten of “oortjes” nodig om naar de liedjes in je hoofd te luisteren, die zich altijd op een juist moment en onaangekondigd laten horen.

Vanmiddag liep ik voor het eerst sinds twee maanden een van mijn favoriete wandelroutes, die zich in het ruim opgezette recreatiegebied Geestmerambacht bevindt, enkele kilometers ten noorden van de provinciestad waar ik woon. Een achterwaartse salto van de trap, om half twaalf in de avond van de twintigste mei 2017, waarbij ik een lendenwervel onder in mijn rug brak, had ervoor gezorgd dat ik de laatste twee maanden aan bed, huis en tuin gekluisterd was geweest. De gekooide tijger was aan beweging toe.

Het was een verademing om op bekende grond te zijn. Alsof vertrouwde natuur dezelfde uitwerking op je gemoed heeft als een goede vriend die je een tijd niet hebt gezien of een koud glas melk nadat je drie maanden in zuivelvrije tropische oorden hebt doorgebracht.

Ik laafde mij ontspannen aan warme zonnestralen op veilig terrein. Opgewonden witgesterde blauwborsten zonder dubbele agenda dartelden van boom naar boom. Joelende kinderen namen een duik in het door een zandafgraving in de jaren zestig ontstane meer “De Zomerdel.” Papa’s en mama’s bespraken te midden van platgetrapte kleine pakjes frisdrank, waaruit vergeten geknakte rietjes staken, ontspannen de mogelijke ingrediënten waaruit de avondmaaltijd van die dag zou bestaan. Bijna gewichtloos afval dwarrelde doelloos in de richting van met bezemkruiskruid en harige wilgenroosjes gevulde bloemperken.

Mijn gedachten verplaatsten zich naar de laatste keer dat ik hier samen met Mathieu wandelde. Mijn beste vriend, wapenbroeder en soulmate, die op 5 juni 2017 om drie uur in de middag een einde aan zijn leven maakte. Tijdens onze onbezorgde laatste wandeling op deze zelfde grond, zo kort geleden nog, tuimelden de woorden van ons gesprek over elkaar heen in een dialoog die voorbestemd leek om nooit te kunnen eindigen.

In mijn hoofd klonken vanmiddag de eerste zinnen van de door Sinéad O’ Connor gezongen en door Prince geschreven wereldhit Nothing Compares 2 U: “It’s been seven hours and fifteen days / Since you took your love away.” En ondanks het feit dat de dood van Mathieu vandaag precies zes weken geleden is en niet “seven hours and fifteen days,” en hij mijn vriend was en niet mijn geliefde, voelde ik het rauwe verdriet dat uit Nothing Compares 2 U spreekt alsof ik het liedje zojuist zelf had gemaakt.

Nu liep ik hier alleen en was van Mathieu alleen een herinnering over die sterker leek dan de geuren die mij omringden. Niets had mij kunnen voorbereiden op de dood van mijn beste vriend. Ik had niet kunnen weten dat zijn liefde, vriendschap en moreel gezag sterker aanwezig lijken te zijn na zijn dood dan tijdens zijn leven.

Tijdens het leven neem je de waarde en de kracht van je vriendschap aan als een vanzelfsprekendheid. De intensiteit van de vriendschap kan komen en gaan. Er is geen haast. Er is geen einde in zicht. De vriendschap heeft de tijd om te sluimeren. De vriendschap heeft de tijd om af en toe een pauze te nemen. De vriendschap is voor altijd.

Na de dood van iemand die veel voor je betekent heeft ontstaat er een heel ander besef van ruimte en tijd waar het de dode betreft. Wat er overblijft is niet “niets”. Wat er overblijft is geen slap aftreksel van een oude werkelijkheid. De energie van een dode geliefde is niet te vangen in een hologram en kan ook geen luchtspiegeling zijn. Het lijkt alsof de vriendschap die je samen hebt gedeeld even sterk blijft, misschien zelfs puurder wordt, maar nu niet meer samen, met zijn tweeën, wordt gedeeld, maar samen alleen.

Zonder twijfel zijn de gevoelens die ik beschrijf hersenspinsels van een rouwende ziel, die in taal probeert te vatten wat het hart niet begrijpen kan.

Als we allemaal een soundtrack van ons leven bij ons dragen, moeten we ook allemaal in het bezit zijn van een bloemlezing, waarin zinnen verzameld zijn die ons nooit los hebben gelaten door de zeggingskracht die ze op een bepaald moment in ons leven voor ons hebben gehad.

In mijn bloemlezing had de eerste zin van de roman Anna Karenina van de 19de-eeuwse Russische romanschrijver Lev Tolstoj niet mogen ontbreken: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Maar na de dood van Mathieu zou ik de zin willen veranderen. Ik zou het woord “gezin” willen vervangen door “mens“: “Alle gelukkige mensen lijken op elkaar, elk ongelukkig mens is ongelukkig op zijn eigen wijze.” En daarna zou ik nog een laatste wijziging aan willen brengen die de oorspronkelijke zin onherkenbaar maakt: “Alle mensen lijken op elkaar.”

Ik ben ervan overtuigd dat iedereen op zijn levensweg geluk en ongeluk tegen zal komen. Ik denk dat geluk en ongeluk veel minder elkaars tegenpool zijn dan we meestal aannemen.

Geluk en ongeluk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geluk heft ongeluk niet op. Ongeluk heft geluk niet op. Geluk en ongeluk zijn completerend.

Dit verhaal verscheen op 19 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

Bill Clinton feliciteert Peter Mabelus met Pizzaprijs!

https://www.youtube.com/attribution_link?a=BwF-Z_rrAbY&u=%2Fwatch%3Fv%3DRgZgTSyEHO0%26feature%3Dshare

Peter Mabelus, die vorige week tot pizzakoerier van het jaar is uitgeroepen in Eritrea, ontving vandaag in het Amstel Hotel in Amsterdam de daarbij behorende sculptuur uit handen van zijn goede vriend en voormalig president van de Verenigde Staten van Amerika Bill Clinton.

Peter Mabelus verscheen te laat voor de prijsuitreiking, omdat het vliegtuig waarin hij zat gekaapt werd door leden van IS. Peter Mabelus wist de kapers na een korte schermutseling te overmeesteren.

In eerste instantie ontving Bill Clinton Peter Mabelus ietwat koel en afstandelijk (vanaf 2 minuut 20 in de film) omdat volgens Bill Clinton “Peter Mabelus hem beloofd had dat Bill Clinton de eerste persoon zou zijn die eens lekker door Peter Mabelus overmeesterd zou worden.”

De Vieze Vuile Flikker

Eduard verveelde zich dood op de receptie die ter gelegenheid van de bruiloft van zijn homoseksuele broer Gert gehouden werd in een luxe eetcafé ergens in de Jordaan.

Gert ging met Erik trouwen. Inderdaad, Erik is een mannennaam. Toch was Erik een vrouw. Erik kwam van moderne ouders, dat is wel duidelijk.

Eduard snapte zijn broer niet. Waarom met een vrouw trouwen als je homoseksueel bent? Hij had deze vraag zijn broer, waarmee hij op intiem vriendschappelijke manier omging, vaker voorgelegd. Gert antwoordde dan dat seks slechts een zo miniem onderdeel uitmaakt van een succesvolle en bevredigend verlopende relatie, dat het feit dat hij toevallig homoseksueel was, en Erik toevallig een vrouw, van niet doorslaggevende betekenis was voor het welslagen van hun huwelijk. Bovendien was Erik zijn beste vriendin en beste maatje. Waarom zou hij dan een ander trouwen?

Ja, zo had Eduard het nooit bekeken. Misschien zat hij wel vastge­roest in conservatieve en traditionele denkpatronen over de huwelijkse staat en intimiteit en liefde in het algemeen.

‘Maar een goede relatie moet toch gebaseerd zijn op bevredigende, spannende en gezonde seks,’ had Eduard wel eens tegen zijn broer geopperd.

Gert had toen ontdeugend naar hem geknipoogd, hem zachtjes met zijn elleboog aangestoten en op samenzweerderige toon verkondigd dat ‘zijn gordijnen goed sloten en dat zijn fantasie zeer groot was.’ Eduard had er niets van begrepen maar had toch instemmend blozend aarzelend geknikt. Wat had Gert nu bedoeld?

Eduard keek de receptieruimte eens rond. Hij nam de aanwezigen een voor een op. ‘Niet veel soeps,’ dacht hij. ‘Ouwe lullen en tuthola’s.’

Hij nam nog een sherry van een met wit damast beklede tafel, zijn vierde glas al die middag. Hij hield niet van sherry. Maar uit een bepaald soort balorigheid hield hij het vandaag bij deze bittere wrange drank.

Een schuchtere jongensachtige ober kwam verlegen langs met een zilveren schaal vol bitterballen. Eduard nam een bal van de schaal, deed hem ineens, helemaal, in zijn mond.

‘Verdomme!,’ vloekte hij hard binnensmonds en onverstaanbaar, toen hij de bal, die zijn tong en mondholte verbrand had, woest in een snel van het blad weg geraapt papieren servetje uitspuwde.

Een knappe donkerblonde vrouw van een jaar of dertig, gekleed in een strakke donkerrode jurk met laag uitgesneden decolleté, knipoogde geil naar hem.

‘Nou, nou,’ zei ze zwoel, ‘wat een temperament.’

‘Sorry, mevrouw, maar die bitterbal was ook zo heet,’ sprak Eduard verontschuldigend.

‘Over heet gesproken. Ik ben een mejuffrouw hoor,’ fluisterde de femme fatale en likte haar lippen als in slow motion nat.

Eduard was te gepreoccupeerd met het betasten van zijn bezeerde tong om aandacht aan de dame te schenken.

‘Jij bent een koele kikker,’ zei de vrouw met quasi verleidelijke neergeslagen blik.

‘Pardon?,’ vroeg Eduard, die nu pas weer aandacht had voor deze plots opgedoemde vrouw.

‘Dat je tegen mijn opwindende taal kunt.’

‘Hoezo opwindend?’

Eduard betastte peinzend nogmaals zijn verbrande tong en zocht naar een plaats waar hij zijn in het papieren servetje uitgespuwde bitterbal kon dumpen.

‘Een heel erg koele kikker,’ hijgde de vrouw. Ze kirde even verlei­delijk, tuitte haar lippen en wreef haar kont per ongeluk tegen het kruis van Eduard.

Eduard slokte zijn sherry weg, nam een nieuw glas sherry van een langsko­mend blad en staarde verveeld naar buiten. Herfst.

‘Wat ben je heerlijk onbeleefd, wonderboy,’ kreunde de vrouw in het rood hees.

‘Onbeleefd?,’ vroeg Eduard afwezig.

‘Heel onbeleefd, stouterd. Je hebt niet gevraagd wat ik wil drinken. Ik lust ook wel een sherry.’ Ze wierp hem een brutale handkus toe.

‘Sorry, neem deze maar. Ik haal wel een andere,’ zei Eduard en wilde uit ongeïnspireerde beleefdheid op zoek gaan naar nog een glas sherry.

De vrouw hield hem aan zijn jasje vast.

‘Doe geen moeite. We drinken dit glas wel samen leeg,’ zei ze.

Er viel een stilte.

‘Ik denk dat ik er maar eens vandoor ga,’ zei Eduard, die het wel gezien had op de receptie van zijn broer Gert en diens verse echtgenote Erik.

‘Your place or mine,’ snurkte de wulpse voluptueuze dame haast.

‘Wablief?,’ zei Eduard.

‘Heb je zin om met me mee te gaan?,’ vroeg de dame in het rood terwijl ze hem strak aankeek.

‘Dat is goed.’

‘Waar woon je?,’ vroeg ze glimmend van verlangen, opwinding, lust en een vette huid.

‘In de Jacob Obrechtstraat.’

‘Ik woon in de Beethovenstraat.’

‘Dat komt dan goed uit. Dan kunt u mij op weg daar naar toe afzetten.’

‘Pardon?’

‘Afzetten in de Jacob Obrechtstraat. Daar woon ik. Dat vroeg u mij toch?’

‘Nou ja zeg, wat ben jij voor een botte hufter?’

‘En net vond je me nog een weet ik veel, wonderboy.’

‘Rot toch op, sukkel. Vieze vuile flikker,’ zei de prachtige vrouw en draaide zich resoluut om. Zonder nog een woord te zeggen liep ze weg, zonder met haar kont te draaien of te zwaaien.

‘Vieze vuile flikker?,’ mompelde Eduard. ‘Volgens mij verwart u mij met mijn broer.’ Maar de vrouw hoorde hem al niet meer. Zij stond nu verderop te slijmen tegen een kalende kantoorpik. Die gratis lift was hem mooi door zijn neus geboord.

Eduard ging op zoek naar zijn volgende sherry en een lift voor straks.

Dit verhaal verscheen op 15 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.

 

 

 

‘Verloren schilderij van Andy Warhol ontdekt’

Een verloren gewaand schilderij is met zekerheid van Andy Warhol. Het gaat om een late Warhol, die vorig jaar op een veiling in de Verenigde Staten opdook.

13 JULI 2017, 09:11 – BRON: ANP

Dat meldt Nieuwsuur. Het televisieprogramma laat in de uitzending van woensdagavond beelden van het schilderij De Schrijver zien.

“Er is geen twijfel mogelijk. Het schilderij kan met honderd procent zekerheid worden toegeschreven aan Warhol,” zegt Warholkenner Martijn Groen tegen Nieuwsuur.

AW
Op de jaarlijkse kunst-en antiekveiling TEFAF in Maastricht presenteert de Parijse kunsthandel Talabardon & Gautier het werk. Volgens Nieuwsuur gaat het om een doek van 2 bij 2 meter dat de schilder maakte toen hij zesenvijftig of zevenenvijftig jaar oud was.

Aan het monogram ‘AW’, een van Warhols laatste handtekeningen, is te zien dat het gaat om een Warhol. AW staat voor Andy Warhol.

Serie
Warhol leefde van 1928 tot 1987. De Schrijver is onderdeel van een serie van vijf schilderijen die de woordkunstenaar verbeelden. De andere schilderijen heten De Dichter, De Scenarist, De Journalist en De Columnist. De laatste vier schilderijen zijn overigens nooit teruggevonden.

Het is overigens niet bekend welke schrijver model heeft gestaan voor het schilderij “De Schrijver” en of de persoon op het schilderij überhaupt een schrijver is.

Hoe Heleen van Royen 2 Keer Mijn Held Werd

Heleen van Royen verscheen in het jaar 2002 op 37-jarige leeftijd als een komeet aan het Nederlandse literaire firmament. Hoewel haar debuut “De gelukkige huisvrouw” al in het jaar 2000 was uitgebracht werd het boek pas twee jaar later een enorme hit. Iedereen hield opeens van deze knappe, onstuimige, zelfverzekerde, welbespraakte vrouw. Dat ze getrouwd was met de krullenbol Tom van Royen, de middelmatige televisiepresentator met een klein spraakgebrek, wekte verbazing, maar werd haar vergeven. Op de een of andere manier vormde haar losbandige imago het excuus voor haar onbegrijpelijke partnerkeuze.

Het tempo en het schijnbare gemak waarmee Heleen van Royen door de media van literaire publiekslieveling in semi-nymfomane, neofeministische schrijfster van erotische pulp werd getransformeerd doet geen sterveling verlangen naar roem. Zodra je het publieke domein betreedt ben je blijkbaar vogelvrij.

Waarom zal Heleen van Royen voor mij – ondanks “alles” – altijd een held blijven? Daar heb ik twee goede redenen voor.

Op 10 januari 2004 schreef Heleen van Royen in haar column in Het Parool over een gesprek dat ze na afloop van het Groot Dictee der Nederlandse Taal in een café had gevoerd met één van de toenmalige kopstukken van de Partij van de Arbeid, huisarts en vader van twee kinderen Rob Oudkerk. Rob Oudkerk had tijdens dit gesprek tegen haar opgeschept over zijn cocaïnegebruik. Ook vertelde Rob Oudkerk een smakelijke anekdote over hoe hij door de gemeentelijke commissie Integriteit van de gemeente Amsterdam – Oudkerk bekleedde destijds ook de functie van wethouder in Amsterdam. In zijn portefeuille zaten onder meer onderwijs en jeugd –  een waarschuwing had gekregen vanwege het onder werktijd pornosurfen op computers van de gemeente.

Het allermooiste verhaal had de vader van twee kinderen, huisarts en wethouder Rob Oudkerk voor het laatst bewaard. Hij liet zich regelmatig op een “afwerkplaats” aan de Theemsweg in de buurt van treinstation Amsterdam Sloterdijk voor een paar tientjes pijpen door illegaal in Nederland verblijvende Oost-Europese heroïnehoertjes.

Het was volgens Rob Oudkerk vanzelfsprekend dat deze stoere verhalen onder OSM (Ons Soort Mensen) moest blijven, want het klootjesvolk zou toch niets begrijpen van de rock ’n roll lifestyle van de jetset van de grachtengordel.

Heleen van Royen nam een moedig besluit en besloot na een begrijpelijke aarzeling (wie vindt het fijn om een klikspaan te zijn?) om een paar weken na haar gesprek met Rob Oudkerk de inhoud van het gesprek in haar column in Het Parool openbaar te maken.

Rob Oudkerk deed een tot mislukken gedoemde halfslachtige  poging om zijn goede naam te redden, maar zijn scheve schaatsen waren in geen miljoen jaar meer recht te buigen. Zijn politieke carrière was voorbij. Zijn huwelijk liep op de klippen. In welke mate het vertrouwen van zijn patiënten in huisarts Rob Oudkerk beschadigd was valt alleen maar te raden.

Ik heb nooit begrepen waarom Rob Oudkerk uit schaamte niet nog dezelfde maand een enkele reis Bordelië heeft genomen. Schaamte was Rob Oudkerk blijkbaar vreemd. Hij was nog met grote regelmaat te bewonderen in talkshows op de televisie. Een bord voor zijn voor zijn kop was daarbij niet zichtbaar.

De “afwerkplaats” aan de Theemsweg in de buurt van station Amsterdam Sloterdijk werd gesloten. Zonder twijfel hebben de seksuele driften van Rob “OSM” Oudkerk elders onderdak kunnen vinden. Dat  zijn vrouw en twee kinderen dat dak niet met hem wilden delen mag geen verwondering wekken.

Op zaterdag 25 augustus 2002 kon niemand weten welke onsmakelijke rel anderhalf jaar later Nederland tijdelijk in zijn ban zou houden. Mijn hoogzwangere vrouw en ik flaneerden over de Uitmarkt ter hoogte van het Van Gogh Museum en het Sweelinck Conservatorium door de Paulus Potterstraat langs de marktkraampjes van verschillende Nederlandse uitgeverijen. De blik van mijn lief viel bij het kraampje van Uitgeverij Vassallucci op een grote stapel exemplaren van “De gelukkige huisvrouw.” Achter de stapel boeken zat een goed gehumeurde Heleen van Royen met de benen over elkaar geslagen op een klapstoeltje.

Mijn vrouw pakte het bovenste boek van een stapel “gelukkige huisvrouwen” en begon aandachtig de achterflap van de bestseller van het jaar te lezen.

‘Het is een echte aanrader, hoor,’ begon Heleen van Royen haar verkooppraatje. ‘Zeker voor jou.’ Ze knikte in de richting van de bolle buik van de vrouw die mijn eerste kind droeg. ‘Je hoeft niet bang te zijn voor een kraambedpsychose zoals ik die heb gehad,’ vervolgde ze. ‘Dat komt maar per één of twee van de duizend bevallingen voor.’

‘Ik wil het boek graag lezen,’ zei mijn vrouw tegen Heleen van Royen, ‘maar mijn man is een parttime snob en zegt dat het geen echte literatuur is. Hij wil het daarom niet voor mij kopen. Ik moet het maar lezen als ik er toevallig tegenaan loop in de bibliotheek.’

Ik keek verbaasd naar mijn vrouw. Wij hadden dit gesprek nooit gevoerd! Het was niet de eerste keer dat ik getuige was van hoe mijn vrouw vanuit het niets een rol overtuigend kon spelen zonder dat haar doel voor mij duidelijk was.

‘Dan krijg je het boek van mij,’ zei Heleen van Royen.

Nu was het doel van mijn vrouw mij wel duidelijk.

Heleen van Royen pakte het exemplaar van “De gelukkige huisvrouw” uit de handen van mijn vrouw, sloeg het boek open bij de zogeheten Franse titelpagina en hield een grote rode Permanent-marker van het merk Kores in de aanslag.

‘Wat is je naam?’ vroeg ze en nadat mijn vrouw haar naam had genoemd schreef ze in een vlot tempo de datum (25 augustus 2002), een opdracht (“Voor Natasha a.s. moeder suc6”) en haar handtekening op de Franse titelpagina. Daarna overhandigde ze het boek met een joviaal gebaar aan mijn vrouw.

Ik kon alleen maar schaapachtig naar Heleen van Royen lachen, terwijl ik besefte weer eens door mijn vrouw in een ongemakkelijke situatie te zijn gebracht.

‘De volgende keer niet meer zo krenterig zijn, hè?’ sprak Heleen van Royen mij als een stout schooljongetje toe.

Op 17 mei 2003 was ik één van de allereerste kopers van Heleen van Royen’s tweede roman “Godin van de jacht.”

Dit verhaal verscheen op 11 juli 2017 als eerste op hoemannendenken.nl.