Hoe Heleen van Royen 2 keer mijn held werd (Met een naschrift van Heleen van Royen)

Afbeelding kan het volgende bevatten: tekst

Heleen van Royen verscheen in het jaar 2002 op 37-jarige leeftijd als een komeet aan het Nederlandse literaire firmament. Hoewel haar debuut ‘De gelukkige huisvrouw’ al in het jaar 2000 was uitgebracht werd het boek pas twee jaar later een enorme hit. Iedereen hield opeens van deze knappe, onstuimige, zelfverzekerde, welbespraakte vrouw. Dat ze getrouwd was met de krullenbol Tom van Royen, de middelmatige televisiepresentator met een klein spraakgebrek, wekte verbazing, maar werd haar vergeven. Op de een of andere manier vormde haar losbandige imago het excuus voor haar onbegrijpelijke partnerkeuze.

            Het tempo en het schijnbare gemak waarmee Heleen van Royen door de media van literaire publiekslieveling in semi-nymfomane, neo-feministische schrijfster van erotische pulp werd getransformeerd doet geen sterveling verlangen naar roem. Zodra je het publieke domein betreedt ben je blijkbaar vogelvrij.

            Waarom zal Heleen van Royen voor mij – ondanks “alles” – altijd een held blijven? Daar heb ik twee goede redenen voor.

            Op 10 januari 2004 schreef Heleen van Royen in haar column in ‘Het Parool’ over een gesprek dat ze na afloop van het ‘Groot Dictee der Nederlandse Taal’ in een café had gevoerd met één van de toenmalige kopstukken van de Partij van de Arbeid, huisarts en vader van twee kinderen Rob Oudkerk. Rob Oudkerk had tijdens dit gesprek tegen haar opgeschept over zijn cocaïnegebruik. Ook vertelde Rob Oudkerk een smakelijke anekdote over hoe hij door de gemeentelijke commissie Integriteit van de gemeente Amsterdam – Oudkerk bekleedde destijds ook de functie van wethouder in Amsterdam. In zijn portefeuille zaten onder meer onderwijs en jeugd – een waarschuwing had gekregen vanwege het onder werktijd pornosurfen op computers van de gemeente.

            Het allermooiste verhaal had de vader van twee kinderen, huisarts en wethouder Rob Oudkerk voor het laatst bewaard. Hij liet zich regelmatig op een “afwerkplaats” aan de Theemsweg in de buurt van treinstation Amsterdam Sloterdijk voor een paar tientjes pijpen door illegaal in Nederland verblijvende Oost-Europese heroïnehoertjes.

            Het was volgens Rob Oudkerk vanzelfsprekend dat deze stoere verhalen onder OSM (Ons Soort Mensen) moesten blijven, want het klootjesvolk zou toch niets begrijpen van de rock ’n roll lifestyle van de jetset van de grachtengordel.

            Heleen van Royen nam een moedig besluit en besloot na een begrijpelijke aarzeling (wie vindt het fijn om een klikspaan te zijn?) om een paar weken na haar gesprek met Rob Oudkerk de inhoud van het gesprek in haar column in ‘Het Parool’ openbaar te maken.

            Rob Oudkerk deed een tot mislukken gedoemde halfslachtige  poging om zijn goede naam te redden, maar zijn scheve schaatsen waren in geen miljoen jaar meer recht te buigen. Zijn politieke carrière was voorbij. Zijn huwelijk liep op de klippen. In welke mate het vertrouwen van zijn patiënten in huisarts Rob Oudkerk beschadigd was valt alleen maar te raden.

            Ik heb nooit begrepen waarom Rob Oudkerk uit schaamte niet nog dezelfde maand een enkele reis Bordelië heeft genomen. Schaamte was Rob Oudkerk blijkbaar vreemd. Hij was nog met grote regelmaat te bewonderen in talkshows op de televisie. Een bord voor zijn voor zijn kop was daarbij niet zichtbaar.

            De “afwerkplaats” aan de Theemsweg in de buurt van station Amsterdam Sloterdijk werd gesloten. Zonder twijfel hebben de seksuele driften van Rob “OSM” Oudkerk elders onderdak kunnen vinden. Dat  zijn vrouw en twee kinderen dat dak niet met hem wilden delen mag geen verwondering wekken.

            Op zaterdag 25 augustus 2002 kon niemand weten welke onsmakelijke rel anderhalf jaar later Nederland tijdelijk in zijn ban zou houden. Mijn hoogzwangere vrouw en ik flaneerden over de Uitmarkt ter hoogte van het Van Gogh Museum en het Sweelinck Conservatorium door de Paulus Potterstraat langs de marktkraampjes van verschillende Nederlandse uitgeverijen. De blik van mijn lief viel bij het kraampje van Uitgeverij Vassallucci op een grote stapel exemplaren van ‘De gelukkige huisvrouw’. Achter de stapel boeken zat een goed gehumeurde Heleen van Royen met de benen over elkaar geslagen op een klapstoeltje.

            Mijn vrouw pakte het bovenste boek van een stapel “gelukkige huisvrouwen” en begon aandachtig de achterflap van de bestseller van het jaar te lezen.

            ‘Het is een echte aanrader, hoor,’ begon Heleen van Royen haar verkooppraatje. ‘Zeker voor jou.’ Ze knikte in de richting van de bolle buik van de vrouw die mijn eerste kind droeg. ‘Je hoeft niet bang te zijn voor een kraambedpsychose zoals ik die heb gehad,’ vervolgde ze. ‘Dat komt maar per één of twee van de duizend bevallingen voor.’

            ‘Ik wil het boek graag lezen,’ zei mijn vrouw tegen Heleen van Royen, ‘maar mijn man is een parttime snob en zegt dat het geen echte literatuur is. Hij wil het daarom niet voor mij kopen. Ik moet het maar lezen als ik er toevallig tegenaan loop in de bibliotheek.’      

            Ik keek verbaasd naar mijn vrouw. Wij hadden dit gesprek nooit gevoerd! Het was niet de eerste keer dat ik getuige was van hoe mijn vrouw vanuit het niets een rol overtuigend kon spelen zonder dat haar doel voor mij duidelijk was.

            ‘Dan krijg je het boek van mij,’ zei Heleen van Royen.

            Nu was het doel van mijn vrouw mij wel duidelijk.

            Heleen van Royen pakte het exemplaar van ‘De gelukkige huisvrouw’ uit de handen van mijn vrouw, sloeg het boek open bij de zogeheten Franse titelpagina en hield een grote rode Permanent-marker van het merk Kores in de aanslag.

            ‘Wat is je naam?’ vroeg ze en nadat mijn vrouw haar naam had genoemd schreef ze in een vlot tempo de datum, 25 augustus 2002, een opdracht, “Voor Natasha a.s. moeder suc6” en haar handtekening op de pagina. Daarna overhandigde ze het boek met een joviaal gebaar aan mijn vrouw.

            Ik kon alleen maar schaapachtig naar Heleen van Royen lachen, terwijl ik besefte weer eens door mijn vrouw in een ongemakkelijke situatie te zijn gebracht.

            ‘De volgende keer niet meer zo krenterig zijn, hè?’ sprak Heleen van Royen mij als een stout schooljongetje toe.

            Op 17 mei 2003 was ik één van de allereerste kopers van Heleen van Royen’s tweede roman ‘Godin van de jacht’. Het was duidelijk dat ik tegenover Heleen van Royen iets goed te maken had.

Naschrift:

Nog dezelfde dag dat dit stukje werd geplaatst op de website ‘hoemannendenken.nl’ (11 juli 2017)  stuurde ik Heleen van Royen een berichtje met een link naar het stukje. Haar reactie: “Er zitten wat feitelijke onjuistheden in, maar al met al: leuk stukje, Peter. ;-).”

Hoe ik van Thomas Rosenboom’s roman ‘Gewassen vlees’ stomtoevallig een bestseller maakte

Het was na de verhalenbundel ‘De mensen thuis’ (1983), die bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, een aanmoedigingsprijs voor literatuur, ingesteld door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en de literaire thriller ‘Vriend van verdienste’ (1985) voor de liefhebbers van Nederlandse literatuur duidelijk dat we met de komst van Thomas Rosenboom te maken hadden met het verschijnen van een uniek nieuw talent.

Carel Peeters schreef in Vrij Nederland over ‘De mensen thuis’: “Het is een angstig debuut. Hoe moet dat verder met een jonge schrijver die zo duidelijk de neigingen van een virtuoos vertoont: tevreden met zijn eigen kunnen, geen spoor van twijfel?” Thomas Verbogt noemde de opvolger ‘Vriend van verdienste’ in de Arnhemse Courant “een beangstigend fraai boek.” Aad Nuis in de Volkskrant over hetzelfde boek: “De voornaamste kracht van het boek is een merkwaardige, slaapwandelende trefzekerheid, die je bijvoorbeeld ook in het vroege werk van Reve vindt.”

Het mag dan ook geen wonder heten dat er reikhalzend werd uitgekeken naar het derde boek van Thomas Rosenboom. Jaar na jaar verstreek, maar een nieuw boek van Thomas Rosenboom kwam maar niet. De geruchtenmachine kwam op gang. Thomas Rosenboom zou zich in een gruwelijk writer’s block bevinden. Volgens anderen was hij juist bezig aan een magistrale roman die zijn eerste twee boeken tot kinderspel zouden doen verbleken.

Het duurde tot februari 1994 dat de langverwachte tweede roman van Thomas Rosenboom zou verschijnen, met de intrigerende titel ‘Gewassen vlees’. Naar later bleek was hij al in 1983 aan de roman begonnen. De roman zou zich afspelen in de 18e eeuw, gedurende de Friese ongeregeldheden rond het Pachtersoproer tijdens het bewind van stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau en het beleg van Bergen op Zoom in de Oostenrijkse Successieoorlog. Het boek zou maar liefst 732 pagina’s tellen. Het taalgebruik zou van een ongekende schoonheid en originaliteit getuigen. De hooggespannen verwachtingen (vergeet niet dat men negen jaar op de opvolger van ‘Vriend van verdienste’ had moeten wachten) zouden volledig uitkomen.

Nog voordat het boek in de winkel lag verschenen zeer lovende recensies in dag- en weekbladen. Rob Schouten in de Trouw van 17 februari 1994 over de schrijver Rosenboom: “Hoe je zijn werk ook benadert, filosofisch of psychologisch, het belangrijkst is de inzet van de schrijver voor wie het schrijven een bezeten tijdverdrijf is. Nabokov was zo’n schrijver, Vestdijk ook, Thomas Mann tot op zekere hoogte. Ook Thomas Rosenboom (1956) behoort tot het type.” Even verderop in het artikel over de hoofdpersoon van ‘Gewassen vlees’ de Friese burgemeesterszoon Willem Augustijn van Donck: “Zulke blasfemische-façade personages doen denken aan het schokkendste van Sade en Huysmans.” Schouten eindigt zijn recensie met een oordeel over de roman als geheel: “Intussen is dit product van monnikenwerk wel degelijk een duivels knap boek waarin iets over de smalle marges tussen galanterie en seksuele deviatie valt te leren. Een roman die voor de schrijver misschien een haast maniakaal spel met de stof moet zijn geweest, voor de lezer een fascinerend raadsel van de verbeelding is geworden.”

Alle kritieken van ‘Gewassen vlees’ waren uiterst lovend. Maar hoe zag het boek eruit? Een dikke roze pil met op de voorkant een van achteren afgebeelde jonge hurkende voluptueuze naakte vrouw. Onmogelijk om te zeggen of de vrouw knap of lelijk was. Het omslag was ontworpen door J. Tapperwijn, de illustratie was van Teunn.

Ik kon eigenlijk niet wachten om het boek te lezen maar besloot te wachten met de aanschaf van het boek tot donderdagavond, 24 februari 1994, de avond waarop Thomas Rosenboom vanaf 19.30 uur zijn nieuwe boek zou signeren in Boekhandel Athenaeum aan het Spui in Amsterdam.

Op donderdagavond 24 februari 1994 parkeerde ik mijn fiets om een uur of zeven in het kleine fietsenrekje dat voor Boekhandel Athenaeum geplaatst was. Het was ijskoud en ik was alleen. Ik had niemand kunnen enthousiasmeren om samen met mij in de bittere kou de tocht naar het Spui te maken om een paperback van 65 gulden te kopen en laten signeren. 65 gulden was in die tijd veel geld voor een boek, zeker voor een paperback.

Nadat ik mijn fiets op slot had gedaan betrad ik de boekwinkel. Er bevonden zich buitengewoon weinig mensen in de winkel. Als er ergens in de stad een signeersessie was waar ik bij wilde zijn zorgde ik er altijd voor om ongeveer een half uur voor aanvang van de signeersessie aanwezig te zijn. Dan had ik ruim de tijd om de omgeving in mij op te nemen of eventueel, bij extreme drukte, een goede plaats in de wachtrij voor de signerende schrijver te bemachtigen. Op deze avond was dat niet nodig.

Met zijn rug naar de kassa stond de inkoper van Athenaeum Bas Senstius boeken te sorteren. Bas kende ik goed omdat hij eind jaren tachtig drumde in de band ‘The White Hotel’, een band die opgericht was door mijn broer, de zanger-gitarist Johan Visser, en waarin ik basgitaar speelde. De band was inmiddels al lang ter ziele gegaan, maar de vriendschappen waren gebleven. Onze gemeenschappelijke delers waren bier en een haast maniakale liefde voor literatuur. Ik stapte op Bas af.

‘He, Bas, hoe is ie?’ Bas draaide zich om en staakte zijn werkzaamheden om mij te begroeten.

‘He, Peter,’ zei Bas en schudde mijn hand ter begroeting. ‘Jij komt zeker voor Thomas?’

‘Ja, is het wel vandaag, Bas? Want het is zo belachelijk rustig. Gaat het soms niet door?’

‘Jawel, maar het is erg koud en het is nog vroeg. Er zullen straks echt wel mensen komen. Kijk,’ wees hij naar een klein tafeltje dat een beetje in het duister op een verhoging links in de winkel stond. ‘Thomas is er al.’

Verdomd, in het schemer dat achter in de winkel heerste zag ik een klein mannetje met hangende schouders helemaal alleen op een stoel achter een tafel zitten. Hij had het postuur van een jochie. Van een zich vormende wachtrij was nog geen sprake.

Bas keek mij even lachend en samenzweerderig aan. ‘Wel een verlegen gast hoor, die Thomas Rosenboom. Dat is geen rock ’n roll. Meer een studiepikkie.’  

Ik moest lachen en dacht aan alle wilde nachten die wij als leden van ‘The White Hotel’ gedeeld hadden.

‘Ik kan hem wel even aan je voorstellen,’ vervolgde Bas.

‘Nu?’ riep ik verbaasd uit.

‘Ja,’ zei Bas. ‘Dat vindt hij vast leuk. Hij heeft nu toch nog geen reet te doen. Kom op!’

We betraden een trappetje, liepen een stukje naar links en stonden voor het tafeltje van Thomas Rosenboom. Voor hem lagen stapels exemplaren van ‘Gewassen vlees’.

Opeens bedacht ik mij: Waar heeft deze man de laatste tien jaar eigenlijk van geleefd? Ik had destijds nog geen idee van werkbeurzen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hoe schrijvers en uitgeverijen in staat werden gesteld om te goochelen met en het schuiven van enorme bedragen aan subsidie van de Nederlandse overheid en de EU om boeken te laten vertalen in de meest obscure talen of om ergens in een luxe villa als ‘writer in residence’ te leven, business class van literair congres naar literair congres te vliegen en te bivakkeren in luxe vijfsterrenhotels. Nu weet ik beter.

‘Hoi, Thomas,’ zei Bas. ‘Mag ik je introduceren aan een vriend van mij, Peter Mabelus.’

Thomas Rosenboom, gaf me een slap handje en bleef verder stil. Hij keek wat verloren naar het omslag van zijn meesterwerk.

‘Wat vind jij van het omslag, Thomas?’ vroeg ik om conversatie te maken. Ik durfde alleen maar ‘Thomas’ tegen Thomas Rosenboom te zeggen omdat Bas dat had gedaan.

‘Eerlijk gezegd, waardeloos, maar mijn uitgever hield voet bij stuk omdat hij nog iets schuldig zou zijn aan ontwerper J. Tapperwijn en illustrator Teunn. Ik vind het omslag helemaal niks. Het lijkt wel de cover van een Bulgaarse soft porno video. Wat mij betreft heeft het niets met de inhoud van het boek te maken.’ Thomas Rosenboom keek me somber en verloren aan.

‘Het omslag is inderdaad afschuwelijk, afstotend zelfs. Het boek speelt toch in de 18e eeuw?’ vroeg ik Thomas Rosenboom. Rosenboom knikte. ‘Bas, haal jij ergens uit de winkel eens een naslagwerk van 18e eeuwse schilderkunst tevoorschijn.’ Bas knikte, draaide zich om en was binnen twee minuten terug. Al die tijd had Thomas Rosenboom beteuterd voor zich uit zitten kijken.

Ik bladerde in het grote gebonden boek met daarin 18e eeuwse schilderijen dat Bas mij overhandigd had. Binnen een minuut had ik gevonden wat ik zocht: Het was een schilderij van Cornelis Troost uit 1740 getiteld ‘De Misleyden’: de ambassadeur der Labberlotten vertoont zich voor het venster van de herberg ’t Bokki in de Haarlemmerhout.’

Kijk, Thomas. Ik heb het boek natuurlijk nog niet gelezen maar op grond van de sfeer van het boek zoals die in de recensies naar voren komt lijkt dit dynamische 18e eeuwse tafereel veel beter bij het boek te passen dan de cover van een Bulgaarse soft porno video.’ Ik liet Thomas Rosenboom de illustratie zien.

Thomas Roosenboom knikte. ‘Zal ik het boek voor je signeren, Peter?’

‘Ja, dat is goed, Thomas. Zet er maar in: ‘Voor Peter, Amsterdam, 24 februari 1994.’

Nadat Thomas Roosenboom klaar was met het signeren van mijn exemplaar van ‘Gewassen vlees’ overhandigde hij het boek aan Bas, omdat Bas bij de winkel hoorde en het boek moest afrekenen. Met Bas aangekomen bij de kassa deed Bas het boek in een bruine papieren zak en overhandigde hij mij het boek met een vette knipoog ten teken dat ik het boek niet hoefde af te rekenen. Ik draaide me om, zwaaide mijn rechterhand met daarin het gratis boek als afscheidsgroet naar Bas en verliet Boekhandel Athenaeum. Een gesigneerde eerste druk van ‘Gewassen vlees’ in mijn hand. Een mens kan het slechter treffen.

Ondanks de extreem goede kritieken deed ‘Gewassen vlees’ het niet goed. Tot groot verdriet van de uitgeverij en zonder twijfel ook Thomas Rosenboom werd het meesterwerk slechts één keer herdrukt in de eerste 18 maanden na publicatie. Zou het aan het omslag liggen? Die lelijke cover van een Bulgaarse soft porno video?

Een wonder geschiedde. Voor de derde druk werd gekozen voor een totaal andere omslag van het boek: het schilderij ‘De Misleyden’: de ambassadeur der Labberlotten vertoont zich voor het venster van de herberg ’t Bokki in de Haarlemmerhout’ van Cornelis Troost uit 1740. Alles veranderde. Vanaf de derde druk vlogen exemplaren van ‘Gewassen vlees’ de winkel uit. Het boek won de is Literatuurprijs van 1995, werd een echte bestseller en is inmiddels aan de 17e druk toe.

Was het toeval dat het nieuwe omslag dat ik voor ‘Gewassen vlees’ op 24 februari 1994 had gekozen het boek redde? Ik denk van niet. Of het Rosenboom zelf was die voor het nieuwe omslag had gelobbyd bij zijn uitgever, of Bas Senstius als inkoper met al zijn contacten, weet ik niet. Maar dat ik degene was die kwam met het idee om het schilderij van Cornelis Troost ‘De Misleyden’: de ambassadeur der Labberlotten vertoont zich voor het venster van de herberg ’t Bokki in de Haarlemmerhout’ te kiezen als het nieuwe en goede omslag van ‘Gewassen vlees’ is een feit.

Over hoe een rundvleeskroket mij in contact bracht met Donald Sutherland maar ik dat vooralsnog niet doorhad

Er moeten ooit een of meerdere runderen ergens op onze aardbol hebben rondgelopen die er geen weet van konden hebben dat een deel van hun vlees ooit terecht zou komen in een rundvleeskroket die op vrijdag 3 juni 2011 door een medewerker van de Haagse Febo, gelegen aan de zuidzijde van treinstation Holland Spoor aan de Waldorpstraat 27, in het bovenste vakje van een snackmuur gedeponeerd was en om een uur of half zes in de middag, met hulp van mij, zou worden verorberd door de grote in Canada geboren Hollywoodacteur Donald Sutherland (1935), zonder dat ik besefte dat ik te maken had met de grote ster van filmklassiekers als de satirische oorlogsfilm ‘Kelly’s Heroes’ (1970), waarin hij samen schitterde met Telly Savales en Clint Eastwood, de broeierige filmhit ‘Klute’ (1971), waarvoor Sutherland’s tegenspeelster Jane Fonda zelfs een Oscar won, of het ruim zes uur durende epos van de fenomenale Italiaanse filmregisseur Bernardo Bertolucci ‘Novecento’ (1976), waarin Donald Sutherland zo ongeveer de personificatie van het kwaad speelt, de fascist Attila Mellanchini, die uiteindelijk door een woedende menigte gelyncht wordt.

Wat had ik in Den Haag te zoeken? Ik werkte rond het jaar 2010 twee dagen in de week als beleidsmedewerker bij de Unrepresented Nations and Peoples Organization (UNPO), die gevestigd was in een statig pand aan de Javastraat. De naam van de organisatie waarvoor ik werkte zegt het al: de non-profitorganisatie UNPO vertegenwoordigde volkeren zonder eigen staat. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld de Koerden in het Midden-Oosten of de Tsjetsjenen in de Noord-Kaukasus. Vanwege de expertise die ik had opgebouwd tijdens mijn studie Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam hield ik mij bezig met volkeren zonder eigen staat in de voormalige vijftien deelrepublieken van de Sovjet-Unie. Bus 22 bracht mij in de ochtend van station Holland Spoor naar het pand van de UNPO aan de Javastraat en aan het eind van de middag terug naar station Holland Spoor.

Op die bewuste vrijdagmiddag 3 juni 2011 liep ik niet eerst naar de vestiging van de AH To Go om vier ijskoude halve literblikken Amstel Bier in te slaan om mijn eigen kleine vrijmibo in te luiden, het liefst op een eenzame stoel in een treincoupe, op weg naar Amsterdam. Alleen en verborgen in een trein zitten was voor mij belangrijk, omdat ik de bezorgde en verontwaardigde blikken wilde ontwijken van medepassagiers die mij in een moordend tempo de halve literblikken Amstel Bier achterover zagen slaan. Nee, deze middag besloot ik voor het inslaan van bier eerst vlug een bezoek te brengen aan de Febo, om mijn lege en rommelende maag te trakteren op een snack uit de muur.

Op het moment dat ik mijn munten in de gleuf van de snackmuur had gegooid en een frikandel uit het door mij geopende vakje tevoorschijn trok werd ik in het Amerikaans aangesproken door een al wat oudere man met een bril op. Hij ging gekleed in een lange donkergroene regenjas. Op zijn hoofd droeg hij een fisherman’s hat in dezelfde kleur als zijn regenjas. Omdat de man ook nog een volle grijze baard en snor droeg was van zijn gezicht eigenlijk weinig te zien.

‘Excuse me, sir, can you tell me how this works?’ vroeg de man aan mij. ‘We don’t have this in America.’

Ik moest licht grinniken omdat ik al zo vaak had gehoord dat ‘eten uit de muur’ iets typisch Nederlands was en buitenlanders op bezoek in Nederland, als zij geconfronteerd werden met dit verschijnsel, met een mengsel van argwaan en nieuwsgierigheid voor de snackmuur stonden te treuzelen voordat zij doorhadden wat zij moesten doen om een snack uit de muur te kunnen bemachtigen.

‘You have to put your money in the slot right next to the snack you want to eat and than pull the grip down so that you can take the snack out of the open compartment. After you have taken out your snack you close the compartment. That’s it.’

Ik had geen idee of al mijn Engels correct was maar beter had ik het de mij onbekende man niet uit kunnen leggen.

‘Where do you live in America?’ vroeg ik de man enige seconden later uit oprechte nieuwsgierigheid.

‘In L.A. My flight leaves 8.30 pm tonight.’

‘I’ve been to L.A. in 1993,’ zei ik. ‘Nice place. We don’t have big cities like that in the Netherlands.’

‘But you’re country has so many things the States don’t have,’ riposteerde de man. ‘Today I visited the Maurits house. It was beautiful. And how much coins do I need to get this snack?’ vroeg hij en keek met samengeknepen ogen naar het bedrag dat boven de geldgleuf vermeld stond.

‘Let me see, the rundvleeskroket will cost you 2 euros.’

‘That’s a coin right? O, I don’t think I have that with me.’

De man keek mij met een bedelende blik aan.

‘I think I have a coin for you,’ zei ik, pakte een munt van 2 euro uit mijn portemonnee en legde die op de uitgestoken handpalm van de man in het donkergroen. Voordat hij de munt in de gleuf stak keek hij nog eens onderzoekend naar de rundvleeskroket achter glas.

‘How did you say the snack is called? Runtfleececroquet?

‘Yes, that’s right, rundvleeskroket,’ zei ik.

Zonder veel moeite pakte de man de rundvleeskroket uit de snackmuur en nam een muizenhapje van de kroket.

‘Wow, that tastes very, very good,’ zei hij.

‘Great, but sorry, I have to catch my train,’ zei ik en rende naar de AH To Go om bier te halen.

Een klein kwartier later bleken we in dezelfde trein te zitten. Ik op weg naar Amsterdam Centraal, de bebaarde man in het donkergroen naar Schiphol. Ik zat op de door mij gewenste eenzame plek waar ik buiten het zicht van medepassagiers in hoog tempo mijn bier op kon drinken. De man zat schuin tegenover mij, aan de andere kant van het gangpad. In de trein hield hij zijn fisherman’s hat op zijn hoofd en was een boek beginnen te lezen, zodat hij bijna onzichtbaar was voor zijn medepassagiers. De titel en de schrijver van het boek zeiden mij niets: ‘The Hunger Games’ van ene Suzanne Collins.

Ik bekeek de man nog eens goed. Hij had iets bekends. Leek hij op een oude leraar van mij op de middelbare school? Een oude buurman? Ik had werkelijk geen idee.

Ter hoogte van Schiphol propte ik mijn tweede lege  halve literblik  Amstel Bier in het stalen prullenbakje naast mij. De man in het groen stond op om de trein te verlaten.

‘It was nice to have met you,’ zei ik tegen de man op het moment dat hij ter hoogte van mijn stoel in de rij stond om de trein te kunnen verlaten. Ietwat verstrooid keek hij me aan en zei: ‘It was nice to meet you too and thank you so much for the runtfleececroquet.’

Ik knikte beleefd terug, waarbij het gevoel dat ik deze man eerder had gezien steeds sterker werd. Die blik, die stem. Aan wie deed die man mij toch denken?

Ik denk dat we de Schipholtunnel nog niet uit waren of ik schreeuwde het bijna uit van ongeloof en verrassing. Opeens wist ik zeker wie de man was aan wie ik een rundvleeskroket had gegeven op station Holland Spoor: Donald Sutherland! De grote Donald Sutherland!

Ik overwoog een moment om bij het eerstvolgende station uit te stappen om terug te reizen naar Schiphol. Waarom zou ik dat doen? Het had geen enkele zin om terug te gaan. Donald Sutherland zou al lang in de mensenmassa verdwenen zijn.

Ik wilde honderd procent zeker weten dat ik de grote Hollywood acteur Donald Sutherland in levende lijve had ontmoet. Wat te doen? Ik dacht gelijk aan een oude studievriendin van mij die als grondstewardess voor de KLM werkte. Als zij op dat moment aan het werk was kon zij op een computer de passagierslijsten bekijken van de vluchten die om half negen die avond naar Los Angeles zouden vertrekken en zou ik zekerheid krijgen.

Ik kreeg mijn oude studievriendin snel aan de lijn. Ze bleek toevallig die middag en avond te moeten werken. Ik vertelde haar in het kort mijn verhaal, waarbij zij mij herhaaldelijk schaterlachend onderbrak (‘Haha, Donald Sutherland. Echt? Runtfleececroquet? Haha.’). Ze beloofde mij de passagierslijsten te bekijken en binnen enkele minuten terug te bellen.

‘Het klopt!’ riep ze enige minuten later enthousiast in mijn rechteroor. ‘Er vertrekt om half negen maar één toestel naar Los Angeles, de KL547 en daar zit hij op, Donald Sutherland! Je hebt hem echt ontmoet! Je hebt hem echt een runtfleececroquet gegeven, haha!’

Nadat ik mijn oude studievriendin uitgebreid bedankt had verheugde ik mij al over het feit om deze geweldige anekdote aan mijn vrouw en kinderen te kunnen vertellen. Thuis aangekomen bleek echter niemand te weten wie Donald Sutherland was. Geen enkele titel van een film waarin hij gespeeld had zei hen iets. Toen ik op de laptop foto’s van Donald Sutherland liet zien steeg er een onzeker weifelend gemompel op.

Het moet ruim een jaar later geweest zijn dat we met het hele gezin naar de première van de verfilming van Suzanne Collins’ boek ‘The Hunger Games’ gingen. Op het moment dat Donald Sutherland in beeld verscheen in zijn vertolking van de dictator President Coriolanus Snow sprong mijn zoon van 10 in de volle bioscoop op van zijn stoel en riep: ‘Kijk, pap! Donald Sutherland! Die heb jij nog een kroket gegeven!’ Geïrriteerde bioscoopbezoekers maanden mijn zoon stil te zijn. Ik keek met een glimlach naar het grote scherm voor mij en dacht: ja, het is waar. De grote dictator President Coriolanus Snow houdt wel van een runtfleececroquet.

Mijn ontmoeting met Gerard Reve

Als je geen enkel idee hebt wie de schrijver Gerard Reve (1923-2006) was, kun je dit stukje maar beter overslaan.

Wellicht reken jij jezelf tot de snel groeiende schare bewonderaars  van mijn werk;  je hebt mijn twee tot nu toe verschenen boeken, de roman ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en mijn verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) stukgelezen en kan niet wachten tot mijn tweede roman ‘John West en de gestolen Picasso’ uitkomt (eind november van dit jaar). Je bezoekt bijna dagelijks mijn website petermabelus.com om te kijken of mijn digitale literaire pretpark opnieuw verder is uitgebreid. In dat geval begrijp ik waarom je hebt besloten door te lezen.

Het werk van Gerard Reve leerde ik kennen in de vijfde klas van het VWO, in het jaar 1983. De klassieker ‘De Avonden’, die Gerard Kornelis van het Reve in 1947 bij de eerste twee drukken van het boek publiceerde onder het pseudoniem Simon van het Reve, sloeg in als een bom (Wat hebben schrijvers toch met het gebruik van een pseudoniem? Dat is toch nergens voor nodig?). Vanaf 1973 noemde Gerard Kornelis van het Reve zich Gerard Reve. Bij Koninklijk Besluit werd dit ook zijn burgerlijke naam.

De grote en grotendeels vergeten auteur Ferdinand Bordewijk (1884-1965) schreef in het ‘Utrechts Nieuwsblad’ van 29 november 1947: “De auteur wil in dit beklemmende verhaal de geestelijke nood tonen van de naoorlogse tijd, in het bijzonder van hen die in de oorlog volwassen werden”. Uit een recensie van de inmiddels totaal vergeten recensent R.R.L.M. Bromberg, die werd afgedrukt in ‘De Nieuwe Eeuw’ van 6 december 1947: “Het is als een nachtmerrie, zo beklemmend van ontgoocheling en cynisme. Jammer dat de schrijver het nodig heeft gevonden zich uiterst ordinair uit te drukken, maar misschien zijn de geestelijke nood en de onmacht der naoorlogse jeugd daarvoor aansprakelijk”. Het lijkt of ik recensies van mijn eigen boeken lees. Maar dit stukje zou gaan over mijn ontmoeting met Gerard Reve en niet over mijn boeken.

Na de publicatie van ‘De Avonden’ raakte de literaire carrière van Reve danig in het slop. Met de moed der wanhoop schreef hij nog de destijds nauwelijks opgemerkte novelle ‘Werther Nieland’ (1949). In de jaren vijftig besloot Reve zich zonder succes toe te leggen op het schrijven van proza in het Engels. Zijn ‘The Acrobat and Other Stories’ (1956) was een flop.

Reve verdiende zijn brood in de jaren vijftig onder andere als rechtbankverslaggever voor ‘Het Parool’, vertaler en werkte in Londen een tijd als verpleger in het National Hospital for Nervous Diseases.

Voor ons adolescenten, die opgroeiden in de jaren tachtig van de twintigste eeuw en van het lezen van Gerard Reve hielden, waren het vooral de twee brievenboeken ‘Op weg naar het einde’ (1963) en ‘Nader tot U’ (1966) die veel indruk maakten. Reve was inmiddels tot het katholicisme bekeerd en zwaar aan de drank geraakt. Omdat wij toen nog veel te veel tijd hadden om veel te vaak dronken te worden werd Reve voor ons een held.

Wat waren we naïef! Reve werd in 1966 in de trein naar Groningen overvallen door een delirium tremens en moest wekenlang verpleegd worden in het ziekenhuis van Assen. Gelukkig hadden we destijds geen weet van de ernst van een delirium tremens en bleven nog jarenlang stug doordrinken. Poeh, wat waren we een stelletje stoere maar vooral onwetende bohemiens.

Jaren later, op het moment dat we na onze studies de maatschappij moesten betreden, kwamen we erachter dat alcoholisme en het vervullen van een fatsoenlijke betrekking niet samengingen. De meeste van mijn vrienden lieten zich omscholen tot weekendalcoholist, een enkeling kwam terecht in een heuse afkickkliniek, wat dan weer wel als “iets stoers” werd gezien. Behalve als je steeds opnieuw moest worden opgenomen. Dat was minder stoer.

Enfin, mijn ontmoeting met Gerard Reve op zaterdag 1 december 1991 vond plaats in De Bijenkorf van Rotterdam, waar Reve die middag ter gelegenheid van het verschijnen van zijn indrukwekkende brievenbundel ‘Brieven aan mijn lijfarts’ zijn boeken zou gaan signeren. De lijfarts van Reve heeft overigens zelfmoord gepleegd door zichzelf een cocktail van citroenjenever en barbituraten toe te dienen. Maar dit terzijde.

Reve woonde al sinds begin jaren zeventig in Frankrijk en was bovendien niet dol op signeersessies. Daarom moest ik van mezelf op die koude herfstdag per spoor van Amsterdam naar Rotterdam  reizen om minimaal een maar het liefst twee handtekeningen van de Grote Schrijver te bemachtigen. Nu kon het nog. Reve naderde immers al de zeventig.

Ik had besloten om mijn exemplaar van ‘Brieven aan mijn lijfarts’ thuis te laten. Ik had een zeldzame eerste druk van Reve’s brievenboek ‘Nader tot U’ meegenomen en een negenendertigste druk van ‘De Avonden’ uit 1990.

Aangekomen op de boekenafdeling van De Bijenkorf werd duidelijk dat Reve zich zou beperken tot signeren; een interview over het nieuwe boek zat er niet in. Ik schat dat een gedisciplineerde rij mensen van een man of tweehonderd in een slingerende rij op hun beurt voor een handtekening van Reve stond te wachten. Opvallend genoeg was de meute muisstil, zodat iedereen kon meegenieten van het gekibbel tussen Gerard Reve en zijn partner Joost Schafthuizen, onder fans van Reve beter bekend als Matroos Vosch.

Reve en Matroos Vosch waren overigens beiden bloednerveus. Op het moment dat Reve zijn leesbril verkeerd om en op zijn kop op zijn hoofd plaatste en Matroos Vosch er wat van zei reageerde Reve: “Ach, zeikerd. Ik heb mezelf toch ook niet gemaakt!”

Gerard Reve beperkte zich tot het met beleid signeren van zijn werk met zijn kroontjespen; geen tijd of ruimte voor opdrachten of een aantekening van plaats en datum. Op het moment dat ik aan de beurt was om een handtekening in twee exemplaren van Reve’s werk te laten zetten, mijn eerste druk van ‘Nader tot U’ en de negenendertigste druk van ‘De Avonden’ , probeerde ik het toch: “Kunt u er misschien inzetten: ‘voor mijn broer’?” Reve keek mij kort aan en wees naar de lange rij mensen die achter mij stond met een of meer boeken van de Grote Volksschrijver in de hand: “Maar jongen, kijk toch eens hoe druk het is. Daar kan ik toch niet aan beginnen?” Ik moest genoegen nemen met Reve’s handtekening in twee van zijn meest beroemde boeken.

Op het moment dat ik klaar was met mijn missie bleef ik nog even staan kijken hoe Gerard Reve en Matroos Vosch al kibbelend de rest van de rij bewonderaars van handtekeningen voorzagen. Op de een of andere manier wist ik zeker dat ik Reve nooit meer in levende lijve zou zien. Daarna spoedde ik mij terug naar het verre Amsterdam.

In de trein op weg naar huis herlas ik ‘Nader tot U’. Het boek eindigt met een dertigtal geestelijke liederen waarvan ik er een wil citeren:

DRINKLIED AANGAANDE HET LEVEN OP AARDE

Alles is op, zelfs drank waar ik niet eens van houd.

Maar alles heeft zijn voor en tegen.

Zodoende zit ik wel vol moed:

Al hebt Gij mij verworpen en verstoken van Uw Licht,

Ik ga gewoon door, of er niks aan de hand is.

Mijn verhaal ‘De dood van een schrijver’ staat op de longlist van de maandelijkse schrijfwedstrijd ‘Verhaal van de maand’

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, baard
De grote Russische schrijver Fjodor Dostojevski op zijn sterfbed.

Voorlopige longlist september 2020

Beste schrijver, hieronder vind je de voorlopige longlist voor september 2020.

Alle verhalen ingestuurd vóór 28 september zijn gelezen. De rest volgt zo spoedig mogelijk.

Sta je er deze keer niet op? Laat dat je absoluut niet tegenhouden om door te gaan met schrijven. Bedenk dat juryleden ook maar mensen zijn, met elk hun eigen smaak en interesse.

Deze maand zijn voor het eerst de verhalen volledig anoniem gelezen. Dat wil zeggen dat de juryleden geen informatie hadden over de schrijver noch wisten wat de andere juryleden erover dachten.

Dan nu de longlist:

Mandy de Waal – De wolken

Peter Mabelus – De dood van een schrijver

Annemarie Steenbergen – Nachtwake

Iris van den Heuvel – Tot weerziens

Karin van der Raad – Journaal

Hans van Dijck – Antropoloog zonder missie

Ben Dekkers – Al vertrokken

Noortje Russel – De toorn van de herfst

Conny Hoogendoorn – Tot de maan

Anke Verbraak – Zoektocht naar Agnes

Stef Smulders – Woensdag Gehaktdag

Dick Geurts – Gevaren

Julia Burggraaf – Zwarte vlinders

Mick Harte – De Dame in het Park

Yoica Van Den Bremt – Easy L

Inge Bevers – Een vertraagd leven

Peter Jamin – Nieuwe buren

Trudy Pas – Buiten de lijntjes

Danique van der Rijt de Ridder – Het einde van Tula

Faridee de Boer – Stilleven van Vrede

Annette E. Baylé – September

Mijn ontmoeting met Willem Frederik Hermans

Willem Fredrik Hermans (1921-1995) wordt samen met Harry Mulisch (1927-2010) en Gerard Reve (1923-2006) tot de drie grootste Nederlandse literatoren van de twintigste eeuw gerekend. Deze classificatie lijkt me in hoge mate arbitrair. Volgens mij hoort ook Jan Wolkers (1925-2007) in het rijtje ‘beste schrijvers van de twintigste eeuw’ thuis. Soit.

Over mijn ontmoeting met Harry Mulisch, tijdens de signeersessie die plaatsvond in boekhandel Scheltema aan het Koningsplein te Amsterdam op 23 maart 2001, ter gelegenheid van het verschijnen van, wat naar later bleek, zijn laatste roman ‘Siegfried’ (de laatste zin van het boek luidt: “Daarna niets meer”) schreef ik al eens een stukje op mijn website petermabelus.com: ‘Een handtekening van Harry Mulisch’, 16 maart 2018.

Mijn ontmoeting met Jan Wolkers, na een lezing op zaterdag 27 maart 1992 in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, die destijds nog gevestigd was in een statig pand aan de Prinsengracht, wordt beschreven in ‘Gestolen goed gedijt prima’, 12 maart 2018.

Over mijn ontmoeting met Gerard Reve in De Bijenkorf in Rotterdam, tijdens de signeersessie op zaterdag 1 december 1991, ter gelegenheid van de publicatie van zijn brievenbundel ‘Brieven aan mijn lijfarts’ ga ik nog eens een stukje schrijven.

Dat laatste geldt ook voor het telefoongesprek dat ik in de lente van 1983 met Jan Wolkers voerde naar aanleiding van een werkstuk voor het vak Nederlands. Genoeg te doen.

Dit stukje gaat over mijn ontmoeting met Willem Fredrik Hermans, die na afloop van de presentatie van zijn in opdracht van De Bijenkorf geschreven prulwerkje van een pagina of veertig ‘De liefde tussen mens en kat’, op 21 april 1985 acte de présence gaf op de boekenafdeling van het aan de Dam in Amsterdam gevestigde warenhuis. Na een interview, door iemand die ik mij niet meer kan herinneren, zou het talrijk aanwezige publiek in staat gesteld worden om een boek door de grote Willem Frederik Hermans te laten signeren. Dat laatste zou niet eenvoudig zijn; Hermans zat achter een tafeltje dat met stalen dranghekken was afgeschermd. Minimaal vijf politieagenten moesten ervoor zorgen dat de signeersessie ordentelijk zou verlopen.

De vraag rijst natuurlijk waarom Hermans kon rekenen op de komst van zo veel enthousiaste liefhebbers van zijn boeken. Er zijn diverse redenen te noemen waarom een signeersessie van Hermans anders was dan die van een andere grote Nederlandse schrijver.

In willekeurige volgorde: Hermans was de schrijver van een zeer divers en omvangrijk oeuvre dat onder meer de meesterlijke romans ‘Ik heb altijd gelijk’ (1951), het door Fons Rademakers verfilmde ‘De donkere kamer van Damocles’ (1958) en ‘Nooit meer slapen’ (1966) omvatte;

Hermans was in veel opzichten een omstreden schrijver. Zo zou hij op zijn zachtst gezegd er de kantjes vanaf hebben afgelopen tijdens het uitvoeren van zijn baan als lector aan de Universiteit Groningen, nadat hij in 1955 cum laude de graad van doctor in de wis- en natuurkunde (fysische geografie) had behaald. Hermans was zelden op de universiteit te vinden, omdat hij het veel te druk had met het bouwen aan zijn omvangrijke oeuvre. Alleen God had een fulltime baan aan de universiteit kunnen combineren de literaire productie van Hermans. Zijn functioneren werd zelfs onderwerp van een officieel onderzoek, dat hem overigens vrijpleitte van plichtsverzuim.

Hermans was de Groningse grond toch te heet onder de voeten geworden en vertrok naar Parijs, om zich daar als fulltime schrijver te vestigen. Hermans liet zich na zijn verhuizing naar Parijs in 1973 niet vaak meer zien in het door hem geminachte kikkerlandje;

Als enige Nederlandse schrijver hield Hermans zich niet aan de culturele boycot van het racistische Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Tijdens zijn bezoek aan Zuid-Afrika in 1983 liet hij zich uitgebreid fêteren door de ‘foute’ vertegenwoordigers van het destijds meest racistische land ter wereld. Dit werd hem door de culturele elite van het altijd zo politiek correcte Nederland niet in dank afgenomen.

Willem Frederik Hermans schijnt een chagrijn van de zuiverste soort te zijn geweest. Zo ongeveer alles kon zijn verschrikkelijke toorn opwekken en hij was dan ook een gevreesd columnist en polemist.

Vrienden schijnt Hermans nauwelijks te hebben gehad, vijanden maakte hij des te meer. Voor de grap had Gerard Reve het ooit over “de vijf stinkende logeerkamers van Hermans”, waar roestbruin water uit de kranen zou stromen, omdat die kranen zelden of nooit gebruikt werden.

Hermans rookte zijn hele leven als een schoorsteen. Zijn levenslange tabaksverslaving zorgde ervoor dat hij na zijn vijftigste levensjaar tijdens interviews meer aan het hoesten, proesten en rochelen was dan aan het praten. Het mag dan ook geen wonder heten dat hij aan een agressieve vorm van longkanker overleden is. Als ik een cynicus was geweest had ik het ironisch gevonden dat zijn tot as getransformeerde lichaam verstrooid werd op een anoniem grasveld van crematorium Daelwijck te Utrecht.

U begrijpt dat mijn ontmoeting met Willem Frederik Hermans weinig voor heeft kunnen stellen, in een setting die meer weg had van een uit de hand gelopen demonstratie bij een obscure Oostblokambassade dan een fatsoenlijke signeersessie in een chique warenhuis.

Vooruit dan maar, mijn ontmoeting met Willem Fredrik Hermans: de grote stapels van het flutboekje ‘De liefde tussen mens en kat’ waren door de vele Hermansfans, die voor mij in het gedrang stonden, allemaal weggegrist. Het boekje kostte destijds maar 3 gulden en 50 cent (voor de jonge lezers onder ons: 3 gulden en 50 cent in 1985 komt overeen met ongeveer 1 euro en 69 eurocent in 2020), zodat al die fans van Willem Frederik Hermans voor nog geen 2 euro in het bezit kwamen van de handtekening van de grote schrijver. Zo konden ze een echte gesigneerde Hermans in hun boekenkast zetten, tussen de cadeau gekregen boekjes van familie, vrienden, collega’s en kennissen, een enkel gratis Boekenweekgeschenk en de toevallig ook gratis geleverde Telefoongids.

In alle rust vond dat signeren van Hermans zoals eerder gezegd niet plaats. Terwijl de politieagenten de opdringerige massa op gepaste afstand probeerden te houden, nam een medewerker van De Bijenkorf vanachter de stalen dranghekken een boek van een willekeurige handtekeningenjager aan, schoof het boek snel, en al onderweg opengevouwen bij het titelblad, over de tafel waarachter Hermans zat, onder zijn met in de hoogte gehouden vulpen gevulde rechterhand, waarna Hermans als in een bliksemschicht zijn handtekening in het boek zette. En door. Geen opdracht, plaats of datum. Dit was massaproductie waar een lopende band jaloers op zou zijn.

Heeft de grote schrijver mij ook maar een moment in de ogen gekeken? Ik zou liegen als ik ‘ja’ zou zeggen. Misschien was zijn norse blik een ogenblik op mij als storend object in een zwerm storende objecten gericht. Misschien heb ik hem een moment aangekeken als een dode haring die door de verzorger van een dierentuin in de bek van een hongerige walrus wordt gegooid. Eerlijk gezegd weet ik het niet meer en daar ben ik niet rouwig om. Vroeger is dood.

Ik had ‘pech’. Nu alle exemplaren van het prulwerkje ‘De liefde tussen mens en kat’ verdwenen waren moest ik als relatief arme student een duur boek van Hermans van een stapel zien te grissen en een ogenblik onder de neus van Hermans zien te krijgen. Het lukte. Hermans zette binnen 1,2 seconden zijn handtekening in ‘mijn’ boek.

Opgelucht vocht ik mij een weg naar de kassa van de boekenafdeling, want met al die politie in de buurt fluitend met de roltrap naar beneden gaan zonder te betalen zat er die avond niet in. Bij de kassa zag ik pas dat ik de achtste druk uit november 1981 van de in november 1967 verschenen verhalenbundel ‘Een wonderkind of een total loss’ in mijn handen hield.

Thuis aangekomen las ik het boek in één ruk uit. Vooral het titelverhaal ‘Een wonderkind of een total loss’ kon mij bekoren. Op en top Hermans waren de laatste zes woorden van het boek: “Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie”.

Alle dagen feest, indien mogelijk in het leven

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, zittende mensen en binnen

We studeerden fulltime Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Dat betekende in de praktijk dat we per week maximaal 12 uur naar college dienden te gaan. De volle twaalf uur college haalden we zelden.

Hoe brachten we onze tijd door? We sportten veel, voetbal en hardlopen langs de Amstel of in het Amsterdamse Bos, lazen een boek of twee per week en gingen veel uit; meestal eerst naar de bioscoop, daarna het café in, op zoek naar dronkenschap en onenightstands.

“We” waren Bram Schaarman (of heette hij Schareman?), Harry Somsen, Andre Krijger en ik. Na het beëindigen van mijn studie verloor ik hen al snel uit het oog. Niet zo vreemd, als je nagaat dat de liefde mij in de jaren negentig naar Bulgarije bracht. Jaren later kon ik twee van mijn oude studievrienden op Facebook vinden. Twee van hen bleken dik, oud, kaal en lelijk geworden en werkten respectievelijk als systeembeheerder bij een woningbouwvereniging in Meppel en als assistent-projectmanager voor de gemeente Beverwijk. Mijn derde studievriend was nergens op het internet te vinden. Was hij ergens in de tijd gestorven? Geen idee. De dood kan de beste overkomen.

Begin maart 1985 las ik op een poster in de stad dat de schrijver en dichter Remco Campert 14 maart 1985 in De Bijenkorf te Amsterdam geïnterviewd zou worden op de boekenafdeling van het warenhuis en dat er daarna gelegenheid zou zijn om een boek te laten signeren door de schrijver. Onder veel studenten in de jaren tachtig had Campert, dankzij romans als ‘Het gangstermeisje’ en ‘Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland’ de status van cultschrijver en bohemien. Om Campert in het echt te mogen zien en vervolgens het pand te verlaten met een boek van de meester, inclusief handtekening en opdracht, was een happening die wij niet wilden overslaan. Bram en ik besloten naar de signeersessie van Campert in De Bijenkorf te gaan. Geen idee waarom Harry en Andre niet meegingen. De tijd verwoest veel herinneringen.

Remco Campert toonde zich tijdens het goed bezochte interview in De Bijenkorf nerveus en tobberig. Hij rookte als een ketter en dronk schielijk bier, glas na glas, waarbij zijn handen en vingers hevig trilden. Zijn lippen en voorhoofd waren nat, zijn blik was gejaagd, zijn gezicht kleurde roze. Het leek me sterk dat deze man de zestig zou halen.

Toen ik een klein half uur later aan de beurt was om de verzamelbundel ‘Campert Compleet’ door Remco Campert te laten signeren vroeg hij “of ik er iets in wilde”. Ik haalde verlegen mijn schouders op en zei niets. Oog in oog met de groten der aarde verval ik nog steeds vaak in de rol van stotterende bakvis. Campert voorzag de Franse pagina van het boek van handtekening, plaats en datum, overhandigde mij het boek en ging door naar de volgende persoon in de rij, Bram Schaarman (of Schareman). ‘Wil je er iets in?’ vroeg Remco Campert nu ook aan Bram. ‘Ja, dat is goed,’ zei Bram en Remco Campert sloeg ‘Campert Compleet’ ergens aan het begin van het boek open. ‘Alle dagen feest’ stond er op de pagina (de titel van een verhalenbundel van Campert uit 1955). Remco Campert schreef schijnbaar zonder nadenken of pauze in zijn handelingen onder: ‘Alle dagen feest’: “Indien mogelijk in het leven”. Daaronder schreef Remco Campert zijn naam, de datum en de locatie in Bram’s exemplaar van ‘Campert Compleet’.

Ik was jaloers op Bram. Hij wel een opdracht en ik niet. Alsof Bram of Remco Campert daar schuldig aan waren. De schuldige was ik.

Remco Campert. Hij leeft nog lang en gelukkig.

Corona gunt mij voorlopig geen boekpublicatie of boekpresentatie

Mijn derde boek in drie jaar ‘John West en de gestolen Picasso’ is af. Na de spannende roman ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en de verhalenbundel met als thema liefde in al zijn facetten ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) moest mijn nieuwe roman mijn boek van 2020 worden.

Mijn ambitie is en was om elk jaar een nieuw boek te produceren. Die ambitie is zo ver doorgeschoten dat een roman voor 2021 ‘De Straf van Veger’ en een verhalenbundel ‘Wraak en vergeving’ voor 2022 al af zijn.

Beter te vroeg dan te laat, moet ik al die tijd gedacht hebben. En dat terwijl ik weet dat elke goede schrijver er geen enkele moeite mee heeft om een nieuw boek soms jaren op zich te laten wachten. Maar ik ben ik en zij zijn zij. Ik ben nu nog een relatief anonieme schrijver met een enorme eerzucht en geldingsdrang. Ik heb haast en ambitie.

 De boekpresentaties van mijn eerste twee boeken waren een echt feestje met muziek, interview, signeersessie en een berg borrels achteraf. Iedereen ging vrolijk en tevreden met mijn nieuwe boek onder de arm naar huis (voor wie het leuk vindt: mijn boekpresentaties zijn in hun geheel te bekijken via mijn website petermabelus.com en YouTube).

Sommige vrienden, fans en kennissen  hebben mij verteld dat ze nog steeds geen tijd hebben gehad om ‘Kathmandu Hipsters’ te lezen. Andere kopers van mijn boek hebben het boek na het lezen uitgeleend aan hun kinderen of de buurvrouw en de oom van de nicht van de buurman en die sturen mij na het lezen soms ontroerende mailtjes, appjes, praten mij plotseling aan op straat over het boek, etc.

Nu heb ik geen enkel idee wanneer en waar ik ‘John West en de gestolen Picasso’ kan laten lanceren en ben ik door omstandigheden gedwongen om de publicatiedatum van mijn nieuwe roman waarschijnlijk te verschuiven naar 2021.

Ik mis nu het vooruitzicht van de boekpresentatie van ‘John West en de gestolen Picasso’. Ik mis jullie, die daar zeker bij zouden zijn. Ik mis mijn lezers. Ik mis de mensen die van mij houden.

Voorproefje van een proeflezer?:

Leesverslag ‘John West en de gestolen Picasso’

John West is een kettingrokende detective die liever schrijver had willen zijn. Hij houdt van beeldhouwen met taal.

In een tijd waarin korte, leesbare zinnen hoogtij vieren, is het een verademing om zinnen te lezen, waarin je weer eens je tanden kunt zetten. Zinnen die je af en toe snel herleest om te checken of je alles eruit hebt gehaald wat er stond.

Door de herhaling bij elk nieuw hoofdstuk van de slotsituatie van het vorige wekt het boek de indruk dat het een soort feuilleton is. Zelf vind ik dat niet storend en het doet niets af aan het verhaal.

Nu wil ik niet de indruk wekken dat het alleen maar lange zinnen souperen is. In het boek zit genoeg humor verwerkt die je hardop laat gniffelen. Zoals het googelen naar zijn naam en dan alleen maar zalmadvertenties vinden. Ook het stuk bij de bunker van Hitler waarin twee personen een dialoog moeten faken en dan maar de tafels van 6 en 7 gaan opzeggen. Of de bovenbuurjongen die met zijn gameverslaving, zonder koptelefoon op volle sterkte mitrailleurgeluiden de straat laat inrollen. En bij de begeleiding met tamboerijn en sambaballen bij für Elise zag ik dat in gedachten al voor me en de scene op Schiphol is ronduit hilarisch, om er maar een paar te noemen.

De stijl van de schrijver is anders dan wat je gewend bent – en dat bedoel ik als een compliment. Je moet in het begin even erachter komen wie de hoofdpersonen zijn, maar dat lukt snel genoeg. Ik heb van het begin tot het einde zeer genoten van dit hoogst originele verhaal. Vanwege de reclame voor het boek Kathmandu Hipsters kreeg ik overigens wel door welke schrijver het betreft.

Natuurlijk is het over the top, maar wel lekker over the top. Wat mij betreft zit er voldoende spanning in, het verhaal racet in volle vaart van de ene naar de andere gebeurtenis. Je krijgt amper de tijd om adem te halen. Persoonlijk houd ik daarvan, maar dat is subjectief.

De karakters komen wat mij betreft tot leven en het verhaal is ondanks af en toe een zij-uitstapje goed te volgen.

Hoe ik oog in oog kwam te staan met Hollywood acteur Dennis Hopper

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, close-up

In een eerder stukje op mijn website petermabelus.com schreef ik laatst over hoe ik ongeveer dertig jaar geleden in de hoedanigheid van mijn bijbaan als beveiligingsbeambte in de passagiersbeveiliging op Schiphol een heftige en hilarische ontmoeting had met de ons zo kortgeleden ontvallen kardinaal Simonis.

Het zou vreemd zijn als ik in mijn jaren als beveiligingsbeambte niet meer ‘ontmoetingen’ met bekende mensen op onze internationale luchthaven zou hebben gehad. Ik kan u dan ook verzekeren dat het aantal beroemde en minder beroemde mensen dat ik in die tijd door mijn handen heb moet laten gaan groot is. Deze keer wil ik het hebben over mijn ontmoeting met de beroemde Amerikaanse filmster, regisseur en beeldend kunstenaar Dennis Hopper (1936-2010).

Mijn ontmoeting met Dennis Hopper vond om een uur of vijf in de middag van 7 november 1997 plaats tijdens de ‘security check’ van een KLM vlucht naar Los Angeles. De reden dat ik de precieze datum weet van de ontmoeting is het feit dat Dennis Hopper een dag eerder in Rotterdam Ahoy de ‘Free Your Mind Award’ mocht overhandigen aan zanger Bono Vox van U2 voordat zijn band het nummer ‘Mofo’ ten gehore ging brengen. Ik keek in die jaren al zeer sporadisch naar de televisie, maar had de avond tevoren toevallig thuis naar de live-uitzending van de 1997 MTV Europe Music Awards op de televisie gekeken.

Je moet niet denken dat ik het geheugen van een olifant heb. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden en heb slechts een beperkt fotografisch geheugen; de feitjes in de derde alinea zijn gemakkelijk te vinden op het internet.

De zevende november 1997 stonden er meer beroemdheden in de rij voor de vlucht naar Los Angeles. Zo herinner ik mij dat de op dat moment wereldberoemde jongensband Hanson, beroemd van de wereldhit ‘MMMBop’ zich onder de passagiers bevond. Op het moment dat de destijds 11-jarige, en door zijn lange blonde meisjeshaar en jonge leeftijd androgyn ogende drummer en zanger van de band, Zac Hanson, zonder te piepen door het poortje kwam huppelen, fluisterde een collega mij schertsend in het oor: “moet je kijken, wat een lekker wijf”. Maar ik dwaal af, ik zou het over mijn ontmoeting met Hollywood acteur Dennis Hopper hebben.

Van welke films kende ik de acteur Dennis Hopper? Van de vele films waarin ik hem heb mogen zien spelen denk ik als eerste aan het viertal ‘Rebel Without a Cause’ (1955), ‘Easy Rider’ (1969), ‘Apocalypse Now’ (1979) en ‘Blue Velvet’ (1986).

Omdat ik geen idee meer heb welke van de films met Dennis Hopper ik ooit als eerste heb gezien wil ik het over twee films hebben, die mij elk om hun eigen karakter altijd zijn blijven fascineren:  ‘Rebel Without a Cause’ (1955) en ‘Easy Rider’ (1969).

‘Rebel Without a Cause’, is een van de slechts drie speelfilms waarin de op 24-jarige leeftijd verongelukte James Dean te zien is en waarschijnlijk ook de meest bekende en populairste van de drie. James Dean overleed overigens een maand voor de première van ‘Rebel Without a Cause’, maar waar het mij bij deze film vooral om gaat is het feit dat de toen 19-jarige Dennis Hopper, dankzij zijn vriend en mentor James Dean, mocht debuteren als filmacteur in een klein bijrolletje. Hij speelt het personage ‘Goon’ en kreeg in de film maar een paar regels tekst. Ik moet zeggen dat ik de film al een paar keer had gezien voordat ik hoorde dat het kleine magere blonde ventje dat ‘Goon’ speelt de enige echte Dennis Hopper is.

In mijn wilde tienerjaren, die zich afspeelden aan het begin van de jaren tachtig, had ik net als veel leeftijdsgenoten een mateloze fascinatie voor de jaren zestig, die vlak achter ons lagen, maar waar we in ‘real time’ geen bal van hadden meegemaakt. De jaren zestig leken ons heel wat swingender, spannender en vrolijker dan de sombere sfeer die rond 1980 in de lucht hing.

Eén van de films die in mijn ogen de sfeer van het einde van de jaren zestig perfect verbeeldde was ‘Easy Rider’ uit 1969, een road movie in de meest zuivere zin van het woord. Twee motorrijders, gespeeld door Dennis Hopper en Peter Fonda (1940-2019) rijden van de Rocky Mountains naar New Orleans om ‘Mardi Gras’, het carnaval van New Oreans, te vieren. Onderweg pikken ze een passagier op, de tot dan toe nog onbekende Jack Nicholson, die in de film de rol van de alcoholische advocaat George Hanson speelt (Hanson? Waar heb ik die naam eerder gehoord?). ‘Easy Rider’ zou de doorbraak van Jack Nicholson betekenen en leverde hem zijn eerste Oscar nominatie op; in dit geval voor ‘beste mannelijke bijrol’.

‘Easy Rider’ is om meer dan één reden legendarisch te noemen. Dennis Hopper had zichzelf door zijn destijds in Hollywood beruchte wangedrag, veroorzaakt door het epische gebruik van drank en drugs in alle kleuren van de regenboog, onmogelijk gemaakt, niemand wilde nog met hem werken, en besloot daarom zelf een film te maken met het ook voor die tijd belachelijk lage budget van 400.000 dollar. Het script van de film (21 pagina’s tekst, de acteurs zouden de rest van de tekst tijdens de opnamen van de film al improviserend produceren) schreef hij samen met vriend en co-acteur en een ander enfant terrible van Hollywood Peter Fonda. Dennis Hopper regisseerde de film.

De film werd een enorm succes. Naast de Oscar nominatie voor Jack Nicholson ontving Dennis Hopper de ‘Prix de la première œuvre’ tijdens het Filmfestival van Cannes van 1969. De film bracht uiteindelijk meer dan 60 miljoen dollar op.

Op 7 november 1997, het was een uur of vijf in de middag, was ik gefascineerd door het feit de Hollywoodster Dennis Hopper van zo dichtbij, ‘in het echt’, te mogen zien. Ik was helemaal niet bezig met het idee of ik hem wel of niet zou moeten fouilleren. Al speelt Dennis Hopper in menige film de grote boef, of soms zelfs de verpersoonlijking van het kwaad, ik begreep vanzelfsprekend dat acteur en personage niet een en dezelfde zijn en hoefde daarom niet bang te zijn dat Dennis Hopper de vlucht naar Los Angeles zou gaan kapen. Alhoewel?

Op het moment dat Dennis Hopper een meter van het detectiepoortje verwijderd was, keek hij mij recht in de ogen aan, zei: “Just a moment”, stak zijn linkerhand in de rechterbinnenzak van zijn colbert (ik schrok niet) en toverde triomfantelijk een zwarte metalen brillenkoker tevoorschijn, legde die op het metalen plankje naast het detectiepoortje en stapte zonder een piepend geluid te produceren door het poortje. Aangezien ik wilde laten zien dat ik mijn werk professioneel en zonder aanziens des persoons uitvoerde nam ik de brillenkoker van het plankje en opende die om te kijken of er geen wapen in verstopt zat. Je begrijpt dat ik niet verbaasd was in de brillenkoker van Dennis Hopper een leesbril aan te treffen.

Ik klapte de brillenkoker teder dicht en overhandigde die onder het uitspreken van de woorden “There you go” aan de man die in zijn leven onder vele andere handen de handen van James Dean, Jack Nicholson en mijn allergrootse held van het witte doek aller tijden Marlon Brando had mogen schudden.

Heel kinderachtig zorgde ik ervoor dat de vingers van mijn rechterhand de hand van Dennis Hopper vluchtig aanraakten. Dichter bij mijn held Marlon Brando heb ik in mijn leven niet kunnen komen. “Thanks, man,” zei Dennis Hopper tegen mij, vlak voordat hij voor altijd uit mijn leven zou verdwijnen en in de richting van de aviobrug liep. Ik bleef Dennis Hopper nakijken totdat hij in de aviobrug verdwenen was en besefte dat Dennis Hopper niet mij, maar ik Dennis Hopper had moeten bedanken. Ik had echter geen tijd om verder te mijmeren. Ik hoorde het detectiepoortje achter mij piepen en op het moment dat ik mij omdraaide stond ik oog in oog met Michael Jackson.

Wereldberoemd in Bulgarije

UK Bulgaria Road Freight 2020 | 20/40f Container to Sofia

In de jaren negentig was ik wereldberoemd in Bulgarije, als schrijver en als wielrenner. Tijdens het afronden van mijn studie Russisch aan de Universiteit van Amsterdam aan het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd ik in Amsterdam verliefd op een prachtige studente kunstgeschiedenis uit Bulgarije, die hier niet met naam en toenaam genoemd wil worden omdat ze inmiddels een hoge functie in de Bulgaarse regering bekleedt. We werden smoorverliefd op elkaar en besloten samen een nieuw leven te beginnen in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. Mijn vriendin werd conservator in het grootse en meest prestigieuze museum van Sofia, het Nationaal Historisch Museum, ‘Национален исторически музей’ in het Bulgaars. Ik besloot mij bezig te gaan houden met mijn uit de hand gelopen hobby: schrijven.

Elke ochtend stonden mijn vriendin en ik om zes uur op. Na ons gezamenlijke ontbijt vertrok mijn vriendin naar het Nationaal Historisch Museum en toog ik aan het schrijven. Als ik na een paar uurtjes geen zin of inspiratie had om verder te schrijven sprong ik op mijn racefiets om lange tochten te maken door de heuvelachtige omgeving van Sofia. Al snel werd ik tijdens mijn fietstochten opgemerkt door de ploegleider van een professionele Bulgaarse wielerformatie. Tegen een riant salaris werd ik achtereenvolgens gepromoveerd van waterdrager tot eerste luitenant en ten slotte tot kopman van het team dat jaarlijks de winnaar van De Ronde van Bulgarije leverde. Ik werd een nationale bekendheid in Bulgarije en dit feit opende vanzelfsprekend diverse deuren voor mij.

Op een mooie winterdag aan het begin van 1996 werd ik benaderd door de legendarische flamboyante Bulgaarse uitgever Pjotr Beredin, de baas van de prestigieuze uitgeverij Bagri Publishing House, die in het oude centrum van de hoofdstad Sofia gevestigd was. Hem was ter ore gekomen dat ik niet onverdienstelijk kon schrijven. Had ik geen manuscript liggen dat zo ongeveer af was? Zou het geen idee zijn om dit manuscript in het Bulgaars te laten vertalen en op de Bulgaarse markt te brengen. Mijn naamsbekendheid als sympathieke wielrenner was in Bulgarije inmiddels zo groot dat literair succes verzekerd zou zijn.

Ik legde in die tijd de laatste hand aan mijn eerste roman ‘De Straf van Veger’, een boek dat ik meer als een grap dan als een serieus bedoeld literair werk beschouwde. Na voltooiing van het manuscript stuurde ik het resultaat naar Pjotr Beredin. Hij liet het door een team van vier zeer getalenteerde jonge vertaalsters binnen een maand in het Bulgaars vertalen en was na lezing zeer enthousiast. Hij noemde het boek “een meesterwerk van internationale allure dat zonder twijfel alle Bulgaarse verkooprecords zal gaan verbreken”. Zelf was ik voorzichtiger: ik vond het vooral een eer om een boek van mijn hand in de boekwinkel te hebben liggen, ook al was het op dat moment slechts een Bulgaarse boekwinkel.

Mijn vriendin las de Bulgaarse vertaling van ‘De Straf van Veger’ en distantieerde zich van het boek omdat het haar inziens “te misogyn van karakter is”. Haar afkeuring van mijn literaire debuut zou het begin zijn van het tragische en snelle einde van onze relatie. Een relatie die ik tot dan toe als ronduit sprookjesachtig had beschouwd.

Mijn Bulgaarse debuutroman ‘Наказанието на Вегер’, (in het Nederlands ‘De Straf van Veger’) verscheen op 20 juni 1996 en werd een enorm verkoopsucces. Ik werd uitgenodigd in tal van talkshows en de lezingen die ik door het land hield om mijn boek te promoten werden druk bezocht. In de Bulgaarse pers werd gesproken van “Mabelusmania”, omdat net als destijds bij The Beatles hysterische fans van mijn boek en persoon tijdens de lezingen het podium bestormden, lokken van mijn haar afknipten en hun weg vonden naar het bed van mijn altijd luxe hotelkamer.

In totaal zijn er in de bijna vijfentwintig jaar die verstreken zijn sinds het verschijnen van mijn Bulgaarse debuut in 1996 ruim een miljoen exemplaren van het boek gedrukt. In een land met zeven miljoen inwoners betekent dit dat één op de zeven Bulgaren in het bezit is van ‘De Straf van Veger’, oftewel veertien procent van de totale Bulgaarse bevolking, zuigelingen en dementen meegerekend. Een percentage waar geen enkele Nederlandse schrijver in Nederland, laat staan daarbuiten, aan kan tippen.

Vergeleken met de verkoopcijfers van mijn eersteling in Bulgarije kan zelfs een boek als ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun, met een oplage van 1,3 miljoen verkochte exemplaren in Nederland, een land met ruim zeventien miljoen inwoners, als een matig verkoopsucces gekwalificeerd worden.

Na het grote succes van mijn in Nederland verschenen boeken, de literaire thriller ‘Kathmandu Hipsters’ (2018) en de verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ (2019) verschijnt in november dit jaar mijn tweede literaire thriller ‘John West en de gestolen Picasso’. Mijn uitgever, die haar kassa graag luid laat rinkelen, heeft het idee opgevat om volgend jaar, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van ‘De Straf van Veger’, mijn Bulgaarse roman eindelijk in het Nederlands uit te geven.

Nu ik al enkele jaren van de publicatie van mijn boeken kan leven spreek ik de hoop uit dat de Nederlandse vertaling van ‘Наказанието на Вегер’, ‘De Straf van Veger’ ook in Nederland en wellicht daarbuiten een succes wordt. Dat daarbij de Bulgaarse toestanden die mij en het boek in Bulgarije hebben vergezeld niet geëvenaard zullen worden lijkt me evident en wenselijk.