
Max Pam vandaag (16 april 2025) in de Volkskrant:
Sinds enige tijd loopt op de zondagmorgen door mijn straat een man die accordeon speelt. Hij speelt een weemoedig lied, hoewel hij er niet bij zingt. Als ik de vitrage openschuif, zie ik een armoedig geklede figuur, vermoedelijk afkomstig uit een Oost-Europees land. Ik heb de neiging hem achterna te rennen en een tientje (of nog liever een goudstuk) in de hand te drukken, maar ik ben nog niet aangekleed en hij is al bijna de straat weer uit. Ik neem me voor het klaar te leggen voor de volgende keer.
De man doet me denken aan de orgelman uit mijn jeugd. Die ging op zondagmorgen langs de deuren met een koperen centenbak, terwijl zijn compagnon beneden in de straat aan het orgel draaide. Mijn ouders hadden het dubbeltje bij de deur klaargelegd. Zo heb ik geleerd dat je altijd wat aan de orgelman moet geven, maar daar is later toch de klad in gekomen. Opeens werden veel orgels voorzien van een motortje, zodat de orgeldraaiers niet meer hoefden te draaien en konden volstaan met het rinkelen met de centenbak. In mijn hart moet ik gevonden hebben dat ik geen value for money meer kreeg en steeds vaker ben ik doorgelopen zonder af te rekenen. Ik vrees ook het moment dat de orgeldraaier een pinapparaat voor mijn neus zal houden.
Het draaiorgel werd het pierement genoemd. Het was een uiting van volksmuziek, maar vreemd genoeg is dat voorbijgegaan toen ook Gerard Joling in het repertoire werd opgenomen. Op een gegeven moment had ik het gevoel dat de Amsterdamse orgeldraaiers Bulgaren waren, net als veel glazenwassers.
Van mijn leven heb ik 75 jaar in Amsterdam gewoond. Ik ken bijna alle uithoeken van de stad – behalve dan die nieuwbouwwijken in Noord – en er is meer veranderd dan de orgeldraaiers. Amsterdam is een gevaarlijke stad geworden en dat komt niet alleen door de toegenomen criminaliteit, die met 1½ moord gemiddeld per maand nog meevalt.
Ik denk vooral aan het verkeer. Amsterdam is van een fietsstad in een racestad veranderd. Zorgeloos trappen op een gewone fiets is er niet meer bij. Scooters, elektrische fietsen, fatbikes, enzovoort scheuren je gemotoriseerd voorbij op het fietspad, waarbij ze met bellen en claxons luid kenbaar maken dat ze jou op de vierkante centimeter willen passeren. Het Amsterdamse fietspad is beslist geen value for money en op mijn ouwe dag mag ik van geluk spreken als ik heelhuids thuiskom. En dan heb ik het nog niet over al die fietsers die met hun telefoon in de hand drukke kruispunten oversteken en tegen je beginnen te schelden als je niet snel genoeg opzijgaat. Ik heb nog nooit gezien dat zo’n wegpiraat werd aangehouden en bekeurd, terwijl de gemeente daarvan pas echt rijk zou worden.
Mag ik nog even doorrazen? In Het Parool wijst Sylvia Witteman op het weerzinwekkende geklaag van veel Amsterdamse restaurants dat hun klanten niet genoeg uitgeven. Voorgerechtjes worden gedeeld, aan een tafel van vijf personen wordt voor vier besteld omdat opa erbij is en ‘die eet niet zoveel’, verliefde paartjes blijven te lang zitten op één consumptie en soms moet je zelfs een supplement van 5 euro betalen als je een voorgerecht als hoofdgerecht bestelt.
Dit alles is een gotspe, ik ben dat helemaal met Sylvia Witteman eens. Als nou ergens het no value for money welig tiert, dan is het wel in de Amsterdamse horeca. De weinige goede zaken daargelaten is uit eten gaan veel te duur en doorgaans van matige kwaliteit, en dan hoef je het nog niet eens te vergelijken met Parijs of Rome. Daarbij word je in Amsterdam regelmatig geholpen door studentenpersoneel dat van toeten noch blazen weet. Je mag al blij zijn als ze weten wat de op de eigen kaart aangekondigde boudin noir betekent, en als je vraagt hoe die is klaargemaakt, krijg je als antwoord: ‘Het is warm.’ Toen ik bij een andere gelegenheid klaagde over wat mij was voorgezet, werd mij via de kok verongelijkt meegedeeld: ‘Tarbot is nu eenmaal een taaie vis.’ Echt gebeurd.
Momenteel speelt in Amsterdam een toneelstuk over de befaamde Amsterdamse kookjournalist Johannes van Dam. Daar zit hij aan een tafeltje met zijn eigen mes en zijn eigen thermometer. Johannes is altijd paarlen voor de zwijnen geweest, als je het mij vraagt. Of ik het stuk ga zien weet ik nog niet, want hoe kundig en terecht ook, Johannes was bovenal een mistroostige figuur, een gekweld man met suikerziekte, voor wie gold dat dikke mensen langer aan tafel zitten, maar wel korter leven, ongeveer zoals die inspecteur van de Michelingids met een maagzweer.
U wilt het misschien niet geloven, maar ik overweeg weleens te verhuizen.”
En dan heeft Max Pam het nog niet eens over het feit dat deze in wietdampen gehulde stad het centrum is van vrouwenhandel, extreme inkomensongelijkheid, absurd hoge huurprijzen en …. vul de rest zelf in naar keuze.
Sinds 1988 woon ik met heel veel plezier in Amsterdam.
In Amsterdam-Zuidoost om precies te zijn.
Ik heb een optimistische bril. En soms schrijf ik met een optimistische pen.
Jouw relaas over Amsterdam heb ik met een glimlach gelezen. Voor mij beschrijf je vooral dat deel van Amsterdam dat door toeristen wordt geterroriseerd. En daar kom ik nooit ….
Vrolijke groet,
LikeGeliked door 1 persoon
Bedankt voor het lezen en de reactie, Rob. Voor de duidelijkheid: het relaas is van Max Pam en niet van mij, al ben ik het volkomen eens met de strekking van het betoog. Van mijn generatie die in de loop van de jaren 80 in Amsterdam belandde woont niemand nog in Amsterdam. Het lijkt mij sowieso gezond om enkele malen in je leven iets volkomen nieuws aan te gaan, qua wonen, werk, etc. Hartelijke groet, Peter
LikeLike
Ik herkende ddd en column van Max Pam. Maar ik reageer bij jou omdat jij blijkbaar instemt.
Met Meerdere banen en meerdere woonplaatsen wil nu gepensioneerd niet meer verhuizen.
Al ben ik even heel serieus bezig geweest met het emigreren naar Thailand.
vrolijke groet,
LikeLike
Ik heb in Amsterdam Oost, West en Zuid gewoond. Altijd in de oude delen van die Amsterdamse windstreken. Alles was lopend te bereiken als ik niet wilde fietsen of de tram nemen. Amsterdam was een stad waar ik nooit bang was voor iets anders dan het niet kunnen vinden van onderdak. Maar zelfs een woning heb ik er ooit kunnen bemachtigen. Toch woon ik er niet meer.
Vertrekken was een moeilijke beslissing, want terug kom je nooit meer. Niet met een laag of gemiddeld inkomen. Toch ben ik blij dat ik er niet meer woon. Bij elk bezoek valt me op hoe adembenemend het er is, zo weinig ruimte, vervuild, grauw en onaantrekkelijk om te bewonen.
Altijd ben ik weer blij te kunnen vertrekken naar het saaie dorp waar ik aan de stilte moest wennen en de lucht zo schoon is dat ik van het stuifmeel moet niezen.
LikeLike