Onbekend's avatar

Vlekkeloos

 

Je bent me al eerder opgevallen, Fatima. De arrogante manier waarop je danst, ingetogen en provocerend tegelijk. Je hoog gehakte linkervoet tik je zachtjes tegen de doffe dansvloer, terwijl je jouw in strakke jeans omsloten heupen naar rechts wiegt. In een vloeiende beweging golft je lichaam als een slang in tegengestelde richting, je rechtervoet vooruit, je heupen naar links. Je armen laat je soepel meedeinen, je vuisten hou je heel lichtjes gebald. Je probeert de jongens die onder het flakkerende rood blauwe licht opgewonden om je heen dansen, als gretige maar laffe roofdieren rond hun gevreesde prooi, niet aan te kijken. Je houdt je prachtige Syrische prinsessen ogen op een punt vlak voor je op de grond gericht. Als je een vriendin iets in het oor fluistert, of om een sigaret vraagt, zie ik je grote fluoriserende oogballen naar het plafond draaien. Je steekt een sigaret op en ik zie dat je jouw lange nagels glimmend paars bedekt met zilveren sterretjes gelakt hebt. Ik kijk naar je kleine ronde borsten, zo duidelijk zichtbaar in je zwarte top. En je kont draait maar door in cirkelbewegingen van links naar rechts, alsof je lieve langzame warme ontspannen seks hebt met een onzichtbare partner waar je je totaal thuis bij voelt. Je tuit je zwaar paars gestifte lippen en blaast rook in de vorm van een grote witgrijze toeter naar de traag cirkelende mirror ball. Een tekstballonnetje zonder tekst. Voor mij ben je de meest begeerde en mooiste vrouw van Damascus. Op de vlucht voor de IS. Allah, mijn dank is groot.

‘Ze is mooi, hè?,’ verstoort Jan-Willem ruw mijn gemijmer en drukt me een beslagen vaas Koninck in de hand. ‘Alleen kan niemand haar krijgen, Fatima. Ze lijkt heel arrogant, maar ze is gewoon extreem verlegen.’

‘Hoe weet jij dat zo goed?,’ vraag ik hem. Ik klink agressiever dan de bedoeling is.

‘Ik heb wel eens geprobeerd een praatje met haar te maken, maar ze gaf geen enkele sjoege.’

‘Dan was je zeker weer bezopen.’

‘Dat wel.’

‘Zij is een colameisje, Jan-Willem. Dat weet je toch? Alle meisjes uit moslimlanden zijn colameisjes, al zijn ze nog zo verpest door onze ontuchtige westerse wereld. Ze zijn aan de pil, doen het met Hollanders, kleden zich uitdagend, roken als een ketter, gaan uit, maar alcohol drinken ze niet, alleen maar cola, altijd maar cola. Dus als jij dronken in hun oor begint te schreeuwen, ‘woon je al lang in Nederland?, heb je een vriend?, wil je een biertje?,’ dan moet je niet denken dat je op die manier zo’n meisje kunt versieren.’

‘Nou ja, zo dronken was ik ook weer niet. Maar ze loopt altijd alleen maar te giebelen met die twee vriendinnen van haar. Daar komt geen hond tussen. Het is trouwens levensgevaarlijk om moslimmeisjes te versieren,’ vervolgt hij, terwijl hij zijn blik op de drie dansende moslimmeisjes gericht houdt. ‘Want de familie accepteert nooit dat hun zus of dochter met een Hollandse jongen gaat. Voor je het weet heb je een colonne besnorde broers achter je aan en een mes in je rug.’

‘Doe niet zo racistisch, man. We leven in een muliticulti samenleving, helder licht. Er bestaan ook nog zoiets als “flexible moslims”, die verwesterd zijn en niets te maken hebben met die barbaren van IS.’

Ik kijk naar Fatima en haar vriendinnen, die nu deinen en roken op ‘Smack my bitch up’ van The Prodigy. De zwaar pompende en sleurende bas dicteert hun draaiende heupen. Ik krijg een erectie en loop naar de bar om een cola voor Fatima te halen. Dan weer terug naar Jan-Willem. Ben ik gek geworden? Ik ken Fatima helemaal niet. Ik kan toch niet haar een colaatje geven en haar vriendinnen negeren. Behalve dat het onbeschoft is, zou het er dan al te dik bovenop liggen dat ik ‘iets’ van haar wil. Drie cola’s bestellen vind ik echter een beetje overdreven. De zoveelste sukkel die zijn schaarse centjes aan de drie Syrische cockteasers verkwist. Dan maar geen cola voor Fatima.

‘Ik ga dansen,’ zeg ik tegen Jan-Willem en begeef me onschuldig naar een uithoek van de dansvloer. Ik begin te dansen alsof ik The Prodigy net zo swingend vind als de dansende meute. Ik kijk vanuit mijn ooghoeken naar Fatima, die op drie meter afstand van me danst. Ze lacht naar haar vriendinnen. Ik zie hoe Jan-Willem me hoofdschuddend van achter zijn vaasje aankijkt. Ik weet wat hij denkt. Ik dans me langzaam in de richting van Fatima. Eerst dans ik schijnheilig achter haar, draai af en toe om mijn as om de situatie zorgvuldig te bestuderen. Dan dans ik naast haar, vervolgens draai ik me een halve slag om en kijk haar van opzij aan. Ik zie dat een van haar vriendinnen me wantrouwend bekijkt. Ook wel een lekker ding trouwens. Ik kijk alsof ik me van geen kwaad bewust ben. Het is toch vrijdagavond? En ik dans op dansmuziek. Dat ik toevallig naast hen dans, daar kan ik toch niets aan doen? Zo groot is de dansvloer niet. En hup, ik doe net alsof ik helemaal in de muziek zit, slinger met mijn benen, draai met mijn hoofd. En stiekem kijk ik steeds naar Fatima. Alweer verliefd. De Syrische prinses kijkt me zonder uitdrukking in haar blik even aan, wendt haar blik af en neemt een gulzige trek van haar sigaret. In gedachten zie ik hoe haar lippen zich rond mijn geslacht sluiten. Het zweet breekt me uit. Ik ga half voor haar dansen. Ze danst nu bijna met me mee. Ze kijkt me niet aan. Ze laat nonchalant het uiteinde van haar sigaret vallen en draait soepel met haar pump de peuk uit alsof ze chagrijnig een schorpioen plet. De d.j. heeft nu zijn keuze laten vallen op Nirvana’s ‘Smells like teen spirit’. Ik gok dat Fatima een rustpauze in zal lassen en ga aan de rand van het midden van de dansvloer staan. Fatima komt inderdaad met haar twee vriendinnen vlakbij me staan. Ze friemelt met haar hand aan haar achterhoofd om te kijken of haar opgestoken haar nog goed zit, alsof ze de Arabische tweelingzus van Amy Winehouse is. Ik zie zweet in haar oksel glinsteren, maar lik haar niet schoon. Ze wendt haar gezicht in mijn richting en ik kijk haar aan met een blik waaruit de mededeling ‘goed volk’ straalt. Oh, mijn god, vooruit dan maar.

‘Jullie komen hier ook wel vaak, hè?’

‘Ja, elke vrijdag.’

Ze kijkt me zonder uitdrukking in haar ogen kort aan, alsof ik een toevallige voorbijganger ben aan wie ze de weg heeft gevraagd. Maar ze praat tegen me. Ze praat! Tegen mij! Ik voel me net als wanneer ik op het punt sta Jan-Willem schaakmat te zetten en hij het nog niet aan ziet komen. Fatima kijkt verveeld voor zich uit (‘eigenlijk is ze extreem verlegen,’ schieten de woorden van Jan-Willem mij te binnen).

‘Ik heb jou hier ook wel eens gezien. Woon je hier in de buurt?,’ vraagt ze en blijft naar een vaag punt ergens op de dansvloer staren.

‘Ja. Jij ook?’

Ze humt van ja. ‘Vier minuten lopen.’

‘Zo, heb je dat opgemeten?,’ lach ik.

Vooral geen stiltes laten vallen. Alles is normaal. Er is niks aan de hand. We voeren een gewoon gesprek.

‘Ik kan toch klok lijken?,’ zegt Fatima en kijkt me aan alsof ik een lieve domme jongen ben. Ze houdt als bewijs haar telefoon voor mijn gezicht. Ik pak haar losjes bij de pols en doe alsof ik haar telefoon bewonder.

‘Mooie telefoon,’ zeg ik, ‘Iphone 8?’ Ik heb geen verstand van telefoons.

Ik wijs naar de tafel waaraan Jan-Willem in zijn eentje, als een bejaarde in de Hema, verveeld om zich heen zit te kijken, alsof hij het dagelijkse, van zijn AOW te besteden, tientje al voor lunchtijd heeft opgemaakt aan een muffe zuurkoolschotel en de rest van de dag als een groot leeg gat voor hem ligt. ‘Hé, zullen we even daar, bij mijn vriend gaan zitten, of wil je hier blijven staan?’

Fatima kijkt haar vriendinnen vragend aan. Die kijken terug met een blik van ‘je doet maar wat je niet laten kunt.’ We begeven ons naar de tafel van Jan-Willem en schuiven stoelen bij. We stellen ons allen voor: Jan-Willem, Peter, Fatima, Ayeisha, Nada. Ik haal vier cola en een Koninck. Jan-Willem kijkt me verbaasd aan. Ik vermijd zijn blik en herneem het gesprek met Fatima.

‘Ik doe nu de havo,’ zegt ze, ‘omdat mijn Syrische diploma van een soort mavo hier niet geldig is.’

Fatima blijkt, net als haar vriendinnen, pas twintig. Ze woont al vijf jaar in Nederland. Haar ouders wonen in Rotterdam. Zij zit in Amsterdam op school en op kamers, omdat haar twee jeugdvriendinnen uit Damascus hier ook op de havo zitten. Ze heeft geen broers. Goddank.

We dansen af en toe en drinken cola. Jan-Willem kan het goed vinden met Ayeisha. Om vijf uur gaan de lichten aan en buiten blijkt gelukkig dat Ayeisha en Nada een andere kant op moeten dan Fatima. Jan-Willem en de twee Syrische meisjes gaan gedrieën richting Oost. Ik bied Fatima aan haar naar huis te brengen.

‘Te gek, dank je,’ glimlacht ze.

‘Waar woon je ergens?’

‘In een studentenflat in de Kerkstraat.’

We lopen de Korte Leidsedwarsstraat uit en slaan linksaf de Spiegelgracht op. Een passerende fietser kijkt onderzoekend naar Fatima en mij. Een Hollandse jongen en een Oosterse prinses op naaldhakken. Ik kijk hem onwillekeurig grijnzend aan. Ze is van mij, niet van jou. Een prettige dag verder. Als we de brug over de Prinsengracht op lopen, verzwikt Fatima licht haar voet.

‘Doet het pijn?,’ vraag ik bezorgd en leg mijn rechterhand losjes op haar rechterheup. Warm vlees, zachte stof. Het liefste scheur ik hier en nu haar de kleren van het lijf.

‘Een beetje wel,’ kreunt ze licht en ze kijkt met een van gespeelde pijn vertrokken gezicht naar haar enkel. Opeens zijn onze gezichten heel dicht bij elkaar en legt ze een hand op mijn middel. Ik kus haar eerst licht op de zachte volle lippen en word haast duizelig van het stiekem bewonderen van haar prachtige zwarte bambiwimpers die op enkele centimeters van mijn ogen trillen. Wie ben jij? Daarna glijdt mijn tong in haar warme natte mond en staan we daar seconden lang te tongstrelen. Ik woel door haar haar en wrijf over haar kont. Ze zucht en steunt en zet haar nagels in mijn kont. Een fietser fluit in onze richting en verbreekt ons tedere lik- en zuigfestijn. Glimlachend trekken we onze tongen terug en lopen hand in hand naar haar flatje in de Kerkstraat. Als we bij de voordeur aangekomen zijn vraagt ze of ik nog een kopje thee kom drinken.

We lopen naar haar kamer van twee bij drie. Terwijl ik het door de gesloten gordijnen in schemer gehulde interieur van haar kinderachtig ingerichte meisjeskamer bestudeer gaat Fatima in de gemeenschappelijke keuken thee zetten. Voor de grap geef ik haar teddybeer een uppercut en probeer tevergeefs haar Plutosloffen aan te trekken. Ze zijn te klein met schoenen aan. Na een paar minuten komt ze terug, in haar handen een dienblad met daarop een geurige pot verse thee. Met haar verzwikte enkel duwt ze de deur dicht. Nadat ze het dienblad op haar kleine bureau heeft neergezet doet ze het theezakje snel een aantal keren op en neer in het hete water (‘dan trekt ie sneller,’ zegt ze ter verduidelijking. ‘Meen je dat nou?,’ vraag ik). Ze schenkt twee Jip en Jannekemokken vol thee en komt naast me op het bed zitten, dat blijkbaar ook dienst doet als bank. Ik duw haar langzaam achterover op het bed en we zoenen minuten lang.

‘Ik ben verliefd op je,’ zegt Fatima en probeert me heel diep in de ogen te kijken. ‘Je was me al vaker opgevallen, maar ik wist niet hoe ik je aan moest spreken. En nu zit je hier op mijn bed.’

‘Dan wil je zeker ook wel met me naar bed?,’ vraag ik brutaal lachend, alsof ik een gewaagd grapje maak.

‘Is dat wel een goed idee, zo de eerste keer?’

‘Liefje, we leven nu en hier. Waarom zouden we het niet doen? Als je je er maar goed bij voelt, als het maar uit je hart komt, als je er maar achter staat. En dat doe je toch?’

Na een lichte aarzeling knikt ze. Ik streel haar borsten en heb zin om aan haar zweetkutje te likken. Fatima likt in mijn oor.

‘Zal ik lekker aan je kutje likken?,’ durf ik haar te vragen, omdat ik haar niet in de ogen hoef te kijken en heel veel intimiteit voel.

‘Jeetje, dat heb ik nog nooit gedaan.’

‘Nee, want dan zou je een potje zijn.’

Fatima lacht en ik maak van de gelegenheid gebruik om haar topje uit te trekken. De lieve kleine bruine tepels van haar kleine stevige borsten wijzen stijf in mijn richting. Ze kijkt me verlegen aan. Ik trek mijn t-shirt uit en begin aan haar linkertepel te sabbelen. Fatima woelt met haar van de vele kitscherige sieraden rammelende hand door mijn haar. Ik lik teder haar oksel en begin met mijn rechterhand haar riem los te wrikken. Fatima trekt in een ruk mijn riem los en onze handen glijden in elkaars ondergoed (zij is gekleed in een wit zijden slip van Chevalier de los Ninos, hij in een boxershort van Schmeckel & Co). Ze wrijft zacht over mijn eikel, ik bevochtig haar clitoris met haar eigen naar warme zijde voelende vocht en draai met mijn vinger rond haar stijve clitoris. We tongzoenen. Als op commando staan we op en trekken onze jeans uit. Met allebei ons ondergoed nog aan gaan we weer op bed liggen. Slow love. Geen haast. We likken elkaars gezicht nat en knijpen in elkaars billen. Ik duw met mijn knieën haar benen teder van elkaar en duw mijn penis tegen het beetje stof dat mij van haar clitoris scheidt. Na een halve minuut zacht schuren haal ik met mijn rechterhand mijn lul uit mijn boxershort, duw het kruis van haar zachte zijden slipje opzij en glijdt bij Fatima naar binnen tot ik niet verder kan. Haar adem stokt even. Dan begin ik heel langzaam in en uit haar te gaan. Fatima zucht en snikt. Ik adem diep. Als haar lichaam eerst verstijft en daarna trilt trek ik me uit haar terug.

‘Nee, ga door,’ smeekt ze, en probeert mij, door met haar handen druk op mijn schouders te zetten, weer bij haar naar binnen te dringen. Ik ga op mijn knieën zitten en trek haar slip van haar kont, buig me voorover en lik aan haar natte gezwollen schaamlippen, bestrijk met mijn tong haar vulva van clitoris tot aars. Fatima zucht en steunt. Daarna richt ik me weer op en laat haar met mijn tong haar eigen kutje proeven terwijl ik mijn penis weer in haar kletsnatte kutje steek. Wild kronkelt haar tong in mijn mond. Ze zet haar nagels in mijn rug. We neuken ons in snel tempo naar het eerste orgasme van de dag. We komen als in een sprookje tegelijk klaar.

‘Oef, schatje, wat ben jij lekker,’ zegt Fatima en steekt twee sigaretten tegelijk op, overhandigt mij er een. Ze neemt een slok koude thee en wrijft door mijn schaamhaar. Daarna probeert ze me, de brandende sigaret in haar boven haar hoofd geheven rechterhand houdend, weer stijf te zuigen, wat zonder veel moeite lukt. Ik ben echter compleet verzadigd en bang voor as in mijn kruis en duw, na haar gepijp een halve minuut aangezien te hebben, lief en teder haar hoofd weg. Het is acht uur in de ochtend. Ik heb zin om naar huis te gaan. Fatima kijkt me verliefd aan. Sprookje.

‘Ik ga zo, liefje.’

‘Ah, nee, nu al?’

Fatima klinkt oprecht teleurgesteld.

‘Ja, ik moet nog veel doen vandaag.’

Ik sta op en kleed me aan. Fatima zit als de zeemeermin van Kopenhagen op haar bed.

‘Hé, ik ga.’

Ik schrijf mijn telefoonnummer op een briefje en geef Fatima een zachte kus op haar voorhoofd.

‘Wacht even,’ zegt Fatima, staat op en haalt uit een houten kast een cd van Gerard Joling tevoorschijn.

‘Gewoon Gerard,’ lees ik op de hoes.

‘Dit is mijn lievelingscd. Die is voor jou.’

Ze kijkt me stralend aan.

‘Dat moet je echt niet doen, Fatima. Het is heel lief van je, maar als dit je lievelingscd is moet je hem echt zelf houden.’

‘Maar ik kan hem toch bij jou komen luisteren.’

Fatima kijkt me verwachtingsvol aan. Ik heb helemaal geen cd speler meer, ik heb een Iphone 9 en Spotify.

‘Ja, dat is waar. O.k., we bellen.’

Ik geef Fatima een kus op haar mond en verlaat met de cd van Gerard Joling onder mijn arm de studentenflat aan de Kerkstraat. Als je geluk hebt kun je de cd vinden in de prullenbak tegenover de McDonald’s in de Vijzelstraat.

Onbekend's avatar

Euthanasie

 

een leeg hiervoormaals ging langzaam over

in een warm en donker afgesloten bad

omringd door ontelbare van buiten en binnen afkomstige geluiden

eerst geen daarna veel bewegingsruimte

totdat de kont niet meer gekeerd kon worden

na een oceaan van tijd ruw naar buiten geperst

opgevangen door warme handen

in een wereld vol liefde en onverschilligheid

de kringloop kwam na een schijnbaar eeuwig leven tot een snel naderend einde

liggend in een laatste bed op de zaal van een verpauperend verpleeghuis

laatste halte voor de definitieve rustplaats

ijlend en kwijlend

zusters en familie niet meer te zien of te verstaan

uitgeteld uitgepraat en bekaf

een laatste medicijn een lancering naar het hiernamaals

Onbekend's avatar

Rusland

 

Het was een mistige dag in de herfst van het jaar 1872. De dag waarop de altijd goedgemutste Dmitri Ivanovitsj Prijatnov een bezoek ging brengen aan zijn vaak zo zwaarmoedige jeugdvriend Alexej Sergevitsj Ljoebimov.

Alexej Sergevitsj woonde in een verwaarloosde lemen hut, ergens op een verder verlaten eilandje, midden in een uitgestrekt moeras, diep in de binnenlanden van Rusland, tussen Niznji Novgorod en Tver.

De hut van Alexej Sergevitsj was moeilijk te vinden. Dmitri Ivanovitsj wist echter, van eerdere visites aan zijn tot kluizenaar geworden voormalige schoolkameraad, hoe de hut te bereiken.

Luid vrolijke volksliederen zingend, met een fles vodka in de ene en een fles vodka in de andere hand, bereikte Dmitri Ivanovitsj de hut van Alexej Sergevitsj. Hij duwde de deur van de hut open en stapte zonder te kloppen binnen.

Alexej Sergevitsj kreeg alleen af en toe zijn jeugdvriend Dmitri Ivanovitsj op bezoek en was daarom niet verbaasd dat Dmitri Ivanovitsj zijn lemen hut betrad.

‘Noe i kak?,’ riep Dmitri Ivanovitsj vrolijk. Vanzelfsprekend sprak Alexej Sergevitsj Ljoebimov, net als Dmitri Ivanovitsj Prijatnov, Russisch en daarom begreep hij dat Dmitri Ivanovitsj hem vroeg hoe of dat het met hem ging.

‘Hoe is het met ons feestnummer?!,’ vervolgde Dmitri Ivanovitsj opgeruimd, in een poging de immens sombere Alexej Sergevitsj te doen ontspannen, terwijl hij, om zich thuis te doen voelen, zijn stinkende leren laarzen uittrok. Alexej Sergevitsj, die bij zwak kaarslicht aan het schrijven was geweest, draaide zich langzaam om en bekeek zwijgend zijn vriend. Met zijn rechterhand woelde hij door zijn rode baard als die van een verlopen priester zonder gemeente.

‘Ga zitten’ mompelde Alexej Sergevitsj, die zijn blik al weer naar het door hem geschrevene had gericht.

Dmitri Ivanovitsj zette de twee flessen vodka op de enige tafel die het vertrek rijk was. Een gammele eikenhouten keukentafel, waarvan de vierde poot al sinds mensenheugenis zoek was. Dmitri Ivanovitsj ging op de grond zitten omdat er slechts één stoel in het vertrek aanwezig was, die waarop Alexej Sergevitsjzat. Een vermolmde kruk eigen­lijk. Dmitri Ivanovitsj tastte in zijn rechter jaszak naar pijp en tabak.

‘Zo, beste Alexej Sergevitsj, hoe staat het leven in de mistige moerassen?,’ grijnsde Dmitri Ivanovitsj, terwijl hij zijn barnstenen pijpje propvol goedkope tabak stopte. ‘Vermaak je jezelf nog een beetje, of vul je je tijd nog steeds met peinzen over het leven en het schrijven van treurige gedichten?’

‘Ach, Dmitri,’ bromde Alexej. ‘Je weet dat ik geen type ben van voetjes van de vloer en hela hola hupsakee. Ik vind het leven een straf, geen pretje. Ik geloof niet in het aardse bestaan. Volgens mij wordt de mens enkel geleid door lusten en egoïsme. Naar kunst en cultuur heeft hij geen oren. Enkel de zucht naar leeg amusement, bedwelming en perverse sex toont de ware aard van de hedendaagse mens. Het leven is daarom zwaar voor een oprechte kunstenaar, die de dingen doorziet en de taak heeft dit grote leed eenzaam en onbegrepen te dragen.’

Zuchtend en uitgeput zeeg Alexej Sergevitsj neer naast zijn oude boezemvriend. Dmitri Ivanovitsj sloeg een arm om hem heen. Met zijn andere arm reikte hij naar een fles vodka.

Dmitri Ivanovitsj kon enkel jolig en rijmend reageren. ‘Kom op man, maak open die fles. Vodka stilt alle pijn. Vodka maakt je vrolijk en gelukkig. Vodka is het medicijn.’

Alexej Sergevitsj opende afwezig de fles vodka en nam een lange, lange teug. Vervolgens gaf hij de fles aan Dmitri Ivanovitsj, die ook een lange, lange teug nam. Die gaf de fles weer aan Alexej Sergevitsj, die weer een lange, lange teug nam, en de fles weer teruggaf aan Dmitri Ivanovitsj, die ook weer een lange, lange teug nam. Deze handeling bleven de twee helden van ons verhaal stilzwijgend ettelijke malen herhalen. Toen de tweede fles vodka voor de helft gele­digd was hernam Alexej Sergevitsj het woord.

‘Weet je, mijn beste Dmitri Ivanovitsj, soms denk ik wel eens dat ik een eind aan mijn leven moet maken. Eindelijk verlost van de nooit afnemende pijn in mijn ziel. Je weet dat ik niet in een hiernamaals geloof. Eigenlijk geloof ik nergens in.’

Alexej Sergevitsj begon aangeschoten te ijsberen. Hij schopte per ongeluk de samovar en de van zijn stiefmoeder geërfde matrosj­ka om, had dat niet door, en ging weer zitten.

‘Ik aanvaard de vergankelijkheid en de dood als de enige zekerheden des levens’, ging hij voort. ‘Verder niets. Alles en iedereen wordt vergeten. We eindigen allemaal als mest voor het onkruid. Zo ook mijn gedichten. Interesse voor de ander of enige diepzinnigheid is bij de meeste mensen ver te zoeken. Dmitri Ivanovitsj, hoe zwaar is dit alles!’

Dmitri Ivanovitsj, ook behoorlijk dronken al, keek Alexej Sergevitsj lachend aan. ‘Wat ben jij toch een grappige treurwilg. Wat heeft het voor zin te miezeren en te kniezen? Je leeft maar één keer, geniet toch van de goede dingen! De herten die dartelen in het woud voordat ze neergeschoten worden, de kleurige bloemen voordat ze verwelken, je pijpje tabak dat vanzelf wegbrandt, je borreltje voordat die op is, zo nu en dan. Geniet van de zon, die opkomt en weer onder zal gaan, het maanlicht dat weerspiegelt in het stil kabbelende water. Leef om te genieten van die mooie kleine dingen in dit leven, dat voorbij is voordat je er echt weet van hebt. Geniet van het moment dat voorbij gaat. Zit niet suf in een hoekje, terwijl de tijd verglijdt. Daar los je niets mee op. We verlaten het leven even dom als we het binnen gekomen zijn. Heb vrede met de werkelijkheid.’

‘Maar dat kan ik nu juist niet,’ barstte Alexej Sergevitsj in huilen uit. ‘Ik vind het allemaal zo erg. Zo vreselijk erg!’

Alexej Sergevitsj begon onbedaarlijk te snikken. De tranen biggelden van zijn rode ogen zijn rode priesterbaard zonder gemeente in. Dmitri Ivanovitsj trachtte Alexej Sergevitsj vergeefs op te monteren met een troostende arm om zijn schouder, het trekken van clowneske grimassen en het zingen van een zot lied. Niets hielp. Alexej Sergevitsj was een onverbeterlijke somber­ling en dat zou waarschijnlijk wel altijd zo blijven ook.

Toen de avond zijn einde naderde en Dmitri Ivanovitsj zich gereed wilde maken om weer op zijn versleten leren laarzen door het moeras naar huis te soppen, hoorde hij plotseling het geluid van steeds feller en sneller neer vallende regendruppels op het dak. Hij liep naar de deur van Alexej Sergevitsj’s hut. Toen hij die opende zag hij de proloog van een enorm onweer en besefte dat hij de nacht in de verwaarloosde lemen hut van Alexej Sergevitsj door zou moeten brengen. Dmitri Ivanovitsj besloot dat dit geen weer was om door naar huis te gaan.

Zo gebeurde het dat Dmitri Ivanovtsj en Alexej Sergevitsj samen de nacht doorbrach­ten. Samen in dat verwaarloosde lemen hutje op dat verder verlaten eilandje in dat uitgestrekte moerasgebied, ergens diep in Rusland, tussen Niznji Novgorod en Tver.

Voor hij ging slapen keek Dmitri Ivanovitsj  nog een keer naar de nog immer doorhuilende Alexej Sergevitsj, zijn rode priesterbaard, zonder gemeente, leek wel een dweil. Ook keek hij nog eens naar buiten voor hij ging slapen.

‘Dit is wel een heel grote huilbui,’ prevelde hij, toen hij de regen op het dak van de hut hoorde klateren en diep in slaap viel.

Hij droomde over miljoenen kale grijnzende schedels die in het moeras naar boven kwamen drijven.

Onbekend's avatar

Ik ben toter

Als toter volg ik het liefst de school en neem zo min mogelijk risico’s. Ik ben niet op zoek naar bonuspunten. Elke verrassing is een belofte van gevaar. Daarom volg ik liever een grote dan een kleine straat. Op weg naar het full house van mijn familie. Ik voel geen zekerheid als er om mijn veiligheid en welzijn gedobbeld wordt door roofdieren en vissers. Ik wil geen speler zijn in een spel dat dertien categorieën kent. Ik ben niet op zoek naar een kans. Ik wil geen winnaar of verliezer zijn. Ik wil overleven. Als jonge haring wil ik zo veel mogelijk toeval uitsluiten. Laat me vrij zwemmen in de yahtzee. Er bestaat geen scorebord onder water. Ik ben toter.

Onbekend's avatar

Belasting

 

De eerste keer dat ik belast werd

Was toen mijn moeder mij ongevraagd in de nacht verschoonde

Ze stoorde mijn nachtrust en comfort

Ik had geen last van mijn volle luier met poep en pies

Ik sliep

Elk leven lijkt met de ervaring van terreur te maken te hebben

Elk leven lijkt met de terreur van de ervaring te maken te hebben

Dingen die je overkomen

Die met je gedaan worden

Omdat je een nummer lijkt

Is dat waar?

Neen, broeders en zusters

Neen!

Voel eerst je eigen energie

Daarna de energie van de ander

Voel de liefde!

Niet veroordelen!

Ik wil nix veranderen

Jouw aandacht

Die ik trek

Is heilig en aan grenzen gebonden

Belasting is een concept, motherfucker

Onbekend's avatar

Omniglot

 

 

De ene boer kon, sinds hij als misdienaar van zijn paard was gevallen, alleen nog Latijn spreken.

De andere boer was net als de ene boer in zijn jeugd misdienaar geweest en kon wel Latijn verstaan, maar niet spreken.

De ene boer wees naar een rode appel in het gras en zei: “Omnia cadunt.”

De andere boer zei: “Das waar. Alle dingen vallen.”

De ene boer wees naar een dode mus in het veld en zei: “Omnibus sensibus destitutus.”

De andere boer zei: “Jep: Beroofd van alle zintuigen.”

De ene boer zei: “Omnia mutantur, nihil interit.”

De andere boer zei: “Das waar. Alles verandert en niets vergaat.”

De ene boer zei: “De omnivoor kom hier nivoor.”

“Wat de fak?”

“Omniglot,” weekwinnaar week 6 op 120w.nl, februari 2017: https://120w.nl/2017/omniglot/

Onbekend's avatar

DONALD TRUMP VERONGELUKT

 

(ANP) Volgens nog onbevestigde berichten is vanmiddag de president van de Verenigde Staten  Donald Trump verongelukt tijdens het golfen op één van zijn vele golf resorts. In dit geval “Trump Doonberg” in Ierland, waar je al vanaf 700 euro per nacht een kamer kunt reserveren. Dat is dan wel zonder ontbijt en inclusief tien verplichte consumpties uit de minibar op jouw kamer. Website: https://www.trumphotels.com/ireland

De wereld reageert geschokt op de mogelijke dood van Trump.

Erdogan van Turkije: “Het lot wordt soms een duw gegeven.”

Poetin van Rusland: “Ik heb één keer een uur met hem gebeld. Hij leek mijn type wel. Nu moet ik op zoek naar een ander vriendje. Ik bedoel, als hij echt dood is. Anders houd ik mijn huidige vriendje nog even vast.”

Ayatollah Khamenei van Iran: “De Satan is dood. Laten we bidden dat er geen nieuwe Satan opstaat.”

Mark Rutte: “We leven mee met de families van Donald Trump en zijn nabestaanden.”

Salman bin Abdoel Aziz al-SaoeI, koning van Saoedi-Arabië: “Ik laat geen traan om Trump. Wij en Amerika gebruiken elkaar. Alles draait hier om de aanwezigheid van veel olie en een strategische plek van waaruit Amerika iedereen in de regio een tik op de vingers kan geven. Is hilarisch en goed voor mijn economie.”

De vrouw van Trump, de Sloveense Melania Knauss, lachte de aanwezige pers weg (“Fake news”) voordat ze rokend in de lift opsteeg naar het grootste en hoogste penthouse van de Trump Tower. Met uitzicht op het New York Plaza Hotel, tegenover Central Park gelegen, en ook in handen van Donald Trump (Ik bedoel het hotel. Voor zover ik weet is het Central Park nog niet in handen van Donald Trump, of zijn erfgenamen. Maar we weten nog niets zeker. Is Donald Trump dood of niet?).

In 2004 vroeg Trump een merknaam aan voor de uitdrukking “You’re Fired”. We kunnen gerust zeggen dat die merknaam aan de wereldbevolking is terug gegeven op het moment dat Donald Trump zijn laatste adem uit heeft geblazen.

Onbekend's avatar

Vijf bijdragen Peter Mabelus in “PO-E-ZINE XIV”

Het voorwoord bij “Po-e-zine XIV” door Lea Teunissen:

“Beste lezers, met veel trots presenteert de Po-e-zine redactie deze nieuwe Po-e-zine. Er ligt een roerige tijd achter ons. Zoals velen weten, overleed in oktober de drijvende kracht achter Po-e-zine, Derrel Niemeijer, plotseling op 38 jarige leeftijd. Zijn dood veroorzaakte een grote schok onder de dichters. Het was Derrels uitdrukkelijke wens dat zijn werk werd voortgezet. Het werk van Derrel gaat voortgezet worden in een stichting. Onder de stichting van het podium PepperPlus, Po-e-zine en uitgeverij MeerPeper. Op deze manier hopen we het voorbestaan te kunnen garanderen. Natuurlijk is dit voortbestaan niet alleen mogelijk door een stichting, maar in eerste instantie door de fantastische Po-e-zine redactie, die elke keer weer met veel toewijding en geduld jullie teksten verzamelt en samen vormgeeft. Een applaus voor de redactie lijkt me zeker op zijn plaats. Daarnaast kan Po-e-zine ook alleen maar bestaan door jullie mooie inzendingen, blijf vooral inzenden en elkaar inspireren.”

De redactie van “PO-E-ZINE XIV” was in handen van Vincent Jongman, Bert Waber, Eric de Munnik en Lynn van Hoof.

Op 1 februari 2017 werden in “PO-E-ZINE XIV” vijf gedichten van Peter Mabelus gepubliceerd:

“Retro Supernova,” p.13; “Onzichtbaar,” p.56; “Consummationem Saeculi,” p.149; “Hoop,” p.165 en “Mijn Moeder,” p.193.

De vijf gedichten zijn ook op de website van Peter Mabelus te lezen: https://petermabelus.com

 

Onbekend's avatar

De Taling

 

De taling vervalt tijdens zijn daling zelden in herhaling

Maling aan de uitstraling van zijn dwaling

Die eindigt op de zaling van een zeilboot volgeladen met paling

De taling heeft geen inschaling van schaling

Instraling

Geen notie van het feit dat zijn afdwaling kan leiden tot winstdaling

Vanwege de faling van de eigenaar van de zeilboot

Kan leiden tot uitstel van betaling

Sterker nog

De gestokte ademhaling van de taling

Kan de betaling doen eindigen

Verworden tot wanbetaling

Geen uitbetaling zonder aanbetaling

Zo luidt de bepaling over de afpaling

Van slecht afgemeerde zeilboten

Waarvan de aanhaling van de zaling

Ook in vertaling niet kan leiden tot opschaling

Omdat de straling van de taling uitgedoofd is

De malinger is een simulant

Onbekend's avatar

Donald Trump belt Peter Mabelus over zijn anti-Arabische Terreurmaatregelen

‘Peter Mabelus.’

‘Peet, met Donald Trump.’

‘Donald, ik had al een belletje van je verwacht.’

‘Hoezo, Peet?’

‘Je schoffeert zeven Arabische landen. Je ontzegt alle mensen uit die zeven landen de toegang tot de VS. Of ze er nu wonen, werken, studeren, of als toerist komen. Dat kun je niet maken, Donald.’

‘Waarom niet, Peet? Er kunnen zich toch terroristen bevinden tussen de mensen, die uit die zeven Arabische landen komen?’

‘Alle negentien terroristen van “nine eleven” kwamen uit Saoedi-Arabië, Donald. Waarom heb je Saoedi-Arabië niet op je lijst gezet? Daar mogen vrouwen geen auto rijden en worden vrouwen die verkracht zijn gestenigd.’

‘Hahaha. Is dat echt zo, Peet? ‘

‘Ja, Donald.’

‘Saoedi-Arabië is een trouwe bondgenoot van de VS, Peet. Die hebben ons gesteund in de strijd tegen Saddam, Bin Laden en Iran. Ook is hun olie voor ons land van levensbelang.’

‘Je meet met minimaal twee maten, Donald. Je grossiert in alternatieve feiten.’

‘Alles voor het belang van de Amerikanen, Peet. “Make America great again.”‘

‘Ook als de federale rechter je besluit afkeurt? Met de Heilige Grondwet van Amerika in zijn hand, Donald?’

‘Dan benoem ik toch een nieuwe rechter, Peet?’

‘Volgens mij begrijp je de beginselen van een rechtsstaat niet, Donald. Waar is de voorbeeldfunctie van de VS gebleven?’

‘Hou je nog van me, Peet?’

‘Donald. Ik ben het even kwijt. Welke zeven Arabische landen met al hun inwoners heb je ook al weer geschoffeerd?’

‘Jezus, Peet. Kamelenlanden. Ik ken ze niet allemaal uit mijn hoofd, maar in ieder geval Iran.’

‘Donald, laat me één van de zeven Noachidische wetten parafraseren.’

‘Parafraseren, Peet? Noachidische wetten? Waar heb je het over?’

‘Wie één volk schoffeert, schoffeert de hele wereld.’

‘Schoffeer ik dan ook mijn eigen volk, Peet?’

‘Ja, Donald. “Make the world great again.”‘