Onbekend's avatar

Bij de 47e sterfdag van Elvis Presley (1935-1977)

Aangezien ik in 1965 geboren ben, kan ik mij de dag dat Elvis Presley getroffen werd door een fatale hartaanval goed herinneren. Zittend op het toilet, gelegen op de eerste verdieping van zijn landgoed Graceland, net buiten Memphis, Tennessee, satijnen goudkleurige pyjamabroek op de enkels, de lawine aan stront (het resultaat van het consumeren van de 22 cheeseburgers de avond ervoor) uit zijn aars persend, verwisselde The King of rock ’n roll het tijdelijke voor het eeuwige.

In de zomer van 1993 maakte ik voor het eerst een rondreis door de VS. Inmiddels gefascineerd geraakt door de publieke zelfdestructie waaraan Elvis zich in de jaren voor zijn dood had overgegeven, was een bezoek aan  het graf van Elvis voor mij verplichte kost.

Onbekend's avatar

Boekpresentatie ‘Zevenpoot’ van Arnon Grunberg

Afgelopen woensdagavond was ik uitgenodigd om de boekpresentatie van de nieuwe Grunberg, ‘Zevenpoot’, bij te wonen, die plaatsvond in Galerie de Schans in Amsterdam.

Ik heb het boek inmiddels gelezen. ‘Zevenpoot’ is een knotsgekke vertelling over een jongetje met acht benen. Een buitengewone leeservaring is gegarandeerd.

De illustraties in het boek werden gemaakt door Thé Tjong-Khing.

De eerste exemplaren werden overhandigd aan Guus Kuijer en Xaviera Hollander.

Onbekend's avatar

Bij de dood van Donald Sutherland

Er moeten ooit een of meerdere runderen ergens op onze aardbol hebben rondgelopen die er geen weet van konden hebben dat een deel van hun vlees ooit terecht zou komen in een rundvleeskroket die op vrijdag 3 juni 2011 door een medewerker van de Haagse Febo, gelegen aan de zuidzijde van treinstation Holland Spoor aan de Waldorpstraat 27, in het bovenste vakje van een snackmuur gedeponeerd was en om een uur of half zes in de middag, met hulp van mij, zou worden verorberd door de grote in Canada geboren Hollywoodacteur Donald Sutherland (1935), zonder dat ik besefte dat ik te maken had met de grote ster van filmklassiekers als de satirische oorlogsfilm ‘Kelly’s Heroes’ (1970), waarin hij samen schitterde met Telly Savales en Clint Eastwood, de broeierige filmhit ‘Klute’ (1971), waarvoor Sutherland’s tegenspeelster Jane Fonda zelfs een Oscar won, of het ruim zes uur durende epos van de fenomenale Italiaanse filmregisseur Bernardo Bertolucci ‘Novecento’ (1976), waarin Donald Sutherland zo ongeveer de personificatie van het kwaad speelt, de fascist Attila Mellanchini, die uiteindelijk door een woedende menigte gelyncht wordt.

Wat had ik in Den Haag te zoeken? Ik werkte rond het jaar 2010 twee dagen in de week als beleidsmedewerker bij de Unrepresented Nations and Peoples Organization (UNPO), die gevestigd was in een statig pand aan de Javastraat. De naam van de organisatie waarvoor ik werkte zegt het al: de non-profitorganisatie UNPO vertegenwoordigde volkeren zonder eigen staat. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld de Koerden in het Midden-Oosten of de Tsjetsjenen in de Noord-Kaukasus. Vanwege de expertise die ik had opgebouwd tijdens mijn studie Ruslandkunde aan de Universiteit van Amsterdam hield ik mij bezig met volkeren zonder eigen staat in de voormalige vijftien deelrepublieken van de Sovjet-Unie. Bus 22 bracht mij in de ochtend van station Holland Spoor naar het pand van de UNPO aan de Javastraat en aan het eind van de middag terug naar station Holland Spoor.

Op die bewuste vrijdagmiddag 3 juni 2011 liep ik niet eerst naar de vestiging van de AH To Go om vier ijskoude halve literblikken Amstel Bier in te slaan om mijn eigen kleine vrijmibo in te luiden, het liefst op een eenzame stoel in een treincoupe, op weg naar Amsterdam. Alleen en verborgen in een trein zitten was voor mij belangrijk, omdat ik de bezorgde en verontwaardigde blikken wilde ontwijken van medepassagiers die mij in een moordend tempo de halve literblikken Amstel Bier achterover zagen slaan. Nee, deze middag besloot ik voor het inslaan van bier eerst vlug een bezoek te brengen aan de Febo, om mijn lege en rommelende maag te trakteren op een snack uit de muur.

Op het moment dat ik mijn munten in de gleuf van de snackmuur had gegooid en een frikandel uit het door mij geopende vakje tevoorschijn trok werd ik in het Amerikaans aangesproken door een al wat oudere man met een bril op. Hij ging gekleed in een lange donkergroene regenjas. Op zijn hoofd droeg hij een fisherman’s hat in dezelfde kleur als zijn regenjas. Omdat de man ook nog een volle grijze baard en snor droeg was van zijn gezicht eigenlijk weinig te zien.

‘Excuse me, sir, can you tell me how this works?’ vroeg de man aan mij. ‘We don’t have this in America.’

Ik moest licht grinniken omdat ik al zo vaak had gehoord dat ‘eten uit de muur’ iets typisch Nederlands was en buitenlanders op bezoek in Nederland, als zij geconfronteerd werden met dit verschijnsel, met een mengsel van argwaan en nieuwsgierigheid voor de snackmuur stonden te treuzelen voordat zij doorhadden wat zij moesten doen om een snack uit de muur te kunnen bemachtigen.

‘You have to put your money in the slot right next to the snack you want to eat and than pull the grip down so that you can take the snack out of the open compartment. After you have taken out your snack you close the compartment. That’s it.’

Ik had geen idee of al mijn Engels correct was maar beter had ik het de mij onbekende man niet uit kunnen leggen.

‘Where do you live in America?’ vroeg ik de man enige seconden later uit oprechte nieuwsgierigheid.

‘In L.A. My flight leaves 8.30 pm tonight.’

‘I’ve been to L.A. in 1993,’ zei ik. ‘Nice place. We don’t have big cities like that in the Netherlands.’

‘But you’re country has so many things the States don’t have,’ riposteerde de man. ‘Today I visited the Maurits house. It was beautiful. And how much coins do I need to get this snack?’ vroeg hij en keek met samengeknepen ogen naar het bedrag dat boven de geldgleuf vermeld stond.

‘Let me see, the rundvleeskroket will cost you 2 euros.’

‘That’s a coin right? O, I don’t think I have that with me.’

De man keek mij met een bedelende blik aan.

‘I think I have a coin for you,’ zei ik, pakte een munt van 2 euro uit mijn portemonnee en legde die op de uitgestoken handpalm van de man in het donkergroen. Voordat hij de munt in de gleuf stak keek hij nog eens onderzoekend naar de rundvleeskroket achter glas.

‘How did you say the snack is called? Runtfleececroquet?

‘Yes, that’s right, rundvleeskroket,’ zei ik.

Zonder veel moeite pakte de man de rundvleeskroket uit de snackmuur en nam een muizenhapje van de kroket.

‘Wow, that tastes very, very good,’ zei hij.

‘Great, but sorry, I have to catch my train,’ zei ik en rende naar de AH To Go om bier te halen.

Een klein kwartier later bleken we in dezelfde trein te zitten. Ik op weg naar Amsterdam Centraal, de bebaarde man in het donkergroen naar Schiphol. Ik zat op de door mij gewenste eenzame plek waar ik buiten het zicht van medepassagiers in hoog tempo mijn bier op kon drinken. De man zat schuin tegenover mij, aan de andere kant van het gangpad. In de trein hield hij zijn fisherman’s hat op zijn hoofd en was een boek beginnen te lezen, zodat hij bijna onzichtbaar was voor zijn medepassagiers. De titel en de schrijver van het boek zeiden mij niets: ‘The Hunger Games’ van ene Suzanne Collins.

Ik bekeek de man nog eens goed. Hij had iets bekends. Leek hij op een oude leraar van mij op de middelbare school? Een oude buurman? Ik had werkelijk geen idee.

Ter hoogte van Schiphol propte ik mijn tweede lege  halve literblik  Amstel Bier in het stalen prullenbakje naast mij. De man in het groen stond op om de trein te verlaten.

‘It was nice to have met you,’ zei ik tegen de man op het moment dat hij ter hoogte van mijn stoel in de rij stond om de trein te kunnen verlaten. Ietwat verstrooid keek hij me aan en zei: ‘It was nice to meet you too and thank you so much for the runtfleececroquet.’

Ik knikte beleefd terug, waarbij het gevoel dat ik deze man eerder had gezien steeds sterker werd. Die blik, die stem. Aan wie deed die man mij toch denken?

Ik denk dat we de Schipholtunnel nog niet uit waren of ik schreeuwde het bijna uit van ongeloof en verrassing. Opeens wist ik zeker wie de man was aan wie ik een rundvleeskroket had gegeven op station Holland Spoor: Donald Sutherland! De grote Donald Sutherland!

Ik overwoog een moment om bij het eerstvolgende station uit te stappen om terug te reizen naar Schiphol. Waarom zou ik dat doen? Het had geen enkele zin om terug te gaan. Donald Sutherland zou al lang in de mensenmassa verdwenen zijn.

Ik wilde honderd procent zeker weten dat ik de grote Hollywood acteur Donald Sutherland in levende lijve had ontmoet. Wat te doen? Ik dacht gelijk aan een oude studievriendin van mij die als grondstewardess voor de KLM werkte. Als zij op dat moment aan het werk was kon zij op een computer de passagierslijsten bekijken van de vluchten die om half negen die avond naar Los Angeles zouden vertrekken en zou ik zekerheid krijgen.

Ik kreeg mijn oude studievriendin snel aan de lijn. Ze bleek toevallig die middag en avond te moeten werken. Ik vertelde haar in het kort mijn verhaal, waarbij zij mij herhaaldelijk schaterlachend onderbrak (‘Haha, Donald Sutherland. Echt? Runtfleececroquet? Haha.’). Ze beloofde mij de passagierslijsten te bekijken en binnen enkele minuten terug te bellen.

‘Het klopt!’ riep ze enige minuten later enthousiast in mijn rechteroor. ‘Er vertrekt om half negen maar één toestel naar Los Angeles, de KL547 en daar zit hij op, Donald Sutherland! Je hebt hem echt ontmoet! Je hebt hem echt een runtfleececroquet gegeven, haha!’

Nadat ik mijn oude studievriendin uitgebreid bedankt had verheugde ik mij al over het feit om deze geweldige anekdote aan mijn vrouw en kinderen te kunnen vertellen. Thuis aangekomen bleek echter niemand te weten wie Donald Sutherland was. Geen enkele titel van een film waarin hij gespeeld had zei hen iets. Toen ik op de laptop foto’s van Donald Sutherland liet zien steeg er een onzeker weifelend gemompel op.

Het moet ruim een jaar later geweest zijn dat we met het hele gezin naar de première van de verfilming van Suzanne Collins’ boek ‘The Hunger Games’ gingen. Op het moment dat Donald Sutherland in beeld verscheen in zijn vertolking van de dictator President Coriolanus Snow sprong mijn zoon van 10 in de volle bioscoop op van zijn stoel en riep: ‘Kijk, pap! Donald Sutherland! Die heb jij nog een kroket gegeven!’ Geïrriteerde bioscoopbezoekers maanden mijn zoon stil te zijn. Ik keek met een glimlach naar het grote scherm voor mij en dacht: ja, het is waar. De grote dictator President Coriolanus Snow houdt wel van een runtfleececroquet.

Deze reportage is opgenomen in de bundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022)

Onbekend's avatar

Bij de 77e verjaardag van Salman Rushdie

Lezers van mijn reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022) – waarin 30 ontmoetingen met Groten der Aarde zijn opgenomen – weten dat ik tijdens mijn studententijd als medewerker in de passagiersbeveiliging op Schiphol werkzaam was. In die hoedanigheid heb ik veel beroemde mensen vliegtuigen in en uit zien gaan. Ontmoetingen op Schiphol met Hollywood acteur Dennis Hopper (1936-2010) en kardinaal Simonis (1931-2020) zijn in ‘Van Kluun tot Clinton’ opgenomen.

Op een zomerse dag in 1990 stond ik bij de security check van een vlucht naar Londen. Van tevoren waren wij op de hoogte gesteld van het feit dat Salman Rushdie, inclusief twee gewapende bodyguards, zich vlak voor vertrek van de vlucht aan de gate zou melden. Zij mochten zonder de gebruikelijke veiligheidscontrole het vliegtuig betreden.

Sinds de publicatie van zijn boek ‘De Duivelsverzen’ (1988) was Salman Rushdie wereldnieuws. Door veel literaire critici werd zijn boek beschouwd als een gedurfd en goed geschreven meesterwerk. Door sommige moslimfundamentalisten, en de leiders van de theocratie Iran, werd het boek als blasfemisch beschouwd. Waarschijnlijk zijn ‘De Duivelsverzen’ noch door moslimfundamentalisten, noch door Khomeini, leider van het toenmalige, dictatoriale, Iraanse regime, gelezen.

Op 14 februari 1989 sprak Khomeini over ‘De Duivelsverzen’ op Radio Teheran een fatwa uit (een fatwa is een juridisch advies in de islam, dat door een godsdienstige wetspecialist wordt uitgevaardigd met betrekking tot een specifieke kwestie), waardoor islamieten wereldwijd de opdracht kregen Rushdie te doden. De moordenaar van Rushdie werd een vermogen in het vooruitzicht gesteld. Dit alles leidde internationaal tot grote ophef. Het was de eerste keer dat zo’n fatwa werd uitgesproken over een westerse publieke figuur.

Op 3 augustus 1989 mislukte een bomaanslag in Londen op het leven van Rushdie, doordat de bom voortijdig ontplofte, de aanvaller kwam hierbij om het leven.

Rushdie moest eerst tien jaar onderduiken en stond ook daarna onder constante Britse politiebescherming.

De Japanse vertaler Hitoshi Igarashi (1947-1991) van ‘De Duivelsverzen’ werd op 12 juli 1991 dood aangetroffen in zijn kantoor aan de universiteit van Tsukuba. De moordenaar werd nooit gevonden en men neemt aan dat de geheime dienst van Iran verantwoordelijk moet worden geacht voor de moord.

Op die zomerse dag in 1990 meldde Rushdie zich inderdaad enkele minuten voor vertrek bij de gate. Ik zal nooit vergeten dat een Britse vrouw, bij het waarnemen van Rushdie inclusief bodyguards, weigerde het vliegtuig te delen met een man bij wie voortdurend de dreiging van een aanslag boven het hoofd hing. Misschien zou zich een bom in de laadruimte van het vliegtuig bevinden. Zonder enig probleem werd zij op een latere vlucht naar Londen geboekt.

Op 12 augustus 2022 was het raak. Rushdie werd in Chautauqua in de staat New York neergestoken. Terwijl hij werd voorgesteld aan het publiek, voordat hij met een lezing zou beginnen, stormde een man het podium op en viel de schrijver aan.

Rushdie raakte zwaargewond door messteken in nek en buik. Hij onderging een spoedoperatie in een ziekenhuis. Hij zou een oog verliezen.

Voor een schrijver zijn ogen belangrijker dan mensen die uit zijn op haat en geweld. De dader, een 24-jarige man, werd gearresteerd en mag van mij voor de rest van zijn leven naar de muren staren die op hem afkomen.

Iraanse media uitten volop steun aan de dader, die volgens hen de “afvallige en kwaadaardige Salman Rushdie aanviel.”

Door welke God worden deze haatzaaiers geleid? Als God bestaat kan hun God nooit mijn God zijn. Als God bestaat is God liefde, een concept dat alle mensen verbindt.

In 2016 maakte ik een roadtrip door Iran. Alleen in parken durfden met name jonge Iraniërs hun walging over het Iraanse regime te uiten. De geestelijke leiders van het land woonden in de meest chique buurt van Teheran. Italiaanse sportwagens sierden de parkeerplaatsen van hun luxe verblijven. Schijnheiligheid lijkt geen grenzen te kennen.

Ik wens Salman Rushdie een gezond, gelukkig en creatief leven toe.

De geestelijke en politieke leiders van Iran ontvangen mensen als Erdogan (dictator van Turkije) en Poetin (dictator van Rusland) met open armen, vanwege olie, geld en macht. Schaamteloosheid lijkt geen grenzen te kennen.

Het concept God wordt door sommigen misbruikt, niet andersom.

Onbekend's avatar

Hebban over ‘Transgender Rap’: Verrassend!

“Ik las ‘Transgender Rap’ van Peter Mabelus. Hiermee ging ik ver buiten mijn comfortzone. Het boek is namelijk een poëtisch boek.

De titel intrigeerde mij. Transgender en dan een rap, wat moest dat worden?

Nou het werd een boek waarbij poëzie in de breedste zin van het woord werd gebruikt. Neem daarbij alle thema’s die je maar kunt verzinnen, zoals mannen met naaldhakken, seksueel getinte poëzie, overdenkingen, enz. Dit allemaal samengebundeld in een boek dat met een simpele cover is omhuld.

Ondanks dat het buiten mij comfortzone was heb ik genoten. Niet van elk poëtisch stukje maar wel van de meesten. Ik denk dat er voor elk die van poëzie houdt of er kennis mee wil maken wel wat tussen zit.

Verrassend!”

Onbekend's avatar

Bij de 83e verjaardag van Bob Dylan: ‘I feel like a car wreck’. Mijn ontmoeting met Bob Dylan

Slechts weinig lezers weten dat ik sinds 1984 een regelmatige correspondentie onderhoud met Oscar- en Nobelprijswinnaar Bob Dylan. 

Het eerste van een reeks concerten van Dylan die ik zou bezoeken was op 6 juni 1984 in Sportpaleis Ahoy. Een zeer matig, eerder belabberd, optreden. 

Het geluk trof dat ik er via via achter was gekomen dat Dylan na het concert zou overnachten in het chique Hotel Des Indes aan het lange Voorhout in Den Haag.

Was zijn belabberde optreden van die avond te wijten aan een te veel aan whisky, een slecht humeur of een zware griep. Wat de reden voor de lichte blamage ook geweest mag zijn, ‘The show must go on’, niet waar?

Nog tijdens het wegsterven van de laatste toon van het concert spoedde ik mij zo snel mogelijk per taxi naar het hotel, in de hoop Dylan in de luxueuze hotellobby aan te kunnen treffen, om hem zijn handtekening te vragen, misschien zelfs een praatje te kunnen maken met mijn grote held.

Ik zat nog geen vijf minuten aan de bar van de lobby achter mijn dubbele Jack Daniels zonder ijs op de komst van Bob Dylan te wachten, of hij nam plaats op de kruk naast mij aan de bar. 

Op het moment dat we met elkaar aan de praat raakten kreeg ik pas door hoe grieperig hij was. Kenners van de zangstem van Dylan, die door critici wel eens omschreven is als ‘de stem van een hond die met zijn poot vast zit in het prikkeldraad’, zijn gewend aan het nasale stemgeluid van Dylan, maar nu leek hij met al zijn poten in het prikkeldraad vast te zitten en stroomde het snot uit zijn neus als het water van de Niagara Falls op de grens van de Verenigde Staten en Canada. Metaforen zijn nooit mijn sterkste kant geweest. Dat zal de reden zijn dat ik schrijver geworden ben en geen dichter.

Op mijn vraag een drankje voor hem te mogen bestellen verbaasde het mij dan ook niet dat hij koos voor een ‘grog’ (rum, gekookt water, citroen en honing). 

In de loop van ons gesprek vroeg Bob Dylan op een gegeven moment pen en papier aan de barman en schreef binnen een minuut of twee een tekst, die hij mij overhandigde: ‘I feel like a car wreck’. Het nummer is nooit door Dylan uitgebracht.

We wisselden onze contactgegevens uit.

Vlak daarna zocht hij ziek zijn bed op.

We werden vrienden voor het leven.

Once I was a speeding, brand new car

Now I am not even noticed as a cheap second-hand wreck

I have nothing more to say, feel less than timid

Gas no longer needed, I can no longer be strengthened

I feel like a car wreck, you vomited old fart

Ripe for the scrap heap, tear me apart

Take me off, throw me in a corner of the junkyard, crush me

I feel like a car wreck, I feel like a car wreck

Opgenomen in de bundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022): https://bit.ly/Peter-Mabelus

Onbekend's avatar

NBD-Biblion over ‘Transgender Rap’: “Geschikt voor een brede tot geoefende groep poëzielezers”

“Een eigentijdse dichtbundel over onder meer gender, liefde, de menselijke conditie en het dichterschap. Peter Mabelus geeft in deze bundel zijn visie op allerlei alledaagse en onalledaagse aangelegenheden, van liefdesperikelen, overbevolking en de snaartheorie tot verveling, ouder worden en de activiteiten van de overbuurvrouw. De gedichten zijn in persoonlijke, nuchtere en eigentijdse stijl geschreven, met af en toe grof taalgebruik. De vorm van de gedichten is overwegend vrij, met zo nu en dan gebruik van eindrijm. Met een voorwoord in dichtvorm van Pieter Waterdrinker. Geschikt voor een brede tot geoefende groep poëzielezers.”

Bron: https://shop.nbdbiblion.nl/product/transgender-rap

Vanaf deze week is ‘Transgender Rap’ te leen bij alle Nederlandse en Belgische bibliotheken.

Wil je zelf in het bezit komen van ‘Transgender Rap’, of het boek cadeau doen aan een vriend of vijand, koop dan een exemplaar bij mijn kleine uitgeverij in plaats van bij 1 van de grote webwinkels: https://boektiek.ambilicious.nl/index.php?route=product/search&search=transgender%20rap

Wend je voor een speciaal op naam gesigneerd exemplaar met opdracht van ‘Transgender Rap’ rechtstreeks tot de schrijver: petermabelus@gmail.com.

Onbekend's avatar

BIJ DE 76E VERJAARDAG VAN GRACE JONES:

SLAAF VAN HET RITME. EEN NACHT MET GRACE JONES

Nadat ik in de zomer van 1985 mijn propedeuse Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam had gehaald besloot ik een tussenjaar te nemen met bestemming Manhattan, New York.

In de middag van dinsdag 23 juli 1985 arriveerde ik in ‘the city that never sleeps’ en betrok een kamer in het HI New York City Hostel aan 891 Amsterdam Avenue, ter hoogte van West 103rd Street, op een steenworp afstand van Central Park.

In mijn handbagage bevond zich een grijsgedraaid exemplaar van Nightclubbing, het succesvolle album uit 1981 van het door mij mateloos bewonderde topmodel, zangeres en actrice Grace Jones.

Ik had mijn verblijf in Manhattan grondig voorbereid. Onder het motto dat brutalen in het bezit zijn van de halve wereld stuurde ik twee maanden voor mijn vertrek naar Amerika een brief naar de wereldberoemde kunstenaar Andy Warhol. Zijn immense studio The Factory bevond zich in die tijd aan 22 East 33rd Street, letterlijk in de schaduw van het Empire State Building.

Ik was al jaren op de hoogte van het feit dat Grace Jones en Andy Warhol een zeer intieme vriendschap onderhielden. Eerlijk gezegd was het vooruitzicht van een ontmoeting met mijn grootste idool de belangrijkste reden geweest om Andy Warhol mijn diensten aan te bieden.

In mijn sollicitatiebrief had ik Warhol afgeschilderd als ‘de grootste kunstenaar aller tijden’, en vermeld dat ik het een grote eer zou vinden om een tijd als vrijwilliger in zijn Factory te mogen werken. Binnen twee weken ontving ik een brief van Andy Warhol zelf waarin stond dat ik van harte welkom was.

Op woensdagochtend 24 juli 1985 ging ik voor het eerst naar mijn werk. Toevallig kwamen Andy Warhol en ik tegelijkertijd aan bij The Factory. Nadat ik mijzelf aan Warhol had voorgesteld omhelsde hij mij en zei: ‘Oh Peter, it’s so great that you’re here. We have so much work to do.’

Die eerste dag gaf Andy Warhol mij een rondleiding door het hele gebouw. Daarna liet hij mij vrij door alle vertrekken dwalen, ‘to breathe the art,’ zoals hij het treffend verwoordde.

Tijdens de lunch op de eerste dag van mijn nieuwe baan zat ik, behalve met Andy Warhol, aan tafel met de jonge, wereldberoemde beeldende kunstenaars Keith Haring en Jean-Michel Basquiat. Tot mijn grote vreugde bevond ook Grace Jones zich in ons gezelschap. Haar charismatische, androgyne, beeldschone, ebbenhouten aanwezigheid was net zo overdonderend als haar sensuele, lage stemgeluid.

Achteraf gezien is het verbijsterend om te beseffen dat in de paar jaren na mijn verblijf in The Factory achtereenvolgens Andy Warhol (22 februari 1987), Jean-Michel Basquiat (12 augustus 1988) en Keith Haring (16 februari 1990) het leven lieten.

Grace Jones bleek tijdens mijn eerste lunch in The Factory bijzonder gecharmeerd te zijn van mijn jeugdige persoonlijkheid. Ik was smoorverliefd op een vrouw die ruim zeventien jaar ouder was dan ik.

Grace Jones vertelde mij dat ze de volgende dag weer in The Factory zou verschijnen. Bij die gelegenheid liet ik mijn exemplaar van Nightclubbing door haar signeren.

Op zaterdag 14 september 1985 zou er in de Tony Shafrazi Gallery, destijds gelegen aan 544 West 26th Street in de kunstenaarswijk Chelsea, een gezamenlijke tentoonstelling Paintings worden geopend van Andy Warhol en wonderkind Jean-Michel Basquiat. Veel kunstwerken die op de tentoonstelling te zien zouden zijn moesten nog worden gemaakt en mij werd in de periode in aanloop naar de tentoonstelling geleerd hoe ik verf moest mengen, doeken moest spannen en zelfs met een verfroller de ondergrond van veel schilderijen in mocht kleuren.

Op de dag dat de tentoonstelling Paintings opende vond er in de avond een zeer onstuimige afterparty plaats in een aparte zaal van de beroemde nachtclub Studio 54. Er waren drugs in alle kleuren van de regenboog voorradig en oogverblindende, zeer schaars geklede paaldansers en danseressen zorgden voor een hitsige en opgewonden sfeer.

Rond een uur of vier in de ochtend stond ik op de dansvloer te tongzoenen met Grace Jones. Een half uurtje later werden wij door een limousine afgezet bij het Plaza Hotel. Dat ik het bed zou gaan delen met mijn grootste idool maakte mij haast krankzinnig van geluk.

Binnen een paar minuten lagen we in ons 50.000 dollar kostende Monarch Vi-Spring Bed op de 17e verdieping van het Plaza Hotel. Als we onze ogen van elkaar af hadden kunnen houden zouden we uit het raam een in diepe duisternis gehuld Central Park kunnen bewonderen.

Nadat wij ons beiden hadden uitgekleed en ons gretig op elkaar stortten kwam ik erachter dat Grace Jones in het bezit was van een enorm mannelijk geslachtsdeel. Ik schrok mij rot. Vervolgens barstte ik in hysterisch lachen uit.

Hoe had ik zo naïef kunnen zijn! Grace Jones was immers de tweelingzus van Christian Jones. Ik had echter nooit geweten dat Grace en Christian Jones werkelijk als twee druppels champagne op elkaar leken. Ook was het mij tijdens de afterparty in Studio 54 niet opgevallen dat naast Grace Jones ook Christian Jones aanwezig was.

Nadat ik een beetje tot mijzelf was gekomen maakten Christian en ik er een wilde nacht van.

Onbekend's avatar

Voorwoord Pieter Waterdrinker in ‘Transgender Rap’

De dichter Mabelus

En ’s avonds in verwrongen stand
bepeinst Mabelus het heden;
De wijze neus, de bleke hand,
de ogen zwevend naar het verleden.

Laat mij maar steunen op één knie,
ik heb de schouders van een ander;
Laat mij maar zwijgen want ik zie,
geen mens beseft hoe ik verander.

En zo groeit aan het avonduur,
de flessen gaan, de gedichten komen;
En zo laait op het letterenvuur –
Ach, laat mij toch, laat mij toch dromen…

Pieter Waterdrinker 

Onbekend's avatar

Transgender Rap slaat in als een bom in Deventer

Vanmiddag werd ik geheel in paniek gebeld door de manager van een lokale boekhandel: “Sinds uw gedichtenbundel Transgender Rap uit is gekomen, komt er geen hond meer naar de winkel! Iedereen zit thuis uw boek te lezen en te herlezen. Zo gaan we nog failliet! En de mensen die wel komen, vragen alleen nog maar naar uw boek! Maar de hele voorraad is op en ze vertrekken in tranen, zonder naar een ander boek om te kijken!”

‘Ik kan nog wel een paar auteursexemplaren van het boek komen brengen,’ prevelde ik in mijn smartphone.

Zo gezegd, zo gedaan.

Nadat ik mijn twee auteursexemplaren in de winkel had gesigneerd (zie foto, en merk vooral ook op dat er vanmiddag inderdaad geen enkele bezoeker in de winkel aanwezig was) griste de manager van de lokale boekhandel beide exemplaren voor mijn neus weg en zei: “Nu ga ik de winkel sluiten, open blijven heeft geen zin. Ik ga naar huis en samen met mijn vrouw uw boek lezen. Voor ieder een gesigneerd exemplaar.”

Schrijven is mijn lust en mijn leven, maar het is nooit mijn bedoeling geweest met mijn boeken mensen van slag te brengen, of de openbare orde te verstoren. Ik ben Erasmus niet.