Osho Tapoban Bootleg Series 1: Nepalees Dagboek

Vannacht werd ik om middernacht wakker. Het licht in de kamer was nog aan. Mijn grote fles bier was nog half vol. ‘Het pad van Zen’ was op bladzijde drie uit mijn handen gevallen. Ik moet om ongeveer half acht gisterenavond in slaap zijn gevallen. Wakker geworden bleef ik nog een uurtje rommelen en tobben. Echt ontspannen was ik in het geheel nog niet. Vanmorgen werd ik echter als herboren wakker om half negen. Niet gek als je bedenkt dat ik bij elkaar de klok rond heb geslapen. Ontbeten met een pot koffie en toast met jam op het dakterras van het hotel. Warme douche. Om half tien stond ik al bij het Department of Immigration voor mijn trekking permit. Hoewel het Department of Immigration pas om tien uur open zou gaan waren er al een stuk of twintig mensen voor mij. Toen ik om half elf buiten stond (de permit kon ik om twee uur ‘s middags ophalen) stond er een rij van een man of honderd. Vervolgens op zoek naar het kantoor van Biman Bangladesh Airlines om mijn terugvlucht te reconformeren. Een wandeling door een stoffig en heet Kathmandu. Ik kwam geen blanke tegen. Ik zag papegaaienhandelaren, zwerfkinderen, waarzegsters en bouwvakkers en dat te midden van verkeer dat net zo’n wild west rijstijl heeft als dat in Jakarta. Vooral veel toeteren. En er stonden op bijna elk verkeerspunt agenten in smetteloze uniformen gebaren te maken, alsof ze enige invloed hadden op de draaikolk van staal, hout en vlees. Een breakdancer zonder publiek. Bij het gebouw van Biman aangekomen bleek er een grote bouwplaats te zijn op de plaats waar ooit het kantoor gestaan moet hebben. Na speuren en vragen kwam ik toch waar ik moest zijn en regelde ik wat ik had willen regelen: de terugvlucht.

Omdat ik tijd genoeg had tot het moment waarop ik mijn trekking permit op kon halen liep ik zo ongeveer in de richting van waar ik het beroemde Durbar Square vermoedde. De locals schijnen dit plein Hanuman Dhoka te noemen. Ik liep via de klokkentoren naar de Bagh Bazaar, een zeer drukke markt waar van alles te koop en te doen is. Ik was de enige blanke en omdat de mensen zo dicht op elkaar liepen, zaten en stonden vond ik het gênant om mijn camera te trekken en plaatjes te schieten. Langs een stoffig park liep ik naar de grootse winkelstraat van Kathmandu, New Road. Hier kocht ik een zonnebril na enig aarzelend en onwennig afdingen van een jongen die zei ooit in Rotterdam te zijn geweest. Aan het eind van de straat kocht ik in een klein winkeltje een kaart van het Annapurna gebied, een stapeltje ansichtkaarten en wat postzegels. Daarna liep ik het eerste plein van Durbar op, want in feite is Durbar Square een verzameling van een plein of drie, vier bij elkaar, omringd met paleizen en tempels, waar tussen door handel gedreven wordt, monniken lopen, locals in de zon zitten uit te puffen, toeristen rondhangen en foto’s nemen en het verkeer van riksja’s, scooters en auto’s scheert ook hier overheen. De prachtige tempels en paleizen zijn aan het ene plein nog indrukwekkender en mooier dan het andere. Op het moment dat ik daar liep wist ik dat ik met geen pen kan beschrijven hoe indrukwekkend en mooi. Elke tempel is weer anders van vorm en grootte. Ze zijn allemaal stoffig en bezaaid met vogels en mensen. Vrouwen verkopen strengen fel gekleurde bloemen. Sadhu’s in oranje gewaad met lange vuile baard en rastahaar hangen rond en bedelen. Boeddhistische monniken schrijden statig rond. Hitte. Lawaai. Drukte. Veel mensen. Veel kleuren. Daarna Thamel in, nu vanaf de zuidkant. Ik bleef maar genieten van alles wat ik zag, al lopend door dit kleurrijke mierennest. Iedereen heeft het druk. Ontelbare winkeltjes verkopen potten, pannen, vliegers, kleden, poppen, voedsel, fruit en bloemen. Ik werd ingehaald door twee mannen met elk een bankstel op de rug in balans gehouden door een band om het hoofd, de namlo. Anderen liepen met enorme bossen hooi op de rug of zestig fel rood gekleurde emmers. En dat alles in straatjes van drie meter breed waar al het andere verkeer ook hortend en stotend gebruik van maakt. In elke straat heerst dezelfde chaos. Ik schiet er nu vrolijk en lustig op los met mijn camera. Nu voel ik geen gene. De behoefte om hier iets van vast te leggen is te groot. Net als angst is schaamte een slechte raadgever als het er om gaat iets te doen. Er zijn echter grenzen, soms is het ongepast te fotograferen wat je ziet. Zo zag ik bij de Bagh Bazaar een vrouw in kleermakerszit met voor zich op de grond een driehoekig patroon van bloemen en zaden. Ondertussen hield ze een hand op het hoofd van een vrouw, in dezelfde houding, die in trance leek. Toen kon ik niet over mijn hart verkrijgen om een dia te maken. Er bestaat ook nog zoiets als respect en afstand. Ik ben geen fotojournalist die er van moet leven. Na een lange tijd ongelovig en positief geschokt door Thamel gezworven te hebben en even verdwaald te zijn ging ik mijn trekking permit ophalen. Ergens anders moest ik ook nog een toegangskaart voor het Annapurna gebied kopen. De trekking permit kostte vijftien dollar, de toegangskaart duizend roepies (dertig gulden), bij elkaar zestig gulden, twee maandlonen voor de gemiddelde Nepalees. Toen terug naar een muziekwinkel die ik in een steeg had gezien toen ik haast had om op tijd mijn trekking permit op te halen. In de muziekwinkel veel instrumenten beklopt en bevingerd. Het meest interessante vond ik een sitar die honderd dollar moest kosten. Een prachtig groot instrument met een snaar of zeventien, vijf boven en daaronder twaalf. Uitleg gekregen over hoe de sitar te bespelen en te stemmen. Een prachtig instrument, maar waarschijnlijk onmogelijk om mee naar Nederland te slepen. Te groot en te kwetsbaar.
Terug naar Hotel Horizon om via de familie een bus voor morgen naar Pokhara te regelen. Op het dak kaartjes vol geschreven. Er kwam een halfzusje van Steffi Graf uit Hamburg bij me aan tafel zitten. Ze had ook aan het andere tafeltje op het dak plaats kunnen nemen, maar dat deed ze niet. Samen thee gedronken en haar koekjes opgegeten. Geklets over heilige koetjes en Nepalese kalfjes. Ze was ook alleen op reis en vandaag was ze jarig. We praatten over de voor- en nadelen van het alleen reizen, de schoonheid en de horror ervan en hoe het alleen reizen de ervaringen intenser kan maken. Ik vroeg haar of ze al plannen had voor het avondeten. Ze was immers alleen, aardig, zag er leuk uit en was jarig. Ze had echter al met een Duits stelletje afgesproken, dat ze vandaag ontmoet had, om te gaan eten en feesten. Ik verwachtte een uitnodiging om mee te eten en feesten. Die kwam niet. Toen stond ze op om nog wat dingetjes te regelen voor haar trek, ergens ten noorden van Kathmandu. Ik zei ‘tot ziens en een prettige avond’ en schreef nog wat kaartjes vol. Ik moest alleen gaan eten en dat haat ik. Alleen eten in een stad waar bijna niemand alleen eet. In het grote toverboek vond ik een pizzeria. Het restaurant was volgens mijn reisgids opgezet door een Italiaanse vrouw en bevond zich volgens mijn berekeningen zo’n tweehonderd meter hier vandaan. Al bladerend in mijn toverboek een pizza naar binnen gewerkt met een blikje Tuborg erbij. Binnen twintig minuten stond ik weer buiten. Ik had voor de volksgezondheid een vegetarische pizza genomen omdat vlees en salades in apenlanden onbetrouwbaar zijn. Vegetariër voor een maand? We zullen zien. Ook al geen karnemelk of lekkere belegen kaas. Wat heeft een mens echter nodig om gelukkig te zijn? Je eigen persoon, liefde voor jezelf en weten wie je bent en wie van je houden. Het leven is een geschenk van God en je moet nooit twijfelen aan je vermogen om te overleven en te doen. Als jij het niet kunt doen, wie wel? Geen apathie, maar genieten van het leven, de schepping, de wereld. Zo zit dat.
In het vliegtuig hier naar toe heb ik de reisspecial in HP-De Tijd gelezen. Ook een artikel over verre reizen. Het had los van de financiële mogelijkheden van tegenwoordig ook te maken met het einde van het tijdperk van het naoorlogse zuinige. Genieten van het nu. Dingen doen die je wilt doen verwezenlijken niet staren naar de droomreizen top tien van de gemiddelde Nederlander en weer naar Benidorm gaan. Op een in de droomreizen top tien stond de Verenigde Staten van Amerika, op drie stond Indonesië. Ben ik dan toch een gemiddelde Nederlander? Misschien, maar ik heb die reizen gemaakt. En nu zit ik hier op mijn bedje in Kathmandu met het schrijfblok op mijn knieën aan mijn reisverslag te schrijven, het heerlijke pot pourri bandje van Johan op de walkman erbij. Nepal kwam niet in de droomreizen top tien voor. Ik ben hier nog maar net en moet maar zien hoe het allemaal loopt. Tot nu toe volgens plan. Maar ik dwaal af. Na het gezellige uit eten gaan (er zat een Japans gezelschap met de slappe lach achter mij in het restaurant) wat crackers voor morgen in de bus gekocht en een goedkoop miniflesje wodka gehaald in een winkeltje voor nu. De cirkel is rond. Morgen is er weer een dag.
Op straat word je heel veel aangesproken om drugs te kopen of hasjpijpjes. Ik glimlach en loop voorbij. Peter heeft genoeg aan zijn flesje wodka van twee gulden vijftig. Nepalezen zijn zo aardig en geïnteresseerd. Hetgeen dat mij ook doet zijn. Ik vroeg aan het jongste broertje of neefje vanmiddag, ‘hoeveel kanalen hebben jullie op de televisie?’, ‘o, hebben jullie pas sinds tien jaar televisie in Nepal?’, ‘gaat alles goed?’, ‘heb je lekker geslapen?’ I’m o.k., you’re o.k. Wel prettig en ook het beetje warmte en aandacht dat je nodig hebt als je alleen reist en niets hebt om jezelf thuis te voelen behalve jezelf en het halfzusje van Steffi Graf niet zo maar met je uit eten wil gaan en daarna niet zo maar met je het bed in wil duiken. Ik hoor de melancholieke Leonard Cohen op de walkman.
Ik kan niet wennen aan het feit dat je door een vliegtuig van de ene wereld in de andere wordt gesmeten. Opeens is alles hier belangrijk, hoor je de geluiden die hier klinken, loop je door deze straten en sissen deze mensen naar je, willen wat van je, hier en nu, ver van huis. Wat als je gewoon thuis was gebleven/ Dan was deze wereld er ook geweest. Dat is ook het verwarrende van dit soort reizen. Neergeplant worden in een totaal andere wereld, te midden van mensen die hun dagelijkse leven leiden en er niet van weg kunnen gaan als ik. Hun leven zit in een veel vaster stramien dan het mijne, is veel meer onontkoombaar. En opeens loop jij daar door heen. Door hun decor. Niet dat het voor hen veel uitmaakt. De zoveelste toerist, rijke vreemdeling. Maar andersom is het nogal wat. Cultuurschok. Juist de confrontatie is zo inspirerend. Hier is alles zo anders. Je beseft je eigen afkomst en wereld zo goed. Het opent de ogen, maar verandert niets aan het feit dat ik een Amsterdammer ben en zij hier moeten blijven leven. De schok leert me iets, maakt me vrijer en mijn leven thuis minder vanzelfsprekend. Het vult mijn hart met liefde voor de mensheid. En dan meer voor de mensen hier dan voor ons die gevangen lijken in een wirwar van ontelbare regels, voorschriften, verplichtingen, contracten, lasten, poeha, status en imago. De glimlachende vrouw op de hoek die snoep verkoopt is toch net zo veel waard als de president-directeur van Philips. Maar de waarheid is dat bedrijven als Philips hun arbeid naar deze landen verplaatsen, niet uit respect voor de mensen, maar omdat men hier niets verdient. Leve de Europese Unie met vrij verkeer van arbeid, personen en kapitaal. Leve de Nederlandse multinationals. Power to the people!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s