Onbekend's avatar

Bob Dylan ( (Duluth (Minnesota), 24 mei 1941): “If you want people to speak kindly after you’re gone, speak kindly while you’re alive”

Vandaag kwam ik op een fansite van Bob Dylan het volgende bericht tegen van ene John Ardern:

“Bob Dylan has just warned the World!

At 84, Bob could have stayed silent – he could have let the suspension of Jimmy Kimmel’s TV show just fade away in America’s endless culture wars under President Donald Trump. His statement included :

“When I was a boy in Minnesota, I used to sit in a tiny room, playing my father’s old guitar. Every time the neighbours knocked on the door and told me to be quiet, it felt like the music in my heart was being strangled. If i had obeyed back then, maybe I would never have sung again”

“Do Disney and ABC TV think that by bringing Jimmy Kimmel back (on air) will calm us? NO, this isnt about just one show – it’s about the freedom and creativity of an entire generation. When the right to speak is suffocated, art withers and we step into an age of darkness.”

“When you silence comedians, when you punish artists for speaking, you’re not protecting society – you’re teaching people to fear their own voice”

He is also quoted that he said – when he heard about the death of Charlie Kirk – “If you want people to speak kindly after you’re gone, speak kindly while you’re alive”.

Even if this is a misquote, it is still so very apt and true!

In a World where words can wound or heal, choosing empathy to one another is so important. By speaking kindly and treating one another with dignity, Bob Dylan’s message reminds us that political or religious affiliation or ideology is secondary to our shared humanity.”

Onbekend's avatar

Het ongelijk van Charlie Kirk

Als je nu naar de website van Charlie Kirk gaat, krijg je Kirk in een heldhaftige pose te zien, met daarbij het onderschrift “All American Fighter”. De webshop van Kirk is inmiddels uit de lucht gehaald. Vorige week was daar nog onderstaand T-shirt te koop voor slechts 35 dollar exclusief verzendkosten en importheffing. The Times They Are-A-Changin’…

Onbekend's avatar

Een dag waarop ik geschonden werd.

“Mensen fotograferen staat gelijk aan hen schenden, hen zien zoals ze zichzelf nooit zien, iets van hen weten wat zij zelf nooit kunnen weten. Het maakt mensen tot objecten die symbolisch in bezit kunnen worden genomen.”

Susan Sontag: ‘In Plato’s grot’, Over fotografie, 1977.

Foto’s: Cimetière du Montparnasse, Parijs, 20 juni 2025.

Onbekend's avatar

Een ode aan voormalig president van Frankrijk Jacques Giraffe/Chirac (1995-2007)

Aangezien een safari in Afrika destijds nu eenmaal op mijn snel korter wordende bucketlist stond, bezocht ik samen met mijn collega en vriend, de controversiële Franse schrijver André Pantalon Passepoil, in januari 2006 het wereldberoemde Kruger National Park in Zuid-Afrika. Naast de “The Big Five” – de leeuw, de buffel, het luipaard, de neushoorn en de Afrikaanse olifant – zijn ook de giraffe, het nijlpaard, de koedoe, de impala, de wilde hond, de zebra, het jachtluipaard, de hyena, de krokodil, de baviaan en zeldzame vogelsoorten zoals de zuidelijke hoornraaf in het Kruger National Park te vinden.

De safari viel nogal tegen. De meeste dieren hielden zich het grootste deel van de dag verstopt in de weelderige vegetatie die overal in het park te vinden was. Mijn reisgenoot, collega en vriend André Pantalon Passepoil betreurde het feit dat jagen verboden was (hij was een groot bewonderaar van de beruchte Amerikaanse schrijver en jager Ernest Hemingway (1899-1961)). Hij vond het park “een slome dierentuin zonder hekken” en imiteerde elke avond uit verveling de door hem zo bewonderde Hemingway door zo snel mogelijk stomdronken te worden.

Op de laatste dag van onze safari betraden wij bij de zuidelijke uitgang van het park, de ‘Crocodile Bridge Gate’, de “verplichte” souvernirwinkel. Ik kocht wat vrolijke t-shirts voor mijn kinderen, nichtjes en neefjes, André Pantalon Passepoil kocht voor zijn maîtresse een schitterend met de hand gesneden beeld van een giraffe van een kleine meter hoog. Omdat op dat moment de volkomen charisma-loze Jacques Chirac al sinds 1995 president van Frankrijk was, wees ik in een opwelling naar het beeld van de giraffe en zei tegen mijn Franse reisgenoot: “Regardez, président Jacques Giraffe!”, Frans voor: “Kijk, president Jacques Giraffe!”

André Pantalon Passepoil begreep de woordspeling onmiddellijk, schoot keihard in de lach en bezwoer mij dat wij ooit, als Jacques Chirac dood en begraven zou zijn, als herinnering aan onze safari, mijn geniale woordspeling (zijn woorden, niet de mijne) en uit “respect” voor president Jacques Chirac een opblaas giraffe op het graf van president Jacques Chrirac zouden plaatsen.

Op het moment dat Jacques Chirac daadwerkelijk overleed op 86-jarige leeftijd in 2019 duurde het tot vorige maand (20 juni 2025) dat onze in Zuid-Afrika gemaakte belofte eindelijk waar kon worden gemaakt op Cimetière Montparnasse, 3, Boulevard Edgar-Quinet, gelegen in het 14e arrondissement van Parijs.

Ik bezocht op de avond van 19 juni 2025 een literair festival in Parijs om wat verhalen, gedichten en romanfragmenten in het Frans voor te komen lezen. André Pantalon Passepoil was ook aanwezig op het festival. De volgende ochtend plaatsten wij de opblaas giraffe op het graf van Chirac. Een schrijver moet zich aan zijn woord houden.

Onbekend's avatar

Een bezoek aan huis “Maison Gainsbourg” en graf van Serge Gainsbourg (1929-1991), 19 juni 2025

“Een unieke ontdekking van Serge Gainsbourgs historische huis aan de rue de Verneuil 5bis, dankzij een originele soundtrack, gecreëerd door Soundwalk Collective in samenwerking met Charlotte Gainsbourg, die het publiek stap voor stap door haar ouderlijk huis leidt. Aan het einde van deze dertig minuten durende, intieme ervaring geeft het ticket toegang tot het museum, gelegen aan de rue de Verneuil 14, gewijd aan Serge Gainsbourgs leven en carrière. Le Gainsbarre en de boekwinkel zijn gratis toegankelijk.”

Bron: https://experience.maisongainsbourg.fr/selection/timeslotpass?productId=10228438374798&lang=en

Voorafgaand aan het bezoek van Maison Gainsbourg bezocht ik het graf van Serge Gainsbourg op Cimetière Montparnasse, 3, Boulevard Edgar-Quinet, gelegen in het 14e arrondissement van Parijs.

Onbekend's avatar

Boodschap uit Iran

In 2016 maakte ik een roadtrip door Iran en ontmoette in een badplaats aan de Kaspische Zee Farhad Nastar, een vriend voor het leven. Vanmorgen stuurde hij mij bovenstaande afbeelding met begeleidende tekst:

Some guy just said: “Imagine reading a book with no way to turn back a page. How carefully would you read those pages? That’s life.”

Onbekend's avatar

Ook de vader van president Donald Trump was een racist van het zuiverste water

Vandaag kwam ik tijdens het lezen van ‘Pledging my time, Conversations with Bob Dylan band members’ van Dylanoloog Ray Padgett achter een opzienbarend feit omtrent de vader van president Donald Trump, vastgoedmagnaat Fred Trump.

Folk legende Woody Guthrie (1912-1967) huurde begin jaren 50 van de vorige eeuw voor korte tijd een appartement in de wijk Brooklyn, New York dat deel uitmaakte van het appartementencomplex Beach Haven, eigenaar Fred Trump.

In het huurcontract stond expliciet dat de appartementen alleen door blanken bewoond mochten worden. Uit protest tegen dit pure staaltje racisme schreef Woody Guthrie het nummer ‘Old man Trump’:

I suppose that Old Man Trump knows just how much racial hate

He stirred up in that bloodpot of human hearts

When he drawed that color line

Here at his Beach Haven family project

Beach Haven ain’t my home!

No, I just can’t pay this rent!

My money’s down the drain,

And my soul is badly bent!

Beach Haven is Trump’s Tower

Where no black folks come to roam,

No, no, Old Man Trump!

Old Beach Haven ain’t my home!

I’m calling out my welcome to you and your man both

Welcoming you here to Beach Haven

To love in any way you please and to have some kind of a decent place

To have your kids raised up in.

Beach Haven ain’t my home!

No, I just can’t pay this rent!

My money’s down the drain,

And my soul is badly bent!

Beach Haven is Trump’s Tower

Where no black folks come to roam,

No, no, Old Man Trump!

Old Beach Haven ain’t my home!

De geschiedenis herhaalt zich niet. De geschiedenis rijmt

Onbekend's avatar

Stierenvechten kijken voor beginners of een fascinerende blik in de ogen van een stervend dier?

Vanmiddag bezocht ik in de bioscoop de hypnotiserende documentaire ‘Tardes de soledad’ van Albert Serra. Negen stieren sterven in de compromisloze documentaire waarin je tijdens het kijken wordt verscheurd door tussen dit absoluut niet willen zien en toch ademloos toekijken.

Ik citeer uit de eloquente recensie van Kevin Toma, de Volkskrant 27 mei 2025:

“Steek na steek verandert het fiere lijf van de stier in een slagveld. Het uit de wonden gutsende bloed glinstert in de late middagzon. Opgehitst door matador Andrés Roca Rey en zijn met lansen en haakstokken bewapende helpers, raast het rund rond in de arena.

‘Tardes de soledad’ (‘Namiddagen van eenzaamheid’) is een absoluut meesterwerk, zonder meer een van de beste, meest indringende en plastische films van het jaar. Het is óók een extreem directe confrontatie met je eigen incasseringsvermogen. Met je eigen opvattingen over de relatie tussen mens en dier.

De enige context wordt gevormd door de momenten tussendoor, als je Rey en zijn gevolg in hun busje of in hotels aantreft. Opvallend: zo dwingend als zijn oogcontact met de stieren is, zo weinig blikken wisselt Rey uit met de andere mannen. Hij kijkt liever naar de camera of naar zichzelf in de spiegel van de hotelkamer. Gezien en bewonderd worden – het lijkt Rey’s voornaamste drijfveer om in de ring te stappen, om steeds weer aan die dans met de dood te beginnen.

Ook dat motief wordt nergens in ‘Tardes de soledad’ expliciet benoemd. Serra levert je consequent over aan je eigen gedachten, gevoelens en mening. Ook doordat je vrijwel niets van het publiek te zien krijgt, ontstaat de sensatie dat de film je plompverloren in het hier en nu van het gevecht plaatst. Dat je ook zelf onderdeel van die dodendans wordt.”

Principes van mensen zijn vaak obligaat, verdacht, schijnheilig of vrijblijvend. Zo vernam ik uit verschillende kelen in mijn omgeving dat ze ‘Tardes de soledad’ uit principe niet willen zien “omdat ze principieel tegen stierenvechten zijn.”

Diezelfde mensen bezoeken fluitend de McDonald’s of serveren je kilo’s plofkip in hun zogenaamd exotische kipgerecht, met of zonder rijst, als je gezellig voor het eten bent uitgenodigd.

Elk wezen is per definitie een moordenaar of parasiet (wat op hetzelfde neerkomt).

Onbekend's avatar

Hoe ik als 15-jarige jongen net niet in de hotelkamer van Billy Preston belandde, 23 mei 1981

Mijn ouders profileerden zich in mijn jeugdjaren regelmatig als hardcore gereformeerde opvoeders. Mijn oudere broer, oudere zus en ik hadden daar zo nu en dan onder te lijden, maar achteraf gezien deden wij over het algemeen toch waar we zelf zin in hadden. Met een beetje goede wil kun je misschien ook zeggen dat mijn ouders in onze tienerjaren de teugels al wat lieten vieren en dat we daarom van hen de ruimte kregen om “te doen waar we zelf zin in hadden”. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, zoals zo vaak in het leven.

In 1981, het jaar waarin dit spannende verhaal speelt, was ik een keurige jongen van vijftien jaar oud. In mijn herinnering deed ik weinig fout; ik doorliep met speels gemak het VWO, masturbeerde niet veel meer dan mijn leeftijdgenoten, was een fervent hardloper, rookte nog niet en was pas sinds korte tijd elke vrijdagavond dronken. Dit laatste feit speelde zich elke week af op de zolderkamer van mijn toenmalige boezemvriend Hans Baaij, omdat zijn gereformeerde ouders (ja, Hans was ook in het bezit van twee ouders die zich regelmatig als hardcore gereformeerde ouders profileerden) elke vrijdagavond moesten repeteren voor het kerkkoor van de een of andere gereformeerde gemeente in de wereldstad Beverwijk en pas thuiskwamen nadat wij naar de plaatselijke disco waren vertrokken.

Als we om een uur of half twee ’s nachts in onze respectievelijke ouderlijke woningen terugkeerden, lagen de ouders van Hans al op één oor. Dat laatste was ook altijd het geval bij mijn moeder. Mijn vader echter stond mij vaak nerveus bij de achterdeur op te wachten om te kijken hoe dronken ik was. In de loop der tijd slaagde ik erin om met gebruik van weinig woorden, en in opperste concentratie te focussen op het maken van grote stappen in de richting van de trap en mijn slaapkamer, de achterdochtige blikken van mijn vader te ontwijken. Ik gaf hem daarmee de indruk dat ik niet zo dronken was als hij vermoed had. Iedereen blij (behalve ik als ik de volgende ochtend met een kater wakker werd).

In de jaren tachtig van de vorige eeuw kon je nog als kleuter naar de slijter gaan en met een fles whisky naar buiten lopen. Dit betekende voor Hans Baaij en mij dat we om de beurt elke week drank konden inslaan bij de dorpsslijter om mee in te drinken op de zolderkamer van Hans. We hadden niet veel geld dus waren we veroordeeld om de allergoedkoopste citroenjenever, bessenjenever, port en andere smerige drankjes bij de dorpsslijter te kopen. Vaak genoeg hield ik bij het achteroverslaan van het aangeschafte alcoholische bocht met twee vingers mijn neus dicht, zo smerig was het bocht dat ik van mezelf moest drinken om vrolijker te worden dan ik al was.

Het kwam regelmatig voor dat de ingeslagen drank zo smerig was dat die gelijk weer naar buiten kwam zetten. Gelukkig beschikte de zolderkamer van Hans Baaij over een wasbak die we als kotsteiltje konden gebruiken. Met een beetje mazzel kwam bij het kotsen de avondmaaltijd niet mee naar buiten. Als dat wel het geval was moest je uitkijken dat de wasbak niet overstroomde tijdens het kotsen. Ook kon het zo zijn dat je dan minuten bezig was om met een vork je kots door het afvoerputje te prakken. De aanwezigheid van de vork bij de wasbak laat goed zien dat een mens door schade en schande wijs wordt en niet andersom, als je begrijpt wat ik bedoel. Oefening baart gelukkig kunst, waardoor we er door de tijden heen steeds beter in slaagden om de meest smerige alcoholische brouwsels binnen te houden.

Op de zolderkamer van Hans luisterden we naar muziek uit de jaren zestig, zoals The Beatles, The Rolling Stones en The Doors. Omdat we nog zo jong waren konden we geen oude hippies zijn en dat bleek onder meer uit het feit dat we ook naar eigentijdse muziek luisterden zoals Joy Division en The Cure. Hans en ik hadden het geluk dat we in een tijd leefden dat er zelden iets op de televisie te zien was wat de moeite waard was. In die zin is er weinig veranderd, behalve dat het aanbod van oninteressante televisieprogramma’s in de loop der jaren enorm is toegenomen. Internet en mobiele telefoons lagen nog in een ver verschiet, dus hadden we alle tijd om onze geest te verruimen met de boeken van Sartre en Camus, Dostojevski en Kafka, Bukowski en Hemingway. Al hadden we willen ontlezen, ontlezen was feitelijk onmogelijk omdat we te veel tijd hadden die gevuld moest worden. Televisie overdag was er niet. Er stond vaak muziek aan, maar daar kon je gemakkelijk bij lezen. Jongeren gingen in die tijd nog vaak bij elkaar op bezoek in plaats van vriendschappen te onderhouden door middel van sociale media. Was vroeger alles beter? Nee, het ene wel en het andere niet.

Je zult begrijpen dat er een causaal verband bestond tussen onze muzikale en literaire voorkeur en onze fascinatie voor veel drinken. We woonden in de polder en waren in veel opzichten net zo groen als het gras dat ons dorp omringde. Dit betekende dat het gebruiken van drugs er voorlopig nog niet in zat.

Rond 1981 was het tijd voor een volgende stap. Niet alleen luisteren naar onze favoriete muziek op onze slaapkamers en elke vrijdagavond op de zolderkamer van Hans aan vloeibare automutilatie doen, we wilden ook wel eens onze helden in het echt zien. De financiële middelen om die droom uit te laten komen kwamen met het klimmen der jaren steeds meer binnen ons bereik: we kregen jaarlijks meer zakgeld en verdienden inmiddels ook geld als vakkenvuller bij de lokale supermarkt of met het lopen van een folderwijk.

Over het bezoeken van een popconcert viel met onze ouders niet te discussiëren. Volgens onze ouders waren popmuzikanten goddeloze drugsverslaafden die hun verslaving bekostigden met de opbrengst van de kaartverkoop bij concerten. Naar een concert gaan betekende in hun ogen daarom het rechtstreeks faciliteren van het drugsgebruik van de muzikanten die optraden en daarmee direct of indirect de jeugd op het slechte pad brachten. Onze ouders deden er alles aan om een voorbeeldfunctie voor ons te vervullen die veel beter was dan die van gedrogeerde rockmusici: zij dronken hoogstens een glas wijn op een verjaardag en vervulden trouw vijf dagen per week de rol van loonslaaf in fabriek of school. Op 15-jarige leeftijd keken we vanzelfsprekend meer op naar onze zelfgekozen helden dan de ons door de natuur opgedrongen opvoeders.

Achteraf was 1981 het laatste jaar waarin onze ouders ons konden weerhouden van concertbezoek. Al een jaar later gingen we naar The Rolling Stones in de Rotterdamse Kuip en The Cure in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht.

Het toeval wilde dat de christelijke radio- en televisieomroep de NCRV op 23 mei 1981 in het zalencomplex van het Rotterdamse Ahoy van tien uur in de ochtend tot tien uur in de avond het grote NCRV-festival zou houden. Dit leek onze ouders de ideale mogelijkheid om het onaangename met het nuttige te verenigen; Hans en ik zouden naar een heus popfestival mogen gaan, maar omdat het concert plaatsvond onder de auspiciën van de christelijke NCRV was de kans in hun ogen klein dat er drugsgebruikende artiesten zouden optreden, of dat er drugsgebruikende tieners rondliepen in het Ahoycomplex.

Als je naar de line up van het NCRV-festival kijkt kom je vooral de namen van inmiddels totaal vergeten acts tegen. Nederlandse acts voerden de boventoon omdat die vanzelfsprekend het goedkoopst te boeken waren: de uit Nederlandse Molukkers bestaande band Massada, de ruig rockende New Adventures uit Winschoten, De Haagse Urban Heroes en The Mo uit Delft. Iets beroemder waren de acts Earth and Fire met daarin zangeres Jerney Kaagman, die een jaar eerder een grote internationale hit scoorden met het nummer ‘Weekend’ en de symfonische rockgroep Kayak.

De concerten van de Nederlandse acts, die vooral overdag plaatsvonden konden ons maar weinig bekoren. Het wachten was op twee grote internationale acts die we wel interessant vonden: Van Morrison, de Noord-Ierse zanger en muzikant die in de jaren zestig furore had gemaakt met de band ‘Them’ en een wereldhit scoorde met het opzwepende nummer ‘Gloria’ en de christelijke Amerikaanse soul- en rockmusicus Billy Preston, die niet alleen wereldhits scoorde als zanger maar vooral bekend werd als de organist die rond 1970 met The Beatles en The Rolling Stones had opgetreden en zelfs te horen was op het album ‘Let it be’ van The Beatles. De Beatles single ‘Get back’ werd in maart 1969 zelfs uitgebracht met als artiestennaam The Beatles with Billy Preston. Ook is Billy Preston te horen op de eerste vijf albums die The Rolling Stones in de jaren zeventig uitbrachten, van het album ‘Sticky Fingers’ tot en met het album ‘Black and Blue’.

Het was een uur of half acht in de avond en ik stond met Hans midden in het grote Sportpaleis te wachten op het concert van Billy Preston. Om wat voor reden dan ook duurden het ombouwen van het podium en de daaropvolgende soundcheck eindeloos lang.

“Ik ga even kijken of ik zonder problemen achter de coulissen kan komen,” zei ik tegen Hans. “Misschien kan ik een praatje met Billy Preston maken.”

“Dat lukt je nooit,” zei Hans.

“Het duurt blijkbaar nog even voor het concert van Billy Preston begint,” vervolgde ik tegen Hans. “De beveiliging lijkt hier weinig voor te stellen en niet geschoten is altijd mis.”

Hans keek me met grote ogen verschrikt aan en mompelde dat hij niet zou durven mee te gaan.

“Oké, dan zie ik je straks wel weer,” zei ik en liep naar de dranghekken van ruim een meter hoog die de zaal van de wielerbaan scheidden, die in die tijd nog de zaalvloer omringde.

Heel geniepig ging ik eerst met mijn rug naar de dranghekken bij de wielerbaan staan, zodat het niet zo erg zou opvallen als ik in een halve draai mijn benen over het dranghek zou werpen en op de wielerbaan zou komen te staan.

Op de wielerbaan liep allerlei voetvolk: medewerkers van Ahoy, de NCRV, een enkele beveiligingsbeambte en ook mensen zonder badge of duidelijke functie. Als mij op de wielerbaan gevraagd zou worden wat ik daar deed zou ik zeggen dat ik een medewerker van Ahoy was en wat kabels moest ophalen die nodig waren voor het concert van Billy Preston. Je moet weten dat ik in 1981 al mijn huidige lengte had, 1.86 meter, en daardoor niet het uiterlijk van een ondeugend pubertje had.

Actie! Ik zwiepte mijn benen over het dranghek en zodra ik op de wielerbaan beland was beende ik gedecideerd en zonder ook maar iemand aan te kijken in de richting van de rechterkant van het podium. Ik werd door niemand tegengehouden of aangesproken. Bij de rechterkant van het podium aangekomen bleef ik even staan om een blik te werpen op wat er achter het podium gebeurde. Af en toe waren er roadies te zien die met kabels en instrumenten in de richting van het podium liepen. Verder was het rustig. Het viel me op dat de roadies allemaal uit een gang kwamen die naar de rechterkant van de krochten van het Sportpaleis leek te lopen. Ik dacht Eureka! toen ik een bordje met daarop het woord ‘kleedkamers’ en een pijl naar rechts zag. Daar moest ik zijn.

Zonder enig probleem liep ik naar de gang en sloeg die rechtsaf in. De gang leek in een soort halve bocht gebouwd te zijn, waardoor je niet naar het einde van de gang kon kijken. Verder weet ik nog dat het een witte betonnen tunnel was met zwarte strepen op de vloer. Ik liep verder de tunnel in, kwam nog een enkele roadie tegen en was opeens aan het eind van de gang aangekomen waar de grote Billy Preston op een grote rolkoffer zat die wordt gebruikt om apparatuur in te vervoeren. Naast hem zat een man die later de manager van Billy Preston bleek te zijn, Joyce Moore.

Aangezien het bijna veertig jaar geleden is dat de gebeurtenissen die ik hier beschrijf plaatsvonden kan ik niet beweren dat ik mij het gesprek met Billy Preston en zijn manager letterlijk kan herinneren. Wel weet ik nog dat ik daar achter in de gang in de coulissen van het Sportpaleis Ahoy maar liefst een half uur met de twee in gesprek was.

Ik weet nog dat ik Billy Preston uitvroeg over zijn samenwerking met The Beatles en The Rolling Stones en dat Billy Preston vooral veel lachte en een smakelijke anekdote vertelde over een avondje stappen met John Lennon in het Londen van 1969. Ik vroeg en kreeg een handtekening. Die handtekening koester ik nog steeds, al zijn inkt en papier inmiddels flink verkleurd.

Vlak voordat Billy Preston het podium op moest vroeg hij mij of ik zin had om na het concert met hem mee te gaan naar zijn hotel in Amsterdam. Volkomen naar waarheid, maar achteraf een beetje naïef, zei ik tegen Billy Preston dat ik na het laatste concert door mijn ouders met de auto zou worden opgehaald en dus niet mee kon naar het hotel in Amsterdam. Mobieltjes om te overleggen met mijn ouders bestonden nog niet, maar om een nacht door te brengen in de hotelkamer van Billy Preston in Amsterdam zou door mijn ouders vast niet goedgekeurd worden, al was Billy Preston nog zo christelijk.

Billy Preston moest op. We schudden handen ten afscheid en liepen samen naar het podium. Billy Preston beklom het trappetje naar het podium, waarna al snel een luid applaus en gejoel van het publiek te horen was. Ik liep linksaf de wielerbaan op en klom op dezelfde plek als de heenweg over het dranghek de zaal in. Ik vond Hans al snel en hij kon zijn oren niet geloven toen ik hem vertelde dat ik een half uur met Billy Preston had kunnen kletsen. Als bewijs liet ik de handtekening zien die hij enkele seconden vol ongeloof en ontzag bekeek.

Van het concert van Billy Preston weet ik nog dat hij de grote hits uit zijn solocarrière ten gehore bracht. Een jaar eerder had Billy Preston twee grote wereldhits gescoord samen met de zangeres Syreeta: ‘It will come in time’ en ‘With you I’m born again’. Het voor zijn moeder geschreven ‘You are so beautiful’ ontbrak niet.

Het had bij deze anekdote kunnen blijven als dit verhaal niet nog een onverwachte staart had gekregen.

Pas na de dood van Billy Preston op 59-jarige leeftijd in 2006 bleek dat Preston al in de jaren zeventig verslaafd was geraakt aan cocaïne. In de jaren die volgden zou hij ook zijn hart en ziel verliezen aan crack roken en alcoholisme. Daar hadden mijn ouders achteraf toch misgeschoten door hun vertrouwen te geven aan de artiesten die optraden op het NCRV-festival in 1981. Verder heeft Billy Preston zijn hele leven geprobeerd om zijn homoseksualiteit verborgen te houden, wat leidde tot ernstige geestelijke problemen. Een leugen leven gaat meestal niet een leven lang goed. Tot bovenmaat van ramp werd Billy Preston in 1991 gearresteerd, omdat hij een 16-jarige jongen naar zijn huis in Malibu had gesleept en gedrogeerd. Voordat de jongen door Billy Preston seksueel misbruikt kon worden wist de jongen te ontsnappen.

Toen dit laatste nieuws bekend werd belde Hans Baaij nog dezelfde dag op: “Daar ben je in 1981 toch mooi de dans ontsprongen. Weet je nog dat Billy Preston aan jou had gevraagd of je zin had om de zaterdagnacht na het festival bij hem in de hotelkamer door te brengen? Wie weet wat er gebeurd zou zijn als je met hem was meegegaan! Je was een erg mooie jongen.”

In 1991 was ik een mooi jonge God van 25, dus dat “was” van Hans liet ik hem direct corrigeren. Ik liet Hans merken dat ik mijn christelijke opvoeding niet onopgemerkt voorbij had laten gaan. “Hans,” zei ik, “oordeel niet opdat gij niet veroordeeld wordt, Matteüs 7:1-6.”

Vandaag is het meer dan veertig jaar geleden dat mijn ontmoeting met Billy Preston plaatsvond. Ik zal hem blijven herinneren als een groot muzikant en een zeer sympathiek mens. De handtekening die ik van hem kreeg bewaar ik als een kleinood.

‘Hoe ik als 15-jarige jongen net niet in de hotelkamer van Billy Preston belandde’ werd in 2022 opgenomen in de reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’. Te koop via deze link: https://bit.ly/Peter-Mabelus.