Vandaag kwam ik tijdens het lezen van ‘Pledging my time, Conversations with Bob Dylan band members’ van Dylanoloog Ray Padgett achter een opzienbarend feit omtrent de vader van president Donald Trump, vastgoedmagnaat Fred Trump.
Folk legende Woody Guthrie (1912-1967) huurde begin jaren 50 van de vorige eeuw voor korte tijd een appartement in de wijk Brooklyn, New York dat deel uitmaakte van het appartementencomplex Beach Haven, eigenaar Fred Trump.
In het huurcontract stond expliciet dat de appartementen alleen door blanken bewoond mochten worden. Uit protest tegen dit pure staaltje racisme schreef Woody Guthrie het nummer ‘Old man Trump’:
I suppose that Old Man Trump knows just how much racial hate
He stirred up in that bloodpot of human hearts
When he drawed that color line
Here at his Beach Haven family project
Beach Haven ain’t my home!
No, I just can’t pay this rent!
My money’s down the drain,
And my soul is badly bent!
Beach Haven is Trump’s Tower
Where no black folks come to roam,
No, no, Old Man Trump!
Old Beach Haven ain’t my home!
I’m calling out my welcome to you and your man both
Welcoming you here to Beach Haven
To love in any way you please and to have some kind of a decent place
To have your kids raised up in.
Beach Haven ain’t my home!
No, I just can’t pay this rent!
My money’s down the drain,
And my soul is badly bent!
Beach Haven is Trump’s Tower
Where no black folks come to roam,
No, no, Old Man Trump!
Old Beach Haven ain’t my home!
De geschiedenis herhaalt zich niet. De geschiedenis rijmt
Vanmiddag bezocht ik in de bioscoop de hypnotiserende documentaire ‘Tardes de soledad’ van Albert Serra. Negen stieren sterven in de compromisloze documentaire waarin je tijdens het kijken wordt verscheurd door tussen dit absoluut niet willen zien en toch ademloos toekijken.
Ik citeer uit de eloquente recensie van Kevin Toma, de Volkskrant 27 mei 2025:
“Steek na steek verandert het fiere lijf van de stier in een slagveld. Het uit de wonden gutsende bloed glinstert in de late middagzon. Opgehitst door matador Andrés Roca Rey en zijn met lansen en haakstokken bewapende helpers, raast het rund rond in de arena.
‘Tardes de soledad’ (‘Namiddagen van eenzaamheid’) is een absoluut meesterwerk, zonder meer een van de beste, meest indringende en plastische films van het jaar. Het is óók een extreem directe confrontatie met je eigen incasseringsvermogen. Met je eigen opvattingen over de relatie tussen mens en dier.
De enige context wordt gevormd door de momenten tussendoor, als je Rey en zijn gevolg in hun busje of in hotels aantreft. Opvallend: zo dwingend als zijn oogcontact met de stieren is, zo weinig blikken wisselt Rey uit met de andere mannen. Hij kijkt liever naar de camera of naar zichzelf in de spiegel van de hotelkamer. Gezien en bewonderd worden – het lijkt Rey’s voornaamste drijfveer om in de ring te stappen, om steeds weer aan die dans met de dood te beginnen.
Ook dat motief wordt nergens in ‘Tardes de soledad’ expliciet benoemd. Serra levert je consequent over aan je eigen gedachten, gevoelens en mening. Ook doordat je vrijwel niets van het publiek te zien krijgt, ontstaat de sensatie dat de film je plompverloren in het hier en nu van het gevecht plaatst. Dat je ook zelf onderdeel van die dodendans wordt.”
Principes van mensen zijn vaak obligaat, verdacht, schijnheilig of vrijblijvend. Zo vernam ik uit verschillende kelen in mijn omgeving dat ze ‘Tardes de soledad’ uit principe niet willen zien “omdat ze principieel tegen stierenvechten zijn.”
Diezelfde mensen bezoeken fluitend de McDonald’s of serveren je kilo’s plofkip in hun zogenaamd exotische kipgerecht, met of zonder rijst, als je gezellig voor het eten bent uitgenodigd.
Elk wezen is per definitie een moordenaar of parasiet (wat op hetzelfde neerkomt).
Mijn ouders profileerden zich in mijn jeugdjaren regelmatig als hardcore gereformeerde opvoeders. Mijn oudere broer, oudere zus en ik hadden daar zo nu en dan onder te lijden, maar achteraf gezien deden wij over het algemeen toch waar we zelf zin in hadden. Met een beetje goede wil kun je misschien ook zeggen dat mijn ouders in onze tienerjaren de teugels al wat lieten vieren en dat we daarom van hen de ruimte kregen om “te doen waar we zelf zin in hadden”. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, zoals zo vaak in het leven.
In 1981, het jaar waarin dit spannende verhaal speelt, was ik een keurige jongen van vijftien jaar oud. In mijn herinnering deed ik weinig fout; ik doorliep met speels gemak het VWO, masturbeerde niet veel meer dan mijn leeftijdgenoten, was een fervent hardloper, rookte nog niet en was pas sinds korte tijd elke vrijdagavond dronken. Dit laatste feit speelde zich elke week af op de zolderkamer van mijn toenmalige boezemvriend Hans Baaij, omdat zijn gereformeerde ouders (ja, Hans was ook in het bezit van twee ouders die zich regelmatig als hardcore gereformeerde ouders profileerden) elke vrijdagavond moesten repeteren voor het kerkkoor van de een of andere gereformeerde gemeente in de wereldstad Beverwijk en pas thuiskwamen nadat wij naar de plaatselijke disco waren vertrokken.
Als we om een uur of half twee ’s nachts in onze respectievelijke ouderlijke woningen terugkeerden, lagen de ouders van Hans al op één oor. Dat laatste was ook altijd het geval bij mijn moeder. Mijn vader echter stond mij vaak nerveus bij de achterdeur op te wachten om te kijken hoe dronken ik was. In de loop der tijd slaagde ik erin om met gebruik van weinig woorden, en in opperste concentratie te focussen op het maken van grote stappen in de richting van de trap en mijn slaapkamer, de achterdochtige blikken van mijn vader te ontwijken. Ik gaf hem daarmee de indruk dat ik niet zo dronken was als hij vermoed had. Iedereen blij (behalve ik als ik de volgende ochtend met een kater wakker werd).
In de jaren tachtig van de vorige eeuw kon je nog als kleuter naar de slijter gaan en met een fles whisky naar buiten lopen. Dit betekende voor Hans Baaij en mij dat we om de beurt elke week drank konden inslaan bij de dorpsslijter om mee in te drinken op de zolderkamer van Hans. We hadden niet veel geld dus waren we veroordeeld om de allergoedkoopste citroenjenever, bessenjenever, port en andere smerige drankjes bij de dorpsslijter te kopen. Vaak genoeg hield ik bij het achteroverslaan van het aangeschafte alcoholische bocht met twee vingers mijn neus dicht, zo smerig was het bocht dat ik van mezelf moest drinken om vrolijker te worden dan ik al was.
Het kwam regelmatig voor dat de ingeslagen drank zo smerig was dat die gelijk weer naar buiten kwam zetten. Gelukkig beschikte de zolderkamer van Hans Baaij over een wasbak die we als kotsteiltje konden gebruiken. Met een beetje mazzel kwam bij het kotsen de avondmaaltijd niet mee naar buiten. Als dat wel het geval was moest je uitkijken dat de wasbak niet overstroomde tijdens het kotsen. Ook kon het zo zijn dat je dan minuten bezig was om met een vork je kots door het afvoerputje te prakken. De aanwezigheid van de vork bij de wasbak laat goed zien dat een mens door schade en schande wijs wordt en niet andersom, als je begrijpt wat ik bedoel. Oefening baart gelukkig kunst, waardoor we er door de tijden heen steeds beter in slaagden om de meest smerige alcoholische brouwsels binnen te houden.
Op de zolderkamer van Hans luisterden we naar muziek uit de jaren zestig, zoals The Beatles, The Rolling Stones en The Doors. Omdat we nog zo jong waren konden we geen oude hippies zijn en dat bleek onder meer uit het feit dat we ook naar eigentijdse muziek luisterden zoals Joy Division en The Cure. Hans en ik hadden het geluk dat we in een tijd leefden dat er zelden iets op de televisie te zien was wat de moeite waard was. In die zin is er weinig veranderd, behalve dat het aanbod van oninteressante televisieprogramma’s in de loop der jaren enorm is toegenomen. Internet en mobiele telefoons lagen nog in een ver verschiet, dus hadden we alle tijd om onze geest te verruimen met de boeken van Sartre en Camus, Dostojevski en Kafka, Bukowski en Hemingway. Al hadden we willen ontlezen, ontlezen was feitelijk onmogelijk omdat we te veel tijd hadden die gevuld moest worden. Televisie overdag was er niet. Er stond vaak muziek aan, maar daar kon je gemakkelijk bij lezen. Jongeren gingen in die tijd nog vaak bij elkaar op bezoek in plaats van vriendschappen te onderhouden door middel van sociale media. Was vroeger alles beter? Nee, het ene wel en het andere niet.
Je zult begrijpen dat er een causaal verband bestond tussen onze muzikale en literaire voorkeur en onze fascinatie voor veel drinken. We woonden in de polder en waren in veel opzichten net zo groen als het gras dat ons dorp omringde. Dit betekende dat het gebruiken van drugs er voorlopig nog niet in zat.
Rond 1981 was het tijd voor een volgende stap. Niet alleen luisteren naar onze favoriete muziek op onze slaapkamers en elke vrijdagavond op de zolderkamer van Hans aan vloeibare automutilatie doen, we wilden ook wel eens onze helden in het echt zien. De financiële middelen om die droom uit te laten komen kwamen met het klimmen der jaren steeds meer binnen ons bereik: we kregen jaarlijks meer zakgeld en verdienden inmiddels ook geld als vakkenvuller bij de lokale supermarkt of met het lopen van een folderwijk.
Over het bezoeken van een popconcert viel met onze ouders niet te discussiëren. Volgens onze ouders waren popmuzikanten goddeloze drugsverslaafden die hun verslaving bekostigden met de opbrengst van de kaartverkoop bij concerten. Naar een concert gaan betekende in hun ogen daarom het rechtstreeks faciliteren van het drugsgebruik van de muzikanten die optraden en daarmee direct of indirect de jeugd op het slechte pad brachten. Onze ouders deden er alles aan om een voorbeeldfunctie voor ons te vervullen die veel beter was dan die van gedrogeerde rockmusici: zij dronken hoogstens een glas wijn op een verjaardag en vervulden trouw vijf dagen per week de rol van loonslaaf in fabriek of school. Op 15-jarige leeftijd keken we vanzelfsprekend meer op naar onze zelfgekozen helden dan de ons door de natuur opgedrongen opvoeders.
Achteraf was 1981 het laatste jaar waarin onze ouders ons konden weerhouden van concertbezoek. Al een jaar later gingen we naar The Rolling Stones in de Rotterdamse Kuip en The Cure in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht.
Het toeval wilde dat de christelijke radio- en televisieomroep de NCRV op 23 mei 1981 in het zalencomplex van het Rotterdamse Ahoy van tien uur in de ochtend tot tien uur in de avond het grote NCRV-festival zou houden. Dit leek onze ouders de ideale mogelijkheid om het onaangename met het nuttige te verenigen; Hans en ik zouden naar een heus popfestival mogen gaan, maar omdat het concert plaatsvond onder de auspiciën van de christelijke NCRV was de kans in hun ogen klein dat er drugsgebruikende artiesten zouden optreden, of dat er drugsgebruikende tieners rondliepen in het Ahoycomplex.
Als je naar de line up van het NCRV-festival kijkt kom je vooral de namen van inmiddels totaal vergeten acts tegen. Nederlandse acts voerden de boventoon omdat die vanzelfsprekend het goedkoopst te boeken waren: de uit Nederlandse Molukkers bestaande band Massada, de ruig rockende New Adventures uit Winschoten, De Haagse Urban Heroes en The Mo uit Delft. Iets beroemder waren de acts Earth and Fire met daarin zangeres Jerney Kaagman, die een jaar eerder een grote internationale hit scoorden met het nummer ‘Weekend’ en de symfonische rockgroep Kayak.
De concerten van de Nederlandse acts, die vooral overdag plaatsvonden konden ons maar weinig bekoren. Het wachten was op twee grote internationale acts die we wel interessant vonden: Van Morrison, de Noord-Ierse zanger en muzikant die in de jaren zestig furore had gemaakt met de band ‘Them’ en een wereldhit scoorde met het opzwepende nummer ‘Gloria’ en de christelijke Amerikaanse soul- en rockmusicus Billy Preston, die niet alleen wereldhits scoorde als zanger maar vooral bekend werd als de organist die rond 1970 met The Beatles en The Rolling Stones had opgetreden en zelfs te horen was op het album ‘Let it be’ van The Beatles. De Beatles single ‘Get back’ werd in maart 1969 zelfs uitgebracht met als artiestennaam The Beatles with Billy Preston. Ook is Billy Preston te horen op de eerste vijf albums die The Rolling Stones in de jaren zeventig uitbrachten, van het album ‘Sticky Fingers’ tot en met het album ‘Black and Blue’.
Het was een uur of half acht in de avond en ik stond met Hans midden in het grote Sportpaleis te wachten op het concert van Billy Preston. Om wat voor reden dan ook duurden het ombouwen van het podium en de daaropvolgende soundcheck eindeloos lang.
“Ik ga even kijken of ik zonder problemen achter de coulissen kan komen,” zei ik tegen Hans. “Misschien kan ik een praatje met Billy Preston maken.”
“Dat lukt je nooit,” zei Hans.
“Het duurt blijkbaar nog even voor het concert van Billy Preston begint,” vervolgde ik tegen Hans. “De beveiliging lijkt hier weinig voor te stellen en niet geschoten is altijd mis.”
Hans keek me met grote ogen verschrikt aan en mompelde dat hij niet zou durven mee te gaan.
“Oké, dan zie ik je straks wel weer,” zei ik en liep naar de dranghekken van ruim een meter hoog die de zaal van de wielerbaan scheidden, die in die tijd nog de zaalvloer omringde.
Heel geniepig ging ik eerst met mijn rug naar de dranghekken bij de wielerbaan staan, zodat het niet zo erg zou opvallen als ik in een halve draai mijn benen over het dranghek zou werpen en op de wielerbaan zou komen te staan.
Op de wielerbaan liep allerlei voetvolk: medewerkers van Ahoy, de NCRV, een enkele beveiligingsbeambte en ook mensen zonder badge of duidelijke functie. Als mij op de wielerbaan gevraagd zou worden wat ik daar deed zou ik zeggen dat ik een medewerker van Ahoy was en wat kabels moest ophalen die nodig waren voor het concert van Billy Preston. Je moet weten dat ik in 1981 al mijn huidige lengte had, 1.86 meter, en daardoor niet het uiterlijk van een ondeugend pubertje had.
Actie! Ik zwiepte mijn benen over het dranghek en zodra ik op de wielerbaan beland was beende ik gedecideerd en zonder ook maar iemand aan te kijken in de richting van de rechterkant van het podium. Ik werd door niemand tegengehouden of aangesproken. Bij de rechterkant van het podium aangekomen bleef ik even staan om een blik te werpen op wat er achter het podium gebeurde. Af en toe waren er roadies te zien die met kabels en instrumenten in de richting van het podium liepen. Verder was het rustig. Het viel me op dat de roadies allemaal uit een gang kwamen die naar de rechterkant van de krochten van het Sportpaleis leek te lopen. Ik dacht Eureka! toen ik een bordje met daarop het woord ‘kleedkamers’ en een pijl naar rechts zag. Daar moest ik zijn.
Zonder enig probleem liep ik naar de gang en sloeg die rechtsaf in. De gang leek in een soort halve bocht gebouwd te zijn, waardoor je niet naar het einde van de gang kon kijken. Verder weet ik nog dat het een witte betonnen tunnel was met zwarte strepen op de vloer. Ik liep verder de tunnel in, kwam nog een enkele roadie tegen en was opeens aan het eind van de gang aangekomen waar de grote Billy Preston op een grote rolkoffer zat die wordt gebruikt om apparatuur in te vervoeren. Naast hem zat een man die later de manager van Billy Preston bleek te zijn, Joyce Moore.
Aangezien het bijna veertig jaar geleden is dat de gebeurtenissen die ik hier beschrijf plaatsvonden kan ik niet beweren dat ik mij het gesprek met Billy Preston en zijn manager letterlijk kan herinneren. Wel weet ik nog dat ik daar achter in de gang in de coulissen van het Sportpaleis Ahoy maar liefst een half uur met de twee in gesprek was.
Ik weet nog dat ik Billy Preston uitvroeg over zijn samenwerking met The Beatles en The Rolling Stones en dat Billy Preston vooral veel lachte en een smakelijke anekdote vertelde over een avondje stappen met John Lennon in het Londen van 1969. Ik vroeg en kreeg een handtekening. Die handtekening koester ik nog steeds, al zijn inkt en papier inmiddels flink verkleurd.
Vlak voordat Billy Preston het podium op moest vroeg hij mij of ik zin had om na het concert met hem mee te gaan naar zijn hotel in Amsterdam. Volkomen naar waarheid, maar achteraf een beetje naïef, zei ik tegen Billy Preston dat ik na het laatste concert door mijn ouders met de auto zou worden opgehaald en dus niet mee kon naar het hotel in Amsterdam. Mobieltjes om te overleggen met mijn ouders bestonden nog niet, maar om een nacht door te brengen in de hotelkamer van Billy Preston in Amsterdam zou door mijn ouders vast niet goedgekeurd worden, al was Billy Preston nog zo christelijk.
Billy Preston moest op. We schudden handen ten afscheid en liepen samen naar het podium. Billy Preston beklom het trappetje naar het podium, waarna al snel een luid applaus en gejoel van het publiek te horen was. Ik liep linksaf de wielerbaan op en klom op dezelfde plek als de heenweg over het dranghek de zaal in. Ik vond Hans al snel en hij kon zijn oren niet geloven toen ik hem vertelde dat ik een half uur met Billy Preston had kunnen kletsen. Als bewijs liet ik de handtekening zien die hij enkele seconden vol ongeloof en ontzag bekeek.
Van het concert van Billy Preston weet ik nog dat hij de grote hits uit zijn solocarrière ten gehore bracht. Een jaar eerder had Billy Preston twee grote wereldhits gescoord samen met de zangeres Syreeta: ‘It will come in time’ en ‘With you I’m born again’. Het voor zijn moeder geschreven ‘You are so beautiful’ ontbrak niet.
Het had bij deze anekdote kunnen blijven als dit verhaal niet nog een onverwachte staart had gekregen.
Pas na de dood van Billy Preston op 59-jarige leeftijd in 2006 bleek dat Preston al in de jaren zeventig verslaafd was geraakt aan cocaïne. In de jaren die volgden zou hij ook zijn hart en ziel verliezen aan crack roken en alcoholisme. Daar hadden mijn ouders achteraf toch misgeschoten door hun vertrouwen te geven aan de artiesten die optraden op het NCRV-festival in 1981. Verder heeft Billy Preston zijn hele leven geprobeerd om zijn homoseksualiteit verborgen te houden, wat leidde tot ernstige geestelijke problemen. Een leugen leven gaat meestal niet een leven lang goed. Tot bovenmaat van ramp werd Billy Preston in 1991 gearresteerd, omdat hij een 16-jarige jongen naar zijn huis in Malibu had gesleept en gedrogeerd. Voordat de jongen door Billy Preston seksueel misbruikt kon worden wist de jongen te ontsnappen.
Toen dit laatste nieuws bekend werd belde Hans Baaij nog dezelfde dag op: “Daar ben je in 1981 toch mooi de dans ontsprongen. Weet je nog dat Billy Preston aan jou had gevraagd of je zin had om de zaterdagnacht na het festival bij hem in de hotelkamer door te brengen? Wie weet wat er gebeurd zou zijn als je met hem was meegegaan! Je was een erg mooie jongen.”
In 1991 was ik een mooi jonge God van 25, dus dat “was” van Hans liet ik hem direct corrigeren. Ik liet Hans merken dat ik mijn christelijke opvoeding niet onopgemerkt voorbij had laten gaan. “Hans,” zei ik, “oordeel niet opdat gij niet veroordeeld wordt, Matteüs 7:1-6.”
Vandaag is het meer dan veertig jaar geleden dat mijn ontmoeting met Billy Preston plaatsvond. Ik zal hem blijven herinneren als een groot muzikant en een zeer sympathiek mens. De handtekening die ik van hem kreeg bewaar ik als een kleinood.
‘Hoe ik als 15-jarige jongen net niet in de hotelkamer van Billy Preston belandde’ werd in 2022 opgenomen in de reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’. Te koop via deze link: https://bit.ly/Peter-Mabelus.
De volgende tekst droeg ik voor tijdens de uitvaartceremonie voor Mathieu, 10 juni 2017
Lieve Mathieu. Je hebt jouw sporen nagelaten. Niemand van ons zou hier vandaag geweest zijn als jij niet geboren was op 22 september 1966. Niemand van ons zou hier vandaag geweest zijn als jij op maandagmiddag 5 juni 2017 niet een daad had verricht waarvan de consequentie het tegenovergestelde was van wat je altijd hebt gedaan: leven. Maar wij zijn hier vooral bij elkaar omdat je op een gegeven moment in ons leven bent verschenen.
Je leefde met een mateloze levenslust, een tomeloze energie en een niet te bevredigen nieuwsgierigheid. Of het nu ging om muziek, literatuur, beeldende kunst, politiek, geschiedenis, filosofie, het ontmoeten van nieuwe mensen of het reizen naar nieuwe landen op onze prachtige aarde, je leefde met een intensiteit alsof jouw leven ervan afhing.
Het leven was voor jou een magisch spel met onbegrensde mogelijkheden, waarbij je bereid was om veel grenzen op te zoeken, en nog liever, grenzen te overschrijden. Je leefde vaak met de intensiteit van een komeet die voorbijvliegt. Jouw tempo was niet voor iedereen te volgen. Veel mensen liet je met een open mond van verbazing achter om ze vervolgens weer bij de hand te nemen en te laten delen in al het moois dat je op jouw levensweg tegenkwam.
Je was een enthousiasmerende charmeur. Zorg voor anderen was voor jou een vanzelfsprekendheid. Jouw behoefte om gekend en gezien te worden was groot. Jij zette het leven het liefst naar jouw hand. En het leek of zelfs muziekinstrumenten waar je nog nooit op gespeeld had openstonden voor jouw enthousiasme. Jij kon je zonder een spoor van schaamte op een piano of gitaar storten om daar vervolgens binnen enkele minuten mooie geluiden aan te ontfutselen. Alleen het feit dat je niet kon zingen moet je weerhouden hebben om een zangcarrière na te streven.
Je had vrienden over de hele wereld en in je meest wilde jaren in elk stadje een ander schatje. Jouw lach was nooit ver weg. Het leven was toch een spel met onbegrensde mogelijkheden?
In de herfst van 2014 verloor je de macht over het stuur van jouw leven. Je was de regie kwijt en moest in wilde en blinde paniek toezien hoe je steeds verder van het juiste pad werd gesleurd. Jouw val leek eindeloos te duren en niemand was in staat om zijn handen naar je uit te strekken en je te redden. Je kon jezelf niet helpen. Wij konden jou niet helpen.
Na een dollemansrit die bijna twee jaar duurde zag je tot jouw grote opluchting de weg die jij verlaten had weer voor je opdoemen. De redding leek nabij. Een opening naar de toekomst werd zichtbaar. Je deed er alles aan om weer op het juiste spoor te komen. Er was uitzicht op herstel en jouw handen klemden zich om het stuur van jouw leven met een wilskracht waarvan je niet meer wist dat je die nog in je had. De juiste weg kwam dichter en dichterbij. De liefde kwam terug in jouw leven in de persoon van Radia. Jouw levenslange wens om vader te worden kreeg gestalte. Jullie dochter Mara werd geboren. Maar je wantrouwde de nieuwe mogelijkheden die het leven je bood. Je durfde bijna niet te geloven dat je na een jarenlange ontsporing de controle terugkreeg over jouw leven. Je wantrouwde de redding die zo nabij leek. Was je onderweg naar beneden niet te veel beschadigd? En had je zelf niet te veel stuk gemaakt? Was geluk nog voor je weggelegd?
Je twijfelde of je de nieuw verworven verantwoordelijkheid wel aan zou kunnen. Het juiste pad kwam nog steeds dichter en dichterbij en jouw handen klemden zich vastberaden om het stuur van jouw leven tot jouw knokkels er wit van werden. Verloren gewaande vriendschappen en familiebanden werden nieuw leven ingeblazen en de handen die lange tijd machteloos naar je uitgestoken waren geweest konden je eindelijk weer bereiken. Je kwam voor iedereen die van je hield langzaam, beetje voor beetje, dichtbij genoeg om weer een helpende hand te kunnen bieden. Onzeker en bang probeerde je de helpende handen te pakken die je werden aangereikt. Was redding echt nabij? Kon je geloven wat je zag?
Er leek sprake te zijn van een nieuwe toekomst met onbegrensde mogelijkheden. Maar vlak voordat je vaste grond onder je voeten bereikte gebeurde waar jijzelf en iedereen die van je houdt al die tijd bang voor was geweest: Je werd uit jouw nieuw herwonnen wankele evenwicht geslagen en verloor in één moment alles wat zo dichtbij had geleken.
Machteloos moest je je overgeven aan het grote Niets waar verlangens en pijn niet meer bestaan. En iedereen die je had willen helpen redden was met stomheid geslagen. Je was in een vrije val beland en al onze armen bij elkaar waren niet in staat om nog langer te kunnen handelen. Niemand kan de zwaartekracht trotseren. Niemand is sneller dan het licht.
We kijken met een verdoofd gevoel naar de sporen die je hebt nagelaten. Onuitwisbare sporen die een leegte en stilte achterlaten die alleen te vullen is met eindeloos veel herinneringen aan een komeet die voorbij gevlogen is.
Vroeger noemden mensen een komeet een vallende ster. Wij zijn allemaal bedekt met de sterrenstof van jou. En ik weet zeker dat niemand de behoefte voelt om jouw sterrenstof van zich af te kloppen.
Een week voor jouw dood spraken we elkaar voor de laatste keer. Jouw laatste woorden tegen mij waren: Peter, ik hou heel van jou. Mijn laatste woorden aan jou waren: Mathieu, ik hou ook heel veel van jou. Daarna verbraken wij de verbinding. Maar de verbinding die wij hier allemaal met jou voelen zal nooit verbroken worden. Mathieu, we houden allemaal heel veel van jou. Tot onze laatste snik.
Mijn ongeluk gebeurde om 23.30 uur op donderdagavond 25 mei 2017. Bij mijn dochter van twaalf was sinds vier jaar de diagnose diabetes type 1 vastgesteld. Misschien is je medische woordenschat beperkt en ken je deze handicap alleen onder de naam “suikerziekte.” Ook kan het zijn dat je van mening bent dat diabetes type 1 wordt veroorzaakt door het onmatig consumeren van snoep, taart en mierzoete frisdranken. In dat geval ben je waarschijnlijk per ongeluk in dit verhaal terechtgekomen en raad ik je aan nu te stoppen met lezen. Of nu.
Ondanks het feit dat de slaapkamer van mijn dochter zich op de eerste verdieping van onze woning bevond, had zij mij een minuut voordat mijn ongeluk gebeurde gebeld met de mededeling dat zij een “hypo” had. Als gevolg van haar lage bloedsuikerspiegel (hypoglykemie) had zij niet de kracht om uit haar bed te komen, de trap af te dalen en de keuken te bezoeken om zichzelf suiker toe te dienen in welke vorm ook. Daarom had zij mij verzocht om haar zo snel mogelijk een glas zoete limonade en een pak crackers te komen brengen, zodat de bloedglucosewaarde in haar bloed zo snel mogelijk tussen de 4 en 5,6 millimol per liter zou bedragen.
Vijf seconden nadat ik de telefoonverbinding met mijn dochter had verbroken, stond ik in de keuken.
Vijftig seconden voor mijn ongeluk griste ik een in doorzichtig plastic verpakt dozijn crackers uit een koektrommel die zich op de derde plank van onderen van de antieke massief eiken broodkast bevond.
Veertig seconden voor mijn ongeluk legde ik het pakje crackers links naast de waterkoker op het aanrecht. Ik pakte met mijn rechterhand een groot theeglas uit het keukenkastje boven de gootsteen. Ik vulde het theeglas voor een kwart met limonadesiroop.
Twintig seconden voor mijn ongeluk lengde ik de limonadesiroop aan met kraanwater. Ik hield het met limonade gevulde theeglas in mijn rechterhand en pakte met mijn linkerhand het pakje crackers van het aanrecht.
Tien seconden voor mijn ongeluk wipte ik met mijn in een sportsok gestoken rechtervoet de deurkruk van de deur die mij naar de eerste verdieping moest leiden naar beneden. Ik liet de deur in een vloeiende beweging naar rechts openzwaaien. Mijn brein registreerde nauwelijks dat het licht in het trappenhuis uit was.
Vijf seconden voor mijn ongeluk zette ik mijn linkervoet op de eerste traptrede van de gestoffeerde trap. Met mijn verstand op nul en met gevulde handen voerden mijn benen mij met de vanzelfsprekendheid van stromend water in de richting van de eerste verdieping. Omdat ik een redder in nood was, besloot ik het tempo van mijn stappen te verhogen.
Twee seconden voor mijn ongeluk schrok ik van het snel naderende silhouet van mijn dochter bovenaan de trap.
Een seconde voor mijn ongeluk stokte ik in de reddingsactie voor mijn dochter met een hypo en deinsde achteruit. Ik begon mijn evenwicht te verliezen. Omdat allebei mijn handen gevuld waren met hulpgoederen, negeerde ik de reflex om naar de trapleuningen te tasten en zo de grip op mijn leven terug te krijgen. Mijn ongeluk had een aanvang genomen.
Op het moment van mijn ongeluk bevond ik mij tussen hemel en aarde. Omdat licht mijn dochter van achteren bescheen, zocht ik tevergeefs oogcontact met een bekend silhouet. Mijn voeten hadden vaste grond verloren.
Wat is een salto mortale waard als je niet weet hoe je val eindigt? Sloeg mijn dochter een hand voor haar mond? Goot ik de limonade als een gillende keukenmeid tegen de gestucte muur van het trappenhuis? Woog het zwevende pakje crackers net zo weinig als het eruit zag in zijn snel veranderende perspectief? Had mijn dochter al een eerste stap gezet op weg naar mijn verlossing? Riep ze mijn naam of noemde zij mij papa?
Met een doffe knal raakte mijn rug de derde traptrede van onderen. Mijn eerste lendenwervel brak zonder geluid in tweeën, waarna mijn lichaam onderaan de trap tot stilstand kwam.
Het geluid van mijn verkrampte schreeuw mengde zich met het vrolijke gerinkel van gebroken glasscherven. Voor ik het wist, streelde het lange haar van mijn dochter mijn voorhoofd. Daarna volgde haar hand haar haar.
‘Papa, gaat het?’ vroeg mijn dochter bezorgd.
Als mijn dochter er niet was geweest, had niemand mij kunnen troosten nadat ik bijna het leven had gelaten bij een ongeluk dat nooit plaatsgevonden had kunnen hebben als het grootste geluk uit mijn leven niet door een ongelukkige ziekte was getroffen.
Naschrift: Ik ben nu acht jaar verder en volledig hersteld van de rugbreuk.
Slechts weinig lezers weten dat ik sinds 1984 een regelmatige correspondentie onderhoud met Oscar- en Nobelprijswinnaar Bob Dylan.
Het eerste van een reeks concerten van Dylan die ik zou bezoeken was op 6 juni 1984 in Sportpaleis Ahoy. Een zeer matig, eerder belabberd, optreden.
Het geluk trof dat ik er via via achter was gekomen dat Dylan na het concert zou overnachten in het chique Hotel Des Indes aan het lange Voorhout in Den Haag.
Was zijn belabberde optreden van die avond te wijten aan een te veel aan whisky, een slecht humeur of een zware griep. Wat de reden voor de lichte blamage ook geweest mag zijn, ‘The show must go on’, niet waar?
Nog tijdens het wegsterven van de laatste toon van het concert spoedde ik mij zo snel mogelijk per taxi naar het hotel, in de hoop Dylan in de luxueuze hotellobby aan te kunnen treffen, om hem zijn handtekening te vragen, misschien zelfs een praatje te kunnen maken met mijn grote held.
Ik zat nog geen vijf minuten aan de bar van de lobby achter mijn dubbele Jack Daniels zonder ijs op de komst van Bob Dylan te wachten, of hij nam plaats op de kruk naast mij aan de bar.
Op het moment dat we met elkaar aan de praat raakten kreeg ik pas door hoe grieperig hij was. Kenners van de zangstem van Dylan, die door critici wel eens omschreven is als ‘de stem van een hond die met zijn poot vast zit in het prikkeldraad’, zijn gewend aan het nasale stemgeluid van Dylan, maar nu leek hij met al zijn poten in het prikkeldraad vast te zitten en stroomde het snot uit zijn neus als het water van de Niagara Falls op de grens van de Verenigde Staten en Canada. Metaforen zijn nooit mijn sterkste kant geweest. Dat zal de reden zijn dat ik schrijver geworden ben en geen dichter.
Op mijn vraag een drankje voor hem te mogen bestellen verbaasde het mij dan ook niet dat hij koos voor een ‘grog’ (rum, gekookt water, citroen en honing).
In de loop van ons gesprek vroeg Bob Dylan op een gegeven moment pen en papier aan de barman en schreef binnen een minuut of twee een tekst, die hij mij overhandigde: ‘I feel like a car wreck’. Het nummer is nooit door Dylan uitgebracht.
We wisselden onze contactgegevens uit. Vlak daarna zocht hij ziek zijn bed op. We werden vrienden voor het leven.
Once I was a speeding, brand new car
Now I am not even noticed as a cheap second-hand wreck
I have nothing more to say, feel less than timid
Gas no longer needed, I can no longer be strengthened
I feel like a car wreck, you vomited old fart
Ripe for the scrap heap, tear me apart
Take me off, throw me in a corner of the junkyard, crush me
Gisterenavond woonde ik een prachtige avond bij in Boekhandel Broekhuis Hengelo. Naar aanleiding van de publicatie van zijn nieuwste meesterwerk ‘Céline’ werd Pieter Waterdrinker geïnterviewd door de grootse literair criticus Arjan Peters.
Een verslag van mijn bijzondere eerste kennismaking met Pieter Waterdrinker is opgenomen in mijn reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’ (2022). Zelf kom ik langs in Waterdrinkers’ ‘Van huis en haard. Dagboek van een jaar op drift’ (2023). Ook schreef Pieter Waterdrinker het voorwoord voor mijn bundel ‘Transgender Rap’ (2024).
De foto toont quality time tussen twee wapenbroeders na afloop van de literaire avond. Samen op de barricades voor De Schone Letteren!
Een bezoek aan het graf van Jim Morrison, op begraafplaats Père Lachaise in het twintigste arrondissement van Parijs, vormde in de jaren 80 voor adolescenten ode, pelgrimstocht en een excuus om uit je dak te gaan met behulp van muziek, drank en drugs ineen.
In de zomer van 1984 maakte ik bovenstaande dia. Behalve de buste van Jim Morrison zijn jeugdvrienden Hans Baaij en Sjaak Ursem te zien. Frank van der Poll was in het hotel achtergebleven met een verschrikkelijke kater vanwege een feestje op dezelfde plek 1 dag eerder.
Hoe ik oog in oog kwam te staan met Hollywood acteur Dennis Hopper
In een eerder stukje op mijn website petermabelus.com schreef ik laatst over hoe ik ongeveer dertig jaar geleden in de hoedanigheid van mijn bijbaan als beveiligingsbeambte in de passagiersbeveiliging op Schiphol een heftige en hilarische ontmoeting had met de ons zo kortgeleden ontvallen kardinaal Simonis.
Het zou vreemd zijn als ik in mijn jaren als beveiligingsbeambte niet meer ‘ontmoetingen’ met bekende mensen op onze internationale luchthaven zou hebben gehad. Ik kan u dan ook verzekeren dat het aantal beroemde en minder beroemde mensen dat ik in die tijd door mijn handen heb moet laten gaan groot is. Deze keer wil ik het hebben over mijn ontmoeting met de beroemde Amerikaanse filmster, regisseur en beeldend kunstenaar Dennis Hopper (1936-2010).
Mijn ontmoeting met Dennis Hopper vond om een uur of vijf in de middag van 7 november 1997 plaats tijdens de ‘security check’ van een KLM vlucht naar Los Angeles. De reden dat ik de precieze datum weet van de ontmoeting is het feit dat Dennis Hopper een dag eerder in Rotterdam Ahoy de ‘Free Your Mind Award’ mocht overhandigen aan zanger Bono Vox van U2 voordat zijn band het nummer ‘Mofo’ ten gehore ging brengen. Ik keek in die jaren al zeer sporadisch naar de televisie, maar had de avond tevoren toevallig thuis naar de live-uitzending van de 1997 MTV Europe Music Awards op de televisie gekeken.
Je moet niet denken dat ik het geheugen van een olifant heb. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden en heb slechts een beperkt fotografisch geheugen; de feitjes in de derde alinea zijn gemakkelijk te vinden op het internet.
De zevende november 1997 stonden er meer beroemdheden in de rij voor de vlucht naar Los Angeles. Zo herinner ik mij dat de op dat moment wereldberoemde jongensband Hanson, beroemd van de wereldhit ‘MMMBop’ zich onder de passagiers bevond. Op het moment dat de destijds 11-jarige, en door zijn lange blonde meisjeshaar en jonge leeftijd androgyn ogende drummer en zanger van de band, Zac Hanson, zonder te piepen door het poortje kwam huppelen, fluisterde een collega mij schertsend in het oor: “moet je kijken, wat een lekker wijf”. Maar ik dwaal af, ik zou het over mijn ontmoeting met Hollywood acteur Dennis Hopper hebben.
Van welke films kende ik de acteur Dennis Hopper? Van de vele films waarin ik hem heb mogen zien spelen denk ik als eerste aan het viertal ‘Rebel Without a Cause’ (1955), ‘Easy Rider’ (1969), ‘Apocalypse Now’ (1979) en ‘Blue Velvet’ (1986).
Omdat ik geen idee meer heb welke van de films met Dennis Hopper ik ooit als eerste heb gezien wil ik het over twee films hebben, die mij elk om hun eigen karakter altijd zijn blijven fascineren: ‘Rebel Without a Cause’ (1955) en ‘Easy Rider’ (1969).
‘Rebel Without a Cause’, is een van de slechts drie speelfilms waarin de op 24-jarige leeftijd verongelukte James Dean te zien is en waarschijnlijk ook de meest bekende en populairste van de drie. James Dean overleed overigens een maand voor de première van ‘Rebel Without a Cause’, maar waar het mij bij deze film vooral om gaat is het feit dat de toen 19-jarige Dennis Hopper, dankzij zijn vriend en mentor James Dean, mocht debuteren als filmacteur in een klein bijrolletje. Hij speelt het personage ‘Goon’ en kreeg in de film maar een paar regels tekst. Ik moet zeggen dat ik de film al een paar keer had gezien voordat ik hoorde dat het kleine magere blonde ventje dat ‘Goon’ speelt de enige echte Dennis Hopper is.
In mijn wilde tienerjaren, die zich afspeelden aan het begin van de jaren tachtig, had ik net als veel leeftijdsgenoten een mateloze fascinatie voor de jaren zestig, die vlak achter ons lagen, maar waar we in ‘real time’ geen bal van hadden meegemaakt. De jaren zestig leken ons heel wat swingender, spannender en vrolijker dan de sombere sfeer die rond 1980 in de lucht hing.
Eén van de films die in mijn ogen de sfeer van het einde van de jaren zestig perfect verbeeldde was ‘Easy Rider’ uit 1969, een road movie in de meest zuivere zin van het woord. Twee motorrijders, gespeeld door Dennis Hopper en Peter Fonda (1940-2019) rijden van de Rocky Mountains naar New Orleans om ‘Mardi Gras’, het carnaval van New Oreans, te vieren. Onderweg pikken ze een passagier op, de tot dan toe nog onbekende Jack Nicholson, die in de film de rol van de alcoholische advocaat George Hanson speelt (Hanson? Waar heb ik die naam eerder gehoord?). ‘Easy Rider’ zou de doorbraak van Jack Nicholson betekenen en leverde hem zijn eerste Oscar nominatie op; in dit geval voor ‘beste mannelijke bijrol’.
‘Easy Rider’ is om meer dan één reden legendarisch te noemen. Dennis Hopper had zichzelf door zijn destijds in Hollywood beruchte wangedrag, veroorzaakt door het epische gebruik van drank en drugs in alle kleuren van de regenboog, onmogelijk gemaakt, niemand wilde nog met hem werken, en besloot daarom zelf een film te maken met het ook voor die tijd belachelijk lage budget van 400.000 dollar. Het script van de film (21 pagina’s tekst, de acteurs zouden de rest van de tekst tijdens de opnamen van de film al improviserend produceren) schreef hij samen met vriend en co-acteur en een ander enfant terrible van Hollywood Peter Fonda. Dennis Hopper regisseerde de film.
De film werd een enorm succes. Naast de Oscar nominatie voor Jack Nicholson ontving Dennis Hopper de ‘Prix de la première œuvre’ tijdens het Filmfestival van Cannes van 1969. De film bracht uiteindelijk meer dan 60 miljoen dollar op.
Op 7 november 1997, het was een uur of vijf in de middag, was ik gefascineerd door het feit de Hollywoodster Dennis Hopper van zo dichtbij, ‘in het echt’, te mogen zien. Ik was helemaal niet bezig met het idee of ik hem wel of niet zou moeten fouilleren. Al speelt Dennis Hopper in menige film de grote boef, of soms zelfs de verpersoonlijking van het kwaad, ik begreep vanzelfsprekend dat acteur en personage niet een en dezelfde zijn en hoefde daarom niet bang te zijn dat Dennis Hopper de vlucht naar Los Angeles zou gaan kapen. Alhoewel?
Op het moment dat Dennis Hopper een meter van het detectiepoortje verwijderd was, keek hij mij recht in de ogen aan, zei: “Just a moment”, stak zijn linkerhand in de rechterbinnenzak van zijn colbert (ik schrok niet) en toverde triomfantelijk een zwarte metalen brillenkoker tevoorschijn, legde die op het metalen plankje naast het detectiepoortje en stapte zonder een piepend geluid te produceren door het poortje. Aangezien ik wilde laten zien dat ik mijn werk professioneel en zonder aanziens des persoons uitvoerde nam ik de brillenkoker van het plankje en opende die om te kijken of er geen wapen in verstopt zat. Je begrijpt dat ik niet verbaasd was in de brillenkoker van Dennis Hopper een leesbril aan te treffen.
Ik klapte de brillenkoker teder dicht en overhandigde die onder het uitspreken van de woorden “There you go” aan de man die in zijn leven onder vele andere handen de handen van James Dean, Jack Nicholson en mijn allergrootse held van het witte doek aller tijden Marlon Brando had mogen schudden.
Heel kinderachtig zorgde ik ervoor dat de vingers van mijn rechterhand de hand van Dennis Hopper vluchtig aanraakten. Dichter bij mijn held Marlon Brando heb ik in mijn leven niet kunnen komen. “Thanks, man,” zei Dennis Hopper tegen mij, vlak voordat hij voor altijd uit mijn leven zou verdwijnen en in de richting van de aviobrug liep. Ik bleef Dennis Hopper nakijken totdat hij in de aviobrug verdwenen was en besefte dat Dennis Hopper niet mij, maar ik Dennis Hopper had moeten bedanken. Ik had echter geen tijd om verder te mijmeren. Ik hoorde het detectiepoortje achter mij piepen en op het moment dat ik mij omdraaide stond ik oog in oog met Michael Jackson.
‘Hoe ik oog in oog kwam te staan met Hollywood acteur Dennis Hopper’ is opgenomen in mijn reportagebundel ‘Van Kluun tot Clinton’: https://bit.ly/Peter-Mabelus.
Ik parafraseer Abraham Lincoln, moedige president van de VS (1861-1865). Een vermoorde held die de afschuwelijke slavernij in het zuiden van de Verenigde Staten formeel afschafte:
“You can fool some bald people all of the time, and all of the bald people some of the time, but you can not fool all the bald people all of the time.”