Onbekend's avatar

Poepie (Een Sprookje)

 

Er was er eens een Grieks prinsesje. Haar naam was Elsje, Elsje Poupolos. Elsje Poupolos woonde in een heel groot pa­leis, ergens heel hoog in de Griekse bergen boven Athene.

Elsje was een zoetekauw, die heel erg verwend werd door haar opa en oma, omdat ze een weesje was. Zo was het paleis waar ze in woonde, op haar verzoek, speciaal gemaakt van snoepgoed. Ik heb dat paleis gemaakt en kom er nog elke dag om onderhoud te plegen. Het paleis lijkt wel een heel erg groot suikerbeest, zo met die torentjes en transen van marsepein, een ophaalbrug van aan elkaar gesmolten zuurstok­ken, die opgehaald en neergelaten worden met snoepkettingen en het binnen­plein van het paleis is belegd met grote nogablokken.

Het was trouwens verboden om aan het paleis te likken. Als je dat deed dan kon je mooi een pets voor je gezicht krijgen van de heel erg geheime anti-lik politie. Streng hè?, waren ze in Sanitaria. Oh ja, had ik dat nog niet verteld, dat het kleine Griekse provincietje waar Elsje Poupolos woonde, Sanitaria heette?

Ja, Sanitaria was een heel erg schone provincie. In Sanitaria was het bijvoorbeeld verboden om op straat te piesen en te poepen (dat is overal verboden, zegt mijn moeder). En je mocht op straat ook geen scheet­jes laten. Als je dat deed werd je gearresteerd door de ook heel erg geheime anti-scheetjes politie. En die nemen hun werk heel serieus.

Zo heb ik een keer gehoord van een lieve oude man die in het openbaar kei­hard een zure scheet liet, omdat hij per ongeluk iets verkeerds gegeten had (het schijnt een broodje beenham met oude kaas en partysticks geweest te zijn). Nou, deze man werd dus gearres­teerd door de geheime anti-scheetjes politie en op zijn kop in een grote ton met poep gezet, net zo lang tot hij stikte. Gemeen hè?

Jeetje meneetje, wat ben ik afgedwaald! Wat wilde ik jullie ook al weer vertellen over prinses Elsje Poupolos? Oh ja, Elsje was dus een zielig weesje dat veel van snoep hield. Ze vond het zo erg dat ze niemand had om mee te spelen. Want ze woonde helemaal alleen met haar opa en oma in dat snoeppa­leis. Opa en oma konden nu eenmaal niet meer tikkertje doen, verstoppertje spelen, touwtje springen of hinkelen. Opa had dat soort dingen trouwens als kind al geen moer aan gevonden (wat een chagrijn hè?). En oma was zonder beentjes geboren en zat haar hele leven al in een schommelstoel, die een achteroom van haar, oom Gibraldi, speciaal voor haar had laten ontwer­pen door een Hongaar­se meubelmaker uit België.

Elsje was het spuugzat om altijd maar alleen te spelen. Maar ze spuugde niet, omdat dat ook verboden was en ze geen zin had om ruzie te krijgen met de ook heel erg geheime anti-spuug poli­tie.

Elsje was nu al veertien. Haar borstjes staken al een beetje vooruit, haar heupjes begonnen al een beetje breder te worden en ze had al een beetje haartjes op haar k.. Zoals gezegd wilde ze zo graag een keer met iemand anders spelen. Maar meer nog had ze zin om een beetje te knuffelen, te duwen, te kietelen en te trekken met een leuk speelkameraadje.

Nu was opa toevallig al zijn hele leven geabonneerd op de Donald Duck. En elke donderdagochtend gooide een lelijke, kale, oude postbode met acne de verse Donald Duck in de chocolade brievenbus van het paleis. Maar op een dag was de postbo­de ziek en kwam zijn neef, een vrolijke en sportie­ve blonde jongen van vijftien jaar, de nieuwe Donald Duck brengen. Op het moment dat de jongen met het blaadje in de hand de ophaal­brug van zuurstok­ken opliep stond Elsje Poupolos net verveeld uit te kijken over de bergen, die wel van drop gemaakt leken, zo zwart waren ze, dacht ze.

‘Hoi!,’ riep de blonde jongen vrolijk. ‘Zal ik de nieuwe Donald Duck maar aan jou geven, mooi meisje?,’ zei hij, terwijl hij met een steelse blik naar haar prille borstjes keek.

‘Dat is goed, vrolijke blonde jongen,’ zei Elsje, en streek hem over zijn glimlachende bolletje.

En voor ze het wisten waren ze aan het tongzoenen en strelen dat een aard had.

Vroeger had je nog geen seksuele voorlichting en daarom wisten deze twee deugnieten niet wat hun overkwam! Maar wat was het lekker om zo tegen elkaar aan te schurken. En wat was het lekker om met die natte tongen elkaar af te likken. Nog veel lekkerder dan snoepen!

Opeens keek Elsje geschrokken om zich heen, omdat ze bang was dat ze iets deed dat verboden was. Was het misschien niet vies wat ze deden? Was er geen geheime politie in de buurt? Snel trok ze de jongen achter zich aan naar haar slaap­kamertje. En wat ze daar allemaal niet met elkaar deden! Toen ik daar langs liep was de deur op slot, de kleertjes van Elsje Poupolos en de vrolijke blonde jongen lagen in een slordige hoop in een hoek van de gang. En toen ik mijn oor te luisteren legde aan de deur van Elsje’s slaapkamer hoorde ik ze te midden van sopgeluidjes giechelen en fluisteren.

Op een gegeven moment hoorde ik de jongen Elsje vragen hoe of dat ze heette.

‘Elsje Poupolos, heet ik,’ fluisterde Elsje hees.

‘Elsje Poupo­los!!,’ hoorde ik de jongen lachend zeggen. ‘Dan noem ik je poepie!’

En wat moest ik toen ontzettend mijn lachen inhouden.

‘Ha, ha, poepie in Sanitaria!,’dacht ik. ‘Poepie! Laat de heel erg geheime anti-scheetjes politie het maar niet horen!’

Onbekend's avatar

Nicolas Cage neemt optie op filmrechten thriller “Osho Tapoban” Peter Mabelus

img_0495-kopie

ANP – Het gerucht dat er sterke Amerikaanse belangstelling bestaat voor het kopen van de filmrechten van de Nederlandse thriller “Osho Tapoban,” geschreven door de Nederlandse thrillerauteur  Peter Mabelus, gonsde al wat langer rond.

Gisteren echter bevestigde de manager van Hollywood acteur Nicolas Cage dat Cage een optie heeft genomen op de filmrechten van “Osho Tapoban.” Het is niet bekend welk bedrag Cage heeft betaald aan Peter Mabelus.

Het feit dat Cage een optie heeft genomen op “Osho Tapoban” is des te opmerkelijker, omdat het boek van debutant Peter Mabelus nog niet eens af schijnt te zijn. Voorpublicaties van diverse hoofdstukken op internet hebben op de internationale literaire gemeenschap en de filmwereld echter zo’n indruk gemaakt dat er een felle strijd op gang kwam om de filmrechten van “Osho Tapoban” te bemachtigen.

Peter Mabelus was niet voor commentaar bereikbaar. Volgens een woordvoerder van Peter Mabelus ” voelt Mabelus zich zeer vereerd en heeft hij zich op een geheime locatie teruggetrokken om het manuscript van “Osho Tapoban” af te ronden.”

Het is een unicum in de Nederlandse literatuur dat zich een dergelijke felle strijd om de filmrechten van een nog niet uitgegeven boek van een debutant heeft afgespeeld.

Door welke uitgeverij en wanneer “Osho Tapoban” van Peter Mabelus zal worden uitgegeven is nog niet bekend.

Onbekend's avatar

Harry Mulisch en mijn vrouw

Tijdens de druk bezochte signeersessie, die begin maart 2001 gehouden werd in het aan het Koningsplein in Amsterdam gesitueerde pand van de destijds beste boekenwinkel van Nederland, “Scheltema, Holkema en Vermeulen,” ter gelegenheid van het verschijnen van het laatste boek van  Harry Mulisch “Siegfried,” duurde het drie kwartier voor mijn vrouw aan de beurt was om haar exemplaar van “Siegfried” te laten signeren door Harry Mulisch. Het boek zou een cadeau zijn voor haar bijna tachtigjarige vader. Haar vader was een held. Mulisch was een rock star.

“Wat zal ik er in zetten?,” vroeg Harry Mulisch aan mijn vrouw.

“Voor mijn vader,” zei  mijn vrouw.

“Jouw vader is mijn vader niet,” zei Harry Mulisch. “Dat ga ik niet schrijven.”

Mijn vrouw keek eerst Harry Mulisch, en daarna mij glimlachend aan.

Harry Mulisch wachtte geduldig met zijn inktpen boven het titelblad.

“Doe dan maar “voor Reinier”,” zei mijn vrouw.

“Kun je dat spellen?””

“Gewoon “Reinier,” zei mijn vrouw.

“R-E-I-N-I-E-R?,” vroeg Harry Mulisch.

“Ja,'” zei mijn vrouw.

Harry Mulisch schreef “Voor Reinier,”op het titelblad van “Siegfried,” ondertekende met “Harry Mulisch,” sloot het boek en gaf het aan mijn vrouw. Wij liepen betoverd naar de kassa.

Ik keek om naar Harry Mulisch. Hij boog zich glimlachend naar de volgende in de lange rij.

Onbekend's avatar

Dear Arnon Grunberg

 

Dear Arnon,

You have a close following of readers of your work and and the things you do. Why not make it easier to get access to the text of, for example, “De Hollanders” and “Onze Paus,”, than get it through expensive or impossible means? Is their a way? I would be very interested. Thanks and keep up the good work.

said Peter Mabelus 05/10/2011 23:09

Peter,

“Our Pope” is for sale. The text of my play “De Hollanders” is not (yet) for sale. Please, be patient.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 00:39

Arnon,

I will be patient, but 2000 euros for a play is not an amount I can afford being a teacher with a family to take care for. Maybe you can send it to me as a gift, me being a big fan of your work since the old days.

said Peter Mabelus 06/10/2011 09:11

Peter,

How much are you willing to invest?

said Arnon Grunberg 06/10/2011 10:28

Arnon,

I am willing to invest in my loyalty to buy your work as long as I can afford it. I don’t think I should invest in a gift.

said Peter Mabelus 06/10/2011 12:55

Peter,

Please, contact Johan and I’m sure he will send you a pdf. No strings attached.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 16:56

Arnon.

Thank you so much for your sincerity and kindness. I will send a mail to Johannes in Dutch and can’t wait to read your work.

I wrote a comment on your site on the publication of “De Mensendokter”. Now I know you truly are one.

said Peter Mabelus 06/10/2011 20:17

On Thu, 6 Oct 2011 20:01:13 +0200, wrote:

Geachte Johannes,

Arnon heeft mij via zijn blog vandaag toegezegd de tekst van “Onze Paus”
en eventueel ook “De Hollanders” als pdf-bstand toe te sturen. Ik ben
dankbaar en vereerd. Zou jij mij de teksten toe kunnen sturen? Ik ben in
blijde verwachting. Bij voorbaat dank.

Vriendelijke groet,

Peter Mabelus

Van: Johannes
Verzonden: vr 7-10-2011 12:44
Aan: Peter. Re: in reactie op Arnon’s blog van 4 oktober 2011

Doe ik volgende week, ok?

Hartelijke groet,

Johannes

Hoi Johannes,

Ik had gehoopt dat je ze vandaag al op kon sturen, maar volgende week is
vanzelfsprekend ook goed.

Hartelijke groet terug

Peter Mabelus,

Van: Johannes
Verzonden: vr 7-10-2011 17:10
Aan: Peter.

Onderwerp: Re: in reactie op Arnon’s blog van 4 oktober 2011

Het kan helaas niet eerder dan volgende week. Hartelijke groet,

Gaat u naar de voorstelling van “Onze Paus”?

Hartelijke groet,

Johannes

On Fri, 7 Oct 2011 12:22:03 +0200, Peter Mabelus wrote:

Ja (zeg maar jij hoor), het wordt alleen even puzzelen waar en wanneer.

Hartelijke groet

Peter Mabelus

Beste Johannes,

Prima, Johannes. Als Arnon in Amsterdam is verblijft hij, volgens mij, in een hotel op de Herengracht, schuin tegenover de school waar ik les geef. Reis jij hem achterna, of heb je een eigen leven? Ik ben nieuwsgierig naar de status van jouw assistentschap. Als je daar iets over wilt vertellen, houd ik mij aanbevolen. Enfin, altijd respect voor mensen die werken met inzet en toewijding. Geduld is geen vieze zaak, zoals mijn zoon Noah ooit zei, toen hij een jaar of drie was, Wijsheid komt met de jaren, zo blijkt.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

Beste Peter Mabelus,

Assistentschap voor dhr. Grunberg is niet anders dan regulier werk van een secretaris/assistent, dus correspondentie, afspraken maken, boeken
bestellen en een onderzoekje hier en daar.
Ik reis hem niet achterna, maar ik ontmoet hem wel geregeld.

Hartelijke groet,

Johannes

Beste heer Mabelus,

Hierbij de tekst van “Onze paus.”

Gelieve dit bestand niet te verspreiden.

Hartelijke groet,

Johannes

Good luck and thanks!

Dear Arnon,

Today I received Johannes’s copies of the plays. Thank you very much. I will read them, not exploit them. Til the next time with kind regards.
Peter Mabelus

 

Onbekend's avatar

Mijn kleine stewardess

 

Zie haar nu door de hemel gaan

Zij is de zin van mijn bestaan

Het leven gaf me een les door een stewardess

 

Ze vliegt van Rome naar Parijs

Serveert whisky met ijs

En ze houdt alleen van mij

Mijn kleine stewardess

 

Zie haar nu door het gangpad gaan

Biedt mij een sjieke maaltijd aan

Het leven gaf me een les door een stewardess

 

Ze vliegt van Rome naar Parijs

Serveert whisky met ijs

En ze houdt alleen van mij

Mijn kleine stewardess

 

Hoe kan ik geloven?

Alle zegen komt van boven

Ze houdt alleen van mij

Mijn kleine stewardess

 

Ze vliegt van Rome naar Parijs

Serveert whisky met ijs

En ze houdt alleen van mij

Mijn kleine stewardess

 

Onbekend's avatar

Hoop

 

Wacht op meer morfine

Witte jassen, poeders en pillen moeten je uit je lijden verlossen

De Verlosser bestrijdt pijn

De Verlosser helpt

De oorzaak van de pijn kan niet bereikt worden

Klauter gewond van de bodem van een massagraf naar boven

Naakt

Besmeurd met bloed en stront van vernietigde dierbaren

De vijand heeft je alleen gelaten

Waar is de vijand?

Koop een lot uit de loterij

Een ticket voor hoop

Gooi geld weg dat niet bestaat

Elke week is even spannend

Tijd verstrijkt onverschillig

De digitale brij verstikt

Adem bewust in

Word sterk

Elimineer je emoties

Oprechtheid is een concept geworden

Eerlijkheid komt slechts in definities voor

Elke moraal is verzonnen

Hoop is voor mensen die niet in genade leven

Onbekend's avatar

Osho Tapoban Bootleg Series 1: Nepalees Dagboek

Vannacht werd ik om middernacht wakker. Het licht in de kamer was nog aan. Mijn grote fles bier was nog half vol. ‘Het pad van Zen’ was op bladzijde drie uit mijn handen gevallen. Ik moet om ongeveer half acht gisterenavond in slaap zijn gevallen. Wakker geworden bleef ik nog een uurtje rommelen en tobben. Echt ontspannen was ik in het geheel nog niet. Vanmorgen werd ik echter als herboren wakker om half negen. Niet gek als je bedenkt dat ik bij elkaar de klok rond heb geslapen. Ontbeten met een pot koffie en toast met jam op het dakterras van het hotel. Warme douche. Om half tien stond ik al bij het Department of Immigration voor mijn trekking permit. Hoewel het Department of Immigration pas om tien uur open zou gaan waren er al een stuk of twintig mensen voor mij. Toen ik om half elf buiten stond (de permit kon ik om twee uur ‘s middags ophalen) stond er een rij van een man of honderd. Vervolgens op zoek naar het kantoor van Biman Bangladesh Airlines om mijn terugvlucht te reconformeren. Een wandeling door een stoffig en heet Kathmandu. Ik kwam geen blanke tegen. Ik zag papegaaienhandelaren, zwerfkinderen, waarzegsters en bouwvakkers en dat te midden van verkeer dat net zo’n wild west rijstijl heeft als dat in Jakarta. Vooral veel toeteren. En er stonden op bijna elk verkeerspunt agenten in smetteloze uniformen gebaren te maken, alsof ze enige invloed hadden op de draaikolk van staal, hout en vlees. Een breakdancer zonder publiek. Bij het gebouw van Biman aangekomen bleek er een grote bouwplaats te zijn op de plaats waar ooit het kantoor gestaan moet hebben. Na speuren en vragen kwam ik toch waar ik moest zijn en regelde ik wat ik had willen regelen: de terugvlucht.

Omdat ik tijd genoeg had tot het moment waarop ik mijn trekking permit op kon halen liep ik zo ongeveer in de richting van waar ik het beroemde Durbar Square vermoedde. De locals schijnen dit plein Hanuman Dhoka te noemen. Ik liep via de klokkentoren naar de Bagh Bazaar, een zeer drukke markt waar van alles te koop en te doen is. Ik was de enige blanke en omdat de mensen zo dicht op elkaar liepen, zaten en stonden vond ik het gênant om mijn camera te trekken en plaatjes te schieten. Langs een stoffig park liep ik naar de grootse winkelstraat van Kathmandu, New Road. Hier kocht ik een zonnebril na enig aarzelend en onwennig afdingen van een jongen die zei ooit in Rotterdam te zijn geweest. Aan het eind van de straat kocht ik in een klein winkeltje een kaart van het Annapurna gebied, een stapeltje ansichtkaarten en wat postzegels. Daarna liep ik het eerste plein van Durbar op, want in feite is Durbar Square een verzameling van een plein of drie, vier bij elkaar, omringd met paleizen en tempels, waar tussen door handel gedreven wordt, monniken lopen, locals in de zon zitten uit te puffen, toeristen rondhangen en foto’s nemen en het verkeer van riksja’s, scooters en auto’s scheert ook hier overheen. De prachtige tempels en paleizen zijn aan het ene plein nog indrukwekkender en mooier dan het andere. Op het moment dat ik daar liep wist ik dat ik met geen pen kan beschrijven hoe indrukwekkend en mooi. Elke tempel is weer anders van vorm en grootte. Ze zijn allemaal stoffig en bezaaid met vogels en mensen. Vrouwen verkopen strengen fel gekleurde bloemen. Sadhu’s in oranje gewaad met lange vuile baard en rastahaar hangen rond en bedelen. Boeddhistische monniken schrijden statig rond. Hitte. Lawaai. Drukte. Veel mensen. Veel kleuren. Daarna Thamel in, nu vanaf de zuidkant. Ik bleef maar genieten van alles wat ik zag, al lopend door dit kleurrijke mierennest. Iedereen heeft het druk. Ontelbare winkeltjes verkopen potten, pannen, vliegers, kleden, poppen, voedsel, fruit en bloemen. Ik werd ingehaald door twee mannen met elk een bankstel op de rug in balans gehouden door een band om het hoofd, de namlo. Anderen liepen met enorme bossen hooi op de rug of zestig fel rood gekleurde emmers. En dat alles in straatjes van drie meter breed waar al het andere verkeer ook hortend en stotend gebruik van maakt. In elke straat heerst dezelfde chaos. Ik schiet er nu vrolijk en lustig op los met mijn camera. Nu voel ik geen gene. De behoefte om hier iets van vast te leggen is te groot. Net als angst is schaamte een slechte raadgever als het er om gaat iets te doen. Er zijn echter grenzen, soms is het ongepast te fotograferen wat je ziet. Zo zag ik bij de Bagh Bazaar een vrouw in kleermakerszit met voor zich op de grond een driehoekig patroon van bloemen en zaden. Ondertussen hield ze een hand op het hoofd van een vrouw, in dezelfde houding, die in trance leek. Toen kon ik niet over mijn hart verkrijgen om een dia te maken. Er bestaat ook nog zoiets als respect en afstand. Ik ben geen fotojournalist die er van moet leven. Na een lange tijd ongelovig en positief geschokt door Thamel gezworven te hebben en even verdwaald te zijn ging ik mijn trekking permit ophalen. Ergens anders moest ik ook nog een toegangskaart voor het Annapurna gebied kopen. De trekking permit kostte vijftien dollar, de toegangskaart duizend roepies (dertig gulden), bij elkaar zestig gulden, twee maandlonen voor de gemiddelde Nepalees. Toen terug naar een muziekwinkel die ik in een steeg had gezien toen ik haast had om op tijd mijn trekking permit op te halen. In de muziekwinkel veel instrumenten beklopt en bevingerd. Het meest interessante vond ik een sitar die honderd dollar moest kosten. Een prachtig groot instrument met een snaar of zeventien, vijf boven en daaronder twaalf. Uitleg gekregen over hoe de sitar te bespelen en te stemmen. Een prachtig instrument, maar waarschijnlijk onmogelijk om mee naar Nederland te slepen. Te groot en te kwetsbaar.
Terug naar Hotel Horizon om via de familie een bus voor morgen naar Pokhara te regelen. Op het dak kaartjes vol geschreven. Er kwam een halfzusje van Steffi Graf uit Hamburg bij me aan tafel zitten. Ze had ook aan het andere tafeltje op het dak plaats kunnen nemen, maar dat deed ze niet. Samen thee gedronken en haar koekjes opgegeten. Geklets over heilige koetjes en Nepalese kalfjes. Ze was ook alleen op reis en vandaag was ze jarig. We praatten over de voor- en nadelen van het alleen reizen, de schoonheid en de horror ervan en hoe het alleen reizen de ervaringen intenser kan maken. Ik vroeg haar of ze al plannen had voor het avondeten. Ze was immers alleen, aardig, zag er leuk uit en was jarig. Ze had echter al met een Duits stelletje afgesproken, dat ze vandaag ontmoet had, om te gaan eten en feesten. Ik verwachtte een uitnodiging om mee te eten en feesten. Die kwam niet. Toen stond ze op om nog wat dingetjes te regelen voor haar trek, ergens ten noorden van Kathmandu. Ik zei ‘tot ziens en een prettige avond’ en schreef nog wat kaartjes vol. Ik moest alleen gaan eten en dat haat ik. Alleen eten in een stad waar bijna niemand alleen eet. In het grote toverboek vond ik een pizzeria. Het restaurant was volgens mijn reisgids opgezet door een Italiaanse vrouw en bevond zich volgens mijn berekeningen zo’n tweehonderd meter hier vandaan. Al bladerend in mijn toverboek een pizza naar binnen gewerkt met een blikje Tuborg erbij. Binnen twintig minuten stond ik weer buiten. Ik had voor de volksgezondheid een vegetarische pizza genomen omdat vlees en salades in apenlanden onbetrouwbaar zijn. Vegetariër voor een maand? We zullen zien. Ook al geen karnemelk of lekkere belegen kaas. Wat heeft een mens echter nodig om gelukkig te zijn? Je eigen persoon, liefde voor jezelf en weten wie je bent en wie van je houden. Het leven is een geschenk van God en je moet nooit twijfelen aan je vermogen om te overleven en te doen. Als jij het niet kunt doen, wie wel? Geen apathie, maar genieten van het leven, de schepping, de wereld. Zo zit dat.
In het vliegtuig hier naar toe heb ik de reisspecial in HP-De Tijd gelezen. Ook een artikel over verre reizen. Het had los van de financiële mogelijkheden van tegenwoordig ook te maken met het einde van het tijdperk van het naoorlogse zuinige. Genieten van het nu. Dingen doen die je wilt doen verwezenlijken niet staren naar de droomreizen top tien van de gemiddelde Nederlander en weer naar Benidorm gaan. Op een in de droomreizen top tien stond de Verenigde Staten van Amerika, op drie stond Indonesië. Ben ik dan toch een gemiddelde Nederlander? Misschien, maar ik heb die reizen gemaakt. En nu zit ik hier op mijn bedje in Kathmandu met het schrijfblok op mijn knieën aan mijn reisverslag te schrijven, het heerlijke pot pourri bandje van Johan op de walkman erbij. Nepal kwam niet in de droomreizen top tien voor. Ik ben hier nog maar net en moet maar zien hoe het allemaal loopt. Tot nu toe volgens plan. Maar ik dwaal af. Na het gezellige uit eten gaan (er zat een Japans gezelschap met de slappe lach achter mij in het restaurant) wat crackers voor morgen in de bus gekocht en een goedkoop miniflesje wodka gehaald in een winkeltje voor nu. De cirkel is rond. Morgen is er weer een dag.
Op straat word je heel veel aangesproken om drugs te kopen of hasjpijpjes. Ik glimlach en loop voorbij. Peter heeft genoeg aan zijn flesje wodka van twee gulden vijftig. Nepalezen zijn zo aardig en geïnteresseerd. Hetgeen dat mij ook doet zijn. Ik vroeg aan het jongste broertje of neefje vanmiddag, ‘hoeveel kanalen hebben jullie op de televisie?’, ‘o, hebben jullie pas sinds tien jaar televisie in Nepal?’, ‘gaat alles goed?’, ‘heb je lekker geslapen?’ I’m o.k., you’re o.k. Wel prettig en ook het beetje warmte en aandacht dat je nodig hebt als je alleen reist en niets hebt om jezelf thuis te voelen behalve jezelf en het halfzusje van Steffi Graf niet zo maar met je uit eten wil gaan en daarna niet zo maar met je het bed in wil duiken. Ik hoor de melancholieke Leonard Cohen op de walkman.
Ik kan niet wennen aan het feit dat je door een vliegtuig van de ene wereld in de andere wordt gesmeten. Opeens is alles hier belangrijk, hoor je de geluiden die hier klinken, loop je door deze straten en sissen deze mensen naar je, willen wat van je, hier en nu, ver van huis. Wat als je gewoon thuis was gebleven/ Dan was deze wereld er ook geweest. Dat is ook het verwarrende van dit soort reizen. Neergeplant worden in een totaal andere wereld, te midden van mensen die hun dagelijkse leven leiden en er niet van weg kunnen gaan als ik. Hun leven zit in een veel vaster stramien dan het mijne, is veel meer onontkoombaar. En opeens loop jij daar door heen. Door hun decor. Niet dat het voor hen veel uitmaakt. De zoveelste toerist, rijke vreemdeling. Maar andersom is het nogal wat. Cultuurschok. Juist de confrontatie is zo inspirerend. Hier is alles zo anders. Je beseft je eigen afkomst en wereld zo goed. Het opent de ogen, maar verandert niets aan het feit dat ik een Amsterdammer ben en zij hier moeten blijven leven. De schok leert me iets, maakt me vrijer en mijn leven thuis minder vanzelfsprekend. Het vult mijn hart met liefde voor de mensheid. En dan meer voor de mensen hier dan voor ons die gevangen lijken in een wirwar van ontelbare regels, voorschriften, verplichtingen, contracten, lasten, poeha, status en imago. De glimlachende vrouw op de hoek die snoep verkoopt is toch net zo veel waard als de president-directeur van Philips. Maar de waarheid is dat bedrijven als Philips hun arbeid naar deze landen verplaatsen, niet uit respect voor de mensen, maar omdat men hier niets verdient. Leve de Europese Unie met vrij verkeer van arbeid, personen en kapitaal. Leve de Nederlandse multinationals. Power to the people!

Onbekend's avatar

PA 501, 21 12 88

 

“Hallo, mein lieber Schatz. Als je dit bandje via de post opgestuurd hebt gekregen zul je wel denken, ‘wat krijgen we nou? Een cassettebandje over de post?’ Omdat je waarschijnlijk nog nooit een cassettebandje over de post ontvangen hebt bedoel ik dan natuurlijk. Nou ja, dat spreekt vanzelf.

Overigens stuur ik dit bandje niet naar je privé-adres, dat wilde je me niet geven, achterdochtig paranoïde ventje, maar naar die geile escortclub van je, ‘Alles klar’, in die opwindende stad van je, aan de Main, jouw geboorteplaats, Frankfurt. Of ben je daar helemaal niet geboren, zoals je me zei, ondeugende Helmut? Want jullie hoerenjongens liegen alles bij elkaar dat los en vast zit. Voor geld doe je alles, niet waar Helmut? Je zou je eigen seropositieve vriendje nog verkopen aan het circus als ze maar genoeg schoven, of het zonder condoom doen met Jan en Alleman als je maar genoeg marken geboden kreeg. Zo is het toch? Maar daar had ik het niet over. En ik klink nu helemaal niet aardig, terwijl ik toch zo veel van je houdt. Ja, ik houd van jou Helmut. Dat is de waarheid nu eenmaal.

God, Helmut, wat ben ik weer aan het ouwenelen. Maar je weet hoe het gaat als je met je dictafoon in de hand in je luie stoel in het wilde weg luid voor je uit mijmert na een uitgebreid en zeer vet vliegtuigontbijt. Alhoewel, luid, ik fluister haast.

Ik zit nu heerlijk bij het raam en zie een blank golvend wolkentapijt aan mij voorbij gaan. Ik wilde vandaag eens niet overdrijven en heb in plaats van een eerste klas maar eens een eenvoudige business class seat genomen. Ik vond namelijk dat ik mezelf de laatste dagen met jouw aanwezig­heid al veel te veel in de watten gelegd had. Lieve Helmut, al ben je erg duur, je bent elke pfennig waard geweest.

Wat ik allemaal niet bij je heb mogen doen. En vooral wat ik allemaal wel bij je heb mogen doen. Dat had ik in mijn stoutste dromen niet voor kunnen stellen. En wat jij allemaal bij hebt mogen doen niet te vergeten. Ik geloof dat ik nu zelfs even bloos, liefje, maar misschien valt het niet op omdat ik toch al zo’n paarse hoge bloeddruk harses van mezelf heb. Je noemde me immers niet voor niets je rose varkentje.

Helmut, ik mis je. Behalve je schitterend geproportioneerde atletische lichaam, je blonde verleidelijke lokken, je geile dikke geverfde lippen en je goddelijk stralende blauwe ogen zal ik vooral je voortreffe­lijke kookkunst missen. Wat heb ik lekker gesmuld van de uitgelezen spijzen die je mij voorgeschoteld hebt.

Die drie dagen met jou. Het leek wel of er voortdurend iets te eten in de buurt was. Die heerlijke gebraden kippenpootjes, je lekkere gepaneerde Wiener schnitzels, je overheerlijk gekruide sappige braadworstjes en je eigen stomende Frankfurter Wurst natuurlijk niet te vergeten. Alle mensen, wat heb ik me laten gaan in jouw tempel van zinnelijk genot. Als ik terugkom in New York, bij vrouw en kinderen, moet ik echt even gaan lijnen.

Ach, mijn schatje, het lijkt alweer zo lang geleden dat je vanmorgen in je Frankfurtse keukentje voor me stond te kokkerellen. Ik zie nog zo je strakke kontje heen en weer schudden toen je die eieren met spek voor me stond te bakken. Hoeveel zei je ook alweer dat ik vanmorgen gegeten heb? Zes eieren, twee ons spek en een heel brood. Om je te schamen. Geen wonder dat ik me opgeblazen voelde toen ik in de taxi naar het vliegveld zat.

Ik heb je geloof ik verteld dat ik na de algehele verzadiging die ik bereik na het nuttigen van een overvloedige maaltijd binnen een half uur alweer enorme trek krijg in iets hartigs. Dus zat ik in de taxi aan de bifi-worstjes (acht stuks, Entschuldigung, lieber Helmut).

Het ging allemaal weer zo traag op het vliegveld. Omdat ik altijd met Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen vlieg ben ik in Europa altijd gedoemd om mezelf te onderwerpen aan die enorm tijdrovende breed uitgesponnen veiligheidscontroles ter voorkoming van gevreesde aanslagen met bommen en granaten door terroristen uit het Midden Oosten. Flauwekul allemaal, want er gebeurt toch nooit iets. En wat dat de belas­tingbetaler allemaal niet moet kosten.

Eindelijk zat ik dan bij het raam op mijn heerlijke stoeltje 7F en stegen we op voor de vlucht naar JFK, New York. Oh ja, we maken nog een tussenstop in Londen, maar daar zit ik niet mee want dat betekent alleen maar weer een extra vliegtuigsnack (ja Helmut, ik ben onverbeterlijk). Naast me zit een bloednerveuze Arabier. Hij had geen honger, dus mocht ik zijn hamroll hebben. En dan zeggen ze dat die Arabieren niets van ons Amerikanen moeten hebben. Nu lig ik dus lekker achterover in mijn luie stoel, een dubbele Chivas Regal in de ene en mijn dictafoon in de andere hand. Ojee, we gaan landen, ik spreek je zo weer.

Zo, hier ben ik weer. We zijn nu alweer even uit Londen vertrokken. Ik heb zojuist een sigaar opgestoken want de lunch laat nog even op zich wachten. Mijn benen liggen nu op de stoel naast mij omdat die neurotische moslim in Londen is uitgestapt en er gelukkig niemand in zijn plaats op die stoel is gaan zitten. Mijn derde dubbele Chivas staat voor mijn neus.

Daarnet heb ik de zes tax free Toblerone repen, die ik voor mijn kinderen gekocht had, opgegeten. Weet ik wat ik doe als ik je zo mis. In New York koop ik wel nieuwe voor ze.

Alle mensen, wat zit ik vol. Ik heb me nog nooit zo opgeblazen gevoeld. De captain riep net om dat we nu de hoogte bereikt hebben waarop we het grootste deel van de reis zullen vertoeven, vijfendertig duizend voet boven Lockerbie, een gehucht in Schotland. God, Helmut wat zit ik vol. Ik ontplof …”

Eerder verschenen in het tijdschrift ‘Daarom’, Amsterdam, nummer 3, 1995

Onbekend's avatar

Big Story

In mijn vorige leven stond ik zeer sceptisch tegenover het fenomeen zielsverhuizing. Ik wist dat er religies zijn die geloven in reïncarnatie, zoals het hindoeïsme en het boeddhisme. Andere godsdiensten, zoals het christendom en de islam, stellen een eeuwig leven na de dood in het vooruitzicht. Zelfs de godfather van de westerse filosofie, Plato, geloofde in reïncarnatie en een eeuwig leven in de Ideeënwereld. En dat in de vierde eeuw voor Christus. Op een moment dat de monotheïstische godsdiensten nog eeuwen moesten wachten op hun overweldigende succes. Of kun je niet op iets wachten als je nog niet bestaat? Als je in reïncarnatie gelooft blijkbaar wel. En dan heb ik het niet over het jodendom, de eerste monotheïstische godsdienst. Maar of die godsdienst een succes genoemd mag worden is twijfelachtig.

Enfin, voor mij valt er niets meer te wachten. Ik ben gereïncarneerd. En wel als een varken. Beter gezegd, een varkentje, want ik kom net kijken. Al heb ik al wel een eigen appartementje in deze varkensflat. Visite wil ik hier niet ontvangen. Daar ontbreekt de ruimte voor. De stank is niet te harden, ook niet voor een varken. Mijn ouders heb ik nooit gezien.

Ik denk in taal, kan reflecteren op wie en wat ik ben, wat ik doe en wat ik heb meegemaakt. Ik heb een bewustzijn. Ik heb een ratio. Ik heb een geheugen. Ik heb een duidelijk besef van goed en kwaad. Enige handicap is dat ik het lijf van een varkentje heb en mij qua communicatie moet beperken tot knorren, bijten en duwen.

Geen van mijn huidige soortgenoten lijkt dezelfde geestelijke vermogens te hebben als ik heb. Als ik contact probeer te maken met andere varkens zie ik geen enkele blijk van herkenning. Ik ervaar van de andere varkens enkel angst en agressie. Ik leef in een betonnen jungle waarin mijn soortgenoten alleen aan zichzelf denken. Ik leef in een betonnen jungle waarin niemand samen wil denken. Ik leef in een wereld waarin niet wordt gedacht. Allen woonachtig in een even grote, of liever kleine, ruimte die niet veel groter is dan de ruimte die ons lichaam inneemt.

Het varken achter mij heeft aan mijn achterste geknaagd. Mijn staart is door de varkenshouder afgeknipt, dus mijn achterbuurman knaagde slechts met zijn zijtanden aan mijn stuitje, de gestulpte wond die achterbleef na de roof van mijn identiteit. Trouwens,  geen prettig gevoel, dat knagen aan je stuitje. Behalve als je jeuk aan je taas hebt.

Om er voor te zorgen dat ik uit verveling en agressie de staart van mijn overbuurman niet afknaag heeft de varkenshouder, net als bij alle andere varkens, zonder verdoving mijn voortanden uitgetrokken. Dat was wel even pijnlijk, maar tanden heb je hier toch niet echt nodig om het slobbervoer naar binnen te werken dat ze hier serveren.

De flat telt tien verdiepingen. Ik woon op drie hoog, dat cijfer staat op de muur, maar van het uitzicht valt niet te genieten Er zijn hier geen ramen waardoor je een blik naar buiten kunt werpen. Ook is het hier binnen altijd donker.

Ik vermoed dat ik het enige varkentje ben met een bewustzijn. Al kunnen alle varkentjes om mij heen hetzelfde denken. Voor zover ik om mij heen kan kijken in het schemerdonker, een beetje naar links, een beetje naar rechts (en als ik naar voren kijk, zie ik de schilferige stuit van mijn soortgenoot, waar ik mjn door de varkenshouder verminkte gebitje niet in zou willen zetten), krijg ik niet de indruk dat de andere varkentjes ook gereïncarneerd zijn. Dat zou ik toch moeten merken?

De varkenshouder heeft geen idee dat ik in mijn vorige leven ook een mens geweest ben. Als hij dat zou weten zou hij mij vast anders behandelen, omdat ik in mijn gedachten en hart net zo ben als hij. Maar dat weet hij niet en dus behandelt hij mij als het zoveelste varkentje.

In mijn vorige leven heb ik op televisie gezien hoe varkens in de bioindustrie worden geslacht. De varkenshouder vervoert de varkens naar het slachthuis. De slachter pakt het varken bij zijn nekvel, om het daarna te eletrocuteren met een soort pistool, recht op het voorhoofd. Vervolgens wordt het varken in een bad met water van zestig graden Celsius gedompeld, zodat het daarna met een gasbrander ontharen wat makkelijker gaat. Dan volgt het direct onder de schedel aan een ijzeren haak ophangen. In tweeeën gedeeld met een soort kettingzaag. Waarna de organen, die er niet allemaal tegelijk spontaan uitvallen, eruit worden gerost door een knecht met een hakmes. Vervolgens kunnen alle onderdelen van ons worden gebruikt.

Vanzelfsprekend worden sommige delen van mij verwerkt in vleesprodukten, zoals gehakt, braadworst en speklap. Maar ook in zeep, drop, bier, kogels, medicijnen, snoep, brood en shampoo zijn resten van mij te vinden. Zonder dat u zich er bewust van bent zullen wij elkaar zeker ontmoeten. U kunt naar me kijken. U kunt me slikken. U kunt mij kussen.

Nu ik binnenkort geslacht zal worden en inmiddels zeker weet dat reïncarnatie bestaat, hoop ik dat ik in een volgend leven als mens wordt gezien en niet als handelswaar.