Onbekend's avatar

Osho Tapoban Bootleg Series 1: Nepalees Dagboek

Vannacht werd ik om middernacht wakker. Het licht in de kamer was nog aan. Mijn grote fles bier was nog half vol. ‘Het pad van Zen’ was op bladzijde drie uit mijn handen gevallen. Ik moet om ongeveer half acht gisterenavond in slaap zijn gevallen. Wakker geworden bleef ik nog een uurtje rommelen en tobben. Echt ontspannen was ik in het geheel nog niet. Vanmorgen werd ik echter als herboren wakker om half negen. Niet gek als je bedenkt dat ik bij elkaar de klok rond heb geslapen. Ontbeten met een pot koffie en toast met jam op het dakterras van het hotel. Warme douche. Om half tien stond ik al bij het Department of Immigration voor mijn trekking permit. Hoewel het Department of Immigration pas om tien uur open zou gaan waren er al een stuk of twintig mensen voor mij. Toen ik om half elf buiten stond (de permit kon ik om twee uur ‘s middags ophalen) stond er een rij van een man of honderd. Vervolgens op zoek naar het kantoor van Biman Bangladesh Airlines om mijn terugvlucht te reconformeren. Een wandeling door een stoffig en heet Kathmandu. Ik kwam geen blanke tegen. Ik zag papegaaienhandelaren, zwerfkinderen, waarzegsters en bouwvakkers en dat te midden van verkeer dat net zo’n wild west rijstijl heeft als dat in Jakarta. Vooral veel toeteren. En er stonden op bijna elk verkeerspunt agenten in smetteloze uniformen gebaren te maken, alsof ze enige invloed hadden op de draaikolk van staal, hout en vlees. Een breakdancer zonder publiek. Bij het gebouw van Biman aangekomen bleek er een grote bouwplaats te zijn op de plaats waar ooit het kantoor gestaan moet hebben. Na speuren en vragen kwam ik toch waar ik moest zijn en regelde ik wat ik had willen regelen: de terugvlucht.

Omdat ik tijd genoeg had tot het moment waarop ik mijn trekking permit op kon halen liep ik zo ongeveer in de richting van waar ik het beroemde Durbar Square vermoedde. De locals schijnen dit plein Hanuman Dhoka te noemen. Ik liep via de klokkentoren naar de Bagh Bazaar, een zeer drukke markt waar van alles te koop en te doen is. Ik was de enige blanke en omdat de mensen zo dicht op elkaar liepen, zaten en stonden vond ik het gênant om mijn camera te trekken en plaatjes te schieten. Langs een stoffig park liep ik naar de grootse winkelstraat van Kathmandu, New Road. Hier kocht ik een zonnebril na enig aarzelend en onwennig afdingen van een jongen die zei ooit in Rotterdam te zijn geweest. Aan het eind van de straat kocht ik in een klein winkeltje een kaart van het Annapurna gebied, een stapeltje ansichtkaarten en wat postzegels. Daarna liep ik het eerste plein van Durbar op, want in feite is Durbar Square een verzameling van een plein of drie, vier bij elkaar, omringd met paleizen en tempels, waar tussen door handel gedreven wordt, monniken lopen, locals in de zon zitten uit te puffen, toeristen rondhangen en foto’s nemen en het verkeer van riksja’s, scooters en auto’s scheert ook hier overheen. De prachtige tempels en paleizen zijn aan het ene plein nog indrukwekkender en mooier dan het andere. Op het moment dat ik daar liep wist ik dat ik met geen pen kan beschrijven hoe indrukwekkend en mooi. Elke tempel is weer anders van vorm en grootte. Ze zijn allemaal stoffig en bezaaid met vogels en mensen. Vrouwen verkopen strengen fel gekleurde bloemen. Sadhu’s in oranje gewaad met lange vuile baard en rastahaar hangen rond en bedelen. Boeddhistische monniken schrijden statig rond. Hitte. Lawaai. Drukte. Veel mensen. Veel kleuren. Daarna Thamel in, nu vanaf de zuidkant. Ik bleef maar genieten van alles wat ik zag, al lopend door dit kleurrijke mierennest. Iedereen heeft het druk. Ontelbare winkeltjes verkopen potten, pannen, vliegers, kleden, poppen, voedsel, fruit en bloemen. Ik werd ingehaald door twee mannen met elk een bankstel op de rug in balans gehouden door een band om het hoofd, de namlo. Anderen liepen met enorme bossen hooi op de rug of zestig fel rood gekleurde emmers. En dat alles in straatjes van drie meter breed waar al het andere verkeer ook hortend en stotend gebruik van maakt. In elke straat heerst dezelfde chaos. Ik schiet er nu vrolijk en lustig op los met mijn camera. Nu voel ik geen gene. De behoefte om hier iets van vast te leggen is te groot. Net als angst is schaamte een slechte raadgever als het er om gaat iets te doen. Er zijn echter grenzen, soms is het ongepast te fotograferen wat je ziet. Zo zag ik bij de Bagh Bazaar een vrouw in kleermakerszit met voor zich op de grond een driehoekig patroon van bloemen en zaden. Ondertussen hield ze een hand op het hoofd van een vrouw, in dezelfde houding, die in trance leek. Toen kon ik niet over mijn hart verkrijgen om een dia te maken. Er bestaat ook nog zoiets als respect en afstand. Ik ben geen fotojournalist die er van moet leven. Na een lange tijd ongelovig en positief geschokt door Thamel gezworven te hebben en even verdwaald te zijn ging ik mijn trekking permit ophalen. Ergens anders moest ik ook nog een toegangskaart voor het Annapurna gebied kopen. De trekking permit kostte vijftien dollar, de toegangskaart duizend roepies (dertig gulden), bij elkaar zestig gulden, twee maandlonen voor de gemiddelde Nepalees. Toen terug naar een muziekwinkel die ik in een steeg had gezien toen ik haast had om op tijd mijn trekking permit op te halen. In de muziekwinkel veel instrumenten beklopt en bevingerd. Het meest interessante vond ik een sitar die honderd dollar moest kosten. Een prachtig groot instrument met een snaar of zeventien, vijf boven en daaronder twaalf. Uitleg gekregen over hoe de sitar te bespelen en te stemmen. Een prachtig instrument, maar waarschijnlijk onmogelijk om mee naar Nederland te slepen. Te groot en te kwetsbaar.
Terug naar Hotel Horizon om via de familie een bus voor morgen naar Pokhara te regelen. Op het dak kaartjes vol geschreven. Er kwam een halfzusje van Steffi Graf uit Hamburg bij me aan tafel zitten. Ze had ook aan het andere tafeltje op het dak plaats kunnen nemen, maar dat deed ze niet. Samen thee gedronken en haar koekjes opgegeten. Geklets over heilige koetjes en Nepalese kalfjes. Ze was ook alleen op reis en vandaag was ze jarig. We praatten over de voor- en nadelen van het alleen reizen, de schoonheid en de horror ervan en hoe het alleen reizen de ervaringen intenser kan maken. Ik vroeg haar of ze al plannen had voor het avondeten. Ze was immers alleen, aardig, zag er leuk uit en was jarig. Ze had echter al met een Duits stelletje afgesproken, dat ze vandaag ontmoet had, om te gaan eten en feesten. Ik verwachtte een uitnodiging om mee te eten en feesten. Die kwam niet. Toen stond ze op om nog wat dingetjes te regelen voor haar trek, ergens ten noorden van Kathmandu. Ik zei ‘tot ziens en een prettige avond’ en schreef nog wat kaartjes vol. Ik moest alleen gaan eten en dat haat ik. Alleen eten in een stad waar bijna niemand alleen eet. In het grote toverboek vond ik een pizzeria. Het restaurant was volgens mijn reisgids opgezet door een Italiaanse vrouw en bevond zich volgens mijn berekeningen zo’n tweehonderd meter hier vandaan. Al bladerend in mijn toverboek een pizza naar binnen gewerkt met een blikje Tuborg erbij. Binnen twintig minuten stond ik weer buiten. Ik had voor de volksgezondheid een vegetarische pizza genomen omdat vlees en salades in apenlanden onbetrouwbaar zijn. Vegetariër voor een maand? We zullen zien. Ook al geen karnemelk of lekkere belegen kaas. Wat heeft een mens echter nodig om gelukkig te zijn? Je eigen persoon, liefde voor jezelf en weten wie je bent en wie van je houden. Het leven is een geschenk van God en je moet nooit twijfelen aan je vermogen om te overleven en te doen. Als jij het niet kunt doen, wie wel? Geen apathie, maar genieten van het leven, de schepping, de wereld. Zo zit dat.
In het vliegtuig hier naar toe heb ik de reisspecial in HP-De Tijd gelezen. Ook een artikel over verre reizen. Het had los van de financiële mogelijkheden van tegenwoordig ook te maken met het einde van het tijdperk van het naoorlogse zuinige. Genieten van het nu. Dingen doen die je wilt doen verwezenlijken niet staren naar de droomreizen top tien van de gemiddelde Nederlander en weer naar Benidorm gaan. Op een in de droomreizen top tien stond de Verenigde Staten van Amerika, op drie stond Indonesië. Ben ik dan toch een gemiddelde Nederlander? Misschien, maar ik heb die reizen gemaakt. En nu zit ik hier op mijn bedje in Kathmandu met het schrijfblok op mijn knieën aan mijn reisverslag te schrijven, het heerlijke pot pourri bandje van Johan op de walkman erbij. Nepal kwam niet in de droomreizen top tien voor. Ik ben hier nog maar net en moet maar zien hoe het allemaal loopt. Tot nu toe volgens plan. Maar ik dwaal af. Na het gezellige uit eten gaan (er zat een Japans gezelschap met de slappe lach achter mij in het restaurant) wat crackers voor morgen in de bus gekocht en een goedkoop miniflesje wodka gehaald in een winkeltje voor nu. De cirkel is rond. Morgen is er weer een dag.
Op straat word je heel veel aangesproken om drugs te kopen of hasjpijpjes. Ik glimlach en loop voorbij. Peter heeft genoeg aan zijn flesje wodka van twee gulden vijftig. Nepalezen zijn zo aardig en geïnteresseerd. Hetgeen dat mij ook doet zijn. Ik vroeg aan het jongste broertje of neefje vanmiddag, ‘hoeveel kanalen hebben jullie op de televisie?’, ‘o, hebben jullie pas sinds tien jaar televisie in Nepal?’, ‘gaat alles goed?’, ‘heb je lekker geslapen?’ I’m o.k., you’re o.k. Wel prettig en ook het beetje warmte en aandacht dat je nodig hebt als je alleen reist en niets hebt om jezelf thuis te voelen behalve jezelf en het halfzusje van Steffi Graf niet zo maar met je uit eten wil gaan en daarna niet zo maar met je het bed in wil duiken. Ik hoor de melancholieke Leonard Cohen op de walkman.
Ik kan niet wennen aan het feit dat je door een vliegtuig van de ene wereld in de andere wordt gesmeten. Opeens is alles hier belangrijk, hoor je de geluiden die hier klinken, loop je door deze straten en sissen deze mensen naar je, willen wat van je, hier en nu, ver van huis. Wat als je gewoon thuis was gebleven/ Dan was deze wereld er ook geweest. Dat is ook het verwarrende van dit soort reizen. Neergeplant worden in een totaal andere wereld, te midden van mensen die hun dagelijkse leven leiden en er niet van weg kunnen gaan als ik. Hun leven zit in een veel vaster stramien dan het mijne, is veel meer onontkoombaar. En opeens loop jij daar door heen. Door hun decor. Niet dat het voor hen veel uitmaakt. De zoveelste toerist, rijke vreemdeling. Maar andersom is het nogal wat. Cultuurschok. Juist de confrontatie is zo inspirerend. Hier is alles zo anders. Je beseft je eigen afkomst en wereld zo goed. Het opent de ogen, maar verandert niets aan het feit dat ik een Amsterdammer ben en zij hier moeten blijven leven. De schok leert me iets, maakt me vrijer en mijn leven thuis minder vanzelfsprekend. Het vult mijn hart met liefde voor de mensheid. En dan meer voor de mensen hier dan voor ons die gevangen lijken in een wirwar van ontelbare regels, voorschriften, verplichtingen, contracten, lasten, poeha, status en imago. De glimlachende vrouw op de hoek die snoep verkoopt is toch net zo veel waard als de president-directeur van Philips. Maar de waarheid is dat bedrijven als Philips hun arbeid naar deze landen verplaatsen, niet uit respect voor de mensen, maar omdat men hier niets verdient. Leve de Europese Unie met vrij verkeer van arbeid, personen en kapitaal. Leve de Nederlandse multinationals. Power to the people!

Onbekend's avatar

PA 501, 21 12 88

 

“Hallo, mein lieber Schatz. Als je dit bandje via de post opgestuurd hebt gekregen zul je wel denken, ‘wat krijgen we nou? Een cassettebandje over de post?’ Omdat je waarschijnlijk nog nooit een cassettebandje over de post ontvangen hebt bedoel ik dan natuurlijk. Nou ja, dat spreekt vanzelf.

Overigens stuur ik dit bandje niet naar je privé-adres, dat wilde je me niet geven, achterdochtig paranoïde ventje, maar naar die geile escortclub van je, ‘Alles klar’, in die opwindende stad van je, aan de Main, jouw geboorteplaats, Frankfurt. Of ben je daar helemaal niet geboren, zoals je me zei, ondeugende Helmut? Want jullie hoerenjongens liegen alles bij elkaar dat los en vast zit. Voor geld doe je alles, niet waar Helmut? Je zou je eigen seropositieve vriendje nog verkopen aan het circus als ze maar genoeg schoven, of het zonder condoom doen met Jan en Alleman als je maar genoeg marken geboden kreeg. Zo is het toch? Maar daar had ik het niet over. En ik klink nu helemaal niet aardig, terwijl ik toch zo veel van je houdt. Ja, ik houd van jou Helmut. Dat is de waarheid nu eenmaal.

God, Helmut, wat ben ik weer aan het ouwenelen. Maar je weet hoe het gaat als je met je dictafoon in de hand in je luie stoel in het wilde weg luid voor je uit mijmert na een uitgebreid en zeer vet vliegtuigontbijt. Alhoewel, luid, ik fluister haast.

Ik zit nu heerlijk bij het raam en zie een blank golvend wolkentapijt aan mij voorbij gaan. Ik wilde vandaag eens niet overdrijven en heb in plaats van een eerste klas maar eens een eenvoudige business class seat genomen. Ik vond namelijk dat ik mezelf de laatste dagen met jouw aanwezig­heid al veel te veel in de watten gelegd had. Lieve Helmut, al ben je erg duur, je bent elke pfennig waard geweest.

Wat ik allemaal niet bij je heb mogen doen. En vooral wat ik allemaal wel bij je heb mogen doen. Dat had ik in mijn stoutste dromen niet voor kunnen stellen. En wat jij allemaal bij hebt mogen doen niet te vergeten. Ik geloof dat ik nu zelfs even bloos, liefje, maar misschien valt het niet op omdat ik toch al zo’n paarse hoge bloeddruk harses van mezelf heb. Je noemde me immers niet voor niets je rose varkentje.

Helmut, ik mis je. Behalve je schitterend geproportioneerde atletische lichaam, je blonde verleidelijke lokken, je geile dikke geverfde lippen en je goddelijk stralende blauwe ogen zal ik vooral je voortreffe­lijke kookkunst missen. Wat heb ik lekker gesmuld van de uitgelezen spijzen die je mij voorgeschoteld hebt.

Die drie dagen met jou. Het leek wel of er voortdurend iets te eten in de buurt was. Die heerlijke gebraden kippenpootjes, je lekkere gepaneerde Wiener schnitzels, je overheerlijk gekruide sappige braadworstjes en je eigen stomende Frankfurter Wurst natuurlijk niet te vergeten. Alle mensen, wat heb ik me laten gaan in jouw tempel van zinnelijk genot. Als ik terugkom in New York, bij vrouw en kinderen, moet ik echt even gaan lijnen.

Ach, mijn schatje, het lijkt alweer zo lang geleden dat je vanmorgen in je Frankfurtse keukentje voor me stond te kokkerellen. Ik zie nog zo je strakke kontje heen en weer schudden toen je die eieren met spek voor me stond te bakken. Hoeveel zei je ook alweer dat ik vanmorgen gegeten heb? Zes eieren, twee ons spek en een heel brood. Om je te schamen. Geen wonder dat ik me opgeblazen voelde toen ik in de taxi naar het vliegveld zat.

Ik heb je geloof ik verteld dat ik na de algehele verzadiging die ik bereik na het nuttigen van een overvloedige maaltijd binnen een half uur alweer enorme trek krijg in iets hartigs. Dus zat ik in de taxi aan de bifi-worstjes (acht stuks, Entschuldigung, lieber Helmut).

Het ging allemaal weer zo traag op het vliegveld. Omdat ik altijd met Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen vlieg ben ik in Europa altijd gedoemd om mezelf te onderwerpen aan die enorm tijdrovende breed uitgesponnen veiligheidscontroles ter voorkoming van gevreesde aanslagen met bommen en granaten door terroristen uit het Midden Oosten. Flauwekul allemaal, want er gebeurt toch nooit iets. En wat dat de belas­tingbetaler allemaal niet moet kosten.

Eindelijk zat ik dan bij het raam op mijn heerlijke stoeltje 7F en stegen we op voor de vlucht naar JFK, New York. Oh ja, we maken nog een tussenstop in Londen, maar daar zit ik niet mee want dat betekent alleen maar weer een extra vliegtuigsnack (ja Helmut, ik ben onverbeterlijk). Naast me zit een bloednerveuze Arabier. Hij had geen honger, dus mocht ik zijn hamroll hebben. En dan zeggen ze dat die Arabieren niets van ons Amerikanen moeten hebben. Nu lig ik dus lekker achterover in mijn luie stoel, een dubbele Chivas Regal in de ene en mijn dictafoon in de andere hand. Ojee, we gaan landen, ik spreek je zo weer.

Zo, hier ben ik weer. We zijn nu alweer even uit Londen vertrokken. Ik heb zojuist een sigaar opgestoken want de lunch laat nog even op zich wachten. Mijn benen liggen nu op de stoel naast mij omdat die neurotische moslim in Londen is uitgestapt en er gelukkig niemand in zijn plaats op die stoel is gaan zitten. Mijn derde dubbele Chivas staat voor mijn neus.

Daarnet heb ik de zes tax free Toblerone repen, die ik voor mijn kinderen gekocht had, opgegeten. Weet ik wat ik doe als ik je zo mis. In New York koop ik wel nieuwe voor ze.

Alle mensen, wat zit ik vol. Ik heb me nog nooit zo opgeblazen gevoeld. De captain riep net om dat we nu de hoogte bereikt hebben waarop we het grootste deel van de reis zullen vertoeven, vijfendertig duizend voet boven Lockerbie, een gehucht in Schotland. God, Helmut wat zit ik vol. Ik ontplof …”

Eerder verschenen in het tijdschrift ‘Daarom’, Amsterdam, nummer 3, 1995

Onbekend's avatar

Big Story

In mijn vorige leven stond ik zeer sceptisch tegenover het fenomeen zielsverhuizing. Ik wist dat er religies zijn die geloven in reïncarnatie, zoals het hindoeïsme en het boeddhisme. Andere godsdiensten, zoals het christendom en de islam, stellen een eeuwig leven na de dood in het vooruitzicht. Zelfs de godfather van de westerse filosofie, Plato, geloofde in reïncarnatie en een eeuwig leven in de Ideeënwereld. En dat in de vierde eeuw voor Christus. Op een moment dat de monotheïstische godsdiensten nog eeuwen moesten wachten op hun overweldigende succes. Of kun je niet op iets wachten als je nog niet bestaat? Als je in reïncarnatie gelooft blijkbaar wel. En dan heb ik het niet over het jodendom, de eerste monotheïstische godsdienst. Maar of die godsdienst een succes genoemd mag worden is twijfelachtig.

Enfin, voor mij valt er niets meer te wachten. Ik ben gereïncarneerd. En wel als een varken. Beter gezegd, een varkentje, want ik kom net kijken. Al heb ik al wel een eigen appartementje in deze varkensflat. Visite wil ik hier niet ontvangen. Daar ontbreekt de ruimte voor. De stank is niet te harden, ook niet voor een varken. Mijn ouders heb ik nooit gezien.

Ik denk in taal, kan reflecteren op wie en wat ik ben, wat ik doe en wat ik heb meegemaakt. Ik heb een bewustzijn. Ik heb een ratio. Ik heb een geheugen. Ik heb een duidelijk besef van goed en kwaad. Enige handicap is dat ik het lijf van een varkentje heb en mij qua communicatie moet beperken tot knorren, bijten en duwen.

Geen van mijn huidige soortgenoten lijkt dezelfde geestelijke vermogens te hebben als ik heb. Als ik contact probeer te maken met andere varkens zie ik geen enkele blijk van herkenning. Ik ervaar van de andere varkens enkel angst en agressie. Ik leef in een betonnen jungle waarin mijn soortgenoten alleen aan zichzelf denken. Ik leef in een betonnen jungle waarin niemand samen wil denken. Ik leef in een wereld waarin niet wordt gedacht. Allen woonachtig in een even grote, of liever kleine, ruimte die niet veel groter is dan de ruimte die ons lichaam inneemt.

Het varken achter mij heeft aan mijn achterste geknaagd. Mijn staart is door de varkenshouder afgeknipt, dus mijn achterbuurman knaagde slechts met zijn zijtanden aan mijn stuitje, de gestulpte wond die achterbleef na de roof van mijn identiteit. Trouwens,  geen prettig gevoel, dat knagen aan je stuitje. Behalve als je jeuk aan je taas hebt.

Om er voor te zorgen dat ik uit verveling en agressie de staart van mijn overbuurman niet afknaag heeft de varkenshouder, net als bij alle andere varkens, zonder verdoving mijn voortanden uitgetrokken. Dat was wel even pijnlijk, maar tanden heb je hier toch niet echt nodig om het slobbervoer naar binnen te werken dat ze hier serveren.

De flat telt tien verdiepingen. Ik woon op drie hoog, dat cijfer staat op de muur, maar van het uitzicht valt niet te genieten Er zijn hier geen ramen waardoor je een blik naar buiten kunt werpen. Ook is het hier binnen altijd donker.

Ik vermoed dat ik het enige varkentje ben met een bewustzijn. Al kunnen alle varkentjes om mij heen hetzelfde denken. Voor zover ik om mij heen kan kijken in het schemerdonker, een beetje naar links, een beetje naar rechts (en als ik naar voren kijk, zie ik de schilferige stuit van mijn soortgenoot, waar ik mjn door de varkenshouder verminkte gebitje niet in zou willen zetten), krijg ik niet de indruk dat de andere varkentjes ook gereïncarneerd zijn. Dat zou ik toch moeten merken?

De varkenshouder heeft geen idee dat ik in mijn vorige leven ook een mens geweest ben. Als hij dat zou weten zou hij mij vast anders behandelen, omdat ik in mijn gedachten en hart net zo ben als hij. Maar dat weet hij niet en dus behandelt hij mij als het zoveelste varkentje.

In mijn vorige leven heb ik op televisie gezien hoe varkens in de bioindustrie worden geslacht. De varkenshouder vervoert de varkens naar het slachthuis. De slachter pakt het varken bij zijn nekvel, om het daarna te eletrocuteren met een soort pistool, recht op het voorhoofd. Vervolgens wordt het varken in een bad met water van zestig graden Celsius gedompeld, zodat het daarna met een gasbrander ontharen wat makkelijker gaat. Dan volgt het direct onder de schedel aan een ijzeren haak ophangen. In tweeeën gedeeld met een soort kettingzaag. Waarna de organen, die er niet allemaal tegelijk spontaan uitvallen, eruit worden gerost door een knecht met een hakmes. Vervolgens kunnen alle onderdelen van ons worden gebruikt.

Vanzelfsprekend worden sommige delen van mij verwerkt in vleesprodukten, zoals gehakt, braadworst en speklap. Maar ook in zeep, drop, bier, kogels, medicijnen, snoep, brood en shampoo zijn resten van mij te vinden. Zonder dat u zich er bewust van bent zullen wij elkaar zeker ontmoeten. U kunt naar me kijken. U kunt me slikken. U kunt mij kussen.

Nu ik binnenkort geslacht zal worden en inmiddels zeker weet dat reïncarnatie bestaat, hoop ik dat ik in een volgend leven als mens wordt gezien en niet als handelswaar.

Onbekend's avatar

Mark Rutte heeft burn out

 

ANP – “Ik moet nog een jaar premier zijn, maar ik voel me zo ingekakt. Ik heb geen zin meer om te regeren. Ik heb geen zin meer om te lachen tegen iedereen. Ik wil niet meer met mijn moeder op vakantie. Elk jaar. Ik kan elk jaar skiën met mijn oude dispuut, maar weet nog steeds niet of ik straight of gay ben. En wat maakt het uit? Ik wil gewoon een tijdje rust.”

Onbekend's avatar

Fan

 

—-Origineel Bericht—-
Van :
Datum :
Aan :
Onderwerp :

Ha, Peter! Olijkerd.

De zon is niet goed voor mijn huid en ik werk mij uit de naad. Daarnaast koester ik onlustgevoelens naar mijn juppenburen toe die tuinen in betonnen bakken laten veranderen en trossen Slowenen aan hun achtergevel hangen ter meerdere glorie van gruis, stof en onverdraaglijke, zenuwen aan flarden trekkende schuurgeluiden. Ik ga ze allemaal omleggen, de een na de ander. Ik kan niet meer tolken en mijn inkomstenderving vinden ze anti-boeiend.

Jouw “Mare Nostrum” las ik op 120w en vond het fraai. Apart dat je een van de zeven Noachidische wetten aanhaalt terwijl het gros van de dobbernegers moslim is die christenen uit hun sloepje smijten.

Je gedicht zal ik ook lezen. Later.

M.

Onbekend's avatar

Het sprookje van de slechte schele cowboy en het goddelijke wolkje

 

Ik ga jullie nu eens een verhaal vertellen over een schele cowboy met een heel erg slecht karakter en het goddelijke wolkje.

Er was er eens een cowboy, Hanky heette hij, en die had een slecht karakter dat het een aard had. Hij vloekte de hele dag de ergste godslas­terlijke verwen­sin­gen, sloeg kleine kinderen zomaar om de oren, roste kleine poesjes op de maat van zijn lievelingsliedje met hun lieve katte­hoofdjes over een wasbord (ja, jongens en meisjes, vroeger, in het wilde westen, had je nog geen wasmachines, anders had stoute Hanky ze vast daarin gestopt). Ook kakte hij weleens op een oude krant, frommelde die dan ineen en gooide die vervolgens bij oude omaatjes door het raam naar binnen. En leuk dat hij dat vond als dan die poepbom op de schoot van het in een schommel­stoel bij het raam zittende oude vrouwtje uiteenspatte en ze helemaal onder Hanky zijn vieze poepstront zat! Gelukkig gooide hij vaak mis, omdat hij scheel was.

Oh, had ik dat al verteld, dat stoute Hanky scheel was? Ja, Hanky was zo scheel dat je bijna alleen nog maar z’n oogwit zag (eigenlijk was het ooggeel, want hij zoop zich scheel, oh nee blind, want scheel was hij al). Vroeger beston­den er nog geen spiegologen, maar ik weet welhaast zeker dat Hanky’s scheelheid de reden was voor zijn slechtheid. Hij kon het gewoon niet verkroppen dat hij zo’n stomme kop had (om over z’n lange boggelachti­ge lijf met x-benen nog maar niet te spreken). Daarom had de duivel bezit van hem genomen en ge­loofde Hanky nergens in. Tegen de kerk ging hij staan piesen en de bijbel gebruikte hij om z’n stinksigaretjes van te rollen.

Gelukkig werd hij eindelijk eens met z’n slechtheid geconfronteerd door God, via een heel klein goddelijk wolkje. En daar gaat dit verhaal eigenlijk over.

Het ging zo. Hanky was te lui en te dom om een echt vak te leren en daarom deed hij allerlei kleine klusjes voor lage mensen op hoge plaatsen. Zo riep de corrupte burgemeester van het dorp Hanky een keer bij zich en zei:

‘Hanky, je moet voor mij een pakje wegbrengen, helemaal door de woestijn naar Armpit Town.’

Hanky slikte even met z’n adamsappel als een struisvogelei omdat hij wist hoe zwaar de rit was. Weinig mensen kwamen levend terug uit de woestijn. Hij wist hoe heet en droog de woestijn altijd was (en hij had al nadorst van de dag ervoor!). Maar Hanky had geld nodig en dus nam hij de opdracht aan.

Hij ging op weg met een geleende schimmel die hinkte en voortdurend zure scheten liet. Hanky moest van het oosten naar het westen en de wind was oostelijk (het was slechts een klein briesje, maar toch), dus zat hij voortdurend in de stank van die oude manke schimmel.

In de woestijn verdwaalde Hanky al snel. Hij viel bijna flauw van de hitte en de dorst. Hij dacht dat hij rondjes reed, want de zon bleef boven z’n lelijke schele kop hangen. Al z’n water was al op en er waren zelfs geen cactussen om door midden te hakken en leeg te zuigen. Toen Hanky ten einde raad was en bijna stierf van de dorst, zag hij aan de horizon een klein wolkje dat zijn richting op kwam.

Het wolkje zweefde zo’n twintig meter boven de grond en stopte precies boven Hanky z’n schele bakkes. Hanky wist niet dat God in dat kleine wolkje zat.

‘Hé, schele!,’ riep God vanuit het wolkje.

Hanky keek op en vond het na z’n zestiende fata morgana niet eens raar dat er een klein pratend wolkje, dat op twintig meter boven z’n hoofd zweefde, het woord tot hem richtte.

‘Wat mot je?!,’ balkte Hanky laf.

God in het wolkje nam geen aan­stoot aan de beledigende toon van die schele duivel en zei: ‘Ik kom je redden van de dood in deze hete woestijn als je berouw toont voor al je slechte daden.’

‘Ik slecht? Hoezo?,’ mompelde Hanky brutaal.

‘Je piest tegen mijn huis, draait sigaretjes van mijn veel gelezen boek en gooit je kak bij mijn bejaarde dienaressen door het raam. Vind je dat dan gewoon?’

Hanky dacht even na en begon opeens in te zien hoe slecht of dat hij altijd geweest was.

‘Ik heb best wel spijt,’ zei hij.

‘Als je echt spijt hebt gooi ik regen op je schele kop, wijs ik je de goede weg, geef je genoeg water in je veldfles mee voor de rest van de reis en maak ik ook even gratis weer even je schele ogen recht.’

Hanky hoefde niet meer na te denken. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij dacht aan alle schanddaden die hij in zijn leven tegen zoveel onschuldige mensen en dieren begaan had.

‘Ja, ik heb berouw!,’ schreeuwde hij bijna tegen het goddelijke wolkje.

En het goddelijke wolkje regelde een plensbui, wees Hanky de goede weg, gaf hem een paar veldfles­sen water en zette ook nog even gratis z’n schele ogen recht.

Zo zien jullie maar weer, jongens en meisjes, dat als je maar oprecht spijt hebt van iets wat je verkeerd hebt gedaan, alles, door Gods genade, weer goed kan komen.

Hanky ging, nadat hij zijn missie volbracht had, het klooster in en werd daar tot z’n dood op 104-jarige leeftijd de meest toegewijde klooster­ling van allen.

En het goddelijke wolkje zweeft nog steeds over de aarde om mensen te vergeven en op het goede pad te sturen. Misschien komen jullie hem ook wel een keer tegen!

 

 

 

Onbekend's avatar

Masshad, Iran

Nog nooit over gehoord

Nog nooit geweest

Bij de grens van Afghanistan

Het Mekka van Iran

Ruimte voor 3 miljoen bezoekers

Groot en indrukwekkend

 

Als ik wakker word rook ik een sigaret uit het raam

Met  uitzicht op een grote gore steile binnenplaats

Een volle pan met rijst staat te rotten in de zon

Op een balkon

Op de vijfde verdieping

Aan de overkant

Een gesluierde vrouw sleurt haar naar mij zwaaiende peuter naar binnen

Van een balkon

Zeven hoog

Aan de overkant

 

Links boven mij

Als ik uit het raam van mijn hotelkamer hang

Twee verdiepingen hoger

Zie ik het restaurant van het hotel

Met voedsel waarvan ik al twee dagen lijd aan voedselvergiftigng

Ik ben ziek en kan geen kant op

 

Mijn vriend en reisgenoot gaat naar een mausouleum van een grote Perzische dichter

Hij blijft uren weg

Ik lig kapot in bed met een minder goed boek

Ik heb dorst

 

Bij thuiskomst haalt hij cola voor mij

Morgen reist hij door naar Oezbekistan

Gaat door en verlaat mij

 

Ik reis naar huis

Per vliegtuig

Alleen

Vanaf Masshad

En dan nog een dagje Teheran

 

Onbekend's avatar

Klif

 

Mijn naam is Klif, Klif Richard. Ik ben al beroemd van voordat de televisie bestond in Europa, Ja, zo oud als een kernbom! Maar inmiddels ouder dan je eigen grootmoeder!
Op mijn leeftijd maak je niet veel nieuwe hits meer. Voor het maken van hits moet je blijkbaar jeugdig zijn.
Mijn laatste nummer 1 hit was een retake, samen met de 4 hoofdrolspelers van de beste sitcom ever “The Young Ones,” van mijn grote hit uit het begin van de jaren zestig (nog van voor the Beatles!): “Living Doll”. Een retake samen met de acteurs Rik Mayall, Adrian Edmondson, Nigel Planer en Christopher Ryan. Rotsen van ervaring.

Onbekend's avatar

Grondwet VS bevat weeffout

 

Dat een racistische organisatie als de Ku Klux Klan in de Verenigde Staten openlijk via eigen radio- en televisiestations boodschappen vol haat tegen onder anderen zwarten, homoseksuelen, katholieken en Joden kan spuien is in Nederland ondenkbaar. Dit is mogelijk omdat het recht op vrijheid van meningsuiting in de VS op dezelfde manier wordt gebruikt en geëerd als het recht op wapenbezit.

De Amerikaanse Grondwet, die tussen mei en september 1787 vorm kreeg na eindeloze revisies en herformuleringen door de vergadering van 55 vertegenwoordigers van de dertien staten die de Verenigde Staten op dat moment telde, de zogeheten ’Founding Fathers’, bevatte inhoudelijk met name artikelen over de politiek-bestuurlijke organisatie van het land.

Pas twee jaar later volgde de Bill of Rights, waarin de burgerrechten van de Amerikaanse burgers werden vastgelegd in tien zogenaamde amendementen (aanvullingen) op de Grondwet.

Het eerste amendement van de Amerikaanse Grondwet luidt: „Het Congres zal geen wet aannemen omtrent het vestigen van religie, of het verbieden van de vrije uitoefening daarvan; of het belemmeren van de vrijheid van meningsuiting, of van de pers; of het recht van het volk om zich vredig te verenigen, en de regering te petitioneren voor een herstel van grieven.”

Het hoog in het vaandel voeren van de vrijheid van meningsuiting heeft in de geschiedenis herhaaldelijk geleid tot oorlog, moord en genocide. Ook in onze vaderlandse geschiedenis zijn daar tal van voorbeelden van te vinden. En dan heb ik het niet alleen over Pim Fortuyn en Theo van Gogh.

Modder

Dat er tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen door de kandidaten vaak met modder naar elkaar wordt gegooid en daarbij het gebruik van leugens en beledigingen tot het standaardrepertoire van de kandidaten lijken te behoren, mag als algemeen bekend worden beschouwd. Toch blijft het verbazen en verbijsteren tot welke mate van demoniseren en beledigen de kandidaten en hun aanhang hun toevlucht kunnen nemen.

Op veel foto’s die dit jaar tijdens bijeenkomsten van Donald Trump en zijn aanhangers werden gemaakt zijn glunderende fans van Trump te zien die een T-shirt dragen met daarop de tekst: ’Hillary sucks but not like Monica’.

Praktisch elke Amerikaan weet dat de tekst op het T-shirt refereert aan de Lewinsky-affaire van 1998 en zich afspeelde in de jaren dat Bill Clinton president was van de Verenigde Staten (1993-2001). Hierbij werd Bill Clinton, en daarmee ook zijn echtgenote Hillary, publiekelijk vernederd doordat de meest intieme details van zijn buitenechtelijke affaire met Witte Huis stagiaire Monica Lewinsky, met name door toedoen van de Republikeinse aanklager Ken Starr, openbaar werden gemaakt.

De T-shirts worden op internet te koop aangeboden voor ongeveer 15 dollar. Ze zijn verkrijgbaar in acht verschillende kleuren en zeven verschillende maten, zodat werkelijk alle Amerikanen die dat willen, het T-shirt kunnen dragen.

Het recht om fatsoenlijk behandeld te worden valt in de VS duidelijk niet onder de burgerrechten. Het recht om handel te drijven door mensen te beledigen blijkbaar wel.

Er moet hier sprake zijn van een weeffout in de door Amerikanen zo heilig beschouwde Grondwet.

http://www.noordhollandsdagblad.nl/algemeen/buitenland/article28182250.ece/Grondwet-VS-bevat-weeffout?lref=SL_1