Onbekend's avatar

Hartaanval

Sinds ik een paar weken geleden in een column mijn grote bewondering voor leven en werk van de grootse Franse zanger, schrijver en acteur Serge Gainsbourg (1928-1991) heb laten blijken, wordt mijn uitgever bedolven onder aan mij gerichte Gainsbourgparafernalia. Gisteren ontving ik van Liselotte Put uit Drachten het prachtige boek ‘Pensées provocs et autres volutes’, een bundel uit 2006, waarin talloze gedachten, uitspraken en citaten van Gainsbourg staan afgedrukt. De uitspraak op pagina 60: “J’ai eu une crise cardiaque, ce qui prouve que j’ai un coeur”, wat zoiets betekent als: “Het feit dat ik een hartaanval heb gehad bewijst dat ik een hart heb”, deed mij denken aan de “stoere” reactie van Ischa Meijer (1943-1995) na zijn eerste hartaanval: “De hartaanval is de beste verdediging”.

Onbekend's avatar

Herinneringen aan mijn “studievriend” Prins Bernhard Junior

Afbeelding is afkomstig uit de privé-collectie van de schrijver

Prins Bernhard Lucas Emmanuel van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven (1969) is beter bekend als Prins Bernhard Junior. Dit zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat we hier te maken hebben met de zoon van Prins Bernhard (1911-2004) zaliger, geboren als Bernhard Friedrich Eberhard Leopold Julius Kurt Carl Gottfried Peter Graf von Biesterfeld, de schuinsmarcherende Duitse weduwnaar van onze voormalige koningin Juliana (1909-2004), volledige artiestennaam Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina, Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, hertogin van Mecklenburg, prinses van Lippe-Biesterfeld, die zijn eega zo ongeveer een half leven lang negeerde, uitbuitte, belazerde en vernederde. Gezien de handel en wandel van Prins Bernhard Junior is de associatie met zijn grootvader niet vergezocht, maar daar zul je na het lezen van mijn herinneringen aan mijn “vriendschap” met Prins Bernhard Junior, tijdens mijn studententijd in Groningen, een slordige dertig jaar geleden, niet raar van opkijken.

Prins Bernhard Junior komt de laatste jaren voornamelijk in het nieuws als immorele huisjesmelker. In november 2017 schreef het Amsterdamse dagblad ‘Het Parool’ dat hij via verschillende bv’s een kleine 600 adressen in zijn bezit zou hebben, waarvan ruim de helft in Amsterdam. Volgens huurders van de panden van de prins zou hij hen dwingen in grote groepen samen te wonen en sleutelgeld laten betalen. Aantijgingen die door Prins Bernhard Junior als leugens werden gekwalificeerd. Het bezit van de vele honderden panden noemde hij “een onschuldige pensioenvoorziening”. Gezien de broze gezondheid van de vastgoedprins is het echter de vraag of hij ooit zijn pensioen zal halen. Ik wens hem overigens een lang en gelukkig leven toe, laat dat duidelijk zijn.

Prins Bernhard Junior is sinds 2016 mede-eigenaar van het Circuit Zandvoort en drijvende kracht achter de herinvoering van het Formule 1 racen op datzelfde circuit. Vanwege de Covid-19 pandemie kwam er van de herinvoering niets terecht. De grote rel die ontstond omdat de organisatie van de Formule 1 de bolides van halfgoden als Lewis Hamilton en Max Verstappen over het strand en door beschermde natuurgebieden richting circuit had willen laten rijden werd vanzelfsprekend door de werkelijkheid teniet gedaan.

Maar laat ik ter zake komen; ik wilde het in dit stukje hebben over mijn “vriendschap” met Prins Bernhard Junior zoals die gestalte kreeg in het Groningen van rond 1990. Samen met acht andere mannelijke studenten deelden we een studentenhuis aan de Grote Markt. Van een echte vriendschap tussen mij en Prins Bernhard Junior was eigenlijk geen sprake. We deelden dagelijks dezelfde huiskamer en keuken en omdat we in de huiskamer praktisch elke dag met zijn allen de dag uitluidden met een hoop gelal en eindeloze hoeveelheden bier en goedkope flessen wijn en sterke drank hadden we met zijn achten het gevoel kameraden voor het leven te zijn. Later in het leven zouden we erachter komen dat samen brallen en drinken niet de basis vormen voor echte vriendschap. We hadden het nauwelijks door als er iemand verhuisde naar een ander studentenhuis, een fatsoenlijke baan, het buitenland, een huwelijk, of de begraafplaats. We bleven altijd met zijn achten over, zo simpel was dat.

Ik wist vanzelfsprekend dat het “best wel bijzonder” was dat ik in hetzelfde studentenhuis als Zijne Hoogheid Prins Bernhard van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven woonde, maar omdat de prins ogenschijnlijk geen uitzonderlijk gedrag leek te vertonen was ik mij daar nauwelijks bewust van. Daar kwam verandering in.

Bij het uitgaan in een van onze favoriete kroegen of in de sociëteit had ik aanvankelijk niet door dat het gedrag van Prins Bernhard Junior opmerkelijke trekjes vertoonde. Ik moest er door iemand anders op gewezen worden dat Prins Bernhard Junior als enige nooit, maar dan ook nooit, een rondje gaf. Eerst wilde ik niet geloven dat Zijne Hoogheid er een gewoonte van maakte zijn onzichtbare snor te drukken als het ging om het bestellen van een of twee meter bier, een fles citroenjenever of een kist goedkope champagne.

Toen ik er op ging letten kon ik mijn ogen niet geloven. Prins Bernhard Junior toonde qua gedrag geen enkel verschil met de overige studenten; hij bralde vrolijk mee, werd gillend dronken en kotste de boel onder als de tijd daarom vroeg, maar tot mijn verbijstering kon ik constateren dat hij werkelijk nooit een rondje gaf. Nooit. Als hij in de dagelijkse alcoholchaos aan de beurt was om een rondje te geven was hij altijd net even naar het toilet of ervandoor gegaan met een gewillige niet al te knappe studente.

Kijk, dat hij geen smaak had als het ging om het uitkiezen van zijn onenightstands was me wel al snel opgevallen. Dat laatste ging heel erg ver. Dat viel niet alleen mij op. Als hij later werd aangesproken op zijn onsmakelijke avontuurtjes bleef hij altijd stug volhouden dat de dame in kwestie “een prachtig meisje” was geweest. Wij studievrienden van Prins Bernhard Junior keken elkaar dan verbaasd aan en draaiden vaak een cirkeltje met onze rechterwijsvinger ter hoogte van ons hoofd ten teken dat we doorhadden dat Zijne Hoogheid tot op zekere hoogte in een waanwereld leefde. Dat ons eigen gedrag meestal niet veel hoogstaander was dan dat van de prins maakte dat we hem op het gebied van zijn avontuurtjes het vuur zelden na aan de schenen legden.

Het gierige gedrag van Prins Bernhard Junior was steeds meer van mijn huisgenoten op gaan vallen. We wisten niet zo goed wat we ervan moesten denken. Was het misschien toch niet gewoon stom toeval dat hij nooit een rondje gaf? Nee, we waren het er al snel over eens dat het gedrag van de prins consequent en hardnekkig was. Het was de hoogste tijd voor een list.

We spraken af dat we bij de eerstvolgende gelegenheid, dezelfde avond nog, Zijne Hoogheid niet de kroeg zouden laten verlaten voordat hij ons allemaal op een rondje zou hebben getrakteerd. Voortijdig het pand verlaten met een bevallige dame naar zijn gading om zijn nek geslingerd zou er deze avond voor de prins niet in zitten. Bovendien spraken we af dat we allen heel dure drankjes zouden bestellen, als het de beurt was van Prins Bernhard Junior om een rondje te geven; obscure cocktails, flessen dure champagne en daarbij de duurste sigaren van het huis.

Om een uur of elf was het zo ver: Prins Bernhard Junior was aan de beurt om een rondje te geven en wilde op dat moment inderdaad het pand met de nota bene vijftigjarige toiletjuffrouw verlaten. De leeftijd van de vrouw was voor ons geen punt van discussie, maar wie moest de toiletten schoonhouden als Zijne Hoogheid het pand met de toiletjuffrouw zou verlaten? Het ging ons deze avond echter niet om het welzijn van de toiletten, maar om het felbegeerde rondje van de prins.

De toiletjuffrouw dwongen we met liefdevolle aandacht terug naar haar krukje naast de toiletten. Zijne Hoogheid keek hogelijk verbaasd. Geschokt keek de toiletjuffrouw naar het schoteltje waarop zojuist nog voor ongeveer acht gulden aan kleingeld gelegen had. Het schoteltje was nu leeg. De prins kreeg een rode kop. Aha, dus zo diep ben je al gezonken, dachten wij. We leidden Prins Bernhard Junior vervolgens terug naar de bar. Alle huisgenoten stonden breed glimlachend klaar om hun bestelling bij de prins te plaatsen.

Zijne Hoogheid keek angstig naar zijn huisgenoten die in een kring om hem heen stonden te grijnzen. ‘Het is jouw beurt voor een rondje, Bernhard,’ zei ik tegen de prins. ‘Let goed op, want iedereen heeft opeens zin in de meest bizarre drankjes. Doe mij maar een dubbele Tequila Sunrise met extra zout.’ Vervolgens werden door de andere jongens besteld: een driedubbele Screw Driver zonder jus d’orange, een laars Duvel, een Irish Coffee zonder koffie, een dubbele Cuba Libre, een dubbele Famous Grouse Smoky Black zonder ijs, een laars Triple Westmalle en een Ice Tea met in plaats van bubbels drie Jack Daniels.

Zijne Hoogheid begon te stotteren en trillen. ‘Maar jullie bestellen anders nooit zulke dure drankjes!’ stamelde hij verschrikt.

‘Maar nu wel!’ riepen we met zijn zevenen in koor. ‘Want jij verdwijnt elke keer als je een rondje moet geven met een lelijk wijf naar je hok!’ riepen wij in koor. Je begrijpt, de tekst hadden we met zijn zevenen die middag goed voorbereid en ingestudeerd. ‘Daarom ga je nu betalen, vuile koninklijke krent!’

Prins Bernhard Junior draaide zich bleek en bevend om naar de juffrouw achter de bar en plaatste onze bestelling. Beschikte hij over een fotografisch geheugen, of zat hij in een soort zeldzame shocktoestand met een moeilijke naam, die van alles mogelijk kon maken op het gebied van het functioneren van het menselijk geheugen? Hij bestelde al onze ingewikkelde drankjes zonder een spoor van twijfel.

Het duurde enkele minuten voordat alle drankjes klaar waren. De prins had bibberig en angstig de rekening betaald. Daarna konden we met zijn allen toasten. Iedereen hield zijn consumptie omhoog, behalve de prins, die was vergeten iets voor zichzelf te bestellen.

‘Hoeveel geld was je kwijt?’ vroeg ik Bernhard even later op het moment dat hij enigszins gekalmeerd leek.

‘Geen idee,’ zei hij. ‘Het is een creditcard van mijn opa.’

 ‘Herinneringen aan mijn “studievriend” Prins Bernhard Junior’ stond op 18 december 2020 als eerste op hoemannendenken.nl, de enige site vóór vrouwen, dóór mannen.

Onbekend's avatar

Moffenhoer

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Enkele jaren na de val van De Muur in 1989 bezocht ik samen met mijn studievriend Jelte Offringa gedurende een dag of drie een jong echtpaar, Matthias en Hilde, dat woonachtig was in de aan de grens met Polen gelegen stad Frankfurt an der Oder. Jelte had het echtpaar enkele jaren eerder leren kennen via een uitwisselingsprogramma tussen Nederlandse en Oost-Duitse kerkelijke gemeenten, waar zijn ouders en hijzelf enthousiast aan hadden meegedaan. De laatste avond werd het op een zuipen gezet. Op een gegeven moment begonnen we onder grote hilariteit van ons allen de scheldwoorden die Nederlanders en Duitsers voor elkaar plegen te gebruiken uit te wisselen. Bij het scheldwoord “moffenhoer” keek Matthias bedachtzaam naar zijn zakhorloge en zei “Moffenuhr?”

120w.nl. Schrijfthema voor week 50: horloge

Onbekend's avatar

Een ontmoeting met schrijver Pieter Waterdrinker in de Amsterdamse Hermitage

In de herfst van 2017 brak ik bij het ochtendgloren mijn rug met een salto mortale van de trap; ik viel achterover van de bovenste trede van de trap op de onderste trede van de trap. Of minder dramatisch gezegd: mijn onderste ruggenwervel werd verbrijzeld bij een val van de trap in de ochtend van 25 november 2017. Er was geen sprake van een dwarslaesie. Per ambulance werd ik naar het Noordwest Ziekenhuis locatie Alkmaar gebracht, waar ik ruim een week zou moeten wachten op mijn operatie. Niet alleen was er een aantal wachtenden met een gebroken rug voor mij, spoedgevallen, die in de loop van de week binnengebracht werden, gingen mij ook voor richting operatiezaal.

De flamboyante orthopedisch chirurg Winand Pluymakers was die dagen om wat voor reden dan ook de enig beschikbare orthopedisch chirurg, maar ik wil vooral zeggen dat ik nog nooit zo’n vertrouwenwekkende man in de medische zorg ben tegengekomen. Hij was een knappe, rijzige, atletisch ogende man van een jaar of veertig. Hij straalde kennis, ervaring en vakmanschap uit. Zijn assistenten keken hem vol bewondering aan, alsof hij een soort halfgod was.

Na twee operaties, één om met metalen platen de ruggenwervels boven en onder mijn verbrijzelde ruggenwervel aan elkaar te schroeven, de tweede negen maanden later om de metalen platen te verwijderen; alle scherfjes en botjes van mijn verbrijzelde ruggenwervel waren na een maand of negen samengegroeid tot een soort “nieuwe” ruggenwervel, was ik zo ongeveer weer de oude. Dankzij de fantastische orthopedisch chirurg Winand Pluymakers. Als je ooit je rug breekt, vraag naar hem.

Wat heeft het bovenstaande te maken met mijn ontmoeting met Pieter Waterdrinker in de Amsterdamse Hermitage om een uur of half twee in de middag van 24 februari 2018? Alles. Ik laat je deze intro toch niet lezen als…, maar laat ik het kort houden.

Sinds de eerste ochtend in het ziekenhuis kreeg ik een hemelse hoeveelheid morfine toegediend, waardoor ik aanspreekbaar en zonder pijn was. Een goede kennis, die als assistent in de apotheek van het ziekenhuis werkzaam was, had mij die ochtend op mijn vriendelijke verzoek een grote voorraad gratis valiumtabletten van tien milligram per stuk gebracht, keurig verstopt in een uitgeholde ananas, die het centrum vormde van een weelderige fruitmand. Ik nam elke drie uur een half tablet, zodat de glimlach op mijn gezicht niet meer verdween.

Het toeval wilde dat mijn verjaardag enkele dagen later, op 28 november 2017, in het ziekenhuis “gevierd moest worden”, want, zoals gezegd, werd mij bij binnenkomst in het ziekenhuis gemeld dat ik daar zeker een week zou moeten liggen. De eerste middag in het Noordwest Ziekenhuis kwamen mijn ouders uit Rhenen als eersten bij mij op bezoek.

Mijn ouders hadden als verjaardagscadeau het nieuwste boek van Pieter Waterdrinker voor mij meegenomen, ‘Tsjaikovskistraat 40’ (2017), een boek dat net uitgekomen was en waar mijn moeder een razend enthousiaste recensie in dagblad Trouw van had gelezen.

Pieter Waterdrinker kende ik wel van naam, maar ik was er nooit aan toegekomen iets van hem te lezen. Achteraf is dat tot op zeker hoogte een raadsel te noemen. Net als ik had de vier jaar oudere Waterdrinker in Amsterdam Russisch gestudeerd en had hij de achternaam van zijn moeder aangenomen als schrijversnaam. Ik was via allerlei omwegen in het onderwijs beland en daar ook weer vertrokken, Waterdrinker was halverwege de jaren negentig mede vanwege zijn liefde voor Julia Klochkova en het feit dat hij Philippe Remarque opvolgde als correspondent voor De Telegraaf in Moskou beland. Overigens was Philippe Remarque een oud-studiegenoot van mij die het later nog zou schoppen tot correspondent van De Volkskrant in onder andere Berlijn en Washington. Hij zou zijn glorieuze loopbaan bij De Volkskrant eindigen als hoofdredacteur. Maar laat ik mij hier beperken tot Pieter Waterdrinker.

Je zult begrijpen dat ik door mijn kwetsuur aan het bed gekluisterd was. Na het vertrek van mijn ouders begon ik gelijk te lezen in ‘Tsjaikovskistraat 40’: “Op een late oktoberochtend in het jaar 1988 vroeg een heerschap uit Leiden mij of ik in staat was een kleine zevenduizend bijbels af te leveren in de Sovjet-Unie”. Ik zat na één zin al in het verhaal en sloeg het boek de volgende ochtend pas dicht toen ik het uit had. Geslapen had ik niet. Met de zaklamp op mijn mobiele telefoon had ik ’s nachts in de verduisterde ziekenzaal door kunnen lezen. De morfine zorgde ervoor dat ik in een voortdurend wakkere en euforische stemming bleef. Door de valium was ik volkomen ontspannen. Van vermoeidheid was geen sprake.

Nu was het een feit dat ik al bijna 52 jaar op deze aardkloot rondliep (behalve de laatste twee dagen dan en o ja, wellicht ook de eerste zoveel maanden van mijn eerste levensjaar). In mijn leven had ik vele duizenden boeken gelezen en ik dacht dat ik de wereldliteratuur, maar zeker de Nederlandse literatuur, wel zo’n beetje in mijn hoofd had. Om wat voor raadselachtige reden dan ook was ik in al die jaren nooit gestuit op een boek van Pieter Waterdrinker, die al in 1998 zijn eerste roman ‘Danslessen’ publiceerde en daarna nog zeker zeven romans en drie verhalenbundels het licht liet zien?

Na het lezen van het magische, betoverende en fantastisch geschreven boek ‘Tsjaikovskistraat 40’ wist ik dat ik van deze schrijver alles wilde lezen, zijn werk een speciale plek in mijn huis geven op de bovenste plank van mijn mooiste boekenkast, waarin uitgebreide collecties staan van favorieten als Dostojevski, Reve, Camus en Philip Roth. Sterker nog, ik wist zeker dat ik hem ook zou gaan schrijven en ontmoeten.

Waterdrinker toont zich in ‘Tsjaikovskistraat 40’ een taalvirtuoos, een uitmuntend historicus en een rasverteller die alle losse eindjes perfect aan elkaar verbindt.

In tijden had ik niet zo’n goed boek gelezen. Ik was niet alleen buitengewoon enthousiast, ik was haast verbijsterd dat we in het Nederlandse taalgebied over een schrijver van het allerhoogste niveau beschikten waar relatief weinig aandacht werd besteed. Waterdrinker schrijft in ‘Tsjaikovskistraat 40’ over de dood, die altijd om je heen danst in de vorm van gestorven ouders en vrienden, het aftellen naar je onherroepelijke eigen dood, de onmogelijke liefde, de dood van een geliefde, de dood van een kind, de intens corrupte en schijnheilige en schaamteloze wereld waarin we leven, de dood op krediet die voor veel mensen een dagelijkse bezigheid is in de vorm van alcohol, drugs en sigaretten, de ontoereikendheid van de menselijke liefde, het najagen van wind in de vorm van mechanische seks.

Nooit is Waterdrinker pathetisch. Met enorm veel vaart, humor en zelfspot vertelt hij zijn vele verhalen over de menselijke conditie, die vaak gevormd wordt door de waan van de dag, de waan van het moment en weinig hoop biedt voor de toekomst. Tegelijkertijd vindt hij troost in het kleine; arme kinderen die dolblij zijn met een nieuwe speelplaats, de liefde voor poezen, het genieten van een heerlijke kop koffie in de ontbijtzaal van een hotel.

Pieter Waterdrinker blijft steeds dichtbij zichzelf. Of hij nu de reisleider uithangt op de Wolga, of in het midden staat van het geweld in het Kiev van 2014. En dan is daar altijd zijn vrouw Julia Klochkova, die op haar manier al een kwart eeuw een blind vertrouwen heeft in haar geliefde. Overigens draagt Pieter Waterdrinker al zijn boeken aan haar op. Dat zegt veel.

‘Tsjaikovskistraat 40’was eind 2017 nog niet de enorme bestseller die het in de loop van 2018 zou worden. Waterdrinker was nog niet de bestsellerauteur die in 2018 de grote eer kreeg om op te treden in het zomerse televisieprogramma ‘Zomergasten’ en overal voor uitverkochte zalen lezingen gaf.

Via via kwam ik achter het emailadres van Pieter Waterdrinker en besloot hem een lovende mail te sturen waar hij een paar dagen later uitgebreid en sympathiek op reageerde. We werden vrienden op Facebook en Twitter.

Omdat ik een van de eersten was die ‘Tsjaikovskistraat 40’ had gelezen kon ik niet alleen zijn herdrukte boeken dezelfde dag bestellen, ook titels, waaronder zijn eerste drie romans, die nooit herdrukt waren, kon ik nog dezelfde dag voor een bedrag van rond een tientje via de website boekwinkeltjes.nl aanschaffen. Die eerste drukken zijn inmiddels goud waard en worden tegenwoordig op dezelfde site voor soms honderden euro per titel aangeboden. Binnen een paar dagen bezat ik de eerste druk van elk boek van Pieter Waterdrinker.

Zijn debuutroman ‘Danslessen’ werd pas in 2019 na ruim 20 jaar herdrukt. Ik neem aan dat zijn twee respectievelijke volgende romans ‘Liebman’s ring’ (2001) en ‘Een Hollandse romance’ (2003) ook binnen afzienbare tijd een herdruk zullen krijgen.

In het Noordwest Ziekenhuis las ik in ruim een week tijd behalve ‘Tsjaikovskistraat 40’ de eerste vier titels van Waterdrinker. Toevallig kwam ik in het trotse bezit van eerste drukken van ‘Liebman’s ring’ en ‘Poubelle’ (2016), gesigneerd en met opdracht. Dolgelukkig was ik met het dunne boekje ‘Zingen met Biesheuvel’ (2015), een verhaal dat voor het eerst in 2007 in het ‘Hollands Maandblad’ was verschenen, maar ter gelegenheid van de invoering van de J.M.A. Biesheuvelprijs in 2015 bibliofiel in slechts 140 exemplaren door uitgeverij Avalon werd uitgegeven. Het verhaal werd pas in 2018 voor het eerst gebundeld in de verhalenbundel ‘Een dame in Kislovodsk’ (2018), een bundel die naast zes nooit eerder gebundelde verhalen negentien verhalen bevat die eerder verschenen in de verhalenbundels ‘Kaviaar en ander leed’ (2000), ‘Montagne Russe’ (2007) en ‘De Correspondent’ (2014).

Ik wist zeker dat er een gelegenheid zou komen dat ik Pieter Waterdrinker zijn handtekening kon laten zetten in mijn exemplaren van zijn werk.

In de loop van de maand december 2017 las ik stug door in het oeuvre van Waterdrinker. Op Oudejaarsavond sloot ik mij op in mijn studeerkamer om zijn meeslepende, tragische en hilarische roman ‘De dood van Mila Burger’ (2010) uit te lezen, waarmee ik alle titels van Pieter Waterdrinker gelezen had. Pas om vijf minuten voor middernacht had ik het boek uit en begaf me onder het drinkende en lallende gezelschap dat mijn vrouw die avond bij ons thuis uitgenodigd had. Onze gasten waren verbaasd dat ik überhaupt thuis was (“We dachten dat je weer in het ziekenhuis lag”).

Omdat Pieter Waterdrinker een globetrotter is die vooral in Rusland woont en werkt was een ontmoeting met Pieter Waterdrinker niet op de meest eenvoudige manier te regelen: voor zijn huis rondhangen in Sint-Petersburg met een boek in de hand van de meester en daar net zo lang blijven wachten totdat hij tevoorschijn zou komen. Ik had geen zin om te veel in de huid te kruipen van de geobsedeerde stalkende fan en moest daarbij direct denken aan Mark David Chapman, die tegen elf uur in de avond van 8 december 1980 John Lennon executeerde op het moment dat hij het Dakota Building in New York betrad, waar Lennon enkele luxe appartementen aan het Central Park bewoonde, uren nadat Lennon op ongeveer dezelfde plek zijn handtekening op Chapman’s exemplaar van Lennon’s comeback album ‘Double Fantasy’ had gezet. Daarnaast wist ik dat Waterdrinker naast zijn woning in de Tsjaikovskistraat 40 ook een appartement in Moskou bezat, in de buurt van het Rode Plein, waar hij regelmatig verbleef, dus liep je als geobsedeerde fan het risico om dagen- of wekenlang voor het verkeerde huis te staan posten. Nee, eenvoudiger was het om uit te zoeken waar Waterdrinker in Nederland zijn opwachting zou maken.

Ik kwam erachter dat Pieter Waterdrinker al jaren met veel plezier lezingen gaf in boekhandel Broekhuis Hengelo, gevestigd aan de Wemenstraat 45 in het exotische Twente. Deze prachtige boekhandel is één van de vijf boekwinkels van de flamboyante “Boekenkoning van het Oosten” Kees Schafrat en de werkplaats van de sympathieke inkoper Erik Hoekstra. Dat het niet overal kommer en kwel is in ‘Boekenland’ bewijst Kees Schafrat door in zijn Saab 93 cabrio stad en land af te rijden op zoek naar nieuw talent of om bezoeken af te leggen bij grootheden uit de Nederlandse literatuur, waar hij soms letterlijk kind aan huis is.

In dezelfde week dat Pieter Waterdrinker een lezing zou geven in boekhandel Broekhuis Hengelo werd bekend dat Pieter Waterdrinker op zaterdag 24 februari 2018 om twee uur in de middag een prettig gesprek zou voeren met de grote slavist en schrijver Michel Krielaars in het audiotorium van de Amsterdamse Hermitage aan de Amstel. Daar zou ik heengaan. Daar zou ik Pieter Waterdrinker gaan ontmoeten om hem een handvol handtekeningen te laten zetten in zijn debuutroman ‘Danslessen’, het bibliofiele ‘Zingen met Biesheuvel’ en het boek waar het voor mij allemaal mee begonnen was, ‘Tsjaikovskistraat 40’.

Op die bewuste middag was ik ruim een half uur voor het optreden van Waterdrinker aanwezig in De Hermitage. Een telefoontje eerder in de week naar de receptie van het museum had mij geleerd dat de lezing zou plaatsvinden in het auditorium op de eerste verdieping van het museum. Een museumjaarkaart was niet nodig, er werd geen entree geheven en men hoefde niet te reserveren.

Bij mijn binnenkomst in de entreehal van De Hermitage zag ik Pieter Waterdrinker druk gesticulerend praten met twee vrouwen van middelbare leeftijd die zonder twijfel als slecht geïnformeerde vrijwilliger achter de receptie van het museum hadden plaatsgenomen.

‘Ik geef een lezing om twee uur, over een half uur, hier in De Hermitage!’ riep Pieter Waterdrinker licht geïrriteerd uit.

De twee vrouwen van middelbare leeftijd wisten van niets: ‘Lezing? Waar? Wie bent u dan? Hoe laat?’

Pieter Waterdrinker: ‘Ik weet niet waar. Dat vraag ik aan u! Ik ben schrijver. Pieter Waterdrinker!’

Er ging maar geen belletje rinkelen bij de vrijwilligsters van middelbare leeftijd. De dames keken elkaar met hoog opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Pieter Waterdrinker? Schrijver? Nooit van gehoord.’

Ik moest me met de situatie bemoeien. Ik deed een stap voorwaarts maar keek nog steeds tegen de rug van Pieter Waterdrinker aan. Een van de twee dames achter de balie keek mij verward aan.

‘Mag ik even inbreken?’ zei ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Dit is de schrijver Pieter Waterdrinker.’ Ik wees naar de nu gebogen rug van Pieter Waterdrinker, die geagiteerd in een map vol papieren wroette die hij tussen zijn benen op de grond had gezet. ‘Over een half uur geeft hij een lezing in het auditorium op de eerste etage.’

De vrouw haalde haar schouders op en zei: ‘Daar weet ik niks van. Ik zie niks op mijn scherm staan. Deze man ken ik niet.’

‘Dit is de schrijver Pieter Waterdrinker,’ zei ik. ‘Over een half uur geeft hij een lezing in het auditorium op de eerste verdieping. Ik laat hem wel zien waar hij moet zijn, als u het niet weet.’

Pieter Waterdrinker keek verrast naar mij op.

‘Ik ben Peter Mabelus. Wij kennen elkaar via Facebook en Twitter,’ zei ik tegen hem. ‘Ik weet waar je moet zijn.’

De ogen van Pieter Waterdrinker begonnen opgelucht te twinkelen. Hij zuchtte diep, sloot zijn map vol papieren en richtte zich op.

‘Ja, wij kennen elkaar. Wat leuk om je te ontmoeten, Peter Mabelus,’ zei hij. Hij legde de klemtoon verkeerd. Hij legde de klemtoon op de “a” in plaats van op de “e”.

‘Het is Mabelus met de klemtoon op de “e” en niet op de “a”. Zullen we even gaan zitten?’ vroeg ik hem en wees op een rij leren bankjes, die zich op een meter of vier van ons bevond en tegen de muur van de binnenplaats van het museum geplaatst was.

Een paar seconden later zaten Pieter Waterdrinker en ik samen op een bankje in de hal van de Amsterdamse Hermitage. Niemand keek naar ons. We waren samen. Ik trilde van de zenuwen en verlangde kort terug naar de voorraad valium in de uitgeholde ananas van enkele maanden daarvoor. Hoe was mijn wereld veranderd sinds ik drie maanden eerder voor het eerst een boek van Pieter Waterdrinker las. Mijn hart klopte mij in de keel.

‘Je moet niet denken dat ik een stalker ben, Pieter. Ik ben gewoon een groot bewonderaar van je werk.’

‘Ben je in Rusland geweest? Heb je Russisch gestudeerd?’

‘Ja, Moskou en omgeving, de Krim. Ik heb ook een reis door Oekraïne gemaakt. Ja, ik heb ook Russisch gestudeerd. Ik heb een paar boeken meegenomen. Wil je die signeren?’

‘Natuurlijk,’ zei Pieter Waterdrinker, stak zijn rechterhand uit om het eerste boek van zijn hand in ontvangst te nemen en toverde met zijn andere hand uit de binnenzak van zijn colbert een vulpen tevoorschijn.

Ik pakte drie boeken uit mijn tas: de eerste druk van de bestseller ‘Tsjaikovskistraat 40’, de eerste druk van zijn debuutroman ‘Danslessen’ en de bibliofiele uitgave van ‘Zingen met Biesheuvel’.

Pieter Waterdrinker zag alleen zijn laatste boek, pakte die van mij aan en schreef voorin: “Amsterdam, 24 februari 2018. Voor Peter Mabelus, geestgenoot in Russische gronden! All the best, Pieter, gevolgd door zijn handtekening.

‘Ik heb nog twee boeken bij me.’

‘Kan dat even snel?’ vroeg Waterdrinker. ‘Ik moet naar boven voor het geluid.’

‘Tuurlijk,’ zei ik en overhandigde hem de eerste druk van zijn debuutroman ‘Danslessen’ uit 1998. Zeldzaam, geliefd en gewild.

Pieter Waterdrinker keek even met een brok in zijn keel naar zijn fysieke debuut in zijn hand en zette er daarna zijn handtekening in. ‘Die heb ik lang niet gezien.’

Op het moment dat ik de bibliofiele uitgave van ‘Zingen met Biesheuvel’ overhandigde kraaide hij verbaasd uit dat hij “die zelf niet eens had” en zette vervolgens zijn handtekening in het boekje.

Ik zoog elke seconde van deze ontmoeting in mij op en besefte opeens dat de mobiele telefoon die ik bij me had ook een camerafunctie bevatte. Zou ik modern en plat een foto van deze ontmoeting maken? Ja, dat zou op de een of andere manier onze ontmoeting bezegelen. Ik pakte mijn telefoon uit de binnenzak van mijn jas.

‘Weet jij hoe zo’n ding werkt?’ vroeg ik Pieter Waterdrinker.

‘Ja, zo,’ zei hij, pakte de telefoon uit mijn hand, drukte op een paar toetsen en hield de telefoon in de selfiestand op een armlengte van onze hoofden.

‘Say, cheese!’ riep Waterdrinker en drukte af.

‘Ik moet naar boven. Ik zie je waarschijnlijk nog wel na de lezing.’

Pieter Waterdrinker stond op van de bank en liep naar de trap die hem naar het auditorium op de eerste verdieping van de Amsterdamse Hermitage zou brengen. Om het geluid te testen en het hele gesprek met zijn interviewer, de geniale slavist en schrijver Michel Krielaars, door te nemen.

Om twee uur, op het moment dat de “lezing” begon, zat ik ergens alleen in het midden van de voor een kwart gevulde zaal. Er werd wodka en kaviaar aan het aanwezige publiek geserveerd, maar ik dronk in die tijd niet en sloeg de kaviaar ook over. Ik leefde in die tijd als een asceet en woog slechts zeventig kilo.

De lezing was geen lezing. Michel Krielaars gooide een balletje op waarna Pieter Waterdrinker eindeloos anekdotes ophoestte over zijn leven in Rusland, om te kunnen vertellen dat het nieuwe Rusland een absurd land is waarin rijke Russen vijf miljoen dollar aan een willekeurige Nederlander geven om ergens een park aan te leggen, omdat hij als Nederlander wel de contacten zal hebben om een park aan te laten leggen. Vervolgens gaat de verbouwereerde Nederlander terug naar Nederland waar hij een groot hoveniersbedrijf vindt om de opdracht uit te voeren voor vier miljoen dollar. Een miljoen winst. Deze werkwijze is de gewoonste zaak van de wereld in een land waar de corrupte jetset het vernederend vindt om niet in een privéjet maar in een lijntoestel te moeten vliegen. Kleuters zouden in Rusland een roze Hummer met een privéchauffeur voor hun verjaardag krijgen. En zo maar door.

Na de lezing pufte Pieter Waterdrinker uit met zijn vrouw Julia Klochkova en de ook in Zandvoort geboren schrijver L.H. Wiener, die tijdens de lezing links op de eerste rij bleek te hebben gezeten.

Pieter Waterdrinker was druk in gesprek met Wiener. Ik wendde mij tot gespreksleider Michel Krielaars.

‘Je hebt het goed gedaan, Michel. Het was erg onderhoudend.’

‘Wie ben jij?’

‘Peter Mabelus. De schrijver.’

‘We zijn toch Facebookvrienden?’

‘Klopt.

Onbekend's avatar

Mijn correspondentie met de edelmoedige Arnon Grunberg

Arnon Grunberg verdiept zich in porno | De Morgen

In mei 1994 verscheen de debuutroman ‘Blauwe Maandagen’ van Arnon Grunberg (1971) bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

De schrijver Ronald Giphart (1965) was een van de eersten die het boek recenseerde. In zijn recensie in ‘Het Parool’ van 6 mei 1994, getiteld ‘Dit is geen zelfmoord, alleen maar wurgsex’ kwam Giphart superlatieven tekort om het boek de hemel in te prijzen: “Het is onvermijdelijk dat in een recensie een boek tekort wordt gedaan. Ik zou over ‘Blauwe Maandagen’ nog veel meer willen vertellen, over hoe onvoorstelbaar puntig het boek is, hoe wijs, maar ook hoe grappig. Ik moet het helaas houden bij de steekwoorden ‘droomdebuut’, ‘Librisprijs 1995’ en ‘allemaal lezen’.”

Op grond van de recensie van Giphart werd Arnon Grunberg uitgenodigd voor de talkshow van Sonja Barend, die op 14 mei 1994 opgenomen en uitgezonden werd. De nog zo jonge Grunberg stal met zijn ontwapenende optreden bij Barend de harten van veel televisiekijkers. ‘Blauwe Maandagen’ stond wekenlang op 1 in de bestsellerlijsten, herdrukken van het boek waren niet aan te slepen. In 2020 staat de teller op 40 drukken en de vertaalrechten van ‘Blauwe Maandagen’ werden aan veel landen verkocht. Het boek won de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en het Gouden Ezelsoor voor het best verkochte debuut.

Ik was een van de vele bewonderaars van het werk van Arnon Grunberg en probeerde alles van zijn hand te verzamelen, een onmogelijke missie gezien het grote aantal zeldzame, vaak dure en in kleine oplagen gedrukte bibliofiele uitgaven die van zijn hand verschenen.

We maken een sprong in de tijd. Het is 2011 en de literaire productie van Arnon Grunberg begint het tempo van de Franstalige Belgische veelschrijver Georges Simenon te benaderen. Het regent literaire prijzen rondom Grunberg en hij levert met name aan het begin van deze eeuw het ene na het andere meesterwerk af.

Als spel om te kijken hoe diep de lezer in de buidel wil tasten voor nieuw werk van Grunberg worden er werken aangeboden tegen licht astronomische bedragen. Zo werd het toneelstuk ‘Onze Paus’ (2007) slechts in een oplage van 69 exemplaren gedrukt en te koop aangeboden voor maar liefst 2000 euro. Sommige toneelstukken, zoals ‘De Hollanders’ in 2011, werden wel opgevoerd, maar nooit in boekvorm gepubliceerd.

Over mijn zoektocht naar deze laatstgenoemde werken, ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’, gaat dit stukje. Tweeduizend euro voor een toneelstuk; ik was niet arm en ik was niet rijk, maar met een huishouden dat bestond uit mijzelf, mijn vrouw en vier jonge kinderen kon ik het mij niet veroorloven om 2000 euro neer te tellen voor een toneelstuk in boekvorm. Aangezien ik ook de tekst van ‘De Hollanders’ in mijn bezit wilde krijgen, terwijl de tekst van dat toneelstuk nooit in boekvorm verschenen is, moest ik mij wel tot De Meester zelf wenden.

Grunberg schreef in die tijd (2011) elke dag een blog in het Engels op zijn website arnongrunberg.com en het was mij opgevallen dat hij vrijwel altijd reageerde op de opmerkingen van zijn lezers. Dit was de manier om contact te leggen met Arnon Grunberg. Op 12 februari 2011 besloot ik het eerste contact met Grunberg te leggen naar aanleiding van zijn blog ‘Funeral hall’:

2011/02/12 Amsterdam

Funeral hall

“What should I say?” I asked my mother.
“Say nothing,” my mother answered, “just shake their hands.”

Two hours after my arrival at Amsterdam Airport I accompanied my mother to a funeral parlor.
The husband of a good friend of hers had passed away.
A woman at the front desk asked us: “And what can I do for you today?” (My father was buried in Jerusalem; I do not recall any funeral hall. Jews like to bury their dead as quickly as possible.)

Inside the chapel a lady introduced herself to me three times in a row.
I saw an attractive young woman.
A man said to me: “We went to the same high school.”

Nabokov presumably said that “Lolita” was the record of his love affair with the English language.
I should write a record of my love affair with the funeral hall.

Om 23:04 uur, 12 februari 2011, besloot ik te reageren:

burning love

Would that be a story about burning love, or one that comes to a grinding halt?

said Peter Mabelus 12/02/2011 23:04.

Al na 36 minuten kwam Arnon Grunberg met een reactie:

Peter,

A story about among other things the funeral parlor itself, its employees etcetera.

said Arnon Grunberg 12/02/2011 23:40.

Mijn beleefde reactie 8 minuten later:

burning love revisited

Arnon,
It could be ‘Fawlty Towers’ in a Grunbergesque setting. I’m looking forward to it.

said Peter Mabelus 12/02/2011 23:48

Nadat ik gedurende een aantal maanden een vertrouwelijk contact met Arnon Grunberg had gelegd besloot ik mijn kaarten op 5 oktober 2011 om 23:09 uur ’s avonds op tafel te leggen. Mijn inzet was de tekst van de toneelstukken ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’ in bezit te krijgen. Ik had niet de illusie dat Grunberg mij gratis de boekuitgave van ‘Onze Paus’ zou toesturen (vraagprijs: 2000 euro), met een pdf-bestand of een Word-document zou ik tevreden zijn. Zoals eerder vermeld was de tekst van het toneelstuk ‘De Hollanders’ nooit gepubliceerd, dus was ik gedwongen om Arnon Grunberg direct te benaderen als ik de tekst in mijn bezit wilde krijgen:

Give us your work!

Dear Arnon,

You have a close following of readers of your work and the things you do. Why not make it easier to get access to the text of, for example, ‘De Hollanders’ and ‘Onze Paus’, than get it through expensive or impossible means? Is their a way? I would be very interested. Thanks and keep up the good work.

said Peter Mabelus 05/10/2011 23:09.

Arnon Grunberg reageerde 90 minuten later:

Peter,

‘Our pope’ is for sale. The text of my play ‘De Hollanders’ is not (yet) for sale. Please, be patient.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 00:39.

De volgende ochtend stuurde ik om 9:11 uur mijn antwoord:

Arnon,

I will be patient, but 2000 euros for a play is not an amount I can afford being a teacher with a family to take care for. Maybe you can send it to me as a gift, me being a big fan of your work since the old days.

said Peter Mabelus 06/10/2011 09:11.

Ruim een uur later kwam het antwoord van Grunberg:

Peter,

How much are you willing to invest?

said Arnon Grunberg 06/10/2011 10:28.

Mijn smeekschrift begon ruim twee uur later duidelijk vorm te krijgen:

Arnon,

I am willing to invest in my loyalty to buy your work as long as I can afford it. I don’t think I should invest in a gift.

said Peter Mabelus 06/10/2011 12:55.

Weer vier uur later kwam het bevrijdende antwoord:

Peter,

Please, contact Johannes (Johannes van Dam was in die tijd de persoonlijk secretaris/assistent van Grunberg) and I’m sure he will send you a pdf. No strings attached.

said Arnon Grunberg 06/10/2011 16:56.

Mijn opwinding en blijdschap was groot. Ik stuurde om 20:07 uur een mail naar Johannes van Dam:

Geachte Johannes,


Arnon heeft mij via zijn blog vandaag toegezegd de tekst van Onze Paus
en eventueel ook De Hollanders als pdf-bstand toe te sturen. Ik ben
dankbaar en vereerd. Zou jij mij de teksten toe kunnen sturen? Ik ben in
blijde verwachting. Bij voorbaat dank.

Vriendelijke groet,

Peter Mabelus

Een bedankje naar Arnon Grunberg om 20:17 uur:

Dear Arnon,

Thank you so much for your sincerity and kindness. I sent a mail to Johannes in Dutch and can’t wait to read your work.
I wrote a comment on your site on the publication of ‘De Mensendokter’. Now I know you truly are one.

said Peter Mabelus 06/10/2011 20:17.

De volgende dag ontving ik om 12:44 uur een mail van Johannes van Dam met als bijlagen de toneelteksten van ‘Onze Paus’ als pdf-bestand en ‘De Hollanders’ als Word-document:

Beste heer Mabelus,

Hierbij de tekst van ‘Onze Paus’.

Gelieve dit bestand niet te verspreiden.

Hartelijke groet,

Johannes

Beste heer Mabelus,

Hierbij ‘De Hollanders’.

Gelieve ook niet te verspreiden.

Hartelijke groet,

Johannes

Ik bedankte Johannes van Dam in een mail en besloot mijn queeste met een dankwoord aan Arnon Grunberg op zijn website:

Good luck and thanks

Dear Arnon,

Today I received Johannes’s copies of the plays. Thank you very much. I will read them, not exploit them. Til the next time, with kind regards.

Peter

said Peter Mabelus 11/10/2011 01:15.

Mijn toenmalige vriendin liet de tekst van het toneelstuk ‘De Hollanders’ in een luxe eenmalige gebonden editie drukken door Uitgeverij Chassis uit Rhenen. In de jaren die volgden kreeg ik de prachtige bibliofiele uitgave van ‘Onze Paus’ cadeau van een lezer. De digitale versies van ‘Onze Paus’ en ‘De Hollanders’ staan op een roodkleurige usb-stick in de vorm van een hartje die zich in een kluis op een geheime locatie bevindt.

Onbekend's avatar

Mijn ontmoetingen met de beste literaire journalist die Nederland ooit gekend heeft: Michael Zeeman

Als je in 2020 een stukje wilt schrijven over je ontmoetingen met de beste literaire journalist die Nederland ooit gekend heeft, Michael Zeeman (1958-2009), moet je ervan uitgaan dat niet al je lezers weten over wie je het hebt. Veel van mijn lezers zijn studenten en scholieren, die geen weet hebben van het fenomeen Michael Zeeman.

Ook wil ik hier opmerken dat ik eigenlijk geen twee ontmoetingen met Zeeman heb gehad, maar slechts een. Ons tweede treffen had meer iets weg van een haast spookachtige verschijning van Zeeman. Er was geen oogcontact, geen gesprek, ik voelde slechts een onheilspellende dreiging in de lucht hangen en ervoer de vondst van een pikzwarte fisherman’s hat op straat als een omen van de gebeurtenissen die nog moesten komen.

Ik kende Zeeman allereerst van de geweldige stukken die hij schreef voor ‘de Volkskrant’ (1991-2002). Eerst in de hoedanigheid van ‘Chef Kunst’. Na ernstige interne conflicten bij de krant werd hij weggepromoveerd naar de functie ‘redacteur van het Boekenkatern’. Daar zou hij tot grote bloei komen en onder andere het vertrouwen winnen van de kluizenaar en wellicht beste Amerikaanse schrijver van de laatste honderd jaar Philp Roth (1933-2018).

Later in de jaren negentig begon Michael Zeeman zijn televisieprogramma ‘Zeeman met boeken’, dat op de zondagochtend werd uitgezonden van 1995 tot 2002. In zijn programma liet Zeeman zien het hele oeuvre van degene die hij interviewde uiterst zorgvuldig te hebben gelezen. Hij stelde de beste vragen, soms heel technisch, soms heel persoonlijk. Zelfs de meest gesloten en zwijgzame schrijver moest zich overgeven aan de idolatrie en eruditie die Zeeman tentoonspreidde en liet het achterste van zijn tong zien. Het waren topinterviews en topdialogen. Er was haast sprake van liefde tussen interviewer en geïnterviewde. Elk interview leek ook een beetje over Michael Zeeman zelf te gaan.

Het enige gesprek dat ik met Michael Zeeman voerde vond rond het middaguur plaats op een zomerse dag in 2007. Ik werkte destijds als docent filosofie en geschiedenis op een middelbare school in het hart van Amsterdam. De school, die ik niet bij naam zal noemen, zou vlak na mijn vertrek in 2010 ten onder gaan aan een serie fatale affaires. Allereerst was daar het feit dat twee populaire mannelijke docenten maatschappijleer en economie hun handen niet thuis bleken te kunnen houden bij hun vrouwelijke mentorleerlingen, die vaak niet ouder dan een jaar of vijftien waren. Omdat de avances van de twee op diverse sociale media was vastgelegd bleek hun aanblijven al snel onhoudbaar. De school kwam verder in een slecht daglicht te staan omdat de remedial teacher op regelmatige basis harddrugs bleek te verkopen aan leerlingen. Vlak na haar arrestatie hing zij zich op in haar gevangeniscel. Zo komt boontje om zijn loontje. Vervolgens was daar nog een asbestaffaire; bij een renovatie van het schoolgebouw bleken hele karrevrachten asbest vrij te zijn gekomen, wat verzwegen werd door mijn directeur, een gefrustreerde lilliputter, die altijd gekleed ging in afzichtelijke kinderkleding, die ze bij de Zeeman en de Wibra placht te kopen. Tot slot bleken diverse docenten tegen forse betaling van de ouders van leerlingen complete werkstukken voor leerlingen te schrijven, zodat ze maar aan een diploma konden komen. Ik had op een zieke en corrupte school gewerkt.

Ik ben altijd blij geweest dat ik in die tijd blijkbaar intuïtief gevoeld heb dat de school waar ik werkte een immorele poel des verderfs was. Omdat ik was vertrokken voordat de stront de ventilator raakte kon ik mijn goede naam behouden.

Ach, het leven als docent op een middelbare school. Ik werd regelmatig knettergek van de drukke en ongeïnteresseerde leerlingen, die de les als het verlengstuk van de pauze zagen en hun mobiele telefoon als het verlengstuk van hun arm, het eeuwige gezeik aan mijn kop van mijn directeur over wat ik wel moest doen en niet moest doen in mijn lessen. Het was overduidelijk dat mijn baas niet kon accepteren dat er knappe en populaire docenten zoals ik op de school werkten, waar zij noch professioneel noch qua uiterlijk en populariteit aan kon tippen.

In de pauzes haastte ik mij altijd naar buiten om het dagelijkse gekwek van mijn collega’s over de uitzending van ‘De Wereld Draait Door’ van de avond tevoren te ontvluchten. Net buiten het schoolplein, aan de rand van de *gracht haalde ik dan een frisse neus door met smaak een sigaret te roken. Waar ik vervolgens ook commentaar van mijn directeur op kreeg. Het mag duidelijk zijn dat ik in die tijd van mijn hobby nog niet mijn werk gemaakt had.

Op een dag kwam Michael Zeeman aanlopen in het gezelschap van twee volgelingen. Hij liep voorop en keek onderzoekend naar het bordje waar de naam van de school op stond. Ik zei tegen Michael Zeeman: “Hier studeert de intelligentsia van morgen!” Zeeman riposteerde: “Dan kom ik morgen wel weer terug.” Een gevatter antwoord van de grootste intellectueel van Nederland had ik niet kunnen verwachten en glimlachend keek ik Zeeman met zijn volgelingen na, die hun tocht over de zuidelijke oever van de *gracht vervolgden. Even later klonk de bel voor de volgende les: vwo-leerlingen uitleggen wat de kennistheorie van de Pruisische filosoof Immanuel Kant (1724-1804) inhoudt; een paradigma in de filosofie.

De tweede en laatste “ontmoeting” met Michael Zeeman vond plaats aan het begin van een zonnige ochtend in de zomer van 2008 in de Getreidegasse, een van de grootste winkelstraten van de prachtige Tiroolse stad Salzburg, in het noorden van Oostenrijk, aan de zuidkant van de rivier de Salzach.

Mijn trouwe lezers weten dat ik de meeste dagen van mijn leven als een kluizenaar doorbreng in het Toscaanse gehucht Gombitelli, Frazione di Camaiore om aan mijn alsmaar uitdijende oeuvre te schrijven. De stad Salzburg is voor mij altijd de vaste tussenstop als ik van Nederland naar mijn Italiaanse huis reis of vice versa.

Voordat ik de reis naar mijn Toscaanse huis zou hervatten wilde ik eerst een pakje sigaretten kopen in de Getreidegasse. Het toeval wilde dat ik op weg naar de tabakswinkel overvallen werd door een hevige aandrang om een toilet te bezoeken. Ik liep net langs het geboortehuis van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), het Mozarthaus aan de Getreidegasse 9 (een van de grootste toeristische trekpleisters van Salzburg) en besloot daar snel naar binnen te gaan, omdat ik van vorige bezoeken aan het geboortehuis van een van de grootste muzikale genieën uit de geschiedenis van de mensheid precies wist waar het toilet zich in het gebouw bevond.

Ik had even later mijn broek nog niet laten zakken of, maar dat begrijp je wellicht wel. Uit kleine boxjes die in het plafond van het toilet weggewerkt waren klonk het ‘Requiem’, de beroemde dodenmis van Mozart. Omdat mijn ouders mij in mijn jeugd hadden gehersenspoeld met klassieke muziek kon ik het deuntje van Mozart luid meezingen: “Lacrimosa dies illa qua resurget ex favilla judicandus homo reus” (“Onze-Lieve-Vrouw van Smarten stijgt op uit de as om beoordeeld te worden”).

Ja, Mozart valt niet te ontwijken in Salzburg: van chocoladelikeur tot T-shirt, van kookwekker tot pennenhouder en van golfbal tot de ook niet te ontwijken chocoladeronde Mozartkugeln die per exemplaar in gouden folie zijn gewikkeld, het is Mozart wat de Mozartklok (vanaf 20 euro in de goedkoopste plastic versie) slaat in Salzburg. De webwinkel op de site van het Mozarthaus telt alleen al 67 pagina’s aan Mozart gerelateerde handelswaar.

Een paar minuten later stond ik weer buiten in de Getreidegasse en vervolgde mijn tocht naar de tabakswinkel. Als ik die dag het toilet in het Mozarthaus niet bezocht zou hebben had de tweede “ontmoeting” met Michael Zeeman niet plaatsgevonden. Zo ziet u maar, Mozart heeft niet voor niets geleefd.

Op het moment dat ik enkele minuten later met een slof sigaretten de tabakswinkel in de Getreidegasse verliet zag ik een spiksplinternieuwe glimmende zwarte fisherman’s hat op de grond voor mij liggen. Ik zakte door mijn knieën om de fisherman’s hat van de grond te rapen. Mijn aandacht werd tegelijkertijd getrokken door een man die verwilderd en gehaast op mij af kwam lopen. Het was Michael Zeeman. Hij droeg een pak, maar zijn overhemd hing uit zijn broek, zodat hij er niet bepaald als een heer uitzag. Zijn blik schoot haast paniekerig langs de gevels van de huizen aan de Getreidegasse.

Hoe kan ik uitleggen dat de vondst van het glimmend zwarte hoofddeksel op het moment dat Michael Zeeman in mijn blikveld verscheen mij de rillingen over de rug deden lopen? Had het te maken met de gitzwarte kleur van het hoofddeksel dat ik in de Getreidegasse van de grond raapte? Was de kleur zwart immers niet de kleur van de dood? Had ik even tevoren niet het ‘Requiem’ van Mozart op het toilet van het Mozarthaus horen klinken? Het leek alsof ik de aanwezigheid van de aankondiging van een naderende dood in de lucht voelde trillen. Was het de vroegtijdige dood van Wolfgang Amadeus Mozart? Ging het om mijn eigen dood? De dood van Michael Zeeman? De dood van iemand anders? Even later was de grootste literaire journalist van Nederland aller tijden voorbij en stak de Hagenauerplatz over op weg naar nieuwe avonturen.

Later bleek dat de dood Michael Zeeman op de hielen zat. Binnen een jaar na zijn verschijning in Salzburg werd hij als 50-jarige begraven op de Algemene Begraafplaats Crooswijk aan de Kerkhoflaan in Rotterdam. Michael Zeeman overleed op 27 juli 2009, een maand nadat er bij hem een agressieve hersentumor werd geconstateerd.

Ergens las ik dat in de gang van zijn woning in Rome zijn ingepakte koffers klaarstonden om mee te worden genomen naar het ruimere appartement dat hij in Berlijn zou gaan bewonen. In plaats van een enkeltje Berlijn werd Michael Zeeman getrakteerd op een enkeltje hiernamaals.

Onbekend's avatar

Mijn ontmoeting onder 4 ogen met Henny Vrienten

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon, een muziekinstrument bespelen, de tekst 'berbera.n'

Ik herinner het mij als de dag van gisteren, maar het spannende verhaal dat ik jullie ga vertellen vond plaats aan het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw, op de kruising van het Rokin en de Langebrugsteeg in Amsterdam, vlakbij het Ruiterstandbeeld Koningin Wilhelmina.

Ik stond te wachten op het moment dat ik het Rokin over kon steken, met mijn fiets aan de hand, toen Henny Vrienten, voorman van de in Nederland wereldberoemde band Doe Maar, naast mij tot stilstand kwam om hetzelfde te doen.

Op het moment dat wij dachten dat we konden oversteken werden we afgesneden door een enorme vrachtwagen van de Aldi die naar rechts afsloeg. Henny Vrienten maakte verontwaardigd oogcontact met mij en zei: ‘Nou, nou.’

Ik knikte en zei: ‘Ja, het is wat.’

Onbekend's avatar

Hoe ik de kolossale fouten uit ‘De Amerikaanse prinses’ van Annejet van der Zijl liet verwijderen (en daar niets voor terugkreeg)

Annejet van der Zijl - Wikipedia

Afgelopen week las ik een bericht in de krant waarin te lezen stond dat de voorbereidingen voor de productie van een grote internationale televisieserie gebaseerd op de bestseller (meer dan 200.000 verkochte exemplaren) ‘De Amerikaanse prinses’ van Annejet van der Zijl begonnen zijn. Het lezen van dit bericht deed mij pijn, omdat het mij terug deed denken aan de grote literaire affaire waarin ik vlak na het uitkomen van het boek, aan het einde van 2015, verzeild was geraakt.

Op 24 april 2017 voelde ik dezelfde pijn toen bekend werd gemaakt dat Joop van den Ende de filmrechten van ‘De Amerikaanse prinses’ had gekocht. In het persbericht werd geen melding gemaakt van het bedrag dat Joop van den Ende aan Annejet van der Zijl had overgemaakt. Dat het om een bedrag van zeven cijfers moet zijn gegaan lijkt me geen wilde gok.

Wat was er in de laatste maand van 2015 precies gebeurd tussen Annejet van der Zijl en mij dat ik sindsdien door een gevoel van teleurstelling overvallen werd zodra ik haar naam hoorde vallen? Op het schoolplein, als ik mijn kinderen in de ochtend naar school bracht. In de rij voor de kassa van een supermarkt. Op het moment dat ik haar boek in de handen van een vliegtuigpassagier zag, die aan de andere kant van het gangpad in het vliegtuig zat op weg naar Kathmandu, waar ik research ging verrichten voor mijn roman ‘Kathmandu Hipsters’, steeds opnieuw werd ik overvallen door een gevoel van diepe teleurstelling in mijn collega Annejet van der Zijl. Als ik een stapel ‘Amerikaanse prinsessen’ zag liggen in de lokale AKO wist ik niet hoe snel ik mijn hoofd af moest wenden om niet weer geconfronteerd te worden met die afschuwelijke literaire affaire van december 2015.        

De literaire affaire tussen mij en Annejet van der Zijl was als volgt begonnen. Als groot liefhebber van het werk van Annejet van der Zijl had ik ‘De Amerikaanse prinses’ al op de dag van publicatie gekocht en gelezen. Het had mij verbaasd dat er enkele grote fouten in de tekst stonden. Vooral verbazingwekkend als je achterin het boek het leger aan researchers vermeld ziet staan dat haar geholpen heeft bij de totstandkoming van het boek. Ik voelde mij geroepen om Annejet van der Zijl te wijzen op de fouten in haar boek, zodat die in de eerstvolgende druk van het boek gecorrigeerd zouden kunnen worden.

Op de website van Annejet van der Zijl las ik: “Per post is Annejet te bereiken via het postadres van de uitgeverij, per mail via Sefanja Nods op onderstaand contactformulier.”

Via Google kwam ik er al snel achter dat Sefanja Nods al sinds de jaren negentig – beiden werkten destijds bij HP/De Tijd – vriendin is van Annejet van der Zijl. ‘De Amerikaanse prinses’ is zelfs aan Sefanja Nods opgedragen.

Ik stuurde een mail naar Sefanja Nods om Annejet van der Zijl te bereiken:

24 dec. 2015 om 10:04 heeft petermabelus@ het volgende geschreven:

Beste Annejet van der Zijl,

Ik heb genoten van je prachtige boek ‘De Amerikaanse prinses’. Als historicus vielen mij echter een paar storende fouten op:

Op pagina 105 van de tweede druk van ‘De Amerikaanse prinses’ (e-book) heb je het in het hoofdstuk “Hondengevecht” over de “bolsjewistische Februarirevolutie” in het Rusland van 1917. De Februarirevolutie was echter een volksopstand, die niets met de bolsjewieken van Lenin te maken had. Van een bolsjewistische revolutie is pas sprake in oktober 1917, al zijn de meeste historici het er tegenwoordig over eens dat je  de Oktoberrevolutie van 1917 beter een communistische staatsgreep dan een revolutie kunt noemen.

Op pagina 184 van jouw boek dateer je de “Anschluss”, het opgaan van Oostenrijk in Nazi-Duitsland, in 1936, waar dat 1938 moet zijn. Deze verstoring van de chronologie ondermijnt de loop van het verhaal en laat de lezer in verwarring achter.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

Datum : 27/12/2015 09:28

Aan: petermabelus@

Onderwerp : correcties

Beste Peter,

Namens Annejet dank voor je vriendelijke mail en je correcties zijn inmiddels naar de drukker gestuurd. Jouw correcties worden doorgevoerd in de volgende druk.

Met vriendelijke groet,

Sefanja Nods

27 dec. 2015 om 13:52 heeft petermabelus@ het volgende geschreven:

Beste Sefanja,

Ik neem aan dat ik nu ook in het dankwoord, achter in het boek, van de volgende druk kom te staan. Het is me namelijk opgevallen dat er aan het einde van boek vele tientallen mensen worden bedankt voor het uiteindelijke welslagen van het boek. Het zou toch een kleine moeite voor Annejet van der Zijl zijn om mijn naam daar tussen te zetten? Bovendien zou het getuigen van fatsoen en mijn loopbaan als schrijver een enorme “boost” kunnen geven.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

27 dec. 2015 om 17:10 heeft Sefanja Nods het volgende geschreven:

Beste Peter,

Nou, dat zou toch echt te weinig eer zijn. Haha, ik denk wel dat Annejet haar volgende boek aan jou zal opdragen, hoor.

Groetjes, Sefanja

Verstuurd vanaf mijn iPhone

27 dec. 2015 om 18:23 heeft Peter Mabelus het volgende geschreven:

Beste Sefanja,

Of haar volgende boek over mij zal schrijven? Mijn biografie op petermabelus.com levert genoeg stof voor een nieuwe bestseller.

Ik snap niet zo goed wat er te lachen valt, Sefanja. Het is toch een kleine moeite voor Annejet van der Zijl om een biografie van mij te schrijven. Zij doet niet anders. Dat is goed voor haar winkeltje en goed voor mijn winkeltje. Vergeet niet dat Annejet van der Zijl slechts de zorg heeft te dragen voor een hond en een man en ik samen met mijn geliefde vier kinderen aan het opvoeden ben, als ik niet in mijn werkkamertje achter de wasruimte op de vliering zit te schrijven.

Ik kan ook een gesigneerd exemplaar van “De Amerikaanse prinses” (met correcties) op komen halen in Bergen. Ik woon in Alkmaar. Dat is voor mij een kwartiertje fietsen. En dan op de thee om over schrijven en geschiedenis te kletsen. Of over haar hond, als ze dat prettiger vindt.

Hartelijke groet,

Peter Mabelus

Daarna heb ik niets meer van Sefanja Nods of Annejet van der Zijl gehoord.

Misschien voelt Annejet van der Zijl na het lezen van dit stukje wroeging over de manier waarop zij mij (niet) behandeld heeft. Dat kan ik mij heel goed voorstellen. Ik wil genoegen nemen met het spelen van de rol van prins Bernhard in de aanstaande verfilming van ‘De Amerikaanse prinses’.

Als het zover komt ga ik niet net als prins Bernhard elke dag beginnen met een pijpje Heineken Bier. Zou het mogelijk zijn dat het flesje Heineken Bier eerst wordt geleegd in de gootsteen, daarna grondig wordt gereinigd onder de kraan en vervolgens wordt gevuld met Ginger Ale of Goudappeltje? Op die manier hoeft de historische werkelijkheid geen kwaad te worden aangedaan. Ik denk dat je inmiddels wel begrijpt dat ik aan het laatste zeer veel waarde hecht.

Onbekend's avatar

Hoe het leven 1 zin kan hebben

Als je altijd in het hier en nu leeft, heb je het eeuwige leven, want vroeger is dood en de toekomst bestaat niet, in het hier en nu mag je blind vertrouwen op een kloppend hart en ademende longen, omdat alles wat leeft niet wil sterven, alles wat leeft wil vitaler worden, alles wat leeft wil zich voortplanten en zodra we de natuur zijn gang niet meer laten gaan, zoals bij het fokken van nertsen, het uitroeien van mensapen en het met siliconen opvullen van ijdele vrouwen, die net als al het andere wat leeft op weg zijn naar de dood, die voor alles wat leeft de uiteindelijke beloning van een voortdurend leven in het hier en nu zal zijn.

120w.nl. Schrijfthema voor week 46: beloning

Onbekend's avatar

5 sterren recensie: “De liefde verdampt in het schrijfproces”

Afbeelding kan het volgende bevatten: 1 persoon

Hoe ik liefde vergat te geven is een bundel met verhalen die doorweekt zijn met passie, seks, alcohol, drugs en zoveel meer. De auteur slaagt in zijn opzet om de verhalen zonder franjes, zowaar plastisch en bombastisch in je schoot te werpen. Hoe meer tastbaar de situaties, de verhoudingen, de personages zijn, des te meer kwam de liefde niet echt bovendrijven. De titel had dit effect op mij toen ik deze voor de eerste keer las. Peter Mabelus’ verhalen voelen precies aan alsof hij ze gedistilleerd heeft uit hun diepere betekenis. De liefde is als het ware verdampt in het schrijfproces.

De bundel is uniek samengesteld, met net voldoende verhalen. Ze zijn zo evenwichtig geplaatst, dat het voelt alsof ze daar gewoon altijd hun plek hebben gehad. De gesprekken met Peter Mabelus zijn volgens mij de literaire lijm die deze verhalen doen samenkleven.

In sommige verhalen wordt de sekse van het hoofdpersonage expliciet weggelaten. Hier geeft de auteur ruimte aan de lezer om zelf te bepalen hoe relevant het geslacht precies is. Zo denk ik als lezer ook harder na over welk gedrag precies als mannelijk of als vrouwelijk bestempeld kan worden. Hier speelt de auteur in op de interpretatie van de lezer, wat ik bijzonder knap vind.

De maatschappijkritische verhalen werken bij mij diverse gevoelens los: verwarring, kwaadheid, gejaagdheid, spanning, angst, blijheid, … Ecologie, dierenleed, wanhoop, dagdromen, psychische kwetsbaarheid, verslaving, …: geen enkel thema blijft overeind in deze verhalenbundel.
Op het eerste gezicht komt het op een subtiele, behapbare wijze binnen. Als je verder leest zit je recht middenin de spanning en geladenheid. Dit gaf mij een comfortabel gevoel, ik voel me door elk verhaal telkens opnieuw automatisch aangesproken.

De verhalen eindigen abrupt, waardoor het bij mij iedere keer blijft kleven. Vooraleer je jezelf kan afvragen hoe het verder zou gaan, zit je – hup- al in het volgende verhaal.
Deze verhalenbundel is een niet te missen ervaring voor lezers die houden van spanning & afwisseling met een flinke dosis erotiek en sensualiteit.

De verhalenbundel ‘Hoe ik liefde vergat te geven’ van Peter Mabelus krijgt van mij dan ook vijf sterren!

Johan Jetten op Hebban.nl, 10 november 2020